Posts tonen met het label pensioen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label pensioen. Alle posts tonen

25 augustus 2013

IJCLLIR, vol 29 (2013): 3de nummer uit

De inhoudstafel:

'Labour Trafficking in China: Analysis and Recommendations', Sophia Kagan, Issue 3, pp. 259–282

Despite the likely prevalence of trafficking for labour exploitation in China, law enforcement agencies focus narrowly on the two areas that the government regards as priorities for anti-trafficking activities: the elimination of the illegal adoption of babies and the sexual exploitation of women. Drawing on a review of Chinese legislation, analysis of reports and interviews with experts, this article examines the scale of trafficking for labour exploitation and the scope and effectiveness of the legislation drafted to combat this crime.

'The Principle of Effet Utile and Its Impact on National Methods for Enforcing the Rights of Posted Workers', Miriam Kullmann, Issue 3, pp. 283–303

Although Member States are largely free to decide how to monitor and enforce the rights of posted workers, they are nonetheless bound to comply with EU law. In doing so, Member States must adhere not only to the principle of effet utile, setting minimum requirements, but also to the limits imposed by the freedom to provide services, placing a ceiling on national methods. Member States adopt different enforcement methods, though generally the following three are to be found: the state-oriented, the judicial and the industrial relations enforcement methods. Starting from this distinction, the article analyses the relation between EU law and national law, examining cases in which national methods for enforcing the rights of posted workers have come under the scrutiny of the Court of Justice of the European Union. An attempt is then made to identify the Member States' room for manoeuvre.

'Mandatory Retirement in the EU and the US: The Scope of Protection against Age Discrimination in Employment', Anja Wiesbrock, Issue 3, pp. 305–324

This paper discusses the divergent approaches towards age discrimination in employment and mandatory retirement in the EU and the US. It challenges the perception that older workers seeking to work beyond the retirement age enjoy a significantly higher degree of protection from discrimination in the US. Even though US law strictly outlaws mandatory retirement, it does not adequately protect older employees form employer practices that are indirectly discriminatory and that may have the same effect as mandatory retirement provisions. When aiming for substantive equality, which not only prohibits mandatory retirement by law, but also prevents the practical effect of older employees being forced to retire against their will, it appears that US employees are in a similarly vulnerable position to their European counterparts.



'Integrative Employment and Social Security Rights', Lilach Lurie, Issue 3, pp. 325–347



Workers today face many labour market transitions (e.g., between work and caring for family members). This article is intended to make two main contributions to the ongoing debate on how the law should regulate labour market transitions. First, it aims to promote a better understanding of existing and theoretically possible employment and social security provisions by placing them on a spectrum of regulatory models, from individual to integrative regulation. Second, it examines the concept of Integrative Employment and Social Security Rights (IERs), as one of the models on the spectrum. IERs are legal rights that apply to workers in several or all labour market transitions (e.g., the right to request working reduced hours). The application of IERs has several justifications (e.g., promoting individual autonomy and fighting discrimination) tempered with considerations that would at times limit their usage (e.g., inefficiencies). By presenting the justifications for IERs as well as the limitations on their normative application, the article provides a possible roadmap for rethinking employment and social security law.



De volledige tekst van de artikelen is, tegen betaling, te vinden op de website van Kluwer Law Online.


30 september 2010

Opzeggingstermijn van zes maanden voor werknemer die pensioengerechtigde leeftijd nadert, niet strijdig met gelijkheidsbeginsel

GwH 30 september 2010, nr. 107/2010

De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of artikel 83, § 1 Arbeidsovereenkomstenwet de artikelen 10 en 11Gw. schendt, in zoverre voormeld artikel de opzeggingstermijn vaststelt op zes maanden indien door de werkgever ontslag wordt gegeven om aan de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst een einde te maken vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de bediende de leeftijd van vijfenzestig jaar bereikt, terwijl artikel 82 van die wet ten aanzien van bedienden die niet de leeftijd van vijfenzestig hebben bereikt, voorziet in de mogelijkheid om bij overeenkomst of door de rechter een langere opzegtermijn te bepalen wanneer het jaarlijks loon van bediende hoger is dan een bij wet bepaald bedrag.

De prejudiciële vraag betreft artikel 83, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (hierna : « WAO »), dat bepaalt :

"Indien het ontslag gegeven wordt om aan de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst een einde te maken vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de bediende de leeftijd van vijfenzestig jaar bereikt, wordt de opzeggingstermijn in afwijking van artikel 82 vastgesteld op zes maanden wanneer het ontslag van de werkgever uitgaat. Deze leeftijd wordt tot zestig jaar teruggebracht en de opzeggingstermijn wordt tot drie maanden herleid wanneer het ontslag van de bediende uitgaat. De opzeggingstermijn die de werkgever of de bediende moet eerbiedigen, wordt tot de helft teruggebracht indien de bediende minder dan vijf jaar dienst telt in de onderneming. Voor de leden van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart worden de leeftijden van 65 en van 60 jaar vervangen door de leeftijd van 55 jaar.
Tijdens de in het eerste lid bepaalde opzeggingstermijnen geniet de bediende het voordeel van het bepaalde in artikel 85".
Artikel 83, § 1, van de WAO voert, in vergelijking met artikel 82 van de WAO, een onderscheiden regeling in inzake de opzeggingsmodaliteiten voor de categorie van bedienden aan wie ontslag door de werkgever wordt gegeven om aan de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst een einde te maken vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de bediende de leeftijd van vijfenzestig jaar bereikt. In tegenstelling tot het in het geding zijnde artikel, bepaalt artikel 82 van de WAO dat de door de werkgever in acht te nemen opzeggingstermijnen worden vastgesteld hetzij op drie maanden of een veelvoud van drie, hetzij bij overeenkomst gesloten ten vroegste op het ogenblik waarop de opzegging wordt gegeven, hetzij door de rechter, hetzij bij overeenkomst, gesloten ten laatste op het ogenblik van de indiensttreding van de bediende.

De in het geding zijnde bepaling werd oorspronkelijk ingevoerd bij artikel 45 van de wet van 21 november 1969 tot wijziging van de wetgeving betreffende de arbeidsovereenkomsten, dat bepaalde :
« Een artikel 15bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde geordende wetten [de bij het koninklijk besluit van 20 juli 1955 gecoördineerde wetten betreffende het bediendencontract] ingevoegd.
‘ Art. 15bis. Indien de opzegging wordt gegeven om aan de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst een einde te maken op het tijdstip waarop de bediende de normale leeftijd bereikt voor het volledig wettelijk pensioen, of daarna, wordt de termijn van opzegging in afwijking van het bepaalde in artikel 15 vastgesteld op zes maanden wanneer de opzegging van de werkgever uitgaat, en op drie maanden, wanneer zij van de bediende uitgaat. Deze termijnen worden evenwel tot de helft teruggebracht indien de bediende minder dan vijf jaar dienst telt in de onderneming.
Tijdens de in het eerste lid bepaalde opzeggingstermijnen geniet de bediende het voordeel van het bepaalde in artikel 17. ’».
Uit de memorie van toelichting bij de voormelde wet blijkt dat de invoering van verkorte opzeggingstermijnen naar aanleiding van de pensioengerechtigde leeftijd verband houdt met de invoering van de regel dat een ontbindende voorwaarde in een arbeidsovereenkomst die ertoe zou leiden dat het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een einde maakt aan de arbeidsovereenkomst, nietig is.

« Door de nietigheid uit te spreken van het beding, waarbij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een einde maakt aan de arbeidsovereenkomst, beperkt het ontwerp de mogelijkheden om een einde te stellen aan deze overeenkomsten uitsluitend tot de wettelijke modaliteiten.
[…]
Indien immers voormelde wetten de bedingen nietig verklaren waarbij de werkgever ertoe gemachtigd wordt de overeenkomst te beëindigen zonder sommige opzeggingstermijnen te eerbiedigen dan ligt de reden daarvan in het feit dat de wetgever de werknemer heeft willen beschermen op het ogenblik waarop deze de overeenkomst aanging. Op dat ogenblik kan er worden verondersteld dat hij vanwege de werkgever enige drukking zou kunnen ondergaan hebben. Deze reden geldt natuurlijk niet meer op het ogenblik dat de werknemer op het punt staat zijn werkgever te verlaten. De partijen mogen dan wederzijds van de wettelijke opzeggingstermijn afzien.
Bij ontstentenis van wederzijds akkoord zal er voortaan, behoudens dringende reden, een opzegging nodig zijn om aan de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst een einde te stellen wanneer de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Het recht opzegging te geven kan slechts worden uitgeoefend met inachtneming van een opzeggingstermijn.
[…]
Wegens de lange duur van de in acht te nemen opzeggingstermijn is het voor de partijen praktisch onmogelijk met volle kennis van zaken te beslissen op het ogenblik dat de opzegging normaal moet betekend worden, de ene of zij verder zal blijven arbeiden na de pensioengerechtigde leeftijd, de andere of zij nog beroep zal blijven doen op de bediende na diezelfde leeftijd.
De beslissing de dienstbetrekkingen na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd voort te zetten kan redelijkerwijze slechts worden genomen op het ogenblik dat deze leeftijd wordt bereikt.
Zelfs wanneer de partijen het erover eens zijn de bestaande arbeidsovereenkomst voort te zetten nadat de bediende de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, omdat zij er alle twee baat kunnen bij hebben, kan nochtans de arbeidscapaciteit van de bediende zeer snel afnemen, terwijl daarentegen de in acht te nemen opzeggingstermijn wordt opgevoerd of toch minstens behouden blijft.
Deze overwegingen hebben de Regering ertoe aangezet een versoepeling voor te stellen van de wettelijke bepalingen inzake eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst van de pensioengerechtigde bedienden.
[…]
De korte opzeggingstermijnen zijn bestemd om de tewerkstelling na de pensioengerechtigde leeftijd te vergemakkelijken. Zij zijn een uitzonderingsregeling waarvan de toepassing bijgevolg dient beperkt te zijn. Daarom mag van deze verkorte opzeggingstermijnen slechts worden gebruik gemaakt om een einde te maken aan de arbeidsovereenkomst bij het bereiken van de leeftijd waarop de bediende theoretisch een recht op volledig pensioen kan doen gelden. […] » (Parl. St. Kamer 1966-1967, nr. 407/1, pp. 18-21).
In de WAO werd de bepaling inzake de verkorte opzeggingstermijnen, zoals ingevoerd bij artikel 45 van de wet van 21 november 1969, overgenomen. In de parlementaire voorbereiding van de WAO werd over de regeling van de verkorte opzeggingstermijnen door de toenmalige minister van Tewerkstelling en Arbeid gesteld:

« Het artikel moet veeleer als een begunstiging van de bediende zelf worden gezien. Hierdoor wordt soms een grotere mogelijkheid gegeven om spijts het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd nog wat te blijven doorwerken » (Parl. St. Senaat 1977-1978, nr. 258-2, p. 150).
Bij artikel 15 van de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn en artikel 7 van de wet van 20 juli 1991 houdende begrotingsbepalingen, werd artikel 83, § 1, van de WAO vervangen door de nog steeds geldende wettelijke bepaling.
De voormelde wet van 20 juli 1990 heeft een einde gemaakt aan het algemene stelsel van de vaste pensioenleeftijd van vijfenzestig jaar voor mannen en zestig jaar voor vrouwen en heeft een flexibele pensioenleeftijd ingevoerd vanaf de leeftijd van zestig jaar. Daardoor diende artikel 83, § 1, van de WAO eveneens te worden gewijzigd, zonder dat het evenwel de bedoeling was de fundamentele beleidsopties achter artikel 83, § 1, van de WAO te wijzigen.

