10 november 2014
Ook werknemer die illegaal verblijft kan aanspraak maken op bescherming tegen insolventie van werkgever
met eensluidende concl. advocaat-generaal Y. Bot
De heer Tümer is Turks staatsburger en verblijft sedert 1988 in Nederland. Sinds 25 april 2007 heeft hij geen verblijfstitel meer.Hij heeft sedert 1997 met onderbrekingen in Nederland gewerkt.
Op 3 januari 2005 is hij in dienst getreden bij Halfmoon Cosmetics BV, die ten behoeve van hem in 2007 premie ingevolge de Nederlandse werkloosheidswet (WW) heeft afgedragen. Vanaf augustus 2007 heeft Halfmoon Cosmetics nog slechts een gedeelte van het salaris uitbetaald en op 22 januari 2008 is deze onderneming failliet verklaard. Op 26 januari 2008 is Tümer ontslag aangezegd.
Tümer heeft krachtens de Nederlandse werkloosheidswet (WW) een insolventie-uitkering aangevraagd in verband met salarisaanspraken die Halfmoon Cosmetics vanaf augustus 2007 tot aan zijn ontslag niet had voldaan. Dit verzoek is afgewezen omdat Tümer geen „werknemer” was aangezien hij in Nederland geen rechtmatig verblijf had.Voor de Centrale Raad van Beroep voert Tümer aan dat hij werknemer is, ook al is hij een derdelander en moet hij worden beschouwd illegaal in Nederland te verblijven. De Centrale Raad van Beroep heeft hierover een vraag gesteld aan het Hof van Justitie.
In zijn arrest stelt het Hof dat de EU richtlijn betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (richtlijn 80/987, gewijzigd bij richtlijn 2002/74) niet uitsluit dat rechten worden toegekend aan derdelanders. Volgens het Hof zou het in strijd zijn met het sociale doel van de richtlijn (een minimumbescherming bieden aan werknemers in geval van insolventie van de werkgever) dat personen aan wie de nationale regeling in de regel de hoedanigheid van werknemer toekent en die krachtens die regeling tegenover hun werkgever loonaanspraken uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen hebben, de bescherming wordt ontnomen.De richtlijn staat dus in de weg aan een nationale regeling die een derdelander uitsluit van het recht om een insolventie-uitkering te ontvangen omdat zijn verblijf niet legaal is, terwijl deze derdelander krachtens het civiele recht van die lidstaat wordt aangemerkt als „werknemer” en recht heeft op loon.
Lidstaten mogen weliswaar maatregelen treffen om misbruik te voorkomen, doch uit de gegevens die aan het Hof zijn verstrekt, blijkt niet dat de omstandigheden van het hoofdgeding misbruik zouden vormen. Bovendien stelt het Hof vast dat de werkgever van Tümer, Halfmoon Cosmetics, gedurende de bedoelde periode premies heeft betaald overeenkomstig de nationale wetgeving inzake de bescherming van werknemers bij insolventie van de werkgever.
08 maart 2011
Buitenlandse ouders van Belgisch kind moeten in België kunnen verblijven en werken
Ruiz Zambrano en zijn echtgenote, beiden van Colombiaanse nationaliteit, hebben asiel aangevraagd in België wegens de in Colombia heersende situatie van burgeroorlog. De Belgische autoriteiten hebben geweigerd hen de status van vluchteling te verlenen en hebben hen bevolen het grondgebied te verlaten.
Terwijl het echtpaar in België is blijven wonen in afwachting van de beslissing inzake hun aanvraag tot regularisatie van hun verblijf, is de echtgenote van Ruiz Zambrano bevallen van twee kinderen die de Belgische nationaliteit hebben verkregen.
Hoewel hij niet in het bezit was van een arbeidsvergunning, heeft Ruiz Zambrano een voltijdse arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten met een in België gevestigde onderneming. Dankzij dit werk beschikte hij, ten tijde van de geboorte van zijn eerste kind van Belgische nationaliteit, over voldoende bestaansmiddelen om in het onderhoud van dat kind te voorzien. Bovendien gaf deze beroepsactiviteit aanleiding tot de betaling van socialezekerheidsbijdragen en werkgeversbijdragen.
Vervolgens is Ruiz Zambrano herhaaldelijk werkloos geweest, wat hem ertoe noopte werkloosheidsuitkeringen aan te vragen. Deze aanvragen werden geweigerd omdat hij volgens de Belgische autoriteiten niet voldeed aan de Belgische wetgeving betreffende het verblijf van vreemdelingen en niet het recht had om in België te werken. De echtgenoten Ruiz Zambrano hebben bovendien, als bloedverwanten in opgaande lijn van Belgische staatsburgers, een aanvraag tot vestiging in België ingediend. De Belgische autoriteiten hebben deze aanvraag echter afgewezen op grond dat de ouders opzettelijk hebben nagelaten de nodige stappen te ondernemen ten overstaan van de Colombiaanse autoriteiten met het oog op de erkenning van de Colombiaanse nationaliteit van hun kinderen, precies met de bedoeling hun eigen verblijf in het land te regulariseren.
Ruiz Zambrano heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van weigering van de aanvraag tot vestiging en de beslissing van weigering tot toekenning van werkloosheidsuitkeringen, zich met name beroepend op het feit dat hij als bloedverwant in opgaande lijn van minderjarige Belgische kinderen in België moet kunnen verblijven en werken.
De Arbeidsrechtbank te Brussel (België), bij wie de beslissingen van weigering van werkloosheidsuitkeringen aanhangig zijn, vraagt aan het Hof van Justitie of Ruiz Zambrano op grond van het recht van de Unie in België mag verblijven en werken. Met deze vraag wenst de Belgische rechter te vernemen of het recht van de Unie op deze zaak van toepassing is, zelf indien de Belgische kinderen van Ruiz Zambrano nooit hun recht op vrij verkeer op het grondgebied van de lidstaten hebben uitgeoefend.
Met dit arrest herinnert het Hof eraan dat de regeling van de voorwaarden tot verkrijging van de nationaliteit van een lidstaat tot de bevoegdheid van die lidstaat behoort, en vaststaat dat de in België geboren kinderen van Ruiz Zambrano de Belgische nationaliteit hebben verworven.
In dit verband verklaart het Hof dat het recht van de Unie zich verzet tegen nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat de burgers van de Unie het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten. Een dergelijke situatie ontstaat wanneer een staatsburger van een derde staat het recht wordt ontzegd te verblijven in de lidstaat waar zijn kinderen van jonge leeftijd, staatsburgers van die lidstaat en te zijnen laste, verblijven, en wordt geweigerd hem een arbeidsvergunning af te geven.
Er is namelijk van uit te gaan dat een dergelijke weigering ertoe zal leiden dat deze kinderen, burgers van de Unie, zullen worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten om hun ouders te volgen. Tevens loopt de betrokken persoon, indien hem geen arbeidsvergunning wordt afgegeven, het risico niet over voldoende bestaansmiddelen te beschikken om te voorzien in zijn eigen onderhoud en in dat van zijn gezin, wat er eveneens toe zou leiden dat zijn kinderen, burgers van de Unie, zouden worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten. In die omstandigheden zullen bedoelde burgers van de Unie in de feitelijke onmogelijkheid verkeren de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten uit te oefenen.
