1. Artikel 14 van de Antidiscriminatiewet verbiedt in de aangelegenheden die onder het toepassingsgebied van deze wet vallen, elke vorm van discriminatie, waaronder ook directe discriminatie.
09 augustus 2014
Discriminatie op grond van politieke of syndicale overtuiging: vergt overtuiging lidmaatschap?
1. Artikel 14 van de Antidiscriminatiewet verbiedt in de aangelegenheden die onder het toepassingsgebied van deze wet vallen, elke vorm van discriminatie, waaronder ook directe discriminatie.
28 april 2010
Analyse van de Inbev-rechtspraak: collectieve actie, staking en kortgeding
Interessante elementen uit de uitspraken
Zowel de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven als deze te Luik en het Hof van Beroep te Luik hebben het eenzijdig verzoekschrift afgewezen. Enkel het Hof van Beroep te Brussel ging in op het eenzijdig verzoekschrift, maar werd geconfronteerd met een dagvaarding in derdenverzet vanwege de stad Leuven, evenals van haar burgemeester. Na deze interventie kwam een akkoordarrest tot stand dat de modaliteiten van de tussenkomst van de openbare machten beperkte.
In wat hierna volgt overlopen we de interessante gegevens uit de diverse uitspraken:
a) De beschikking van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven
Met een beschikking van 11 januari 2010 werd het eenzijdig verzoekschrift ontvankelijk, doch ongegrond verklaard. Wat de ontvankelijkheid betreft, vermeldt de rechtbank dat het “recht op arbeid” van de eventueel werkwillige werknemers niet kan worden ingeroepen door de werkgever. Het is niet haar eigen belang. Wat de grond van de zaak betreft, wordt het stakingsrecht primair gekaderd in het Europees Sociaal Handvest waarin het erkend is in artikel 6 en de beperkingen in artikel 31 worden omschreven. De mogelijkheid tot rechterlijk optreden wordt evenwel ruimer gezien dan artikel 31, met name wanneer handelingen worden gesteld die de grenzen van uitoefening van het stakingsrecht kennelijk overschrijden, zodat deze als feitelijkheden kunnen worden beschouwd. Deze invulling correspondeert met het arrest van het Hof van Cassatie van 31 januari 1997, temeer daar in de beschikking als voorbeeld van dergelijke feitelijkheid het geweld op personen en/of goederen wordt aangehaald. Deze grens wordt door Laenens en Rigaux uit het cassatiearrest afgeleid in hun commentaar bij het arrest.
Alleszins expliciteert de rechtbank in een belangrijke passage dat het blokkeren van de aanlevering van grondstoffen aan en van de uitlevering van de afgewerkte produkten van het stakende bedrijf tot de normale uitoefening van het stakingsrecht hoort. Geweld wordt niet bewezen verklaard en blijkt niet uit de vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder. De overweging dat geen enkel element aantoont dat de overgrote meerderheid van werkwillige werknemers zich verzetten tegen deze blokkades, lijkt me weinig toe te voegen aan de beschikking. Een belangrijke toevoeging is wel dat het feit dat de actie op korte termijn schade berokkent aan het eigendomsrecht en de vrijheid van nijverheid van de werkgever evident en onvermijdelijk is.
Belangrijk is dat de rechter stelt dat de opportuniteit van de staking niet door hemzelf beoordeeld kan worden, aangezien hij zich in dat geval zou mengen in de beslissing van een collectief arbeidsgeschil dat in de huidige stand van de wetgeving essentieel via overleg dient opgelost te worden, wat stakingsakties echter niet uitsluit. Hierbij toont de rechter eerbied voor de principiële optie van de wetgever, zoals geconsacreerd in artikel 38.2 van de CAO-wet en artikel 578,3° van het Gerechtelijk Wetboek.
b) De beschikking van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Luik
Met een beschikking van 11 januari 2010 werd het eenzijdig verzoekschrift ontvankelijk, doch ongegrond verklaard. Wat de grond van de zaak betreft, stelt de voorzitter in eerste instantie dat het stakingsrecht noodzakelijkerwijze een inbreuk uitmaakt op de belangen en rechten van de werkgever en stelt algemeen dat de rechterlijke macht slechts kan tussenkomen wanneer men de sociaal aanvaardbare grenzen van de uitoefening van het stakingsrecht overschrijdt. Dit is het geval als het recht misbruikt wordt of als er geweld ten opzichte van personen of goederen gepleegd wordt. Hierbij wordt expliciet verwezen naar het cassatiearrest van 31 januari 1997 en de beslissing van de voorzitter van de Rechtbank van Brussel van 6 december 2001. Toegepast in de situatie in casu stelt de Rechtbank dat er geen feiteljkheid voorhanden is: het werkwillig personeel heeft toegang tot de site en er is geen enkele geweldpleging die wordt ingeroepen. De vordering wordt afgewezen.
c) De beschikking van het Hof van Beroep te Luik
Het Hof van Beroep te Luik bevestigde de beslissing bij arrest van 14 januari 2010.Inzake de ontvankelijkheid stelt het Hof dat het gaat om een perfect voorzienbare collectieve actie, georganiseerd door de representatieve werknemersorganisaties en de vakbondsafgevaardigden, waarvan de werkgever de identiteit kent. In die omstandigheden kon een tegensprekelijke procedure worden gevoerd, wat nog steeds de regel is. Het Hof verbindt hier echt niet onmiddellijk een gevolg aan. In plaats van het oorspronkelijk eenzijdig verzoekschrift als onontvankelijk af te wijzen, gaat ze toch in op de feitelijkheden zelf. Ze beslist daartoe omdat het voor haar onduidelijk is of de zogenaamde feitelijkheden beslist werden door de organisaties resp. afgevaardigden. Dit standpunt kan verbazen. Zelfs indien het relevant zou zijn van wie de beslissing kwam, komt het aan de werkgever toe om te bewijzen dat bepaalde zogenaamde feitelijkheden losstaan van de syndicale actie, temeer daar er in een eenzijdige procedure geen tegenpartij aanwezig is.
Voor de beoordeling van de grond van de zaak plaatst ze het conflict duidelijk in haar socio-economische context: ze stelt dat het stakingsrecht het enige economische drukkingsmiddel is dat geleid heeft tot de arbeidswetgeving en de erkenning van de menselijke waardigheid. Deze band met de grondrechten is belangrijk. Vervolgens haalt ze aan dat druk nodig is om te bereiken wat niet spontaan gegeven wordt en dat een multinationaal bedrijf alleen een economische en financiële berekening maakt. Het is in die context dan ook toegestaan om dezelfde of grotere schade te veroorzaken aan de werkgever dan de schade die de werknemers lijden. Dit wordt vervolgens toegepast door te stellen dat in casu de staking als gevolg heeft dat de werkgever geen winst maakt en dat hij tegelijkertijd loon moet betalen aan de werkwillige werknemers.
d) De beschikking van het Hof van Beroep te Brussel
In het arrest van 12 januari 2010 heeft het Hof van Beroep het verzoekschrift van de werkgever wel ontvankelijk en gegrond verklaard op een manier die we kennen. In al haar voortvarendheid stelde het hof dat de werkgever beroep kon doen op de openbare macht “om het geheel dispositief, desnoods met fysieke dwang, te doen naleven”.