Het verschil in behandeling dat voortvloeit uit artikel 83, § 1, van de WAO berust op een objectief criterium, te weten de omstandigheid of de bediende die wordt ontslagen de leeftijd van vijfenzestig jaar bereikt of niet. Allereerst wordt opgemerkt dat de regeling van de verkorte opzeggingstermijnen vanaf de leeftijd van vijfenzestig jaar inherent is verbonden met het bereiken van de normale pensioenleeftijd, zijnde de leeftijd waarop de werknemer in principe aanspraak kan maken op een volledig rustpensioen in het stelsel van sociale zekerheid.
Dit verschil in behandeling berust op legitieme doelstellingen van sociale aard. De wetgever wilde, door het invoeren van de nietigheid van het ontbindende beding in de arbeidsovereenkomst wanneer de bediende de leeftijd van vijfenzestig jaar bereikt, de bediende die weldra de pensioengerechtigde leeftijd zou bereiken, beter beschermen. Door de invoering van de nietigheid van voormeld ontbindingsbeding zou een werknemer die de pensioenleeftijd bereikt en die reeds lange tijd in eenzelfde onderneming werkt, pas kunnen worden ontslagen mits naleving van artikel 82 van de WAO. Dit zou tot gevolg hebben dat een werkgever, indien die normale ontslagtermijnen van toepassing zouden zijn, soms jaren vooraf zou moeten beslissen over het al dan niet verder tewerkstellen van een bediende die de pensioenleeftijd bereikt.

Tevens is de in het geding zijnde bepaling in redelijkheid verantwoord. De toepassing van verkorte opzeggingstermijnen is enkel mogelijk wanneer de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd van vijfenzestig jaar nadert. De keuze voor de leeftijd van vijfenzestig jaar is niet arbitrair, maar stemt overeen met de pensioengerechtigde leeftijd, te weten de leeftijd waarop de werknemer recht heeft op een volledig rustpensioen. Bovendien bestaat er voor de werkgever geen verplichting om artikel 83, § 1, van de WAO toe te passen. Rekening houdend met het bepaalde in artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek, mogen de verkorte opzeggingstermijnen worden vervangen door opzeggingstermijnen die gunstiger zijn voor de werknemer. Die gunstigere opzeggingstermijnen kunnen voortvloeien, hetzij uit een collectieve arbeidsovereenkomst, hetzij uit een individuele overeenkomst.

Overigens sluit de richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep een regeling als vervat in de in het geding zijnde bepaling niet uit. In dit verband is het voldoende erop te wijzen dat naar luid van artikel 6, lid 1, eerste alinea, de lidstaten kunnen bepalen dat verschillen in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie vormen indien zij in het kader van de nationale wetgeving objectief en redelijk worden verantwoord door een legitiem doel en de middelen om dat doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn (HvJ, grote kamer, 16 oktober 2007, C-411/05, Palacios de la Villa, en HvJ, 5 maart 2009, C-388/07, Age Concern England).

De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

28 augustus 2010

Britse Supreme Court vraagt aan Hof van Justitie of magistraten werknemers zijn in de communautaire zin

door K. Nevens

Het oogt en klinkt niet echt Brits, maar sinds 1 oktober 2009 heeft ook het Verenigd Koninkrijk zijn Supreme Court. Dit opperste gerechtshof, dat de rechtsprekende taken van de House of Lords heeft overgenomen, werd opgericht door de Constitutional Reform Act 2005. Net zoals het Belgische Grondwettelijk Hof van tijd tot tijd zijn licht laat schijnen over aspecten van het sociaal recht, valt ook te verwachten dat het UK Supreme Court dit mettertijd meer en meer zal (moeten) doen.

In één van de eerste sociale zaken die aan het Britse hooggerechtshof werd voorgelegd (O’Brien v. Ministry of Justice), besliste zij meteen twee prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, kwestie van de Britse soevereiniteit nog even in de verf te zetten.

1) Moet het naar nationaal recht worden bepaald of rechters werknemers zijn in de zin van clausule 2.1 van de Raamovereenkomst betreffende deeltijdarbeid?

2) Zo ja, mag het nationaal recht wat betreft pensioenrechten, discrimineren tussen voltijdse en deeltijdse rechters, of tussen verschillende categorieën deeltijdse rechters?

Het Britse Hof moet immers uitspraak doen in een zaak waarbij een advocaat die jarenlang actief was als deeltijds magistraat, een pensioen eist à rato van het overheidspensioen waarop een voltijdse magistraat gerechtigd is.

In het tussenarrest van het Britse hooggerechtshof passeren heel wat arresten van het Hof van Justitie de revue, gaande van Martinez Sala en Allonby tot Jaeger, Pfeiffer, Wippel en Del Cerro Alonso. Toch blijft het hooggerechtshof op zijn honger zitten wat betreft de concrete betekenis van de uitdrukking “in accordance with national laws and/or practice” die in vele Europese richtlijnen gebruikt wordt om het werknemersbegrip te definiëren.

De discussie draait dus rond de vraag of het werknemersbegrip in de Raamovereenkomst enige gemeenschapsrechtelijke autonomie heeft, vergelijkbaar met de autonomie die daaraan wordt toegekend in het contentieux betreffende het vrij verkeer van werknemers, en dit tegen de achtergrond van het feit dat magistraten naar nationaal recht in de regel als ambtenaren of ‘office holders’ worden beschouwd.

30 april 2010

De Belgische eerstepijlerpensioenen aan de vooravond van de vergrijzing: doorlichting van bedragen, gerechtigden en adequaatheid

Aan de vooravond van de vergrijzing, met de naoorlogse babyboomgeneratie die de pensioenleeftijd bereikt en dit in een context van toenemende levensverwachting, is het politiek en maatschappelijk debat over de toekomst van de pensioenen volop aan de gang. In dat kader is het interessant om het huidige wettelijke pensioensysteem in kaart te brengen. Een paper van het Federaal Planbureau wil daaraan tegemoetkomen en stelt een analyse voor van de Belgische eerstepijlerpensioenen op basis van statistieken over de uitbetaalde pensioenen. Er worden geen andere inkomens (zoals tweede- en derdepensioenpijler) van de gepensioneerden, noch van personen waarmee ze samenwonen, geanalyseerd en er wordt dus ook niet beoogd uitspraken te doen over de levensstandaard van gepensioneerden.

De paper vindt u op de website van het Federaal Planbureau terug.

25 maart 2010

Het Groen Boek Daerden: geen filmpje, maar de tekst

Tussen alle pers- en andere artikelen die ondertussen reeds op het internet te vinden zijn over het Groen Boek Daerden betreffende de toekomst van de pensioenen, was het nog niet zo eenvoudig ook het document zelf te vinden. Na wat 'gegoogel' kwam ik uiteindelijk terecht op de website http://www.pensioenconferentie.be/, waar het boek op elektronische wijze kan worden binnengehaald. Klik hier om onmiddellijk naar het Groen Boek te gaan.

In het voorwoord bij het Groen Boek vergelijkt minister Daerden het oplossen van het pensioenvraagstuk met het oplossen van "de kwadratuur van de cirkel". Ik hoop dat de minister dat niet al te letterlijk bedoelt, want over het algemeen wordt aangenomen dat in 1882 onomstotelijk werd bewezen dat dit laatste een onoplosbaar vraagstuk is, ondanks blijvende pogingen tot het oplossen ervan. Als metafoor wordt die uitdrukking dan ook vaak gebruikt om vergeefse pogingen met de vinger te wijzen...

29 januari 2010

De toekomstbestendigheid van de aanvullende pensioenen: Nederland heeft een rapport klaar

door K. Nevens

Terwijl in ons land tal van politici en andere betrokkenen vol ongeduld wachten op de kleurboeken (groen- en witboek) van Daerden en de Sp.a. pleit voor een recht op aanvullend pensioen, leverde de zogeheten Commissie Goudswaard haar rapport af over de toekomstbestendigheid van de Nederlandse aanvullende pensioenregelingen. De Nederlandse minister van sociale zaken Donner had aan deze commissie gevraagd na te gaan in hoeverre de financiële crisis en de vergrijzing de schokbestendigheid van het pensioenstelsel ondermijnen en hoe de houdbaarheid van het stelsel kan worden verbeterd.

De Commissie Goudswaard constateert dat Nederland een uniek en goed pensioenstelsel heeft, waarin aanvullende pensioenen weliswaar een belangrijke plaats innemen. Het stelsel deelt volgens de Commissie de risico’s tussen generaties, geeft een brede dekking en is in de uitvoering relatief goedkoop. De Commissie ontkent echter niet dat het stelsel onder druk staat. In tijden van crises, als de beleggingen minder waard worden, is het immers kwetsbaar voor schokken. Pensioenfondsen moeten door de lage rente meer geld opzij zetten. Daarnaast zorgt de vergrijzing er voor dat de kosten sterk oplopen. Dat komt vooral doordat mensen steeds langer leven. De pensioenfondsen zijn steeds minder goed in staat de risico’s op te vangen. De dekkingsgraden zijn daardoor structureel gedaald, het aantal premiebetalers neemt af en bedrijven willen steeds minder pensioenrisico’s dragen.

De Commissie stelt dan ook voor de ambities bij te stellen of de risico's te aanvaarden maar beter toe te delen. Het eerste voorstel houdt in dat de pensioennorm op een lager percentage dan de huidige 70% van het loon verdiend op 65 jaar, zou worden gebracht. 70% acht de Commissie overigens ambitieus in vergelijking met andere landen. Het tweede voorstel houdt in dat de pensioenleeftijd variabel zou kunnen worden gemaakt en dat deze meer bepaald zou meestijgen met de levensverwachting. Meer informatie over het rapport Goudswaard, samen met alle bijhorende documenten, vindt u op de website van de Nederlandse Stichting voor Ondernemingspensioenfondsen.

Nieuwsgierig of het rapport Goudswaard als bron van inspiratie zal dienen voor de kleurboeken van Daerden. Of bedoelt hij, als hij zegt dat men nu bezig is aan de vertaling van zijn eerste (groen)boek, dat men bezig is het rapport Goudswaard te vertalen naar het Frans?