In die omstandigheden verklaart het Hof dat het recht van de Unie zich ertegen verzet dat een lidstaat aan een staatsburger van een derde staat, die zijn kinderen van jonge leeftijd, burger van de Unie, ten laste heeft, het recht van verblijf ontzegt in de lidstaat waar deze kinderen verblijven en waarvan zij de nationaliteit bezitten, en hem bovendien een arbeidsvergunning weigert, aangezien zulke beslissingen de betrokken kinderen het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten ontzeggen.
06 juli 2010
Omzendbrief verduidelijkt recht op arbeidskaart C voor asielzoekers
Sinds 12 januari 2010 mogen sommige asielzoekers na 6 maanden asielprocedure werken. Zij kunnen een arbeidskaart C krijgen waarmee ze bij elke werkgever kunnen gaan werken, zolang hun asielprocedure verder loopt. Een omzendbrief verduidelijkt over wie het gaat.
Het recht om te werken voor asielzoekers is geregeld in artikel 17, 1° van het Arbeidskaarten KB van 9 juni 1999, dat op 22 december 2009 werd gewijzigd (in werking vanaf 12 januari 2010).
Met de omzendbrief van 14 juni 2010 kwam minister Milquet deels tegemoet aan onze bezorgdheden en verduidelijkte de interpretatie van de nieuwe reglementering voor de volgende twee situaties:
1. Asielzoekers die een aanvraag indienden vòòr 1 juni 2007 en ook voor deze datum een beslissing van onontvankelijkheid kregen, zijn uitgesloten van het recht om te werken. Dit ongeacht het feit of zij een dringend beroep bij CGVS startten dat op 1 juni 2007 nog hangende was waardoor ze in de nieuwe procedure terecht kwamen.
Betwistbaar is of deze interpretatie strookt met het algemene gelijkheidsbeginsel.
2. Voor asielzoekers die na een nietigverklaring van de beslissing van CGVS opnieuw wachten op een beslissing van CGVS, loopt de wachttermijn van 6 maanden ononderbroken vanaf de asielaanvraag. Geen rekening wordt gehouden met de tussentijdse beslissing van CGVS die na nietigverklaring geacht wordt nooit te hebben bestaan.
Bron: Omzendbrief 14 juni 2010 arbeidskaart C asielzoekers (artikel 17, 1° Arbeidskaarten KB 9/6/1999)
14 april 2010
Naar een mildere dienstenrechtspraak rond detachering van werknemers?
Het is stil rond de tewerkstelling van buitenlandse werknemers op de Belgische arbeidsmarkt. Onze politici hebben tegenwoordig uiteraard wel andere noten te kraken, maar dat betekent niet dat de problematiek zelf zou afgezwakt zijn of minder aandacht zou vereisen. De laatste mediastorm in een glas water betrof de openstelling door België van het vrij verkeer van werknemers – lees de opheffing van de overgangsmaatregelen dienaangaande – overeenkomstig artikel 39 EG[2]. Om politiek-strategische redenen stelde federaal minister van Werk Milquet deze openstelling nog even in twijfel, om eind april 2009 dan toch geen verdere overgangsmaatregelen meer te handhaven[3]. Voor werknemers uit de in 2004 toegetreden Centraal- en Oost-Europese lidstaten moeten sindsdien geen arbeidskaarten meer worden aangevraagd en zij kunnen dus gemakkelijk rechtstreeks aangeworven worden. Deze ontwikkeling geeft echter nog geen garantie dat daarmee massaal zal worden teruggekeerd van “de andere manier” om Polen, e.a., hier bij ons in te schakelen, namelijk die van het vrij verkeer van diensten door de detachering van werknemers of het beroep op buitenlandse (schijn-)zelfstandigen.
Het is de detachering van werknemers die nog steeds voor de nodige vraagtekens zorgt bij inspectiediensten over het gehele grondgebied van de EU. Op dat vlak zijn er nog veel gaten in het informatie-, controle- en handhavingsbeleid van de meeste lidstaten en is het zeer moeilijk gebleken om de misbruiken uit te roeien. Dit niet in het minst omdat de manier waarop men in de lidstaten die misbruiken wil detecteren, controleren en bestraffen met Argus-ogen wordt gevolgd door de Europese Commissie. Zoals reeds uit een resem arresten van het Hof van Justitie is gebleken, balanceren dergelijke controle- en handhavingsmaatregelen steeds weer op de dunne koord tussen de sociale bescherming van werknemers en het vrij verkeer van diensten van hun werkgevers en deze laatsten hun opdrachtgevers. Het is de steeds sterker wordende dualiteit binnen een nog steeds voornamelijk economisch geïnspireerde Unie die zichzelf ook sociale doelstellingen heeft toegeëigend, maar het lastiger heeft om die laatste van vlees aan de botten te voorzien en te verzoenen met de eerste. We vinden een mooi voorbeeld in eigen land. Het LIMOSA-project[4], de in 2006 ingevoerde aanmeldingsplicht voor gedetacheerde zelfstandigen en werknemers om een beter zicht te krijgen op de aanwezigheid van die buitenlandse arbeidskrachten, werd in het begin nog bejubeld als een voorbeeld-handhavingsmaatregel die tot voorbeeld zou kunnen strekken voor andere lidstaten. Hij werd bovendien nog eens genomineerd voor de Europese e-Government-awards[5]. Anno 2010 mag het Koninkrijk België echter in een informeel overleg aan de Commissie de conformiteit van het systeem met het recht op vrij verkeer van diensten beargumenteren en dreigt het een inbreukprocedure aan zijn broek te hebben met betrekking tot datzelfde bejubelde LIMOSA-project. De twijfels zouden weliswaar vooral betrekking hebben op de aanmeldingsplicht voor zelfstandigen, maar het is ten zeerste de vraag of de werknemerscomponent van de maatregel heelhuids uit dergelijke inbreukprocedure kan komen.