Samenvatting
Het kan niet ontkend worden dat er dankzij de procedures derdenverzet die ingeleid werden in de zaak Carrefour, een kentering in de rechtspraak zichtbaar is. Twee rechtbanken (Leuven, Luik) en één hof (Luik) waren van oordeel dat het stakingsrecht slechts kon worden beperkt in geval van geweld op personen en/of goederen. Hiermee wordt recht gedaan aan de juiste interpretatie van het cassatiearrest van 31 januari 1997 en de visies van de comités bij de IAO en het ESH. Tegelijk is er een opkomende tendens die de opdrachten aan de openbare macht terecht beperkt tot wat voorzien is in artikel 44 wet politieambt (dagvaarding in derdenverzet-Inbev, beschikking zaak-Touring).
14 april 2010
Naar een mildere dienstenrechtspraak rond detachering van werknemers?
Het is stil rond de tewerkstelling van buitenlandse werknemers op de Belgische arbeidsmarkt. Onze politici hebben tegenwoordig uiteraard wel andere noten te kraken, maar dat betekent niet dat de problematiek zelf zou afgezwakt zijn of minder aandacht zou vereisen. De laatste mediastorm in een glas water betrof de openstelling door België van het vrij verkeer van werknemers – lees de opheffing van de overgangsmaatregelen dienaangaande – overeenkomstig artikel 39 EG[2]. Om politiek-strategische redenen stelde federaal minister van Werk Milquet deze openstelling nog even in twijfel, om eind april 2009 dan toch geen verdere overgangsmaatregelen meer te handhaven[3]. Voor werknemers uit de in 2004 toegetreden Centraal- en Oost-Europese lidstaten moeten sindsdien geen arbeidskaarten meer worden aangevraagd en zij kunnen dus gemakkelijk rechtstreeks aangeworven worden. Deze ontwikkeling geeft echter nog geen garantie dat daarmee massaal zal worden teruggekeerd van “de andere manier” om Polen, e.a., hier bij ons in te schakelen, namelijk die van het vrij verkeer van diensten door de detachering van werknemers of het beroep op buitenlandse (schijn-)zelfstandigen.
Het is de detachering van werknemers die nog steeds voor de nodige vraagtekens zorgt bij inspectiediensten over het gehele grondgebied van de EU. Op dat vlak zijn er nog veel gaten in het informatie-, controle- en handhavingsbeleid van de meeste lidstaten en is het zeer moeilijk gebleken om de misbruiken uit te roeien. Dit niet in het minst omdat de manier waarop men in de lidstaten die misbruiken wil detecteren, controleren en bestraffen met Argus-ogen wordt gevolgd door de Europese Commissie. Zoals reeds uit een resem arresten van het Hof van Justitie is gebleken, balanceren dergelijke controle- en handhavingsmaatregelen steeds weer op de dunne koord tussen de sociale bescherming van werknemers en het vrij verkeer van diensten van hun werkgevers en deze laatsten hun opdrachtgevers. Het is de steeds sterker wordende dualiteit binnen een nog steeds voornamelijk economisch geïnspireerde Unie die zichzelf ook sociale doelstellingen heeft toegeëigend, maar het lastiger heeft om die laatste van vlees aan de botten te voorzien en te verzoenen met de eerste. We vinden een mooi voorbeeld in eigen land. Het LIMOSA-project[4], de in 2006 ingevoerde aanmeldingsplicht voor gedetacheerde zelfstandigen en werknemers om een beter zicht te krijgen op de aanwezigheid van die buitenlandse arbeidskrachten, werd in het begin nog bejubeld als een voorbeeld-handhavingsmaatregel die tot voorbeeld zou kunnen strekken voor andere lidstaten. Hij werd bovendien nog eens genomineerd voor de Europese e-Government-awards[5]. Anno 2010 mag het Koninkrijk België echter in een informeel overleg aan de Commissie de conformiteit van het systeem met het recht op vrij verkeer van diensten beargumenteren en dreigt het een inbreukprocedure aan zijn broek te hebben met betrekking tot datzelfde bejubelde LIMOSA-project. De twijfels zouden weliswaar vooral betrekking hebben op de aanmeldingsplicht voor zelfstandigen, maar het is ten zeerste de vraag of de werknemerscomponent van de maatregel heelhuids uit dergelijke inbreukprocedure kan komen.
De interne tweestrijd tussen de economische Unie – met een interne markt die nog op de echte voltooiing van het vrij verkeer van diensten zit te wachten – en de sociale Unie, waarvan de laatste zich met veel vallen en weinig opstaan toch op een geheel particuliere wijze in het beleid heeft weten te vervlechten, kwam nog eens nadrukkelijk naar voor in de (detacherings-)arresten Laval[6] en Viking[7]. Deze arresten werden reeds uitvoerig toegelicht dus voor een bespreking ervan kan ik naar andere auteurs verwijzen, maar de essentie ervan is als volgt. In deze zaken werd het Hof een conflict voorgelegd tussen het vrij verkeer van diensten en het recht op collectieve actie. Het “vrij verkeer van diensten” werd verpersoonlijkt door een Letse bouwonderneming die voor een bepaalde periode werknemers naar een Zweedse werf had gedetacheerd en zich niet kon vinden in de werf-CAO die door de Zweedse vakbond werd voorgelegd. Het “recht op collectieve actie” was dat van die Zweedse vakbonden die de werf blokkeerden omdat er geen akkoord kwam met de Letse onderneming. Het eindresultaat was het faillissement van de Letse onderneming, maar deze zag in het optreden van de vakbonden vooral een schending van haar door het EG-Verdrag gewaarborgd vrij verkeer van diensten. Het Hof gaf eerst te kennen dat het het belang van deze zaak juist inschatte, want het begon zijn argumentatie met de vaststelling dat het om een sociaal grondrecht ging dat tot de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht behoorde (en dus een constitutionele status had), met verwijzing naar het ILO-Verdrag nr. 87[8], het Europees Sociaal Handvest[9], het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden[10] en het Handvest van de Grondrechten van de EU[11]. Iedereen die wat vertrouwd is met de dienstenrechtspraak van het Hof, kon echter verwachten dat de bijzondere status van deze belemmering van het vrij verkeer van diensten nooit zou betekenen dat het Hof niet tot een evenredigheidstoets zou overgaan. Iedereen die dat laatste toch hoopte, is de laatste 30 jaar ingedommeld of moet er dringend nog eens de dienstenrechtspraak bijhalen. Wat wel binnen de mogelijkheden lag, was dat het Hof een mildere proportionaliteitstoets zou toepassen, zoals het dat eerder al in andere zaken had gedaan die een clash tussen grondrechten en fundamentele vrijheden betroffen.