08 december 2009

Cassatierechtspraak in sociale zaken: september - november 2009

Cass., S.08.0005.N, 21 september 2009

Rustpensioen – Mijnwerker – Berekening duur loopbaan – Toepassing van de wet in de tijd

Krachtens artikel 2, §1, van het KB van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, gaat het rustpensioen in op de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens welke de belanghebbende het aanvraagt en ten vroegste op de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin hij de pensioenleeftijd van 65 jaar bereikt.
Artikel 2, §2, eerste lid, 1°, van dit KB bepaalt dat, in afwijking van §1, de pensioenleeftijd wordt vastgesteld op 55 of 60 jaar naargelang het een rustpensioen betreft om reden van een tewerkstelling respectievelijk als ondergronds of bovengronds mijnwerker.
Artikel 2, §2, eerste lid, 2°, van dit KB bepaalt dat, in afwijking van §1, de pensioenleeftijd wordt bereikt wanneer de belanghebbende doet blijken van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling als mijnwerker in de ondergrond of steengroeven met ondergrondse winning gedurende 25 jaren.
Krachtens artikel 2, §2, tweede lid, van dit KB, gaat het rustpensioen in de in het eerste lid bepaalde gevallen in op de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens dewelke de belanghebbende het aanvraagt en ten vroegste op de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin hij, naargelang het geval, één van de in het eerste lid vermelde leeftijden bereikt.

Krachtens artikel 35, §1, A, eerste lid, van het KB van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, hierna Algemeen Reglement Werknemerspensioenen genoemd, worden de perioden van onvrijwillige werkloosheid met arbeidsperioden gelijkgesteld voor de berekening van het pensioen overeenkomstig de bijzondere regels voor mijnwerkers, bedoeld bij de artikelen 9 en 9bis van het KB nr. 50 en bij de artikelen 2 en 3 van de wet van 20 juli 1990 en bij de artikelen 2 en 5 van het KB van 23 december 1996, op voorwaarde dat de mijnwerker de bij de reglementering inzake onvrijwillige werkloosheid bepaalde uitkeringen geniet.
Artikel 35, §1, A, tweede lid, van het Algemeen Reglement Werknemers-pensioenen bepaalt dat de perioden van activiteit als werknemer worden geacht te beantwoorden aan de bepalingen van deze littera indien de mijnwerker opgehouden heeft aangesloten te zijn bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers wegens het stilleggen van de opdelving in de in artikel 3, eerste lid, 3°, bedoelde onderneming die hem tewerkstelde en voor zover:
1° hij het werk in voornoemde ondernemingen heeft stopgezet of zijn aansluiting bij het Nationaal Pensioenfonds heeft opgehouden na 1 juli 1957 indien het gaat om een in een steenkoolmijn tewerkgestelde mijnwerker (...);
2° hij bij de stopzetting ten minste tien jaar gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling in voornoemde ondernemingen bewijst;
3° de toestand bedoeld bij 1° aan de Rijksdienst voor pensioenen ter kennis gebracht werd binnen de drie maanden nadat hij zich voorgedaan heeft.
Artikel 35, §3, eerste lid, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, zoals ingevoegd bij KB van 11 september 1989, bepaalt dat voor de berekening volgens de bijzondere regels bedoeld in §1, eerste lid, van het pensioen van de werknemer die onder toepassing valt van het koninklijk besluit van 20 juli 1989, waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 12 juli 1989, gesloten in de Nationale Gemengde Mijncommissie betreffende de begeleidingsmaatregelen voor de steenkolen-onderneming van het Kempische bekken, de periode gelegen tussen de datum waarop hij het werk in die onderneming heeft stopgezet en 31 december 1996 met arbeidsperioden in voornoemde onderneming wordt gelijkgesteld, voor zover bij de Rijksdienst voor pensioenen de werkgevers- en werknemersbijdragen worden betaald die verschuldigd zouden zijn indien hij als mijnwerker was blijven voortwerken.
Uit het geheel van de voormelde bepalingen en de aard van de regeling volgt dat de omstandigheid of het pensioen van de werknemer die als mijnwerker was tewerkgesteld en dit werk heeft stopgezet wegens het stilleggen van de opdelving, al dan niet berekend wordt volgens de bijzondere regels voor de mijnwerkers, bedoeld bij de artikelen 9 en 9bis van het KB nr. 50 en bij de artikelen 2 en 5 van het KB van 23 december 1996, onherroepelijk is vastgesteld uiterlijk 3 maanden nadat hij het voornoemde werk heeft stopgezet.

Krachtens artikel 29, eerste lid, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, zoals van toepassing op de pensioenen ingegaan vóór 1 januari 2005, wordt voor de toepassing van het KB nr. 50 als gewoonlijk en hoofdzakelijk aangezien, elke tewerkstelling in hoedanigheid van werknemer die zich normaal over 185 dagen van minstens 4 uur per kalenderjaar uitstrekt, of elke tewerkstelling in dezelfde hoedanigheid die minstens 1480 uur per kalenderjaar omvat.
Artikel 3ter, eerste lid, 6°, van de Pensioenwet Werknemers, ingevoegd bij artikel 27 van het KB van 10 juni 2001 tot het in overeenstemming brengen van de sociale zekerheid met het KB van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2005 ingaan, bepaalt dat onder "gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling" wordt verstaan: de tewerkstelling als werknemer die per kalenderjaar overeenkomt met minstens één derde van de prestaties van de maatpersoon. De Koning bepaalt voor de toepassing van deze bepaling, wat hieronder moet worden verstaan: a) voor de jaren van tewerkstelling gelegen vóór 1992, b) voor de speciale categorieën van personen die onderworpen zijn aan de toepassing van dit besluit.
Artikel 29, §1, 3°, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, zoals gewijzigd bij artikel 50 van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot het in overeenstemming brengen van sommige koninklijke besluiten inzake sociale zekerheid met het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2005 ingaan, bepaalt: "Met toepassing van artikel 3ter, eerste lid, 6°, van het KB nr. 50, wordt onder ‘gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling' verstaan: (...) voor de jaren gelegen tussen 31 december 1977 en 1 januari 1992, (...), de tewerkstelling als werknemer die zich over ten minste 104 dagen per kalenderjaar uitstrekt (...)".

Krachtens artikel 2 BW, beschikt de wet alleen over het toekomende en heeft zij geen terugwerkende kracht. Een nieuwe wet is in de regel niet alleen van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.
Uit wat voorafgaat volgt dat om te bepalen of de werknemer die zijn tewerkstelling als mijnwerker heeft stopgezet ingevolge de sluiting van de Kempense steenkoolmijnen die in de periode van 1987 tot 1989 werd afgewikkeld, bij de stopzetting ten minste tien jaar gewoonlijke en hoofdzakelijk tewerkstelling in de steenkoolmijnen bewijst zoals bedoeld bij artikel 35, §1, A, tweede lid, 2°, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, er geen toepassing kan worden gemaakt van artikel 29, §1, 3°, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, zoals gewijzigd bij artikel 50 van het voormelde KB van 10 juni 2001, ook al zou het pensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2005 ingaan. Of de bedoelde werknemer bij de stopzetting ten minste tien jaar gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling in de steenkoolmijnen bewijst, moet integendeel worden bepaald met toepassing van artikel 29 van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen zoals van kracht vóór zijn wijziging bij artikel 50 van het voormelde KB van 10 juni 2001.

Het arrest stelt vast dat:
- de verweerder in de mijn was tewerkgesteld van 1 augustus 1978 tot en met 21 juni 1987, datum waarop aan de arbeidsovereenkomst een einde kwam ingevolge de sluiting van de mijn, waarna hij tot 1993 gelijkgestelde dagen kan inroepen en van 1993 tot 2002 arbeidsprestaties leverde;
- gelet op de op de individuele rekening genoteerde gegevens, de verweerder enkel het bewijs kan leveren van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling als ondergronds mijnwerker gedurende 25 jaren indien hij aanspraak kan maken op de toepassing van artikel 35, §1, A, tweede lid, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen;
- de verweerder enkel in de jaren 1979 tot en met 1986, dit zijn 8 jaren, ten minste 185 dagen tewerkstelling per kalenderjaar bewijst als ondergronds mijnwerker.
Het arrest oordeelt dat de verweerder aan 10 jaar tewerkstelling als ondergronds mijnwerker komt zodat, rekening gehouden met de jaren die hij als arbeider heeft gewerkt en de gelijkgestelde jaren na zijn activiteit als mijnwerker, die mogen meegeteld worden, hij een beroepsloopbaan heeft van 25 jaar "mijnwerker" en aldus vanaf 1 januari 2005 aanspraak kan maken op een rustpensioen, op grond dat:
- het recht op het rustpensioen werknemers dient vastgesteld te worden rekening houdend met de wettelijke en reglementaire bepalingen die gelden op de ingangsdatum van het rustpensioen, in dezen dus 1 januari 2005;
- volgens artikel 29 van het Algemeen Reglement Werknemerspensioen, zoals gewijzigd bij artikel 50 van koninklijk besluit van 10 juni 2001 met inwerkingtreding op 1 januari 2005, een "gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling" slechts een tewerkstelling vereist die zich in de bedoelde jaren uitstrekt over ten minste 104 dagen per kalenderjaar;
- uit het administratief dossier blijkt dat de verweerder voor de kalenderjaren 1978 tot en met 1987 telkens meer dan 104 dagen tewerkstelling aantoont.
Door aldus met toepassing van artikel 29, §1, 3°, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, zoals gewijzigd bij artikel 50 van het voormelde koninklijk besluit van 10 juni 2001, te oordelen dat de verweerder bij de stopzetting van zijn tewerkstelling als mijnwerker ingevolge het stilleggen van de opdelving, ten minste tien jaar gewoonlijke en hoofdzakelijk tewerkstelling in de steenkoolmijnen bewijst, zoals bedoeld bij artikel 35, §1, A, tweede lid, 2°, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, schendt het arrest deze laatste wettelijke bepaling en verantwoordt het niet wettig zijn beslissing dat de verweerder vanaf 1 januari 2005 aanspraak kan maken op een rustpensioen.
Het middel is gegrond.

Cass., S.08.0075.N, 5 oktober 2009.

Arbeidsovereenkomst – Ontslag – Opzeggingstermijn – Schorsing wegens jaarlijkse vakantie

Krachtens de artikelen 38, §1 en §2, en 38bis van de Arbeidsovereenkomstenwet, houdt de opzeggingstermijn, bij opzegging gedaan door de werkgever, slechts op te lopen tijdens de gevallen van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, vermeld in de artikelen 28, 1°, 2° en 5°, 29 en 31 van die wet en gedurende de dagen inhaalrust die bij toepassing van artikel 26bis van de Arbeidswet van 16 maart 1971 worden toegekend.
Krachtens artikel 28, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet, wordt de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geschorst gedurende de dagen waarop de onderneming wegens jaarlijkse vakantie is gesloten, alsook gedurende de dagen waarop de werknemer buiten die periode jaarlijkse vakantie neemt.
Het begrip "jaarlijkse vakantie" zoals bedoeld in artikel 28, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet heeft een ruime betekenis en omvat niet alleen de vakantie die wordt toegekend krachtens de Vakantiewet maar ook de bijkomende vakantie die wordt verleend door een collectieve of individuele arbeidsovereenkomst of door een beslissing van de werkgever.
Uit de voormelde bepalingen volgt dat inhaalverlofdagen, andere dan de dagen inhaalrust die bij toepassing van artikel 26bis van de Arbeidswet worden toegekend, de opzeggingstermijn slechts schorsen indien zij begrepen zijn in de jaarlijkse vakantie bedoeld in artikel 28, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet.