De interne tweestrijd tussen de economische Unie – met een interne markt die nog op de echte voltooiing van het vrij verkeer van diensten zit te wachten – en de sociale Unie, waarvan de laatste zich met veel vallen en weinig opstaan toch op een geheel particuliere wijze in het beleid heeft weten te vervlechten, kwam nog eens nadrukkelijk naar voor in de (detacherings-)arresten Laval[6] en Viking[7]. Deze arresten werden reeds uitvoerig toegelicht dus voor een bespreking ervan kan ik naar andere auteurs verwijzen, maar de essentie ervan is als volgt. In deze zaken werd het Hof een conflict voorgelegd tussen het vrij verkeer van diensten en het recht op collectieve actie. Het “vrij verkeer van diensten” werd verpersoonlijkt door een Letse bouwonderneming die voor een bepaalde periode werknemers naar een Zweedse werf had gedetacheerd en zich niet kon vinden in de werf-CAO die door de Zweedse vakbond werd voorgelegd. Het “recht op collectieve actie” was dat van die Zweedse vakbonden die de werf blokkeerden omdat er geen akkoord kwam met de Letse onderneming. Het eindresultaat was het faillissement van de Letse onderneming, maar deze zag in het optreden van de vakbonden vooral een schending van haar door het EG-Verdrag gewaarborgd vrij verkeer van diensten. Het Hof gaf eerst te kennen dat het het belang van deze zaak juist inschatte, want het begon zijn argumentatie met de vaststelling dat het om een sociaal grondrecht ging dat tot de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht behoorde (en dus een constitutionele status had), met verwijzing naar het ILO-Verdrag nr. 87[8], het Europees Sociaal Handvest[9], het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden[10] en het Handvest van de Grondrechten van de EU[11]. Iedereen die wat vertrouwd is met de dienstenrechtspraak van het Hof, kon echter verwachten dat de bijzondere status van deze belemmering van het vrij verkeer van diensten nooit zou betekenen dat het Hof niet tot een evenredigheidstoets zou overgaan. Iedereen die dat laatste toch hoopte, is de laatste 30 jaar ingedommeld of moet er dringend nog eens de dienstenrechtspraak bijhalen. Wat wel binnen de mogelijkheden lag, was dat het Hof een mildere proportionaliteitstoets zou toepassen, zoals het dat eerder al in andere zaken had gedaan die een clash tussen grondrechten en fundamentele vrijheden betroffen.
Maar het grondrecht op collectieve actie werd door de gekende rigide art. 49-scan[12] gehaald en het sociaal grondrecht op collectieve actie werd opgeslorpt door de vaak gebruikte rechtvaardigingsgrond van de “bescherming van werknemers”, net zoals de andere gewone[13] arbeidsrechtelijke regelingen die in eerdere detacheringszaken werden gescreend. Waar de verwerende partijen zich in Laval en Viking hadden beroepen op de waarborging van de bescherming van het betrokken grondrecht aan de ene kant en de bescherming van werknemers aan de andere kant, koos het Hof immers voor een samengesmolten benadering. Het vrij verkeer van diensten werd op die manier niet expliciet tegenover de bescherming van het grondrecht an sich geplaatst, maar tegenover “het recht om collectieve actie te voeren met het oog op de bescherming van werknemers in de staat van ontvangst tegen eventuele praktijken van sociale dumping” als dwingende reden van algemeen belang. De argumentatie daarna werd verdergezet onder de bekende rechtvaardigingsgrond van de ‘bescherming van werknemers’, waarmee het grondrecht als één van de instrumenten ter bescherming van de rechten van werknemers werd behandeld en op een subtiele manier in het gebruikelijke stramien van de normale belemmeringsrechtvaardigingen werd gebracht. Dit in tegenstelling tot de in Laval aangehaalde arresten Schmidberger[14] en Omega[15], waarin de bescherming van de grondrechten op zich als een rechtmatig belang werd beschouwd en afgewogen. Daarin moest het vrij verkeer de duimen leggen voor het grondrecht in kwestie. Als men dan in acht neemt dat één van deze zaken een door een gemeentebestuur opgelegd verbod op lasershooting (sic) betrof op basis van het grondrecht van de ‘eerbied voor de menselijke waardigheid’, kan men er niet omheen dat de logica wat zoek is indien men deze gevallen naast elkaar legt.
Beide zaken werden reeds “grijsgeschreven” en niet in het minst door auteurs die hun eigen ideologische voorkeur niet konden of wilden verbergen. Hoe men deze zaken ook bekijkt, het Hof van Justitie is vooralsnog geen “neo-liberale denktank” noch een “rood bastion”, maar de plaats waar een rechterlijke invulling wordt gegeven aan het primair en secundair Gemeenschapsrecht “zoals dat steeds had moeten geïnterpreteerd worden”. Indien men de kiem voor een kentering van de behandeling van dergelijke zaken wil navorsen, zal men deze in het recht moeten zoeken en niet in politieke slogans. En misschien is deze dan wel te ontwaren in de combinatie van de houding van de na het Verdrag van Lissabon nieuwboren Unie ten aanzien van fundamentele rechten en vrijheden enerzijds en de ontwikkelingen van deze laatste anderzijds. Met de tegen Turkije gerichte zaken ‘Demir en Bakayra’[16] en ‘Enerji Yapi-Yol Sen’[17] erkende het Europees Hof voor de Rechten van de Mens immers expliciet het recht op collectieve actie als een essentieel element van de vrijheid van vergadering en vereniging van artikel 11 EVRM[18]. Het hoeft geen betoog dat dit een uiterst belangrijke zaak is voor de vakverenigingsvrijheid en voor het stakingsrecht, die mogelijks een doorwerking kan vinden in de rechtspraak van het Hof van Justitie. Die mogelijkheid lijkt groter te worden nu het Handvest van de Grondrechten van de EU een juridisch bindend onderdeel is geworden van het Verdrag. Maar vooral de op 17 maart 2010 gestarte onderhandelingen van de EU voor de toetreding van de Unie tot het EVRM[19] zijn onmiskenbaar van historisch belang voor de bescherming van de grondrechten binnen de Europese Unie. Daardoor komt immers een extra rechterlijke controle op de bescherming ervan en dit niet alleen ten aanzien van de wetgevende handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie, maar ook ten aanzien van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Met andere woorden zal in de toekomst een zaak zoals Laval of Viking aan het EHRM kunnen worden voorgelegd ter toetsing van de conformiteit met de verenigingsvrijheid van artikel 11 EVRM.
Een zaak als Laval zou echter niet de juiste zaak zijn om het sociaal grondrecht op collectieve actie onder het versterkte grondrechtelijke kader te meten met de economische vrijheden van het EG-verdrag. Deze zaak had inderdaad betrekking op de uitoefening van een belangrijk sociaal grondrecht en men kan zich afvragen of het Hof zich daarvan voldoende rekenschap heeft gegeven. De rest is echter “Zweeds geneuzel”, om een ambtenaar van de Europese Commissie in een presentatie over deze zaak te citeren. En gelijk had hij. Men kan lang doorgaan over de eigenheid van het Scandinavisch systeem van collectieve onderhandelingen en de rol van de vakbonden in het controle- en handhavingsbeleid, maar de essentie van de zaak Laval blijft dat het Zweedse systeem zich niet leent tot een degelijke implementatie van de Detacheringsrichtlijn 96/71. Daarvoor moet men nu eenmaal een transparante minimumgrens van arbeidsrechtelijke bescherming aanduiden die van toepassing zal zijn op gedetacheerde werknemers. Eenmaal goed aangeduid, mag men niet buiten noch boven deze kern gaan. Indien dat niet lukt, moet men zijn systeem aanpassen. Hier passen de woorden van Davies die voor eender welke EU-wetgeving gelden, zolang er niets fundamenteels verandert aan de primauteit van EU-recht ten aanzien van nationaal recht: “There is no principle that EU law should only have limited effects. If a system is so little compatible with EU law that bringing it into line entails fundamental changes, so be it”[20]. Voor wie vertrouwd is met de impact van Europees recht van de interne markt op de nationale stelsels van sociale bescherming, kan worden verwezen naar de rechtspraak over patiëntenmobiliteit. Na lang “Brits geneuzel” over, onder andere, het feit dat hun systeem nooit kon geaffecteerd worden door deze rechtspraak omdat het Britse NHS-stelsel geen terugbetalingstarieven kent zoals het Belgische of het Luxemburgse gezondheidszorgsysteem (die in 1998 het eerst onder vuur kwamen met de zaken Kohl[21] en Decker[22]), besliste het Hof uiteraard anders. In de zaak Watts werd duidelijk dat ook patiënten uit een NHS-stelsel onder bepaalde omstandigheden[23] zorg konden genieten in andere EU-lidstaten die in het Verenigd Koninkrijk moet worden vergoed. Moeilijk of niet, het Verenigd Koninkrijk moet ervoor zorgen dat het zijn stelsel daaraan aanpast en het moet dus gaan “tariferen” in een stelsel zonder tarieven. Zo zou dat dus ook moeten gaan voor het Zweedse systeem en de moeilijke verhouding ervan met de Detacheringsrichtlijn.