Maar het grondrecht op collectieve actie werd door de gekende rigide art. 49-scan[12] gehaald en het sociaal grondrecht op collectieve actie werd opgeslorpt door de vaak gebruikte rechtvaardigingsgrond van de “bescherming van werknemers”, net zoals de andere gewone[13] arbeidsrechtelijke regelingen die in eerdere detacheringszaken werden gescreend. Waar de verwerende partijen zich in Laval en Viking hadden beroepen op de waarborging van de bescherming van het betrokken grondrecht aan de ene kant en de bescherming van werknemers aan de andere kant, koos het Hof immers voor een samengesmolten benadering. Het vrij verkeer van diensten werd op die manier niet expliciet tegenover de bescherming van het grondrecht an sich geplaatst, maar tegenover “het recht om collectieve actie te voeren met het oog op de bescherming van werknemers in de staat van ontvangst tegen eventuele praktijken van sociale dumping” als dwingende reden van algemeen belang. De argumentatie daarna werd verdergezet onder de bekende rechtvaardigingsgrond van de ‘bescherming van werknemers’, waarmee het grondrecht als één van de instrumenten ter bescherming van de rechten van werknemers werd behandeld en op een subtiele manier in het gebruikelijke stramien van de normale belemmeringsrechtvaardigingen werd gebracht. Dit in tegenstelling tot de in Laval aangehaalde arresten Schmidberger[14] en Omega[15], waarin de bescherming van de grondrechten op zich als een rechtmatig belang werd beschouwd en afgewogen. Daarin moest het vrij verkeer de duimen leggen voor het grondrecht in kwestie. Als men dan in acht neemt dat één van deze zaken een door een gemeentebestuur opgelegd verbod op lasershooting (sic) betrof op basis van het grondrecht van de ‘eerbied voor de menselijke waardigheid’, kan men er niet omheen dat de logica wat zoek is indien men deze gevallen naast elkaar legt.
Beide zaken werden reeds “grijsgeschreven” en niet in het minst door auteurs die hun eigen ideologische voorkeur niet konden of wilden verbergen. Hoe men deze zaken ook bekijkt, het Hof van Justitie is vooralsnog geen “neo-liberale denktank” noch een “rood bastion”, maar de plaats waar een rechterlijke invulling wordt gegeven aan het primair en secundair Gemeenschapsrecht “zoals dat steeds had moeten geïnterpreteerd worden”. Indien men de kiem voor een kentering van de behandeling van dergelijke zaken wil navorsen, zal men deze in het recht moeten zoeken en niet in politieke slogans. En misschien is deze dan wel te ontwaren in de combinatie van de houding van de na het Verdrag van Lissabon nieuwboren Unie ten aanzien van fundamentele rechten en vrijheden enerzijds en de ontwikkelingen van deze laatste anderzijds. Met de tegen Turkije gerichte zaken ‘Demir en Bakayra’[16] en ‘Enerji Yapi-Yol Sen’[17] erkende het Europees Hof voor de Rechten van de Mens immers expliciet het recht op collectieve actie als een essentieel element van de vrijheid van vergadering en vereniging van artikel 11 EVRM[18]. Het hoeft geen betoog dat dit een uiterst belangrijke zaak is voor de vakverenigingsvrijheid en voor het stakingsrecht, die mogelijks een doorwerking kan vinden in de rechtspraak van het Hof van Justitie. Die mogelijkheid lijkt groter te worden nu het Handvest van de Grondrechten van de EU een juridisch bindend onderdeel is geworden van het Verdrag. Maar vooral de op 17 maart 2010 gestarte onderhandelingen van de EU voor de toetreding van de Unie tot het EVRM[19] zijn onmiskenbaar van historisch belang voor de bescherming van de grondrechten binnen de Europese Unie. Daardoor komt immers een extra rechterlijke controle op de bescherming ervan en dit niet alleen ten aanzien van de wetgevende handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie, maar ook ten aanzien van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Met andere woorden zal in de toekomst een zaak zoals Laval of Viking aan het EHRM kunnen worden voorgelegd ter toetsing van de conformiteit met de verenigingsvrijheid van artikel 11 EVRM.
Een zaak als Laval zou echter niet de juiste zaak zijn om het sociaal grondrecht op collectieve actie onder het versterkte grondrechtelijke kader te meten met de economische vrijheden van het EG-verdrag. Deze zaak had inderdaad betrekking op de uitoefening van een belangrijk sociaal grondrecht en men kan zich afvragen of het Hof zich daarvan voldoende rekenschap heeft gegeven. De rest is echter “Zweeds geneuzel”, om een ambtenaar van de Europese Commissie in een presentatie over deze zaak te citeren. En gelijk had hij. Men kan lang doorgaan over de eigenheid van het Scandinavisch systeem van collectieve onderhandelingen en de rol van de vakbonden in het controle- en handhavingsbeleid, maar de essentie van de zaak Laval blijft dat het Zweedse systeem zich niet leent tot een degelijke implementatie van de Detacheringsrichtlijn 96/71. Daarvoor moet men nu eenmaal een transparante minimumgrens van arbeidsrechtelijke bescherming aanduiden die van toepassing zal zijn op gedetacheerde werknemers. Eenmaal goed aangeduid, mag men niet buiten noch boven deze kern gaan. Indien dat niet lukt, moet men zijn systeem aanpassen. Hier passen de woorden van Davies die voor eender welke EU-wetgeving gelden, zolang er niets fundamenteels verandert aan de primauteit van EU-recht ten aanzien van nationaal recht: “There is no principle that EU law should only have limited effects. If a system is so little compatible with EU law that bringing it into line entails fundamental changes, so be it”[20]. Voor wie vertrouwd is met de impact van Europees recht van de interne markt op de nationale stelsels van sociale bescherming, kan worden verwezen naar de rechtspraak over patiëntenmobiliteit. Na lang “Brits geneuzel” over, onder andere, het feit dat hun systeem nooit kon geaffecteerd worden door deze rechtspraak omdat het Britse NHS-stelsel geen terugbetalingstarieven kent zoals het Belgische of het Luxemburgse gezondheidszorgsysteem (die in 1998 het eerst onder vuur kwamen met de zaken Kohl[21] en Decker[22]), besliste het Hof uiteraard anders. In de zaak Watts werd duidelijk dat ook patiënten uit een NHS-stelsel onder bepaalde omstandigheden[23] zorg konden genieten in andere EU-lidstaten die in het Verenigd Koninkrijk moet worden vergoed. Moeilijk of niet, het Verenigd Koninkrijk moet ervoor zorgen dat het zijn stelsel daaraan aanpast en het moet dus gaan “tariferen” in een stelsel zonder tarieven. Zo zou dat dus ook moeten gaan voor het Zweedse systeem en de moeilijke verhouding ervan met de Detacheringsrichtlijn.
Het bijzondere hier is dat de Scandinavische banbliksems naar Brussel toch een impact hebben gehad. Er wordt immers opnieuw nagedacht over de noodzaak van een aanpassing van de richtlijn. Te dien einde heeft de Europese Commissie een aantal onderzoeken bevolen naar verschillende deelaspecten: de juridische aspecten van de detachering van werknemers, de arbeids- en levensomstandigheden van gedetacheerde werknemers, de economische en sociale aspecten van de detachering van werknemers zullen worden onderzocht en een haalbaarheidsstudie voor de instelling van een Europees platform voor samenwerking tussen de arbeidsinspecties van de lidstaten, werd gelast. Deze brede waaier van onderzoeken zou dus de marges voor verbetering moeten blootleggen. Toch voelt deze ontwikkeling aan als Europees recht op zijn kop, want de normale gang van zaken is dat nationaal recht zich moet conformeren aan Europees recht dat door de lidstaten werd aangenomen. Zoniet gaan we naar een Unie waarin elke volgens de rechtmatige procedures aangenomen wetgeving kan aangevallen worden vanuit een zekere eigenheid van één of ander nationaal stelsel. Anders wordt het uiteraard indien vast komt te staan dat Europese wetgeving haaks staat op de (sociale) rechtsstelsels van alle lidstaten en zo eigenlijk zijn doel ver voorbij schiet. Uiteraard moet men ook steeds open blijven staan voor verbeteringen van het Europese kader, maar met Laval en Viking lag het probleem toch vooral bij de onaangepastheid van het betrokken nationale stelsel en niet bij een fundamentele “programmeerfout” in de Europese wetgeving. Misschien hadden de Scandinavische landen nu net dat streepje voor omdat zij in het sociaalrechtelijke domein nog steeds hofleverancier van het “flexizekerheidsconcept” zijn. Of mag “België” straks ook zijn zegje doen in “Brussel” als onze wel zeer breed opgevatte omzetting van de harde kern van arbeidsvoorwaarden – zowat ons gehele arbeidsrecht, aangezien het gaat om alle strafrechtelijk beteugelde bepalingen – een belletje doet rinkelen bij een multinational of de Europese Commissie.