Cass., S.09.0043.N, 5 oktober 2009.

Arbeidsovereenkomst – Ontslag – Overeenkomst inzake opzeggingstermijn en/of –vergoeding – Tijdstip van aangaan ervan

Krachtens artikel 82, §3, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet, wordt de duur van de opzeggingstermijn die de werkgever in acht dient te nemen ten aanzien van een bediende wiens jaarloon de in die bepaling vastgestelde grens overschrijdt, vastgesteld hetzij bij overeenkomst, gesloten ten vroegste op het ogenblik waarop de opzegging wordt gegeven, hetzij door de rechter. De ratio legis van deze wetsbepaling is dat in zake arbeidsovereenkomsten de verzaking van een recht door de werknemer slechts mogelijk is vanaf het ogenblik waarop elk risico van uitoefening van druk op de werknemer verdwijnt, dit is vanaf de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met de haar kenmerkende gezagsverhouding.

Hieruit volgt dat in geval van onmiddellijk ontslag door de werkgever van een in voormeld artikel 82, §3, bedoelde bediende met betaling van een opzeggingsvergoeding, de overeenkomst tussen de werkgever en de bediende over de duur van de in aanmerking te nemen opzeggingstermijn, die overeenkomstig artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepalend is voor de grootte van de verschuldigde opzeggingsvergoeding, slechts ten vroegste kan worden gesloten op het ogenblik waarop het ontslag wordt gegeven. Zulke overeenkomst mag derhalve tegelijkertijd met de kennisgeving van het ontslag gesloten worden.

De appelrechters nemen de tussen de partijen gesloten overeenkomst van 17 maart 2005, waarbij de verweerder onmiddellijk ontslagen wordt en de te betalen opzeggingsvergoeding wordt vastgesteld, niet in aanmerking omdat het niet bewezen is dat de eiseres haar uitdrukkelijke wil tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst aan de verweerder ter kennis had gebracht vooraleer die overeenkomst door de partijen werd opgesteld en ondertekend. Op grond hiervan kennen de appelrechters een aanvullende opzeggingsvergoeding toe. Het arrest schendt zodoende de als geschonden aangewezen wetsbepalingen.

Cass., S.08.0055.N, 19 oktober 2009.

Rustpensioen –– Voorrang Europees Gemeenschapsrecht – Toekenning gezinspensioen

Overeenkomstig artikel 5, §1, eerste lid, van het KB van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, wordt het recht op het rustpensioen verkregen naar rata van een breuk van het referteloon en in aanmerking genomen ten belope van: a) 75 pct., voor de werknemers van wie de echtgenoot elke beroepsarbeid, behalve die door de Koning toegestaan, heeft gestaakt en die geen rust- of overlevingspensioen en geen als dusdanig geldende uitkeringen geniet krachtens een Belgische wettelijke regeling, krachtens een regeling van een vreemd land of een regeling toepasselijk op het personeel van een volkenrechtelijke instelling; b) 60 pct. voor de andere werknemers.
Overeenkomstig artikel 5, §8, van het hierboven vermelde KB van 23 december 1996, vormt het genot in hoofde van een van de echtgenoten, van één of meer rust- of overlevingspensioenen of als zodanig geldende uitkeringen, toegekend krachtens een regeling van een vreemd land, geen beletsel voor de toekenning aan de andere echtgenoot van een rustpensioen berekend met toepassing van §1, eerste lid, a), van dit artikel, voor zover het globale bedrag van bovenbedoelde pensioenen en van de als zodanig geldende uitkeringen van de eerstgenoemde echtgenoot kleiner is dan het verschil tussen de bedragen van het rustpensioen van de andere echtgenoot, respectievelijk berekend met toepassing van §1, eerste lid, b), van dit artikel. Evenwel wordt in dat geval het totale bedrag van bovenbedoelde pensioenen en van de als zodanig geldende uitkeringen, van eerstgenoemde echtgenoot in mindering gebracht op het bedrag van het rustpensioen van de andere echtgenoot.

Zoals het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap heeft vastgesteld in het arrest van 5 oktober 1994 in de zaak C-165/91 (van Munster), verzet het Gemeenschapsrecht, inzonderheid de artikelen 39 en 42 van het EG-Verdrag, en artikel 4, eerste lid, van de Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 zich niet tegen een nationale wettelijke regeling die een "gezinspensioen" toekent aan een werknemer wiens echtgenoot elke beroepsarbeid heeft gestaakt en geen rustpensioen of als zodanig geldend voordeel geniet, maar hem een minder voordelig "alleenstaandenpensioen" toekent wanneer zijn echtgenoot een pensioen of als zodanig geldend voordeel geniet, en die zonder onderscheid van toepassing is op eigen onderdanen en op onderdanen van de andere Lid-Staten.
Volgens het arrest van het Hof van Justitie van 26 september 2000 in de zaak C-262/97 (Engelbrecht), kan de uitoefening van het recht van vrij verkeer binnen de Gemeenschap evenwel worden belemmerd, indien een sociaal voordeel dat een werknemer geniet, teloorgaat of wordt verminderd enkel en alleen doordat rekening wordt gehouden met de krachtens de wetgeving van een andere lidstaat aan zijn echtgenoot toegekende soortgelijke uitkering, hoewel de toekenning van laatstbedoelde uitkering enerzijds niet tot een verhoging van het gezinsinkomen heeft geleid en anderzijds gepaard ging met een verlaging van hetzelfde bedrag van het eigen pensioen dat de werknemer krachtens de wetgeving van diezelfde lidstaat ontvangt. Dat gevolg kan de communautaire werknemer er immers van weerhouden zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen en aldus een belemmering van die in artikel 39 van het EG-Verdrag neergelegde vrijheid opleveren. Er bestaat ook een benadeling van de communautaire werknemer die hem ervan kan weerhouden zijn recht op vrij verkeer uit te oefenen wanneer, zoals hier, die werknemer een minder voordelig alleenstaandenpensioen ontvangt en geen gezinspensioen, enkel en alleen doordat rekening wordt gehouden met het krachtens de wetgeving van een ander land van de Europese Gemeenschap aan zijn echtgenoot toegekende pensioen, hoewel die laatste uitkering verlaagd werd met het bedrag van het eigen pensioen dat aan die werknemer krachtens de wetgeving van diezelfde lidstaat is toegekend. Artikel 10 van het EG-Verdrag legt de lidstaten de verplichting op alle algemene en bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van de uit het Gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen te verzekeren.

Het arrest stelt vast dat de verweerder onbetwistbaar aanspraak kon maken op het Belgisch gezinspensioen indien de Nederlandse wetgeving voorzag, zoals voorheen, dat het AOW-pensioen voor 100 pct. betaalbaar was aan de man. Het geeft hiermee te kennen dat verweerders echtgenote geen beroepsactiviteit heeft uitgeoefend die in België aanleiding zou geven tot de toekenning van een rustpensioen. Het arrest oordeelt dat artikel 5, §1 en §8, van het KB van 23 december 1996 buiten toepassing moet worden gelaten omdat de toepassing ervan in dezen een schending van het Europese gemeenschapsrecht zou inhouden, en beslist, met bevestiging van het beroepen vonnis, dat de verweerder met ingang van 1 april 1998 gerechtigd is op een gezinsrustpensioen. De appelrechters schenden aldus de in het middel aangewezen wetsbepalingen niet.

Cass., S.08.0106.F, 9 november 2009.

Arbeidsovereenkomst – Ontslag – Opzeggingsvergoeding – Forfaitair karakter
Arbeidsovereenkomst – Ontslag – Wettelijk bepaalde opzeggingstermijn – Dwingend recht – Gunstigere termijn vastgesteld in arbeidsreglement

Il ressort de l'article 39, § 1er, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail que l'indemnité due par la partie qui résilie le contrat sans motif grave ou sans respecter le délai de préavis fixé aux articles 59, 82, 83, 84 et 115 de la même loi revêt un caractère forfaitaire.
En déduisant de ce caractère forfaitaire que la demanderesse n'a pas droit à la rémunération pour la période du 23 au 31 mars 1999, qui a suivi le congé, l'arrêt ne viole aucune des dispositions citées au moyen.

Aux termes de l'article 82, § 2, alinéa 1er, de la loi du 3 juillet 1978, dans sa version applicable aux faits, lorsque la rémunération annuelle ne dépasse pas 947.000 francs, le délai de préavis à observer par l'employeur est d'au moins trois mois pour les employés engagés depuis moins de cinq ans. L'arrêt constate que le règlement de travail dont se prévaut la demanderesse fixe à trente mois le préavis à donner à l'employé dont la rémunération n'excède pas 911.000 francs par an et qui est occupé pour une durée indéterminée depuis moins de cinq ans.
Après avoir considéré que l'article 82, § 2, est une disposition impérative en faveur des deux parties, l'arrêt décide que la demanderesse a droit à l'indemnité de préavis de trois mois de rémunération, conformément à cet article, au motif que « le règlement de travail ne peut déroger à la loi dans ses dispositions impératives ».En considérant que, en tant qu'il fixe un délai de préavis qui excède le minimum légal, le règlement de travail déroge à l'article 82, § 2, alinéa 1er, précité, l'arrêt viole cette disposition légale. Le moyen, en cette branche, est fondé.

Cass., S.08.0128.F, 9 november 2009.

Pensioen – Betaling van pensioenbijdragen - Bewijs

Aux termes de l'article 32, § 1er, b), de l'arrêté royal du 21 décembre 1967 portant règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, la preuve d'une occupation donnant ouverture au droit à la pension de retraite est administrée, pour la période postérieure au 31 décembre 1945, par tout document attestant que les cotisations de pension ont été retenues ou que le travailleur peut bénéficier des assimilations prévues aux articles 34, 35 ou 36 du même arrêté.
La production d'un document attestant que des cotisations ont été retenues dans un autre secteur, en l'occurrence celui de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, n'apporte pas la preuve nécessaire et suffisante que des cotisations de pension ont été retenues, en vue d'établir l'existence d'une occupation donnant ouverture au droit à la pension de retraite.
En décidant que la preuve d'une occupation donnant ouverture au droit à la pension de retraite est établie par un extrait d'une fiche d'assurabilité établie par un organisme assureur du secteur de l'assurance contre la maladie et
l'invalidité au motif que cela implique aussi que des cotisations sociales ont été retenues globalement par l'employeur pour être versées à l'Office national de la sécurité sociale et ensuite réparties entre les différents secteurs de la sécurité sociale, l'arrêt viole l'article 32, § 1er, b), de l'arrêté royal du 21 décembre 1967 précité.
Le moyen est fondé.