Het bijzondere hier is dat de Scandinavische banbliksems naar Brussel toch een impact hebben gehad. Er wordt immers opnieuw nagedacht over de noodzaak van een aanpassing van de richtlijn. Te dien einde heeft de Europese Commissie een aantal onderzoeken bevolen naar verschillende deelaspecten: de juridische aspecten van de detachering van werknemers, de arbeids- en levensomstandigheden van gedetacheerde werknemers, de economische en sociale aspecten van de detachering van werknemers zullen worden onderzocht en een haalbaarheidsstudie voor de instelling van een Europees platform voor samenwerking tussen de arbeidsinspecties van de lidstaten, werd gelast. Deze brede waaier van onderzoeken zou dus de marges voor verbetering moeten blootleggen. Toch voelt deze ontwikkeling aan als Europees recht op zijn kop, want de normale gang van zaken is dat nationaal recht zich moet conformeren aan Europees recht dat door de lidstaten werd aangenomen. Zoniet gaan we naar een Unie waarin elke volgens de rechtmatige procedures aangenomen wetgeving kan aangevallen worden vanuit een zekere eigenheid van één of ander nationaal stelsel. Anders wordt het uiteraard indien vast komt te staan dat Europese wetgeving haaks staat op de (sociale) rechtsstelsels van alle lidstaten en zo eigenlijk zijn doel ver voorbij schiet. Uiteraard moet men ook steeds open blijven staan voor verbeteringen van het Europese kader, maar met Laval en Viking lag het probleem toch vooral bij de onaangepastheid van het betrokken nationale stelsel en niet bij een fundamentele “programmeerfout” in de Europese wetgeving. Misschien hadden de Scandinavische landen nu net dat streepje voor omdat zij in het sociaalrechtelijke domein nog steeds hofleverancier van het “flexizekerheidsconcept” zijn. Of mag “België” straks ook zijn zegje doen in “Brussel” als onze wel zeer breed opgevatte omzetting van de harde kern van arbeidsvoorwaarden – zowat ons gehele arbeidsrecht, aangezien het gaat om alle strafrechtelijk beteugelde bepalingen – een belletje doet rinkelen bij een multinational of de Europese Commissie.
Het blijft in elk geval afwachten naar “de juiste zaak” om te zien of het Hof van Justitie zich zal laten beïnvloeden door de nieuwe Europese wind in de bescherming van de grondrechten. En misschien wegen de sociale grondrechten niet alleen door in zaken waarin zij rechtstreeks in het geding zijn, maar kunnen zij een milderend effect hebben bij de behandeling van andere detacheringszaken indien een voldoende nauwkeurig verband kan worden gelegd tussen een betrokken arbeidsrechtelijke regeling en een sociaal grondrecht. Daarmee is echter ook voorzichtigheid geboden, want (sociale) grondrechten blijven in vele gevallen gekenmerkt door veel symboliek en weinig echte juridische houvast in zeer concrete zaken.
-
[1] Filip Van Overmeiren is wetenschappelijk medewerker aan de Vakgroep Sociaal Recht van de Universiteit Gent, waar hij zich voornamelijk concentreert op de impact van het recht van de interne markt op de nationale stelsels van sociale bescherming. Hij werkt aan een proefschrift over de invloed van het Europees burgerschap op de toegang tot sociale bescherming. Hij is auteur van het boek F. VAN OVERMEIREN, Buitenlandse arbeidskrachten op de Belgische arbeidsmarkt, in Bibliotheek Sociaal Recht, Larcier, 2009, 346.
Zie http://uitgeverij.larcier.com/titres?id=40955_1
[2] Huidig artikel 45 VWEU.
[3] F. VAN OVERMEIREN, “Een Pool? Doe de deur maar open”, Opinie, De Standaard, 20 maart 2009.
[4] De verplichte aanmelding bij detachering van werknemers, zelfstandigen en stagiairs is één onderdeel van het grotere LIMOSA-project voor een beter zicht op en administratief eenvoudigere behandeling van grensoverschrijdende tewerkstelling naar België. Zie http://www.limosa.be/
[5] European e-Government Awards, Exhibition Catalogue 2007, 52, zie http://www.epractice.eu/files/download/awards/ExhibitionCatalogue2007.pdf/
[6] HvJ 18 december 2007, nr. C-341/05, Laval, Jur. 2007, I, 11767.
[7] HvJ 11 december 2007, nr. C-438/05, Viking, Jur. 2007, I, 10779
[8] http://www.ilo.org/ilolex/english/convdisp1.htm
[9] http://conventions.coe.int/Treaty/EN/Treaties/PDF/Dutch/163-Dutch.pdf
[10] http://www.europarl.europa.eu/transl_nl/home/nlsite.htm?nlmarge.htm&nlkop.htm&g30.htm
[11] http://www.europarl.europa.eu/charter/pdf/text_nl.pdf
[12] Huidig artikel 56 VWEU.
[13] ‘Gewone’ in die zin dat het in eerdere zaken om nationale wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen ging, terwijl hier een grondrecht in het geding was, wat de zaak eerder ‘buitengewoon’ maakt.
[14] HvJ 12 juni 2003, nr. C-112/00, Schmidberger, Jur. 2003, I, 5659.
[15] HvJ 14 oktober 2004, nr. C-36/02, Omega, Jur. 2004, I, 9609.
[16] EHRM, DEMİR en BAYKARA t. TURKIJE (nr. 34503/97), 12 November 2008.
[17] EHRM, ENERJİ YAPI-YOL SEN t. TURKIJE (nr. 68959/01), 21 april 2009.
[18] Artikel 11, lid 1, EVRM luidt: “Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen”.
[19] De grondslag voor deze toetreding is terug te vinden in artikel 6, lid 2, VWEU. De EU wordt de 48e partij bij het EVRM, zonder dat zij lid zal worden van de Raad van Europa.
[20] G. T. DAVIES, "The process and side-effects of harmonisation of European welfare states", Jean Monnet Working Paper 2006, 02/06, (1), 36.