Het blijft in elk geval afwachten naar “de juiste zaak” om te zien of het Hof van Justitie zich zal laten beïnvloeden door de nieuwe Europese wind in de bescherming van de grondrechten. En misschien wegen de sociale grondrechten niet alleen door in zaken waarin zij rechtstreeks in het geding zijn, maar kunnen zij een milderend effect hebben bij de behandeling van andere detacheringszaken indien een voldoende nauwkeurig verband kan worden gelegd tussen een betrokken arbeidsrechtelijke regeling en een sociaal grondrecht. Daarmee is echter ook voorzichtigheid geboden, want (sociale) grondrechten blijven in vele gevallen gekenmerkt door veel symboliek en weinig echte juridische houvast in zeer concrete zaken.
-
[1] Filip Van Overmeiren is wetenschappelijk medewerker aan de Vakgroep Sociaal Recht van de Universiteit Gent, waar hij zich voornamelijk concentreert op de impact van het recht van de interne markt op de nationale stelsels van sociale bescherming. Hij werkt aan een proefschrift over de invloed van het Europees burgerschap op de toegang tot sociale bescherming. Hij is auteur van het boek F. VAN OVERMEIREN, Buitenlandse arbeidskrachten op de Belgische arbeidsmarkt, in Bibliotheek Sociaal Recht, Larcier, 2009, 346.
Zie http://uitgeverij.larcier.com/titres?id=40955_1
[2] Huidig artikel 45 VWEU.
[3] F. VAN OVERMEIREN, “Een Pool? Doe de deur maar open”, Opinie, De Standaard, 20 maart 2009.
[4] De verplichte aanmelding bij detachering van werknemers, zelfstandigen en stagiairs is één onderdeel van het grotere LIMOSA-project voor een beter zicht op en administratief eenvoudigere behandeling van grensoverschrijdende tewerkstelling naar België. Zie http://www.limosa.be/
[5] European e-Government Awards, Exhibition Catalogue 2007, 52, zie http://www.epractice.eu/files/download/awards/ExhibitionCatalogue2007.pdf/
[6] HvJ 18 december 2007, nr. C-341/05, Laval, Jur. 2007, I, 11767.
[7] HvJ 11 december 2007, nr. C-438/05, Viking, Jur. 2007, I, 10779
[8] http://www.ilo.org/ilolex/english/convdisp1.htm
[9] http://conventions.coe.int/Treaty/EN/Treaties/PDF/Dutch/163-Dutch.pdf
[10] http://www.europarl.europa.eu/transl_nl/home/nlsite.htm?nlmarge.htm&nlkop.htm&g30.htm
[11] http://www.europarl.europa.eu/charter/pdf/text_nl.pdf
[12] Huidig artikel 56 VWEU.
[13] ‘Gewone’ in die zin dat het in eerdere zaken om nationale wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen ging, terwijl hier een grondrecht in het geding was, wat de zaak eerder ‘buitengewoon’ maakt.
[14] HvJ 12 juni 2003, nr. C-112/00, Schmidberger, Jur. 2003, I, 5659.
[15] HvJ 14 oktober 2004, nr. C-36/02, Omega, Jur. 2004, I, 9609.
[16] EHRM, DEMİR en BAYKARA t. TURKIJE (nr. 34503/97), 12 November 2008.
[17] EHRM, ENERJİ YAPI-YOL SEN t. TURKIJE (nr. 68959/01), 21 april 2009.
[18] Artikel 11, lid 1, EVRM luidt: “Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen”.
[19] De grondslag voor deze toetreding is terug te vinden in artikel 6, lid 2, VWEU. De EU wordt de 48e partij bij het EVRM, zonder dat zij lid zal worden van de Raad van Europa.
[20] G. T. DAVIES, "The process and side-effects of harmonisation of European welfare states", Jean Monnet Working Paper 2006, 02/06, (1), 36.
[21] HvJ 28 april 1998, nr. C-158/96, Kohll, Jur. 1998, I, 1931.
[22] HvJ 28 april 1998, nr. C-120/95, Decker, Jur. 1998, I, 1831.
[23] Voor ziekenhuiszorg is dit beperkt, maar voor ambulante zorg geldt in principe een ongebreideld patiëntenverkeer: elke verzekerde EU-onderdaan kan in een andere lidstaat zorg genieten en in zijn lidstaat van oorsprong daarvoor terugbetaling ontvangen.
24 april 2009
Europees Hof voor de Rechten van de Mens doet uitspraak over stakingsrecht
"LIBERTE SYNDICALE (Art. 11 CEDH) : Nouvelle progression du droit de grève devant la Cour européenne des droits de l’homme
Dans la lignée de son important arrêt de Grande Chambre du 12 novembre 2008 (Demir et Baykara c. Turquie, req. no 34503/97. V. lettre d’actualité du 14 novembre 2008), la Cour européenne des droits de l’homme a fait un nouveau pas vers la reconnaissance du droit de grève comme droit protégé en tant que tel par la Convention. Elle condamne ici la Turquie pour violation du droit à la liberté syndicale (Art. 11) du fait de l’interdiction générale du droit de grève qui était opposée, à l’époque des faits, à tous les fonctionnaires turcs.
Une circulaire rédigée par les services du Premier ministre turc fut publiée en 1996 pour menacer de sanctions les fonctionnaires qui participeraient aux actions de grèves prévues quelques jours plus tard en faveur de la reconnaissance du droit à une convention collective dans le secteur public. Et, de fait, des membres d’un syndicat de fonctionnaires (« Enerji Yapı-Yol Sen ») furent sanctionnés, d’où le recours en annulation de ladite circulaire formé, sans succès, devant le Conseil d’Etat turc par ce syndicat.
Saisie d’une allégation de violation du « droit à la liberté syndicale » (Art. 11), la Cour va trouver ici l’opportunité de préciser d’importants éléments au sujet du droit de grève. Elle considère en effet, au sujet de l’existence d’une ingérence au sein du droit précité, que « le syndicat requérant a subi directement les effets de la circulaire litigieuse et qu’il peut en conséquence se prétendre victime d’une ingérence dans l’exercice de son droit à la liberté syndicale » (§ 34). A l’appui de ce constat, la juridiction strasbourgeoise relève différents éléments relativement classique dans sa jurisprudence (« La grève, qui permet à un syndicat de faire entendre sa voix, constitue un aspect important pour les membres d’un syndicat dans la protection de leurs intérêts »). Mais surtout, elle souligne que « le droit de grève est reconnu par les organes de contrôle de l’Organisation internationale du travail (OIT) comme le corollaire indissociable du droit d’association syndicale protégé par la Convention C87 de l’OIT sur la liberté syndicale et la protection du droit syndical » et « rappelle que la Charte sociale européenne reconnaît aussi le droit de grève comme un moyen d’assurer l’exercice effectif du droit de négociation collective » (§ 34).