Cass., S.09.0044.N, 16 november 2009.

Sluiting onderneming – Tussenkomst Sluitingsfonds – Loon verschuldigd krachtens individuele of collectieve arbeidsovereenkomst - Premies voor een groepsverzekering

Artikel 2, §1, van de Sluitingswet 1967 zoals gewijzigd bij wet van 28 juli 1971 en later vervangen bij wet van 30 maart 1976, voor de opheffing ervan bij artikel 88 van de wet van 26 juni 2002, bepaalt dat, wanneer bij sluiting van een onderneming in de zin van de artikelen 2 en 2bis van de wet van 28 juni 1966 de werkgever zijn geldelijke verplichtingen tegenover zijn werknemers niet nakomt, het Fonds hen dient te betalen:
- de lonen verschuldigd krachtens de individuele of collectieve arbeidsovereenkomsten;
- de vergoedingen en voordelen verschuldigd krachtens de wet of collectieve arbeidsovereenkomsten.

Het arrest van 6 maart 2008 stelt vast dat de verweerder en diens werkgever een buiten het paritair comité gesloten collectieve arbeidsovereenkomst van 27 april 1988, die niet werd neergelegd bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, hebben uitgevoerd in die zin dat de erin bedongen premies voor een groepsverzekering door de werkgever werd uitbetaald tot 1 november 1989 en dat de verweerder zelf de verdere premies betaald heeft bij het in gebreke blijven hiervan door de werkgever. Het oordeelt op niet aangevochten wijze dat deze collectieve arbeidsovereenkomst bindend is voor de werkgever en de verweerder ingevolge de aanvaarding ervan, niet op basis van de CAO-wet, maar wel op basis van de algemene bepalingen van het verbintenissenrecht en besluit dat de premies voor groepsverzekering te dezen verschuldigd waren ingevolge een individueel aangegane overeenkomst. Betalingen waartoe de werkgever zich verbonden heeft als tegenprestatie van de in het kader van de arbeidsovereenkomst uitgevoerde arbeid zijn loon in de zin van artikel 2, §1, 1°, van de Sluitingswet 1967. De arresten oordelen op niet aangevochten wijze dat de betaling door de werkgever van de bedoelde premies voor een groepsverzekering een tegenprestatie van de in het kader van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid betreft en oordelen op grond hiervan dat het loon betreft in de zin van voormeld artikel 2, §1, 1°.

De bestreden arresten beslissen dienvolgens wettig dat de door de werkgever verschuldigde betaling van de premies voor de groepsverzekering ten laste van het Fonds kan worden gelegd binnen de wettelijk bepaalde begrenzing.
Het middel kan niet worden aangenomen.

Cass., C.09.0256.N, 16 november 2009.

Ziekte en invaliditeit – Ziekenfonds – Subrogatievordering - Omvang

Krachtens artikel 136, §2, vierde lid, van de ZIV-wet 1994, treedt de verzekeringsinstelling rechtens in de plaats van de rechthebbende. Deze indeplaatsstelling geldt, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionerende stoornissen of overlijden geheel of gedeeltelijk vergoeden. Uit die bepalingen volgt dat de verzekeringsinstelling die aan het slachtoffer van schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, de bij de verplichte verzekering bepaalde prestaties heeft verleend, in de rechten van het slachtoffer treedt voor het geheel van de door haar verleende prestaties, tot beloop van het totaalbedrag van de geldsommen die de aansprakelijke derde of zijn verzekeraar, rekening houdend met de mogelijke verdeling van de aansprakelijkheid, in gemeen recht verschuldigd zijn ter vergoeding van die schade. Die subrogatie is niet beperkt tot een breukdeel van de verleende prestaties dat evenredig is aan het aandeel van de derde in de aansprakelijkheid voor de veroorzaakte schade.

31 juli 2009

Cassatierechtspraak in sociale zaken: juni 2009

Cass. S.08.0142.N, 8 juni 2009

Geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk – Ontslagverbod – Noodzaak van een voldoende gemotiveerde klacht

Krachtens artikel 32tredecies, §1, 1°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, mag de werkgever, behalve om redenen die vreemd zijn aan de klacht, de arbeidsverhouding niet beëindigen met de werknemer die op het vlak van de onderneming of instelling die hem tewerkstelt, overeenkomstig de vigerende procedures een met redenen omklede klacht heeft ingediend. Ook voor de inwerkingtreding van artikel 27 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 betreffende de voorkoming van de psychosociale belasting veroorzaakt door het werk, waaronder geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, diende de voormelde met redenen omklede klacht van de werknemer voldoende duidelijk de omschrijving te geven van de als geweld, pesterij of seksueel gedrag ingeroepen feiten, met vermelding van de identiteit van de aangeklaagde dader en van het ogenblik en de plaats waar deze feiten zich hebben voorgedaan.
Deze toen reeds bestaande verplichting tot duidelijke omschrijving van de ingeroepen feiten wordt verantwoord door de omstandigheid dat overeenkomstig artikel 32tredecies, §2, van de voormelde wet, de bewijslast van de in paragraaf 1 van dit artikel bedoelde redenen die vreemd zijn aan de klacht van de werknemer, bij de werkgever berust.

De appelrechters oordelen dat:
- de voormelde aangetekende brief bij gebreke van afdoende motivering niet kan worden aangezien als een met redenen omklede klacht, zoals bedoeld in voormeld artikel 32tredecies, §1, 1°, omdat in die brief zelf niet de elementen kunnen worden teruggevonden die het de preventieadviseur mogelijk moeten maken zich een beeld te vormen omtrent de feiten die door de klager als pestgedrag werden ervaren en die het hem ook mogelijk moet maken de werkgever in te lichten en hem passende maatregelen voor te stellen om hieraan te verhelpen;
- de verwijzing in de brief naar de niet bijgevoegde opmerkingen bij het evaluatieformulier hieraan niet kan verhelpen;
- ten overvloede, de zeer uitvoerige opmerkingen van de eiser op zijn evaluatieverslag evenmin verduidelijken wat hij precies als pestgedrag heeft ervaren en wenst aan te klagen.

Op grond hiervan vermochten de appelrechters te oordelen dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door verweerder, met opzegging op 25 juni 2003 en met onmiddellijke ingang op 30 juni 2003, met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding, niet in strijd was met voormeld artikel 32tredecies, §1, 1°, van de Wet Welzijn Werknemer en de vordering tot veroordeling tot betaling van de "forfaitaire vergoeding ontslagbescherming na klacht wegens pesten" af te wijzen.

Cass. C.08.0568.N, 8 juni 2009

Arbeidsovereenkomst – Aansprakelijkheid werknemer – Eigen fout van de werknemer

Krachtens artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet, is de werknemer in geval hij bij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst de werkgever of derden schade berokkent, enkel aansprakelijk voor zijn bedrog of zijn zware schuld. Voor lichte schuld is hij enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt. Deze bepaling beperkt de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de werknemer wanneer hij bij de uitvoering van zijn arbeid schade berokkent aan zijn werkgever of aan derden. Zij is niet van toepassing ingeval een werknemer zichzelf schade berokkent.

Wanneer de schade veroorzaakt is door samenlopende fouten, waaronder deze van de getroffene, mag degene die de schade heeft veroorzaakt niet tot de volledige vergoeding van de schade ten aanzien van de getroffene worden veroordeeld. Voor het bepalen van de desgevallend gedeelde aansprakelijkheid van een derde voor de schade geleden door een werknemer, dient derhalve de fout van die werknemer in aanmerking te worden genomen.

Cass. S.08.0130.F, 15 juni 2009

Conventioneel brugpensioen - Inhouding

L'article 1er, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal n° 33 du 30 mars 1982 relatif à une retenue sur des indemnités d'invalidité et des prépensions dispose qu'une retenue de 3,5 p.c. est effectuée sur la prépension conventionnelle, dont la première partie vaut allocation de chômage et dont l'indemnité complémentaire est payée soit par l'employeur, soit par le fonds de sécurité d'existence dont relève l'employeur, soit par le Fonds d'indemnisation des travailleurs licenciés en cas de fermeture d'entreprises.
Cette indemnité complémentaire est l'indemnité visée par la convention collective de travail n° 17 conclue le 19 décembre 1974 au sein du Conseil national du travail instituant un régime d'indemnité complémentaire pour certains travailleurs âgés, en cas de licenciement, rendue obligatoire par l'arrêté royal du 16 janvier 1975, ou l'indemnité visée soit dans une convention collective de travail, soit dans un accord collectif approuvé par le ministre de l'Emploi et du Travail, pour autant qu'ils accordent des avantages au moins équivalents à ceux prévus par la convention collective de travail n° 17.
Après avoir constaté que l'indemnité complémentaire allouée au défendeur a été déterminée sur la base de la convention collective n°17, d'une convention collective de travail d'entreprise plus avantageuse, ainsi que d'une convention individuelle encore plus avantageuse pour le défendeur que les deux premières conventions, l'arrêt considère que les avantages octroyés par la convention collective d'entreprise, qui devraient en principe être inclus dans l'assiette servant de calcul pour les retenues, sont « aspirés » par l'accord individuel encore plus avantageux conclu entre le défendeur et son employeur.
En décidant, par ces motifs, que les avantages octroyés au défendeur par cette convention collective d'entreprise ne sont pas soumis à la retenue visée par l'article 1er, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal n° 33 du 30 mars 1982 précité, l'arrêt viole cette disposition.

Cass. P.08.1773.N, 30 juni 2009

Arbeidsongevallen – Publieke sector – Uitbetaling rente door (overheids)werkgever – Terugvordering van aansprakelijke derde

Het middel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, artikel 14, § 3, eerste lid, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel en artikel 41 Wet Landverzekeringsovereenkomst: de arbeidsongevallenrenten die de overheidswerkgever wegens de blijvende arbeidsongeschiktheid van een personeelslid moet betalen, kunnen als een eigen schade van die werkgever verhaald worden op de aansprakelijke derde op grond van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, daar uit geen enkele bepaling van de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel volgt dat die arbeidsongevallenrenten definitief ten laste moeten blijven van de overheidswerkgever in wiens rechten de eiseres is getreden.
Krachtens de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, is degene die door zijn schuld aan een ander schade berokkent, verplicht deze schade integraal te vergoeden. Dit impliceert dat de benadeelde teruggeplaatst wordt in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien die daad waarover hij zich beklaagt, niet was gesteld.
Krachtens artikel 14, § 2, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel, zijn de in artikel 1 bedoelde personen of instellingen verplicht de vergoedingen en renten die voortvloeien uit deze wet, te betalen. Krachtens artikel 14, § 3, eerste lid, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel, brengt de toepassing van het bepaalde in deze wet van rechtswege mee dat de hierboven bedoelde rechtspersonen of instellingen die de last van de rente dragen, in alle rechten, vorderingen en rechtsmiddelen treden welke het slachtoffer of zijn rechthebbenden overeenkomstig § 1 konden doen gelden tegen de persoon die verantwoordelijk is voor het arbeidsongeval of de beroepsziekte, en dit tot het bedrag van de renten en vergoedingen door deze wet bepaald en van het bedrag gelijk aan het kapitaal dat die renten vertegenwoordigt. Wanneer de overheid als werkgever wettelijk of reglementair verplicht is om zijn personeelslid een rente uit te keren wegens een blijvende arbeidsongeschiktheid te wijten aan de fout van een derde, dan is de betaling van die rente of het kapitaal dat daartoe is gevestigd, voor de schuldenaar van de rente geen scha-de in de zin van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek.