[21] HvJ 28 april 1998, nr. C-158/96, Kohll, Jur. 1998, I, 1931.
[22] HvJ 28 april 1998, nr. C-120/95, Decker, Jur. 1998, I, 1831.
[23] Voor ziekenhuiszorg is dit beperkt, maar voor ambulante zorg geldt in principe een ongebreideld patiëntenverkeer: elke verzekerde EU-onderdaan kan in een andere lidstaat zorg genieten en in zijn lidstaat van oorsprong daarvoor terugbetaling ontvangen.
23 januari 2010
Aantekeningen vanuit ipr-perspectief bij Viking, Laval, Rüffert en C./Luxemburg
Ziehier alvast de abstract van de tekst:
"In this article the author focuses on the Private International Law issues raised by the judgements of the Court of Justice in the cases, Viking, Laval, Rüffert and C./Luxembourg. The approach is the following: the "country of origin" principle created an intense controversy when it was presented as part of the proposal of the European Commission for a Directive on Services in the internal market (COM(2004)final, 13.1.2004). In the final version of the Services Directive, the principle has disappeared. But the question arises whether the principle of origin has "resurrected" in the recent judgments of the Court? In her discussion of this issue and the impact of the liberalization of the provision of services in the EU, the author includes the Rome Convention, The Rome I Regulation and the Posting Directive."
25 maart 2009
Ontvankelijk verklaarde asielzoekers die arbeid presteren krachtens een "voorlopige toelating" uitsluiten van werkloosheidsuitkeringen, kan niet
1. "Men kan zich de vraag stellen of artikel 7, §14 en §15 van de Besluitwet [Sociale Zekerheid (1944)] en artikel 43 Werkloosheidsbesluit legaal in het land verblijvende vreemdelingen niet discrimineren, zelfs al presteren zij arbeid in strijd met de wet betreffende de tewerkstelling van vreemdelingen", schreven prof.dr. Wilfried Rauws en ikzelf enkele maanden geleden ("De recente cassatierechtspraak van het Hof van Cassatie in het socialezekerheidsrecht", in R. Janvier, A. Van Regenmortel, V. Vervliet (eds.), Actuele problemen van het socialezekerheidsrecht, Brugge, Die Keure, 2007, 162. Prof.dr. Jef Van Langendonck die op de studiedag ter voorstelling van het boek referent was bij onze tekst , gaf daarbij te kennen dat ook voor hem de voorwaarde van legale tewerkstelling om gerechtigd te zijn op werkloosheidsuitkeringen, niet door de beugel kon. Prof. Van Langendonck begrijpt niet goed waarom andere vormen van illegaliteit (bv. niet-naleving verbod op kinderarbeid) dan niet tot gevolg hebben dat men geen recht heeft op werkloosheidsuitkeringen.
In arrest nr. 59/2009 deed het Grondwettelijk Hof uitspraak over deze problematiek. In de door het Arbeidshof van Brussel aanhangig gemaakte zaak was het zo dat een ontvankelijk verklaarde kandidaat-vluchteling met een verblijfsrecht omwille van humanitaire redenen, tussen 1 juli 1999 (datum van inwerkingtreding van de Wet Buitenlandse Arbeidskrachten) en 1 april 2003 (datum van inwerkingtreding van een KB tot wijziging van het KB dat uitvoering geeft aan voornoemde wet) bij een werkgever had gewerkt op grond van een "voorlopige toelating" die werd toegekend krachtens een omzendbrief van 26 april 1994 betreffende de voorlopige toelating van tewerkstelling voor kandidaat-vluchtelingen (asielzoekers) (BS 30 april 1994). Die omzendbrief, die verband hield met de oude wetgeving inzake de tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten (het KB nr. 34) had eigenlijk geen wettelijke basis meer.
De RVA weigerde de tewerkstelling van de ontvankelijk verklaarde kandidaat-vluchteling in aanmerking te nemen bij de beoordeling van de wachttijd. Die houding is niet nieuw. Reeds sedert 1993 neemt de Rijksdienst dit vanuit menselijk en beleidsmatig oogpunt weinig begrijpelijk standpunt in. De tewerkstelling van de kandidaat-vluchtelingen was immers wel degelijk onderhevig aan RSZ-bijdragen, zoals het Grondwettelijk Hof in zijn recent arrest ook fijntjes opmerkt.
Voor alle duidelijkheid, vanaf 1 april 2003 stellen zich voor ontvankelijk verklaarde kandidaat-vluchtelingen en geregulariseerde vluchtelingen op het eerste gezicht geen noemenswaardige problemen meer, omdat zij sedert dien aanspraak kunnen maken op een arbeidskaart C. Echter, De wetten van 15 september 2006 (BS 6 oktober 2006) hebben de asielprocedure sedert 1 juni 2007 op een niet onbelangrijke wijze aangepast. Het onderscheid tussen ontvankelijk en niet-ontvankelijk verklaarde asielzoeker verdwijnt immers. In een zoveelste omzendbrief (BS 18 juni 2007) bepaalde de voormalige minister van werk dat vanaf 1 juni 2007 de arbeidskaart C niet kan worden toegekend aan asielzoekers die niet vòòr die datum ontvankelijk werden verklaard. Zij die na die datum een asielvraag hebben ingediend, zijn van de arbeidsmarkt uitgesloten tot dat er in hun dossier een beslissing is genomen (zie hieromtrent een eerder blogbericht).
2. In zijn arrest is het Grondwettelijk Hof terecht streng voor het vermoeiend en verwarringstichtend gedoe van de Belgische overheid.
"De rechtsonzekerheid die sinds jaren had bestaan, bleef voortbestaan na de totstandkoming van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, doordat de overheid zelf toeliet dat, in afwachting van de totstandkoming van een koninklijk besluit dat voor kandidaat-vluchtelingen in het vooruitzicht werd gesteld, nog voorlopige toelatingen tot tewerkstelling werden uitgereikt op basis van de omzendbrief van 26 april 1994, hoewel die sinds de totstandkoming van de wet van 30 april 1999 geen wettelijke basis meer had(parlementaire vraag nr. 1214 van 22 maart 2000, Hand., Kamer, niet 1999-2000, Com. 157, 8-9; parlementaire vraag nr. 2-36 van 18 november 1999, Hand., Senaat, 1999-2000, Plen. 13, 8-9). Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat in de zaak ten gronde de Dienst Vreemdelingenzaken van het ministerie van Binnenlandse Zaken, in een brief van 14 mei 2001 gericht aan de appellante, naar de mogelijkheid van een voorlopige tewerkstelling op grond van de voormelde omzendbrief heeft verwezen.
Het is niet in overeenstemming met de algemene beginselen van rechtszekerheid en gewekt vertrouwen dat de kandidaat-vluchtelingen aldus tussen 1 juli 1999 en 1 april 2003, datum waarop het koninklijk besluit van 6 maart 2003 in werking is getreden, in dwaling werden gebracht omtrent de wettigheid van hun tewerkstelling en het daarmee samenhangende recht op werkloosheidsuitkeringen.