Poursuivant leur examen, les juges européens constatent rapidement que cette ingérence au sein du droit à la liberté syndicale était « prévue par la loi » (§ 27) et émet un doute sur la poursuite ici d’un but légitime (§ 28) afin de se concentrer sur la nécessité de cette ingérence. Or, après avoir rappelé le contexte de l’époque, très incertain quant au droit du travail turc (§ 32), les juges précise que « le droit de grève n’a pas de caractère absolu » et qu’en particulier, « le principe de la liberté syndicale peut être compatible avec l’interdiction du droit de grève des fonctionnaires exerçant des fonctions d’autorité au nom de l’Etat » (§ 32). Des bornes à ces restrictions du droit de grève sont cependant vite tracées par la Cour qui indique que cette interdiction « ne peut pas s’étendre aux fonctionnaires en général, comme en l’espèce, ou aux travailleurs publics des entreprises commerciales ou industrielles de l’Etat » et que « les restrictions légales au droit de grève devraient définir aussi clairement et étroitement que possible les catégories de fonctionnaires concernées » (§ 32). Deux conditions que la circulaire litigieuse, « rédigée en des termes généraux qui interdisaient de manière absolue à tous les fonctionnaires le droit de grève » viole nettement. Au surplus, la Cour estime que les fonctionnaires en question « n’ont fait qu’user de leur liberté de réunion pacifique » et que les sanctions infligée « sont de nature à dissuader » la participation « légitime[...] à de telles actions » (§ 32). Partant, la Turquie est condamnée pour violation de l‘article 11.
La Cour formule dans cet arrêt l’exigence conventionnelle de respect du droit de grève avec une netteté inédite (V. les arrêts plus alambiqués à ce propos - Cour EDH, 2e sect. 27 mars 2007, Karaçay c. Turquie, req. n° 6615/03 et Cour EDH, 2e sect. 17 juillet 2007, Satilmis et autres c. Turquie, req. n° 74611/01). Le chemin ouvert par l’arrêt Demir et Baykara est d’ailleurs ici expressément suivi par la formation de Chambre, notamment par le recours à de sources textuelles extra-conventionnelles (une convention de l’Organisation Internationale du Travail et la Charte Sociale Européenne). Mais, précisément, on peut regretter qu’elle n’ait pas poursuivi son effort en qualifiant, enfin et clairement, le droit de grève d’« élément essentiel de la liberté syndicale », comme l’avait fait la Grande Chambre au sujet du droit de mener des négociations collectives."
31 december 2008
Niemand is in het paradijs: over het stakingsrecht en de grenzen daarvan
1. Nu iets meer dan een eeuw geleden noemde socialistisch voorman Louis BERTRAND het negentiende eeuwse België ‘le Paradis des capitalistes’ (Histoire de la démocratie et du socialisme en Belgique depuis 1830, Brussel, 1906, p. 240). Vandaag is ons land ‘een paradijs voor stakers’, althans dat beweert prof.dr. Roger BLANPAIN (Juristenkrant 2008, nr. 180).
Het hedendaags onderzoek naar de negentiende eeuwse wereld van de arbeid (zie bijvoorbeeld het werk van de Belgische historica PatriciaVan DEN EECKHOUT, en van de Franse historicus Alain COTTEREAU), toont nochtans aan dat de analyse van Louis BERTRAND met een korreltje zout moet worden genomen. Dit betekent natuurlijk niet dat we plots ook geen geloof moeten hechten aan de negentiende eeuwse ‘sociale kwestie’ die vanaf 1886 – na de stakingen in het Waalse industriebekken – het middelpunt van de politieke agenda zouden gaan vormen (zie hieromtrent het doctoraal proefschrift van Jo DEFERME, Uit de ketens van de vrijheid, Leuven, 2007). Dit onderzoek toont wel aan dat in het heetst van het debat de werkelijkheid al te vaak unidimensionaal wordt benaderd.
Ook de opinie van prof.dr. BLANPAIN moet worden genuanceerd en mist volgens mij het nodige breedbeeldperspectief. Vooreerst is het opvallend hoe sterk hij de nadruk legt op het feit dat de werkstaking een sociaal grondrecht is, maar over stakingsposten plots stelt dat het ‘maar’ collectieve acties zijn, die niet als een staking kunnen worden beschouwd. Daarmee lijkt hij haast te willen insinueren dat het recht op collectieve actie geen grondrechtelijke waarborging kent en, zoals hij trouwens nadrukkelijk aangeeft, ‘slechts’ een uiting is van het recht van (vreedzaam) vergaderen en het recht van vrije meningsuiting. Artikel 6.4 van het (herziene) Europees Sociaal Handvest en 28 van het Handvest van de grondrechten van de EU garanderen nochtans het recht op collectieve actie en niet enkel het stakingsrecht dat daar deel van uitmaakt. Vreedzaam posten maakt volgens het European Comittee on Social Rights, dat toeziet op de naleving van het ESH, wel degelijk deel uit van het grondrecht op collectieve actie. Net daarom werd de tussenkomst van de Belgische kortgedingrechter reeds negatief beoordeeld. (Conclusie ECSR XVI, 2002 (Belgium)).
2. Sancties opleggen aan piketten die niet gepaard gaan met geweldplegingen, bedreigingen of intimidatie is helemaal niet zo vanzelfsprekend. Prof.dr. BLANPAIN kiest resoluut voor het belangenafwegingmodel dat door het Hof van Justitie werd gepropageerd in de zaken Schmidberger, Viking en Laval en haakt de beperkingen van het zelfs vreedzaam posten vast aan andere grondrechten: de vrijheid van arbeid, de vrijheid van ondernemen van de werkgever en zo waar, het recht van klanten om een winkel te bezoeken. Wat betreft de aangehaalde vrijheden laat hij zich onder andere inspireren door het Handvest van de grondrechten van de EU, dat onder andere het recht om te werken en de vrijheid van ondernemerschap erkent (artt. 15 en 16). In de Belgische rechtsorde kan men zich ter zake ook beroepen op het Decreet d’Allarde, een fiscale wet die kort na de Franse revolutie werd uitgevaardigd. Het is echter een raadsel met welk grondrecht het ‘bezoekrecht’ van consumenten in verband moet worden gebracht.
In een vrije markteconomie, dat zowel op supranationaal als op nationaal niveau wordt gekenmerkt door de verzuchting de mededinging te bewerkstelligen en waar consumenten ten allen tijde zouden moeten kunnen kiezen voor de ‘concurrentie’, lijkt het logisch dat een collectieve actie – die de bedoeling heeft enige indruk te willen maken op de werkgever – ertoe strekt consumenten af te leiden naar de concurrenten van de werkgever. Zelfs het louter neerleggen van het werk, met als gevolg dat de onderneming de productie moet stil leggen of de verkoopsactiviteiten moeten worden gestaakt, kent dit onvermijdelijke, maar niet noodzakelijk permanente gevolg. Een collectieve actie van werknemers die is gericht tegen een werkgever, tast met andere woorden steeds de vrijheid van ondernemerschap van die laatste aan: dat is de essentie van dit grondrecht en van dergelijke actie. Een collectieve actie moet dus zeker niet in absolute termen de vrijheid van ondernemerschap ‘eerbiedigen’, zoals prof.dr. BLANPAIN laat uitschijnen. Het recht om te werken komt daarenboven amper in gedrang door een vreedzaam stakingspikket, dat werkwilligen niet verhindert zich aan te melden bij hun werkgever.