25 februari 2009

Grondwettelijk Hof over valorisatie beroepsactiviteit na eerste ingang van zelfstandigenpensioen


1. Het Hof werd door de Arbeidsrechtbank te Nijvel ondervraagd over de bestaanbaarheid, met artikel 10 GW, van artikel 4 van het KB van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie (hierna : het KB van 30 januari 1997, bekrachtigd bij artikel 6, 2°, van de wet van 26 juni 1997), en deed hierover uitspraak in arrest nr. 32/2009.

In de versie die van toepassing is op het geschil voor de verwijzende rechter, bepaalt artikel 4 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 :

"§ 1. Het rustpensioen toekenbaar in functie van de loopbaan wordt uitgedrukt door een breuk.
§ 2. De noemer van deze breuk is 45.
§ 3. De teller van de breuk bedoeld in § 1 wordt verkregen door het getal dat het totaal van de kwartalen uitdrukt die in aanmerking komen voor de opening van het recht op het rustpensioen en die gelegen zijn voor het jaar waarin het pensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaat, te delen door vier.
Wanneer een kalenderjaar slechts in aanmerking kan komen voor de opening van het recht op het rustpensioen indien de betrokkene, voor het betrokken jaar, een bezigheid van een door de Koning bepaalde duur bewijst en wanneer aan deze voorwaarde voldaan is, wordt genoemd jaar in rekening gebracht voor vier kwartalen.
De Koning bepaalt hoe de loopbaan berekend wordt die betrekking heeft op de jaren bedoeld in artikel 15, § 5, van het koninklijk besluit nr. 72. Hij bepaalt eveneens de voorwaarden waarin de kwartalen gelegen voor het jaar gedurende hetwelk de aanvrager de leeftijd van 20 jaar bereikt heeft in aanmerking komen met het oog op de vaststelling van de in deze paragraaf bedoelde teller.
§ 4. De toepassing van de vorige paragraaf mag niet tot gevolg hebben dat een breuk in aanmerking wordt genomen die de eenheid overschrijdt".

In de eerste prejudiciële vraag ondervraagt de verwijzende rechter het Hof dus over een eventuele discriminatie, met betrekking tot de berekening van het rustpensioen, tussen zelfstandigen die gedurende hetzelfde aantal kwartalen bijdragen hebben betaald, naargelang zij ononderbroken sociale bijdragen hebben betaald alvorens met pensioen te gaan of zij eveneens sociale bijdragen hebben betaald nadat zij tijdelijk met pensioen zijn gegaan, aangezien zij een beroepsactiviteit als zelfstandige hebben hervat : in het eerste geval hebben de zelfstandigen recht op een hoger rustpensioen dan in het tweede geval.

In een tweede prejudiciële vraag ondervraagt de verwijzende rechter het Hof over eenveventuele discriminatie, met betrekking tot de berekening van het rustpensioen, tussen de
zelfstandigen die gebruikmaken van hun vrijheid om te werken na de wettelijke pensioenleeftijd, en diegenen die hun beroep niet meer uitoefenen na de wettelijke pensioenleeftijd, waarbij de eerstgenoemden recht hebben op een kleiner rustpensioen dan de laatstgenoemden.

2. De uitoefening van een beroepsactiviteit door een gepensioneerde zelfstandige heeft verschillende gevolgen naargelang die activiteit al dan niet de bij artikel 107 van het KB van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen bepaalde grenzen van de voor een gepensioneerde zelfstandige toegestane arbeid overschrijdt.

Wanneer een gepensioneerde zelfstandige een beroepsactiviteit als zelfstandige blijft uitoefenen binnen de grenzen van de toegestane arbeid, wijzigt die beperkte beroepsactivitei zijn statuut van gepensioneerde niet. De inkomsten uit die toegestane beroepsactiviteit kunnen worden gecumuleerd met het pensioen terwijl op die inkomsten beperkte sociale bijdragen worden geïnd ten belope van de toegestane beroepsinkomsten (artikelen 11, § 5, eerste lid, en 13, derde lid van het sociaal statuut der zelfstandigen).

Wanneer de gepensioneerde zelfstandige daarentegen een beroepsactiviteit als zelfstandige uitoefent die de toegestane perken overschrijdt, heeft die beroepsactiviteit als gevolg dat de betaling van het pensioen wordt geschorst, aangezien de inkomsten uit die beroepsactiviteit niet kunnen worden gecumuleerd met het pensioen. De gepensioneerde zelfstandige die een beroepsactiviteit uitoefent buiten de grenzen van de toegestane arbeid, wordt dus behandeld als een actieve zelfstandige en dient sociale bijdragen te betalen tegen het volle tarief.

3. Het geschil voor de verwijzende rechter heeft betrekking op een zelfstandige die, na zijn vervroegd rustpensioen te hebben aangevraagd, zijn beroepsactiviteit als zelfstandige heeft hervat buiten de toegestane perken, wat tot de schorsing van de betaling van zijn pensioen en tot de hervatting van de betaling van de bijdragen heeft geleid, alvorens binnen de grenzen van de toegestane arbeid die activiteit opnieuw uit te oefenen en te verzoeken dat de bijdragen met betrekking tot die beroepsactiviteit als zelfstandige buiten de toegestane perken in aanmerking zouden worden genomen voor de berekening van zijn pensioen.

De prejudiciële vragen hebben bijgevolg enkel betrekking op de situatie van een gepensioneerde zelfstandige die een beroepsactiviteit als zelfstandige blijft uitoefenen buiten de grenzen van de toegestane arbeid en volledige sociale bijdragen blijft betalen nadat zijn pensioen daadwerkelijk voor de eerste maal is ingegaan. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die situatie.

Bovendien is het niet de wettelijke pensioenleeftijd die de referentiedatum vormt om te bepalen of al dan niet rekening kan worden gehouden met de kwartalen die in aanmerking komen voor de opening van het recht op het pensioen, maar wel het jaar waarin het pensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaat (artikel 4, § 3, eerste lid KB van 30 januari 1997). De prejudiciële vragen dienen dus te worden begrepen als een verwijzing naar het jaar waarin het pensioen is ingegaan, hetzij vervroegd, hetzij wegens de wettelijke pensioenleeftijd.

Voor het overige volgt uit de feiten en de motivering van de verwijzingsbeslissing dat de prejudiciële vragen betrekking hebben op artikel 4, § 3, eerste lid, van het KB van 30 januari 1997, in zoverre het bepaalt dat de kwartalen die in aanmerking komen voor de opening van het recht op het rustpensioen gelegen zijn vóór het jaar waarin het pensioen "daadwerkelijk en voor de eerste maal" ingaat. Het Hof dient dus te onderzoeken of artikel 4, § 3, eerste lid, van het KB
van 30 januari 1997, door te beletten dat de kwartalen van beroepsactiviteit als zelfstandige die gelegen zijn na datum van de eerste daadwerkelijke ingang van het pensioen en die aanleiding hebben gegeven tot de betaling van volledige sociale bijdragen, in aanmerking worden genomen voor de berekening van het rustpensioen van de zelfstandigen, een discriminatie in het leven roept tussen de zelfstandigen.

Aangezien in beide prejudiciële vragen hetzelfde gevolg van de bepaling wordt bekritiseerd, namelijk de mogelijkheid om de beroepsloopbaan na een eerste daadwerkelijke ingangsdatum van het pensioen te valoriseren voor de berekening van het pensioen, dienen beide vragen samen te worden onderzocht.

4. De mogelijkheid om, voor de berekening van het pensioen, kwartalen van beroepsactiviteit als zelfstandige te valoriseren die gelegen zijn na de datum van de eerste daadwerkelijke ingang van het pensioen, heeft het voorwerp uitgemaakt van verschillende opeenvolgende regelingen.

Artikel 25 van de wet van 6 februari 1976 houdende wijziging van sommige bepalingen inzake het sociaal statuut der zelfstandigen heeft een artikel 16bis ingevoerd in het KB nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen
der zelfstandigen, dat bepaalt :
"§ 1. In afwijking op artikel 16, wordt het rustpensioen dat voor de eerste maal en ten vroegste op 1 januari 1977 daadwerkelijk ingaat, berekend volgens de hiernavolgende
regelen :
1° het totaal wordt gemaakt van de jaren welke het recht op het pensioen openen en die begrepen zijn in een periode die aanvangt op 1 januari 1946 en eindigt de 31ste december van het jaar, hetwelk datgene voorafgaat waarin de belanghebbende 65 of 60 jaar wordt, naar gelang het een man of een vrouw betreft, of datgene waarin het vervroegd rustpensioen ingaat.
[…]
§ 3. De kwartalen vanaf datgene waarin de zelfstandige de ouderdom van 65 jaar of 60 jaar heeft bereikt, naargelang het gaat om een man of een vrouw, waarvoor de belanghebbende heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid voorzien bij artikel 13, § 4 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen,worden gevoegd bij het aantal jaren bedoeld in § 1, 1°.
Wanneer het pensioen, vastgesteld overeenkomstig § 1, reeds volledig is of volledig is geworden na toepassing van voorgaand lid, geven de kwartalen bedoeld in deze paragraaf of hun saldo, volgens het geval, aanleiding tot een bijkomende toekenning per kwartaal van 0,25/45 of 0,25/40 van het basisbedrag bedoeld in artikel 9, § 1, naar gelang het een man of een vrouw betreft. Het aldus toegekende supplement mag niet hoger zijn dan 5/45 of 5/40 volgens het geval.
[…] ".
Artikel 16bis, § 3, van het KB nr. 72 van 10 november 1967betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen maakte het de gepensioneerde zelfstandige bijgevolg mogelijk de jaren van beroepsactiviteit als zelfstandige na de wettelijke pensioenleeftijd te valoriseren, wanneer de zelfstandige volledige bijdragen was blijven betalen na de pensioenleeftijd : in dat geval "zal ieder aldus gedekt kwartaal een verhoging van het pensioen meebrengen" (Parl. St. Kamer, 1975-1976, nr. 720/1, p. 7).