Rekening houdend met het bovenstaande, heeft de in het geding zijnde bepaling onevenredige gevolgen gehad, in zoverre werkloosheidsuitkeringen werden geweigerd aan vreemdelingen die wegens humanitaire redenen gemachtigd zijn tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet, omdat de arbeid verricht tussen 1 juli 1999 en 1 april 2003, terwijl ze het statuut hadden van ontvankelijk verklaarde kandidaat-vluchteling, niet in overeenstemming was met de wetgeving inzake de tewerkstelling van vreemde werknemers en dus niet in aanmerking kwam als wachttijd, alhoewel ze voor het overige voldeden aan alle wettelijke vereisten om recht te hebben op een dergelijke uitkering, wat onder meer inhield dat zij in die periode van tewerkstelling socialezekerheidsbijdragen hadden betaald en zij op het tijdstip van hun uitkeringsaanvraag voldeden aan de wetgeving betreffende het verblijf en de tewerkstelling van vreemde werknemers."
Art. 7 van de Besluitwet schendt dus het gelijkheidsbeginsel. Het was een dobberend bootje dat ooit moest stranden...
15 december 2008
Vlaanderen bouwt scholen en hoopt op jobs in bouwsector
door Koen Nevens
1. Vlaams minister van Werk en Onderwijs, Frank Vandenbroucke, haalde enkele dagen geleden het nieuws met de aankondiging dat het PPS-project "Inhaalbeweging Schoolinfrastructuur". Deze investering van 1 miljard euro zou, volgens een persbericht van de minister dat in de media werd gerecycleerd 5.000 jobs creëren in de bouw- en daarmee verwante sectoren.
Ik citeer even uit de persmededeling: “Naast het Vlaamse relanceplan, dat 842 miljoen euro in onze economie pompt, is ook deze investering van 1 miljard belangrijk in de strijd tegen de dreigende recessie. Met de versnelde oprichting van School Invest zorgen we dat de effecten zo gauw mogelijk voelbaar zullen zijn. De Vlaamse Confederatie Bouw becijferde al dat deze operatie qua extra tewerkstelling overeenstemt met de oprichting van een bedrijf met 5000 werknemers.”
Kortom, een moderne versie van het "Plan van De Man" dat uitstekend zijn plaats vindt in deze tijden van economische crisis. Er kunnen nochtans vraagtekens worden geplaatst bij de nauwkeurigheid van dit persbericht. Het lijkt wel of de verkiezingskoorts reeds is toegeslagen bij de minister en alles wat rooskleuriger wordt voorgesteld dan het is.
2. Vooreerst is het project in kwestie allesbehalve nieuw. Het lijkt me dus nogal misleidend dit project voor te stellen als een nieuwe maatregel in tijden van recessie. De vergelijking door de minister met de bouwplannen van Barack Obama is nogal 'gratuit'. Voor alle duidelijkheid, de krachtlijnen van het Vlaamse project werden in november 2005 vastgelegd door de Vlaamse regering. In 2006 volgde het decreet betreffende de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur en sedertdien loopt de procedure tot selectie van een privé-partner. De informatie op de website van het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs lat daar geen twijfel over bestaan. Het enige dat op 12 december 2008 dus werkelijk te melden viel, was dat de Vlaamse regering eindelijk had gekozen voor één van de vier kandidaten die zich hadden aangeboden voor het project en dat de oprichting van de PPS-vennootschap nu 'versneld' zal geschieden. In februari 2008 berichtte de media overigens nog over het feit dat de bewuste selectieprocedure vertraging had opgelopen.
3. Ook het cijfer van 5.000 jobs 'in de bouw' lijkt niet te kloppen. Op 14 januari 2008 deelde de Vlaamse Confederatie Bouw het volgende mee:
"De vijf miljard euro aan PPS-projecten die de Vlaamse overheid momenteel voorbereidt, leveren in totaal maar liefst 5.000 jobs op, waarvan ongeveer 2.500 direct bij de bouwbedrijven zelf en circa 2.500 indirect bij ontwerpers, leveranciers, materialenproducenten enz. De projecten hebben voor 45% betrekking op infrastructuurwerken, voor 54% op niet-woongebouwen (vooral dan op schoolgebouwen, rust- en ziekenhuizen) en voor 1% op woongebouwen."
De creatie van werkgelegenheid, die ook in de memorie van toelichting bij het reeds geciteerde decreet uit 2006 werd aangehaald (meer bepaald p.3), wordt door de VCB dus geenszins gerelateerd aan het ene project "inhaalbeweging schoolinfrastructuur". De confederatie lijkt eerder uit te van van 1.000 jobs per miljard euro, wat natuurlijk ook al kan tellen.
4. De gunstige berekeningen van het VCB moeten waarschijnlijk echter met een korreltje zout worden genomen. Toegegeven, de PPS-projecten zwengelen ongetwijfeld het aantal potentiële opdrachten aan in de bouwsector, maar de vraag rijst of dit ook werkelijk in nieuwe jobs zal resulteren.
Hierbij mag niet worden vergeten dat het VCB nu al enkele jaren steen en been klaagt over openstaande vacatures in de sector. Wat Vlaanderen moet met een duizendtal extra jobs die niet ingevuld zullen geraken, is een raadsel, tenminste als daar geen massale heroriëntering en herscholing van werkzoekenden tegenover staat. Integendeel, als het VCB mag worden geloofd, dan leiden deze niet-ingevulde jobs tot problemen voor vele aannemers. "Momenteel kunnen heel wat aannemers hun orderboek niet tijdig uitvoeren omdat ze voor de uitvoering onvoldoende arbeidskrachten of onderaannemers vinden", schreef de confederatie in haar persbericht van 22 januari 2007. In 2005 bepleitte zij daarom een ruimere instroom van nieuwe en regularisatie van illegale arbeiders. De Vlaamse regering mag dan wel de versnelling van de constructie van scholen beogen, het valt nog af te wachten of er zich voldoende aannemers aandienen die de verschillende, mogelijk gelijktijdig geplande bouwprojecten aankunnen.
5. Nog een factor waarover wordt gezwegen is het fenomeen van detachering, wel gekend bij juristen sociaal recht die ook vertrouwd zijn met de Europese regelgeving inzake grensoverschrijdende tewerkstelling. De PPS-projecten die de Vlaamse overheid opzet mogen dan wel werk genereren, maar in een Europese context is het niet gezegd dat de bouwprojecten ook door Vlaamse of Belgische aannemers zullen worden binnengehaald en dat eigen onderdanen hierdoor tewerkgesteld zullen worden.
De recente zaak Rüffert die voor het Hof van Justitie werd beslecht, geeft hiervan een mooie illustratie en toont meteen ook aan dat de Vlaamse regering of de PPS-vennootschap het best ook niet in hun hoofd halen aanbestedingscriteria te bepalen die de tewerkstelling 'door en voor Vlamingen' wil bewerkstelligen. In casu ging het om een Duitse regionale (aanbestedende) overheid die aan een Poolse onderneming de voorwaarde had opgelegd de 'Duitse' lonen uit een niet-bindend verklaarde CAO uit de bouwsector na te leven.