Vanuit historisch perspectief blijkt trouwens ook dat protestvormen variëren en vooral evolueren (zie het doctoraal proefschrift van G. DENECKERE, Sire het volk mort, Gent, 1997). De tijd van het klompen gooien in de weefmachines (letterlijk ‘sabot’age) is vandaag duidelijk voorbij. Volgens Kurt VANDAELE ligt het aantal stakingen vandaag zelfs historisch laag, telt een staking gemiddeld minder stakers dan vroeger en duren de stakingen ook korter (“Disciplinering, decentralisatie, staatsinmening…en tertialisering. De stakingsevolutie in België na 1970”, in C. DEVOS en P. HUMBLET (red.), Arbeid versus Kapitaal, Gent, 2007, p. 69-70). Het recht mag zich dan ook niet vastpinnen op die ene actievorm die ooit heeft gedomineerd en de ongezonde wil hebben elke andere actievorm te bestrijden. Dit zou immers betekenen dat van het recht een instrument wordt gemaakt dat blind is voor gewijzigde krachtverhoudingen en voor de nieuwe maatschappelijke context waarin collectieve acties (moeten) plaatsvinden.
3. Tenslotte heeft prof.dr. BLANPAIN als man van ‘de rechtstaat’ geen enkel bezwaar tegen het gebruik van een niet-tegensprekelijke gerechtelijke procedure. De stakers die gedagvaard worden, zouden aan het pikket toch onmiddellijk worden vervangen, argumenteert hij. Hij ziet in de dagvaarding dus een middel om de gedaagde of zijn acolieten af te leiden van hun ‘laakbaar’ gedrag. Indien dit doel niet bereikbaar is, dan hoeft het tegensprekelijk debat volgens hem niet. Zodoende maakt hij de aard van de procedure afhankelijk van de vraag of de eiser onmiddellijk het met zijn vordering gewenste resultaat kan bekomen, terwijl vooral de vraag zou moeten worden gesteld of het recht van verdediging van de verweerder voldoende is gegarandeerd of minstens, niet onnodig wordt ingeperkt. De sympathie die prof.dr. BLANPAIN heeft voor het éénzijdig verzoekschrift getuigt van een antipathie voor het posten, waarvan hij a priori aanneemt dat zij niet deugen en dus gebroken moeten worden.
In het geval van stakingspiketten moet de kortgedingrechter zich eigenlijk vooral de vraag stellen of er geweldplegingen, bedreigingen en intimidaties hebben plaatsgevonden. In dergelijk belangrijk bewijsvraagstuk slechts één partij horen en eventueel zelfs vertrouwen op de beweringen van de eiser, is allicht een brug te ver. De kortgedingrechter vragen potentiële geweldplegingen, bedreigingen en intimidaties te veroordelen, ruikt dan weer verdacht veel naar een actio ad futurum, een vordering zonder actueel belang. Het arbeidsrecht avant la lettre kende trouwens een bewijsregel (art. 1781 BW) die bepaalde dat de werkgever in geschillen over het loon op zijn woord werd geloofd. Deze bepaling werd in 1883 niet zonder reden afgeschaft. Bij de kortgedingrechter zijn het dus eerder ‘de kapitalisten’ die soms wel eens het verloren paradijs terugvinden, omdat zij er met betrekking tot collectieve acties bijwijlen op hun woord worden geloofd.
4. Ter afronding, de enige echte zekerheid in verband met het recht op collectieve actie en de grenzen daarvan, is eigenlijk dat het hoog tijd is dat de wetgever ingrijpt en een wet uitvaardigt, die op een evenwichtige wijze uitvoering geeft aan artikel 6.4 (herziene) ESH. Op dit vlak moet prof. dr. BLANPAIN dus volmondig worden bijgetreden. Pas in het aanschijn van deze wet zal voor iedereen duidelijk zijn wie zich werkelijk in het paradijs bevindt. Het objectieve(re) oordeel van een volgende generatie historici zal echter allicht zijn dat zowel ‘kapitalisten’ als ‘stakers’ – ondanks het discours – in het recht van de twintigste en de vroege éénentwintigste eeuw, elk hun wapens en gesels vonden, hetgeen hen beiden met de voetjes op de grond plaatste.
25 november 2008
De grenzen aan het collectief actierecht: een kwestie van afweging van rechten en belangen
1. De aanhoudende spanningen bij Carrefour wakkerden de afgelopen dagen en weken de discussie omtrent de toegang tot de rechter bij collectieve conflicten aan. Deze discussie is echter niet nieuw. Al sinds de jaren 80 wenden werkgevers zich tot de kortgedingrechters om in eenzijdige procedures onrechtmatige collectieve acties te laten verbieden. Zoals algemeen is geweten, heeft deze juridisering van de collectieve arbeidsverhoudingen nooit op veel sympathie kunnen rekenen bij de werknemersorganisaties. Zij beschouwen de rechterlijke bevelen waarin bepaalde actiemiddelen worden verboden op straffe van dwangsom als een ongeoorloofde inbreuk op het recht op collectieve actie.
Het recht op collectieve actie is als zodanig weliswaar niet uitdrukkelijk erkend in de Belgische wetgeving. Niettemin bestaat er niet de minste betwisting over het bestaan van dit recht. Evenmin kan worden betwist dat het recht op collectieve actie, zoals overigens elk recht, zekere grenzen kent. Bij gebreke van wettelijke regeling worden deze grenzen, niet op algemene wijze bepaald door de wetgever of door de sociale partners, maar door de rechter in concreto. Toch kunnen enkele algemene lessen worden getrokken uit de zich ontwikkelende rechtspraak.
Zo worden bepaalde vormen van collectieve actie vrijwel systematisch als onrechtmatig beschouwd. Het betreft in het bijzonder actievormen waarbij geweld wordt gebruikt of waarbij elke toegang tot de onderneming wordt geblokkeerd. Dergelijke handelingen worden met name geacht te veel afbreuk te doen aan de fysieke integriteit van derden of aan de vrijheid van ondernemen en de eigendomsrechten van de werkgever.
2. Andere actievormen zoals de loutere neerlegging van het werk zelf (de staking in de strikte zin van het woord) en het houden van vreedzame stakingsposten, worden op zich niet als onrechtmatig beschouwd. De aanwending van deze actiemiddelen wordt echter weleens als onrechtmatig gezien wanneer een en ander een misbruik van recht zou uitmaken. Concreet werd er reeds geacht sprake te zijn van dergelijk misbruik van stakingsrecht wanneer het belang dat de actievoerders hebben bij de staking disproportioneel is ten opzichte van de schade die hierdoor wordt berokkend aan de werkgever of aan derden zoals bijvoorbeeld klanten.
Hoe dan ook komt het er steeds op neer dat een delicate afweging moet worden gemaakt tussen conflicterende belangen en/of rechten.
Het ligt geenszins voor de hand dat die afweging gebeurt in het raam van een eenzijdige procedure waarin slechts één der betrokken partijen wordt gehoord. Mede in het licht van de vaststelling dat België al enkele decennia de volkenrechtelijke verplichting heeft het recht op collectieve actie te waarborgen, is het aangewezen dat de wetgever werk maakt van een procedure die is aangepast aan deze onvermijdelijke evenwichtsoefening. Hierbij kan als uitgangspunt gelden dat, behoudens afwijkingen in uitzonderlijke omstandigheden, alle betrokken partijen van bij het begin van de procedure de mogelijkheid wordt geboden hun stem te laten horen.