Artikel 16bis, § 3, van het KB nr. 72 van 10 november 1967, dat het mogelijk maakte zogenaamde bijkomende jaren te valoriseren, is vervolgens opgeheven bij artikel 5 van het KB nr. 1 van 26 maart 1981 « houdende wijziging van het KB nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen en van het KB nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen. In het Verslag aan de Koning dat voorafgaat aan het koninklijk besluit nr. 1 van 26 maart 1981, wordt uiteengezet dat "in uitvoering van deze bijzondere machten […] de Koning de nieuwe inspanning van de zelfstandigen [dient] te veruitwendigen met het oog op het herstel van het structureel evenwicht van het pensioenstelsel […]" (BS 3 april 1981, p. 4094).

Artikel 124 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen voorzag erin, voor de berekening van het rustpensioen, rekening te houden met de kwartalen die in aanmerking komen voor de opening van het recht op het rustpensioen en "die gelegen zijn vóór het jaar waarin het pensioen een aanvang zal nemen". Krachtens artikel 123 van dezelfde wet is die bepaling van toepassing op de pensioenen die "effectief voor de eerste maal ingaan ten vroegste op 1 januari 1985". In de parlementaire voorbereiding van die bepaling wordt het volgende uiteengezet :

"De Staatssecretaris wijst op een belangrijke nieuwigheid : de beroepsloopbaan wordt niet langer afgesloten op 31 december van het jaar dat de normale pensioenleeftijd (65 jaar voor mannen, 60 jaar voor vrouwen) of de vervroegde ingangsdatum van het rustpensioen voorafgaat, doch loopt door zoals in de regeling van de werknemers tot 30 december van het jaar voorafgaand aan de ingangsdatum van het pensioen. Hierover ondervraagd door sommige leden, verduidelijkt hij dat de jaren na de normale pensioenleeftijd in voorkomend geval in aanmerking zullen komen hetzij om een onvolledige loopbaan op te vullen, hetzij om forfaitaire of minder voordelige jaren te vervangen"(Parl. St. Kamer, 1983-1984, nr. 855/18, pp. 93-94).

Door die bepaling kon de loopbaan van de gepensioneerde zelfstandige in zekere mate worden aangevuld met de activiteitsjaren na de eerste ingangsdatum van het pensioen.

Het KB van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen heeft de regeling voor de berekening van het pensioen van de zelfstandigen opnieuw gewijzigd, waarbij de in het geding zijnde bepaling het enkel mogelijk maakt de kwartalen van beroepsactiviteit vóór de datum van de eerste daadwerkelijke ingang van het pensioen te valoriseren. Krachtens artikel 2 van het KB van 30 januari 1997 is die bepaling van toepassing op de pensioenen van de zelfstandigen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 juli 1997 ingaan. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 26 juni 1997, waarbij het KB van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen werd bekrachtigd, werd het volgende uiteengezet :

"Dit koninklijk besluit geeft concreet uitvoering aan een door de regering aangekondigde reeks structurele en selectieve maatregelen betreffende de hervorming van het pensioenstelsel der zelfstandigen. Het doel van die maatregelen is enerzijds de financiële leefbaarheid van het stelsel te vrijwaren, anderzijds het stelsel nauwer te doen aansluiten bij de maatschappelijke ontwikkelingen." (Parl. St. Kamer, 1996-1997, nr. 997/5, pp. 32-33).

De te verwachten stijging van de uitgaven waarmee in het pensioenstelsel rekening moet worden gehouden, werd aldus "minder fors", met name "door een aanpassing in de berekening van het proportionele pensioen" (ibid.).

Ingevolge artikel 249 van de programmawet (I) van 27 december 2006 vervallen in artikel 4, § 3, eerste lid, van het KB van 30 januari 1997 de woorden "daadwerkelijk en voor de eerste maal". Krachtens artikel 250, tweede lid, van dezelfde programmawet treedt artikel 249 in werking op 1 januari 2007 en is het van toepassing "op de pensioenen van de zelfstandigen die
daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2007 ingaan". Die wijziging kan bijgevolg niet van toepassing zijn op het hangende geschil voor de verwijzende rechter.

Met betrekking tot een aanvulling op de loopbaan na de datum van de eerste daadwerkelijke aanvang van het pensioen wordt in de parlementaire voorbereiding van artikel 249 van de programmawet (I) van 27 december 2006 het volgende uiteengezet :

"In het stelsel der zelfstandigen, krachtens artikel 4, § 3, van het KB van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen, wordt het rustpensioen dat daadwerkelijk en voor de eerste keer ten vroegste op 1 juli 1997 aanving en dat betaalbaar gesteld werd - ook al was het maar één maal - definitief vastgesteld. De loopbaan mag niet meer onderzocht worden na 31 december van het jaar vóór het jaar waarin de eerste daadwerkelijke ingangsdatum zich situeert.
Krachtens deze wetgeving mag een zelfstandige die een beroepsactiviteit hervat buiten de grenzen van de toegestane arbeid en die sociale bijdragen betaalt tegen het volle tarief gedurende kwartalen die zich na de daadwerkelijke aanvangsdatum van zijn pensioen situeren, derhalve geen onvolledige loopbaan vervolledigen of minder voordelige jaren vervangen door middel van de genoemde kwartalen.
In het werknemersstelsel bestaat deze vorm van discriminatie niet.
Dit hoofdstuk beoogt bijgevolg een einde te maken aan deze vorm van discriminatie tussen beide sociale zekerheidsstelsels door de gepensioneerde die onder het stelsel van zelfstandigen valt en die aan de bovenbedoelde voorwaarden voldoet, de mogelijkheid te bieden zijn beroepsloopbaan aan te vullen of te verbeteren.

[…]
De opheffing van de woorden ‘ daadwerkelijk en voor de eerste maal ’ maakt het mogelijk dat, bij een herberekening van het pensioen rekening wordt gehouden met de kwartalen die gelegen zijn ná de ingangsdatum van het pensioen, ongeacht of het gaat om een eerste ingangsdatum of niet, zodra de zelfstandige bijdragen heeft betaald die het recht op pensioen kunnen openen en dat de betaling van het pensioen geschorst werd ingevolge de voortzetting van een niet-toegelaten beroepsbezigheid als zelfstandige"
(Parl. St. Kamer 2006-2007, DOC 51-2773/001, pp. 152-154).

5. Uit wat voorafgaat, vloeit voort dat de zelfstandigen van wie het pensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaat tussen 1 juli 1997 en 31 december 2006, de kwartalen van beroepsactiviteit buiten de grenzen van de toegestane arbeid, waarvoor zij tegen het volle tarief sociale bijdragen hebben betaald gedurende kwartalen die gelegen zijn na de daadwerkelijke ingangsdatum van het pensioen, niet kunnen valoriseren. Het feit dat de mogelijkheid om de kwartalen van beroepsactiviteit na de datum van de eerste ingang van het pensioen te valoriseren - ook al overschrijdt die beroepsactiviteit de toegestane perken, wat leidt tot de schorsing van de betaling van het pensioen en tot de betaling van volledige sociale bijdragen -, naar gelang van het ogenblik waarop het pensioen is ingegaan, al dan niet is toegestaan, maakt het niet mogelijk te oordelen dat de in het geding zijnde bepaling op zich discriminerend is.

Het blijkt echter dat het verbod, toen het van toepassing was, om jaren van volledige sociale bijdragen na de datum van de eerste daadwerkelijke ingang van het pensioen te valoriseren, was ingegeven door budgettaire noodwendigheden. Budgettaire overwegingen kunnen op zich echter niet verantwoorden dat personen die zich in identieke situaties bevinden, verschillend worden behandeld.

De gepensioneerde zelfstandige die een beroepsactiviteit uitoefent buiten de grenzen van de toegestane arbeid, ontvangt echter geen pensioen meer en dient dezelfde sociale bijdragen te betalen als een actieve zelfstandige. Aan de hand van budgettaire overwegingen kan niet worden verantwoord dat, met betrekking tot de berekening van het rustpensioen, zelfstandigen die tegen het volle tarief bijdragen hebben betaald gedurende hetzelfde aantal kwartalen, op verschillende wijze worden behandeld : door het niet mogelijk te maken de bijdragejaren na de datum van de eerste daadwerkelijke ingang van het pensioen te valoriseren, heeft de in het geding zijnde bepaling tot gevolg dat de gepensioneerde zelfstandigen die een beroepsactiviteit hervatten die de grenzen van de toegestane arbeid overschrijdt, en daarbij tegen het volle tarief sociale bijdragen betalen gedurende kwartalen die gelegen zijn na de datum van de daadwerkelijke ingang van het pensioen, financieel worden bestraft ten opzichte van de gepensioneerde zelfstandigen die niet ervoor kiezen een dergelijke activiteit te hervatten. Het loutere feit dat een daadwerkelijk pensioen een eerste maal een aanvang heeft genomen, is geen relevant objectief criterium om een onderscheid te maken tussen zelfstandigen die gedurende hetzelfde aantal kwartalen dezelfde sociale bijdragen hebben betaald.

Voor het overige toont de in B.12.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding van de programmawet (I) van 27 september 2006 aan dat de wetgever zelf zich ervan bewust was dat er een discriminatie bestond tussen het stelsel van de werknemers en dat van de zelfstandigen, in zoverre "een zelfstandige die een beroepsactiviteit hervat buiten de grenzen van de toegestane arbeid en die sociale bijdragen betaalt tegen het volle tarief gedurende kwartalen die zich na de daadwerkelijke aanvangsdatum van zijn pensioen situeren, derhalve geen onvolledige loopbaan [mag] vervolledigen of minder voordelige jaren [mag] vervangen door middel van de genoemde kwartalen" (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2773/001, p. 152).

De prejudiciële vragen dienen bevestigend te worden beantwoord.

22 oktober 2008

Voorzitter van het EHRM over economische, sociale en culturele grondrechten

Het introductief rapport van Jean-Paul Costa (voorzitter van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens) betreffende de betekenis van de economische, sociale en culturele rechten in het kader van het EVRM, kan hier worden gelezen.

Hij zegt onder andere het volgende over dit verdrag: "Dans le cadre du Conseil de l’Europe, la situation, sans être parfaite, est plus satisfaisante. Certes, la Convention européenne des droits de l'homme ne parle guère des droits économiques et sociaux. Cet instrument est essentiellement consacré aux droits civils et politiques. Pourtant, à y regarder de près, les droits économiques et sociaux sont moins absents qu’on ne le pense de la Convention. Je songe à la liberté syndicale (article 11), au droit de propriété (article 1er du Premier Protocole), au droit à l’instruction (article 2 du même Protocole) ou à l’interdiction du travail forcé, qui accompagne celle de l’esclavage et de la servitude (article 4 de la Convention). En outre, la jurisprudence de notre Cour a entendu de façon extensive ces dispositions".

Hij haalt ook het belang van het Europees Sociaal Handvest aan: "la Charte sociale est un instrument complémentaire de la Convention européenne des droits de l'homme et qu’elle garantit dans la même sphère régionale (celle du Conseil de l'Europe) des droits de l’homme différents", en legt uit hoe het Hof sedert het arrest Airey vaker en vaker verwijst naar en gebruikt maakt van de bepalingen van het ESH.