De minister lijkt - zich baserend op de euforie van de VCB - aan de gemiddelde Vlaming dus een fata morgana op het vlak van werkgelegenheid voor te spiegelen. dat doet toch de wenkbrauwen fronsen. Het belangrijkste van het project "Inhaalbeweging schoolinfrastructuur" is natuurlijk wel dat er nieuwe en/of degelijk gerenoveerde scholen komen, ongeacht door wie deze zijn gebouwd. Als arbeidsjurist hoop ik alleen maar dat dit binnen de grenzen van het wettelijke toelaatbare gebeurt, onder andere wat betreft de naleving van de arbeidsvoorwaarden. Zowaar, een nieuwjaarswens...
26 september 2008
Enkele powerpoints...
Hierna vindt u enkele powerpoint-presentaties die ik recent voor les- en andere doeleinden heb uitgewerkt:
- de collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) in Nederland;
- de tewerkstelling van niet-EU-onderdanen: aspecten van IPR;
- sociaal procesrecht.
30 mei 2008
Cassatierechtspraak in sociale zaken: maart en april
Cass., S.06.0089.F, 3 maart 2008 (Cableries Namuroises t./ DJ)
Ontslag – dringende reden
De omstandigheid dat de feiten op grond waarvan de werknemer werd ontslagen en de eerdere feiten die de werkgever inroept om de ernst van deze feiten te verduidelijken, van die aard zijn om ook een inbreuk te betekenen op de verplichtingen die krachtens de artikelen 16 en 17, 1° en 2° van de Arbeidsovereenkomstenwet, impliceert niet dat deze feiten niet als onafhankelijk van mekaar kunnen worden beschouwd en impliceert ook niet dat er sprake is van een continuïteit in een foutieve houding die van aard is aan de eerste feiten aan te merken als een dringende reden.
Cass., S.07.0098.F, 7 april 2008 (SF t./ Dole Europe)
Opzegging (bediende) – berekeningswijze – voorafgaand akkoord
Klik hier voor een bespreking.
Cass., P.07.0631.N 8 april 2008 (Meybama)
Sociaal strafrecht – samenloop van misdrijven – bepaling geldboete bij inbreuk ten aanzien van verschillende werknemers
Sociaal strafrecht – begrip ‘werkgever’
Sociale zekerheid – niet-betalen bijdragen – ambtshalve veroordeling van de werkgever tot betaling van vergoeding gelijk aan het drievoudige van de ontdoken bijdragen
1) Wanneer de strafrechter aan wie gelijktijdig verschillende misdrijven worden voorgelegd, oordeelt dat deze de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet mag hij overeenkomstig artikel 65, eerste lid, Strafwetboek daarvoor slechts één straf, namelijk de zwaarste, uitspreken. Bij samenloop van misdrijven die strafbaar zijn met een geldboete die zoveel maal wordt toegepast als er werknemers bij het misdrijf betrokken zijn, wordt de geldboete zoveel maal toegepast als het totaal aantal werknemers dat bij die misdrijven betrokken is. Deze regel kan alleen maar toegepast worden voor zover de onderscheiden feiten gelijkaardig zijn, met dezelfde misdrijfomschrijving, en alle strafbaar zijn gesteld door dezelfde wettelijke bepaling.
2) Krachtens de artikelen 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet is de arbeidsovereenkomst de overeenkomst waarbij een werknemer zich verbindt, tegen loon, onder het gezag van een werkgever arbeid te verrichten. Het verrichten van arbeid onder het gezag van de werkgever is een essentieel element van de arbeidsovereenkomst. Die voor een arbeidsovereenkomst kenmerkende gezagsverhouding houdt een juridische afhankelijkheid in. Krachtens artikel 3, eerste lid, Wet Buitenlandse Arbeidskrachten is deze wet van toepassing op de buitenlandse werknemers en op de werkgevers. Krachtens artikel 3, tweede lid, worden voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld:
"1° met buitenlandse werknemers: de buitenlandse onderdanen die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon;
2° met werkgevers: de personen die de onder 1° genoemde personen tewerkstellen."
Artikel 1 Loonbeschermingswet en artikel 1 Sociale Documentenwet hebben dezelfde en artikel 1, § 1, RSZ-wet heeft een gelijkaardige draagwijdte als artikel 3 Wet Buitenlandse Arbeidskrachten.
Uit de voormelde bepalingen volgt dat de opdrachtgever die personen onder zijn juridisch gezag arbeidsprestaties laat verrichten, werkgever is van de betrokken personen in de zin van artikel 12, 1°, a), Wet Buitenlandse Arbeidskrachten en de andere in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen.
3) Krachtens artikel 35, § 1, eerste lid, 1°, RSZ-wet worden de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die zich niet schikken naar de bepalingen voorgeschreven door de wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, gestraft met gevangenisstraf en met een geldboete, of met een van die straffen alleen. Artikel 35, § 1, derde lid, RSZ-wet bepaalt: "De rechter die de straf uitspreekt ten laste van de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, veroordeelt ambtshalve de werkgever tot betaling aan de inningsinstelling van de socialezekerheidsbijdragen van de bijdragen, bijdrageopslagen en verwijlinteresten die niet aan de Rijksdienst werden gestort." Artikel 35, § 1, vierde lid, RSZ-wet bepaalt: "Bij bedrieglijke onderwerping van een of meer personen aan de toepassing van deze wet, veroordeelt de rechter ambtshalve de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers tot betaling aan de inningsinstelling van de socialezekerheidsbijdragen van een vergoeding gelijk aan het driedubbel van de bedrieglijk aangegeven bijdragen." Artikel 35, § 1, vijfde lid, RSZ-wet bepaalt: "Bij niet-onderwerping van één of meer personen aan de toepassing van deze wet, veroordeelt de rechter ambtshalve de werkgever, en in voorkomend geval de hoofdelijk aansprakelijke aannemer bedoeld bij artikel 30bis, § 3, tweede lid, wat betreft de personen tewerkgesteld door zijn medecontractant bij de uitvoering van de werken, tot betaling aan het inningsorganisme van de socialezekerheidsbijdragen van een vergoeding gelijk aan het drievoud van de ontdoken bijdragen." Krachtens artikel 37 RSZ-wet is de werkgever civielrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten waartoe zijn aangestelden of lasthebbers worden veroordeeld.
Uit de samenhang van de voormelde bepalingen volgt dat de bij artikel 35, § 1, vijfde lid, RSZ-wet bedoelde ambtshalve veroordeling tot betaling van een vergoeding gelijk aan het drievoud van de ontdoken bijdragen, steeds wordt opgelegd aan diegene die volgens de regels van het burgerlijk recht of van het arbeidsrecht als werkgever kan worden gekwalificeerd, ongeacht of deze zelf dan wel zijn aangestelde of lasthebber de inbreuk heeft gepleegd. Zoals de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de werkgever voor de boeten en de kosten waartoe zijn aangestelden of lasthebbers worden veroordeeld, is dit een afwijking van het rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straffen.