06 oktober 2008
Van nationale staking eindelijk naar nationale stakingswet?
1. Op deze nationale stakingsdag verdient het aanbeveling een opiniestuk van professor Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, even in de kijker te zetten. Het stukje is getiteld "Politieke" stakingen en immobilisme en laakt, net zoals een eerder bericht op deze blog, het ontbreken van een Belgische stakingswet.
U vindt de bijdrage hier: http://www.bellaw-intranet.be/PDF/sc0839.pdf
18 december 2007
Hof van Justitie doet uitspraak in de zaken Viking en Laval
1. "Judgment day for the trade union movement" - om Brian Bercussons woorden te gebruiken - is geweest: op 11 december en 18 december 2007 deed het Hof van Justitie respectievelijk uitspraak in de zaken C-438/05 (International Transport Workers’ Federation and Finnish Seamen’s Union, hierna Viking) en C-341/05 (Laval un partneri).
In de eerste zaak stelde de Engelse rechter aan het Hof van Justitie de vraag of een oproep van de internationale vakvereniging ITF aan haar nationale leden (tevens vakorganisaties) om niet te onderhandelen met een welbepaalde onderneming, in strijd was met de vrijheid van vestiging zoals gewaarborgd door artikel 43 EG-Verdrag. De oproep kwam er op vraag van Finse vakbond van zeelieden, die zich zodoende het alleenrecht wenste voor te behouden om te onderhandelen met Viking, een Finse reder die overwoog uit te vlaggen naar Estland.
In de tweede zaak vroeg een Zweedse rechter het Hof van Justitie een oordeel te vellen over de verenigbaarheid van een tegen een Letse onderneming gerichte boycot en het vrij verkeer van diensten zoals gewaarborgd door artikel 49 EG-Verdrag. Deze boycot werd opgezet door een Zweedse vakvereniging en beoogde de buitenlandse onderneming aan te zetten om een collectieve arbeidsovereenkomst "naar Zweedse normen" af te sluiten. In deze zaak moest rekening worden gehouden met de bepalingen van Richtlijn nr.96/71 inzake de (grensoverschrijdende) terbeschikkingstelling van werknemers. Deze richtlijn geeft elke lidstaat de mogelijkheid om "a nucleus of mandatory rules for minimum protection to be observed [...] by employers who post workers there", vast te leggen.
2. In beide arresten erkende het Hof van Justitie - op basis van verschillende internationale instrumenten - dat het recht op collectieve actie een grondrecht is dat deel uitmaakt van de door de lidstaten gedeelde waarden en beginselen van de EG. Verschillende internationale vakverenigingen zoals de ITF en de ETUC ontvingen de uitspraken op dit vlak dan ook positief. De ITF liet evenwel ook uitschijnen dat in de zaak Viking "the devil is in the tail", terwijl de ETUC met betrekking tot de zaak-Laval regelrecht haar teleurstelling uitte.
Het Hof van Justitie oordeelde immers dat een collectieve actie een inbreuk kan vormen op één van de beginselen van het vrij verkeer. Zodanige actie kan slechts worden getolereerd indien zij (de vrijwaring van) de bescherming van de werknemers beoogt en daarenboven geschikt en evenredig is om dat doel te bereiken.
Waar in de zaak Viking het Hof de nationale rechter opdroeg over te gaan tot afweging van het vrij verkeer ten aanzien van het recht op collectieve actie, oordeelde zij in de zaak Laval zelf dat de blokkade van de Zweedse vakvereniging niet door de beugel kon. Het Hof laat daarbij uitschijnen dat collectieve actie slechts gerechtvaardigd is wanneer de naleving of vrijwaring van de conform richtlijn 96/71 op- en vastgelegde "harde kern" van arbeidswetgeving wordt nagestreefd. De Zweedse vakbond ijverde evenwel net voor een CAO die gunstigere bepalingen omvatte én voor minimumlonen, waaromtrent de Zweedse wetgeving niets bepaalt.
Enkele schijnbare contradicties
3. Het Hof van Justitie geeft duidelijk aan dat elke lidstaat conform de in de richtlijn voorgeschreven methoden en rekening houdende met de daarin opgenomen restricties, moet bepalen welke de minimumnormen zijn die door buitenlandse dienstverrichters moeten worden gerespecteerd. In principe moet de statelijke overheid hierbij handelen. In de bouwsector voorziet men ook dat de minima zouden worden vastgelegd bij algemeen bindend verklaarde CAO. In Zweden kent men deze laatste rechtsfiguur evenwel niet.
Het Hof verduidelijkt met andere woorden dat niet-algemeen bindend verklaard CAO's niet kunnen worden aangewend of worden geïnterpreteerd als zijnde minimumnormen. Werkgevers- en werknemersorganisaties zijn volgens het Hof immers geen "publiekrechtelijke entiteiten" (Laval, overweging nr.84) . In datzelfde arrest, maar dan met betrekking tot het vrij verkeer, heeft het Hof er nochtans geen moeite mee om statelijke hinderpalen gelijk te stellen met "belemmeringen die voortvloeien uit handelingen die door niet onder het publiekrecht vallende verenigingen of lichamen krachtens hun eigen rechtsbevoegdheid worden verricht"(overweging nr. 98) zoals bijvoorbeeld handelingen van vakverenigingen...
Het uitgangspunt dat vakbonden niet zouden mogen ijveren voor meer gunstige bepalingen is evenzeer merkwaardig nu het Hof van Justitie enerzijds oppert dat een buitenlandse dienstverrichter steeds vrijwillig kan toetreden tot een CAO die meer gunstige bepalingen bevat, maar hiertoe niet gedwongen kan of mag worden, terwijl zij het recht op collectieve actie net aanvaardt als laatste redmiddel om collectieve eisen af te dwingen en dit recht zodoende vasthaakt aan het recht op collectief onderhandelen en de syndicale vrijheid, om zodoende ook collectieve acties binnen de werkingssfeer van de beginsel van het vrij verkeer te loodsen.
28 april 2007
Het stakingsrecht:waardevol iets of kostelijke bezigheid?
1. Op vrijdag 13 april laatstleden ondernam het veiligheidspersoneel en de brandweer van Brussels Airport een onaangekondige stakingsactie, die de luchthaven van Zaventem ook effectief lamlegde. Ongeveer 26.000 reizigers ondervonden daardoor aanzienlijke hinder en kregen zo ook de gelegenheid om zich te ergeren aan deze stakingsactie.
Eén van de getroffenen was advocaat Peter Cafmeyer, die via een Amerikaansachtig procédé (class action) nu hoopt zijn gram te halen. De advocaat tracht via de media en zijn website - aan dewelke voor de gelegenheid een themapagina 'Zaventem' werd toegevoegd - de "gedupeerden" van de stakingsactie te "verenigen". Het is de bedoeling de stakers elk individueel te dagvaarden met het oog op het bekomen van vergoeding voor alle door de reizigers individueel geleden schade.
Volgens meester Cafmeyer hebben de stakers het stakingsrecht zwaar misbruikt en moeten zij nu een lesje worden geleerd (het zogenaamde ontradend effect). De raadsman wil de wetgever daarenboven ook aanzetten tot het reglementeren van de werkstaking.