Tenslotte wijst hij ook op het nakende arrest Budina: "la Cour a été récemment saisie d’une requête (...) dans laquelle une personne n’ayant pas d’autres ressources allègue une violation de l’article 3 du fait du montant trop bas de sa pension de vieillesse. Ce type de requête a été jugée irrecevable dans le passé, mais il se pourrait que, compte tenu des circonstances de l’espèce, la Cour décide de la déclarer recevable, ce qui ouvrirait la porte à un élargissement de l’utilisation, comme source d’inspiration pour la Cour, de la Charte sociale européenne. L’examen de l’affaire Budina c. Russie, s’agissant de la compatibilité du montant d’une pension avec l’article 3 de la Convention, fournira à la Cour l’occasion de se poser cette question."

03 oktober 2008

Trouwen met een (te) jonge vrouw: het Hof van Justitie over het algemeen beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd in beroep en arbeid

door Koen Nevens

1. Een werknemer van Bosch-Siemens overlijdt op zestigjarige leeftijd. Zijn echtgenote, op dat ogenblik 39 jaar jong, doet een aanvraag tot uitbetaling van het aanvullend pensioen waarop haar echtgenoot recht zou hebben gehad. Het pensioenfonds weigert: in de voorwaarden van de aanvullend pensioenregeling staat immers dat het leeftijdsverschil tussen de werknemer en de gerechtigde echtgenote niet meer dan 15 jaar mag bedragen.

Deze clausule, die op het eerste gezicht uitgevonden lijkt te zijn door iemand die ooit door zijn partner werd gedumpt voor "een jonger ander", vond zijn redenen in de verzekeringstechniek (o.a. de grote kans dat bij een jonge partner heel wat langer een pensioen zou moeten worden uitbetaald) en was volgens het Duitse arbeidsgerecht niet in strijd met de Duitse anti-discriminatiewetgeving. De nationale rechter vroeg zich wel af of het europees gemeenschapsrecht een verbod van discriminatie op grond van leeftijd bevat waarvan de rechters van de lidstaten de naleving ook dienen te waarborgen wanneer de mogelijk discriminerende behandeling geen band met het gemeenschapsrecht heeft en zo niet, of dergelijke band niet voortvloeit uit artikel 13 van het EG-Verdrag of richtlijn 2000/78. Voor alle duidelijkheid, deze normen strekken ertoe met betrekking tot arbeid en beroep een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. De rechter zich dan ook tot het Hof van Justitie.

2. De prejudiciële vraag was geïnspireerd door het arrest Mangold van datzelfde hof. In deze zaak had het Hof van Justitie geoordeeld dat een Duitse regeling die het sluiten van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd onbeperkt toestond wanneer de werknemer 52 of ouder was, in strijd was met de hoger vernoemde richtlijn, waarvan de omzettingstermijn evenwel nog niet was verstreken. Het Hof stelde immers dat het beginsel van gelijke behandeling in arbeid en beroep zijn oorsprong vindt in diverse internationale instrumenten en de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten en het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd derhalve moet worden beschouwd als een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht.

Dit arrest bleef niet onbesproken in de rechtsleer. Ook advocaat-generaal Sharpston wees hierop: "Het arrest Mangold is in de academische wereld bekritiseerd. De algemene kritiek luidt dat het Hof (uit eigen wil, zonder goede reden en tegen de wil van de wetgever) de werkingssfeer van een richtlijn heeft uitgebreid, teneinde vóór het einde van de overgangsperiode van die richtlijn en in horizontale omstandigheden daaraan uitvoering te geven aan de hand van een innovatieve verwijzing naar een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht. Een aantal commentatoren hebben dan ook te kennen gegeven dat het Hof volgens hen het met de toekenning van rechtstreekse werking beoogde doel heeft ondermijnd. Voorts is de kritiek geuit dat het arrest aanzienlijke rechtsonzekerheid heeft veroorzaakt."

3. Ook in de zaak Bartsch was de omzettingstermijn van de richtlijn nog niet verstreken, maar oordeelde het Hof dat er geen sprake was van een schending van het gemeenschapsrecht of het algemeen beginsel van de gelijke behandeling in arbeid en beroep. Het Hof van Justitie stelde immers vast dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde richtsnoeren (van de verzekeraar) geen maatregelen ter uitvoering van gemeenschapsbepalingen zijn. In de zaak Mangold werd daarentegen een maatregel ter uitvoering van de Europese raamovereenkomst betreffende arbeidsovereenkomsten van bepaalde tijd in vraag gesteld. Deze uitspraak lag in de lijn van de conclusie van de advocaat-generaal: "Anders dan in de zaak Mangold, is er geen nationale regeling die uitvoering geeft aan een richtlijn waarvan de termijn voor uitvoering reeds is verstreken. Er is geen relevante verdragsbepaling of ander secundair gemeenschapsrecht. Er is enkel artikel 13 EG(71) (een machtigingsbepaling zonder rechtstreekse werking) en richtlijn 2000/78 (waarvan ten tijde van de feiten de uitvoeringstermijn nog niet was verstreken en die dus buiten beschouwing moet worden gelaten)."

Het Hof van Justitie hield met andere woorden vast aan zijn rechtspraak dat de verenigbaarheid van een nationale regeling met een algemeen rechtsbeginsel van de EG pas onderzocht kan worden wanneer die nationale maatregel binnen het kader van het gemeenschapsrecht valt (zie hieromtrent K. Lenaerts en P. Van Nuffel, Europees recht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 2003, nr. 687).

Zie ook:

http://courtofjustice.blogspot.com/2008/09/case-c-42706-bartsch.html
http://eulaw.typepad.com/eulawblog/2008/09/death-of-a-saleman-age-discrimination-and-connection-to-ec-law-case-c-42706.html

HvJ, C-427/06 (Bartsch), 23 september 2008, http://www.curia.eu/, concl. advocaat-generaal SHARPSTON.
HvJ, C- (Mangold), C-144/04, 22 november 2005, http://www.curia.eu/, concl. advocaat-generaal TIZANNO.

02 september 2008

Grondwettelijk Hof oordeelt over retroactief ingevoerde repartitieregel uit het pensioenstelsel van de plaatselijke en provinciale besturen


door Koen Nevens

1. In een voor niet-experten moeilijk te vatten arrest heeft het Grondwettelijk Hof het beroep tot vernietiging van de artikelen 23, 25, 1°, en 74, achtste streepje, van de wet van 25 april 2007 betreffende de pensioenen van de openbare sector, ingesteld door de stad Brussel, verworpen (arrest nr. 128/2008).

De artikelen 23 en 25, 1°, van de wet van 25 april 2007 wijzigen de artikelen 4, § 2, en 7, § 1, van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de pensioenen van het benoemd personeel van de plaatselijke besturen. De wet van 6 augustus 1993 regelt, naast het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke besturen (pool 1), het stelsel van de nieuwe aangeslotenen bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (pool 2): het zijn solidaire pensioenstelsels die door de RSZPPO worden beheerd. De Stad Brussel was in 1997 de eerste grote stad die zich aansloot bij het stelsel van de nieuwe bij de RSZPPO aangeslotenen.

Artikel 74, achtste streepje van de wet van 25 april 2007 legt de datum van inwerkingtreding van de hoger vernoemde bepalingen vast op 1 januari 1995 (!). Zodoende werd een gangbare administratieve praktijk bekrachtigt. Deze bestond erin naast de door de wet bepaalde theoretische bijdragevoet een werkelijke bijdragevoet te bepalen en hanteren ter financiering van het stelsel. De bijdragen worden immers volgens een repartitiestelsel door de lokale overheden gedragen. De Stad Brussel acht zich door deze regeling benadeeld. Het Hof ziet hierin evenwel geen schending van het gelijkheidsbeginsel:

"Het verschil tussen de theoretische bijdragevoet en de werkelijke bijdragevoet, waaraan in het bestreden artikel 25, 1°, wordt herinnerd, is dus in overeenstemming met het repartitiebeginsel dat ten grondslag ligt aan het stelsel van de nieuwe aangeslotenen en inhoudt dat rekening wordt gehouden met de verschillende middelen die het mogelijk maken het evenwicht tussen de uitgaven en de inkomsten te verzekeren, met name voor het vaststellen van de bijdragevoet die noodzakelijk is voor de financiering van de onder dat stelsel ressorterende pensioenen."

2. Ook opmerkelijk is dat het Hof de retroactiviteit van maar liefst 12 jaar verantwoord vindt omwille van het algemeen belang. Zie hier de relevante overwegingen:

"De niet-retroactiviteit van wetten is een waarborg ter voorkoming van rechtsonzekerheid. Die waarborg vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. De terugwerkende kracht kan enkel worden verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang.

Indien bovendien blijkt dat de terugwerkende kracht tot gevolg heeft dat de afloop van één of meer gerechtelijke procedures in een welbepaalde zin wordt beïnvloed of dat rechtscolleges worden verhinderd zich uit te spreken over een welbepaalde rechtsvraag, vergt de aard van het in het geding zijnde beginsel dat uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang een verantwoording bieden voor het optreden van de wetgever, dat ten nadele van een categorie van burgers inbreuk maakt op de jurisdictionele waarborgen die aan allen worden geboden.

In dat verband blijkt dat de terugwerkende kracht van de bestreden bepalingen geen bepalende invloed kan hebben op de door de verzoekende partij ingestelde jurisdictionele procedures : enerzijds, heeft de verzoekende partij immers de respectieve overnamepercentages van de andere grote steden niet betwist op het ogenblik dat die zijn vastgesteld; anderzijds, heeft het beroep voor de Raad van State alleen betrekking op de berekening van de bijdragevoet voor het jaar 2007 en, in verband met de vordering inzake burgerlijke aansprakelijkheid voor de rechtbank van eerste aanleg, hangt de beoordeling van een fout begaan door de RSZPPO niet af van de wettigheid van de vastgestelde bijdrage- en overnamepercentages. Hieruit volgt dat de terugwerkende kracht van de artikelen 23 en 25, 1°, moet worden verantwoord door een motief van algemeen belang.


In dat opzicht blijkt dat de zorg om de socialezekerheidsstelsels levensvatbaar te houden, een motief kan zijn dat de terugwerkende kracht van bepaalde berekeningsregels verantwoordt wanneer de oorspronkelijke regels niet aan de maatschappelijke werkelijkheid blijken te zijn aangepast. Te dezen blijkt uit de brief van de minister van Pensioenen van 28 september 2005, waarnaar zowel de verzoekende partij als de Ministerraad verwijzen, dat de berekening van de bijdrage- en overnamepercentages uitgaat van ramingen die door de ontwikkeling van de loonsom en de pensioenlasten zijn overschreden. De noodzaak om het aldus verstoorde evenwicht te herstellen, kan de retroactiviteit van de bestreden bepalingen verantwoorden, bepalingen die overigens niet werden betwist vooraleer door de verzoekende partij in 2006 beroepen werden ingesteld."