2. In de media is evenwel het verkeerde beeld ontstaan dat de staking enkel draaide om een maaltijdcheque extra per dag. In realiteit is dit uiteindelijk slechts één van de toegevingen van de werkgever, maar niet het probleem dat aan de oorsprong ligt van de stakingsactie. Het ongenoegen van de werknemers was vooral het gevolg van een onbehoorlijk personeels- en tuchtbeleid door de werkgever - meer bepaald door een zekere directrice die "machtsmisbruik" werd verweten, iets van ook Luc Vandenbossche van BIAC uiteindelijk toegaf. De directrice zal worden gecoacht... Ook de eis voor meer opleiding, blijkbaar niet nieuw, en de mogelijkheid voor de brandweerlieden om overuren op te nemen, werd door de stakers in herinnering gebracht.
De (te) magere erkenning en regeling van het stakingsrecht in de Belgische rechtsorde...
3. Geen enkele Belgische wet, ook niet de Grondwet, consacreert het stakingsrecht of het ruimere recht op collectieve actie. In het arrest SIPB vs. De Bruyne (21 december 1981, R.W. 1981-82, 2525) overwoog het Hof van Cassatie evenwel dat uit de Wet van 19 augustus 1948 betreffende de prestaties van algemeen belang in vredestijd (die enkel geldt voor de privé-sector) a contrario kan worden afgeleid dat de wetgever het recht om te staken heeft aanvaard. Sindsdien wordt in ons land zonder betwisting aangenomen dat een stakingsactie enkel aanleiding geeft tot schorsing en niet tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zelfs al betreft het een "wilde" staking.
Het recht op collectieve actie, dan wel het stakingsrecht wordt ook in verscheidene internationale verdragen en verklaringen expliciet erkend. Hierbij kan vooral worden verwezen naar artikel 6.4 van het (herziene) Europees Sociaal Handvest, dat volgens de heersende rechtsleer directe werking heeft in de Belgische rechtsorde. Dit betekent dat elke rechtsonderhorige zich voor de Belgische hoven en rechtbanken rechtstreeks op deze verdragsbepaling mag beroepen, ook al ging de Belgische wetgever niet over tot uitvoering van de daaruit voortvloeiende internationaalrechtelijke verplichting. Het personele toepassingsgebied van artikel 6.4 HESH strekt zich uit tot werknemers én ambtenaren.
4. De rechtmatigheid van een collectieve actie wordt in ons land op vraag van geviseerde werkgevers geregeld getoetst door de kortgedingrechter, die zich hierbij niet zelden onthoudt van enige belangenafweging. Dit afwegingsmechanisme is nauw verwant met de figuur van het rechtsmisbruik.
Daarenboven hanteert het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap schijnbaar een gelijkaardige methode wanneer één van de beginselen van vrij verkeer in conflict komt te staan met een grondrecht. Zo stond in de zaak 'Schmidberger' (C-112/00) het vrij verkeer van goederen op de balans met de vrijheid van vergadering. De weegschaal kantelde in het voordeel van deze laatste vrijheid. Het Hof van Justitie staat nu ook op het punt de EG-beginselen van vrij verkeer af te wegen ten aanzien van het stakingsrecht (zaak C-341/05 en C-438/05). Het is met andere woorden niet alleen in België "judgment day" voor stakers.
5. Het European Committee on Social Rights, dat toeziet op de naleving van het HESH heeft reeds kritiek uitgeoefend op de Belgische kortgedingrechtspraak, die soms erop neerkomt dat het stakingsrecht an sich wordt in vraag gesteld. "The Committee considers that there is still an incidence of restrictions to the right to strike following from the abovementioned judicial practices that go beyond those permitted by Article 31 of the Charter." (Concl. XVIII-1) Artikel 31 ESH bepaalt: "The rights and principles (...) shall not be subject to any restrictions or limitations (...), except such as are prescribed by law and are necessary in a democratic society for the protection of the rights and freedoms of others or for the protection of public interest, national security, public health, or morals."
Globaal genomen is het beeld voor België dan ook weinig positief: "The Committee notes that in the absence of any legislative intervention, the legal framework governing the right to strike in Belgium appears to be unclear and uncertain. For this reason and by taking into account that there are no statutory safeguards under Belgian law regulating the limits of possible restrictions to the right to strike, the Committee holds the situation not to be in conformity with the Charter."(Concl. XVIII-1)
... en wie hiervan de gevolgen (lees: de kosten) moet dragen
6. Naar aanleiding van de stakingsactie lijkt het dat zowat iedereen iedereen de les wil spellen. Minister van Mobiliteit Renaat Landuyt tikt BIAC op de vingers en SN Brussels Airlines overweegt zelfs een schadeclaim in te dienen tegende luchthavenuitbater. Zowel de minister als SNBA vinden dat BIAC de continuïteit van de dienst had moeten (kunnen) verzekeren.
De kritiek van minister Landuyt is goedkoop want het is helemaal niet duidelijk hoe BIAC de staking op juridisch toegelaten wijze had kunnen "breken". De vraag rijst bijvoorbeeld of de Wet Prestaties Algemeen Belang van toepassing is op een naamloze vennootschap van publiek recht en of de procedures voorzien in deze wet op een dag hadden kunnen worden afgehandeld.
De actie die meester Cafmeyer op het getouw zet is al even onbezonnen. Zoals geneesheren zich ook best ervan onthouden zichzelf een diagnose te stellen, zo zouden ook advocaten er goed aan doen enige terughoudenheid te tonen wanneer zij zelf eisende partij zijn. De strategie om elke staker individueel te laten opdraaien voor alle schade geleden door de reizigers die zich bij de juridische actie aansluiten, lijkt totaal buiten proportie. Nochtans vindt meester Cafmeyer dat elk recht naar verhouding moet worden uitgeoefend, of geldt dit enkel voor het stakingsrecht?
7. Wie zich realiseert dat de stakingsactie niet enkel draaide om maaltijdcheques, zal het al heel wat moeilijker hebben de stakingsactie onverantwoord te noemen. De paralysie van de nationale luchthaven werd uiteraard veroorzaakt door de werkstaking, maar zou men niet allen naar de overheid moeten kijken? De overheid heeft het luchthavenbeheer maar al te graag (gedeeltelijk) geprivatiseerd, maar is vergeten de nodige juridische 'safeguards' in te bouwen om de continuïteit van de openbare dienstverlening te garanderen. En wie zal na 13 april 2007 nog beweren dat luchthavenbeheer geen openbare dienst is?
Hoewel het pleidooi zeker niet populair is bij syndicalisten, hebben sommige rechtsgeleerden reeds geijverd voor een wettelijke regeling van het stakingsrecht, niet om negentiende eeuwse toestanden terug in te voeren, maar net om de grenzen voor beide partijen te bepalen en zodoende het stakingsrecht beter te verankeren. Zo zou de inhoud van het stakingsrecht en de soms verregaande belangenafwegingen die daarmee gepaard gaan, onttrokken kunnen worden aan "het beleid van de rechter". Het is ook de les die België zou moeten trekken uit de conclusies van het European Committee on Social Rights.
Als er dus iemand moet worden gedagvaard dan is het mijns inziens de Belgische Staat die op grond van de figuur van de overheidsaansprakelijkheid verantwoordelijk moet worden gehouden voor de manifeste nalatigheid van de Belgische wetgever om een internationaalrechtelijke verplichting naar nationaal recht om te zetten.