Cass., C.06.0675.F, 21 april 2008 (Ethias t./ MC en ANMC)
ZIV-wet – wettelijke subrogatie in hoofde van verzekeringsinstelling – cumulatie met gemeenrechtelijke schadevergoeding
Krachtens artikel 76quater, § 2, eerste alinea van de wet van 9 augustus 1963 en artikel 136, §2, eerste alinea van de gecoördineerde ZIV-wet (14 juli 1994) worden de in die wet voorziene uitkeringen geweigerd indien voor de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of in het gemeen recht werkelijk schadeloosstelling is verleend. Overeenkomstig de vierde alinea van diezelfde paragraaf treedt de verzekeringsinstelling rechtens in de plaats van de rechthebbende; deze indeplaatsstelling geldt, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in het eerste lid bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden.
Hieruit volgt dat de verzekeringsinstelling die aan een rechthebbende een uitkering heeft toegekend aan deze wordt gesubrogeerd, rekening houdende met een eventuele verdeling van aansprakelijkheid, wat betreft de sommen die zijn verschuldigd door de derde aansprakelijke of zijn verzekeraar, zonder dat moet worden nagegaan of deze sommen dezelfde schade vergoeden die door de toegekende uitkering wordt gedekt, in zoverre de schade die door deze sommen wordt vergoed van die aard is om de toekenning van de uitkering te rechtvaardigen.
De toepassing van deze regel, die niet ertoe leidt dat het cumulatieverbod uit hoger vermelde artikelen wordt uitgebreid, garandeert het slachtoffer, binnen de grenzen van een eventuele verdeling van aansprakelijkheid, de integrale vergoeding van de geleden schade, terwijl wordt vermeden dat hij een vergoeding zou kunnen ontvangen die groter is dan de schade.
Cass., S.07.0079.N, 28 april 2008 (KBC t./ DSP)
Arbeidsongeval – plotselinge gebeurtenis – langdurig oncomfortabele houding
Krachtens artikel 7, eerste lid, van de Arbeidsongevallenwet, wordt voor de toepassing van deze wet als arbeidsongeval aangezien elk ongeval dat een werknemer tijdens en door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst overkomt en dat een letsel veroorzaakt. Krachtens artikel 9 van zelfde wet, wordt wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden benevens het bestaan van het letsel een plotselinge gebeurtenis aanwijzen, het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed door een ongeval te zijn veroorzaakt.
De plotselinge gebeurtenis moet een in de tijd definieerbaar feit van relatief korte duur zijn. Het behoort aan de rechter te oordelen of de duurtijd van een gebeurtenis de grens overschrijdt van wat als een plotselinge gebeurtenis kan worden aangezien. Een langdurige oncomfortabele houding die door overbelasting letsels veroorzaakt, kan, naar gelang het geval, als een plotselinge gebeurtenis worden aangezien.
De appelrechters vermochten te oordelen dat de verweerder “een plotse gebeurtenis aantoont, nu hij een in tijd en ruimte situeerbaar gegeven in de uitvoering van de arbeid aanwijst als oorzaak van zijn letsels, nl. het gedurende 5 uur monteren van tyzers in een oncomfortabele houding, dit is in hurkzit en teenstand in een krappe ruimte met onaangepaste veiligheidsschoenen.”
Met letsel in de zin van de artikelen 7 en 9 van de Arbeidsongevallenwet, dient in beginsel elke gezondheidsschade te worden verstaan. De rechter mag de aard van de gezondheidsschade betrekken in zijn beoordeling van de vraag of deze kon worden veroorzaakt door een plotselinge gebeurtenis.De enkele omstandigheid dat de gezondheidsschade evolutief is ontstaan tijdens de duur van een niet-kortstondige gebeurtenis, belet de rechter evenwel niet die gebeurtenis te aanzien als een plotselinge gebeurtenis in de zin van het artikel 9 van de Arbeidsongevallenwet.
14 maart 2008
Tewerkstelling van asielzoekers
door Koen Nevens
1. De toegang tot de arbeidsmarkt van asielzoekers is zowel op juridisch als op maatschappelijk vlak een netelig probleem.
De tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten wordt geregeld door de wet van 30 april 1999 (BS 21 mei 1999) en het KB van 9 juni 1999 (BS 26 juni 1999), dat werd aangepast door het KB van 6 februari 2003 (BS 27 februari 2003).
Dit laatste besluit had vanuit een oogmerk van administratieve vereenvoudiging tot doel elke vorm van bureaucratie op het gebied van de toegang tot de arbeidsmarkt van vreemdelingen te bannen door de reglementering op te bouwen rond het principe van samenhang tussen het recht op verblijf en het recht op werk (Verslag aan de Koning bij het K.B.) Voor een reeks tussensituaties, waaronder expressis verbis de ontvankelijk verklaarde kandidaat-vluchtelingen moeten worden begrepen, werd daarom voorzien in een nieuw en soepel regime van de arbeidskaart C (zie voor een bespreking J. Barbé en B. Lietaert, “Toegang tot de belgische arbeidsmarkt”, TSR 2004, 534-541). Erkende vluchtelingen zijn vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart (art. 2, 3° KB 9 juni 1999).
2. Hoewel nog steeds in voege, is de regeling inzake de arbeidskaart C eigenlijk achterhaald. De wetten van 15 september 2006 (BS 6 oktober 2006) hebben de asielprocedure sedert 1 juni 2007 op een niet onbelangrijke wijze aangepast. Het onderscheid tussen ontvankelijk en niet-ontvankelijk verklaarde asielzoeker verdwijnt immers.
In een zoveelste omzendbrief (BS 18 juni 2007) bepaalde de voormalige minister van werk dat vanaf 1 juni 2007 de arbeidskaart C niet kan worden toegekend aan asielzoekers die niet vòòr die datum ontvankelijk werden verklaard. Zij die na die datum een asielvraag hebben ingediend, zijn van de arbeidsmarkt uitgesloten tot dat er in hun dossier een beslissing is genomen.
Dit lijkt mogelijk een stap achteruit, omdat ons land nog steeds geen omzetting heeft gegeven aan artikel 11 van de zogenaamde Opvangrichtlijn (2003/9/EG). Dit artikel bepaalt:
- De lidstaten stellen een tijdsspanne vast, te rekenen vanaf de datum van indiening van het asielverzoek, gedurende welke een asielzoeker geen toegang heeft tot de arbeidsmarkt.
- Indien één jaar na de indiening van het asielverzoek in eerste aanleg geen beslissing is genomen en deze vertraging niet aan de asielzoeker te wijten is, bepalen de lidstaten onder welke voorwaarden asielzoekers toegang tot de arbeidsmarkt krijgen.
- De toegang tot de arbeidsmarkt wordt niet ongedaan gemaakt tijdens een beroepsprocedure, indien beroep tegen een negatieve beslissing in een normale procedure schorsende werking heeft, en wel tot het tijdstip van de kennisgeving van een negatieve beslissing over het beroep.
- Om redenen van arbeidsmarktbeleid kunnen de lidstaten voorrang geven aan EU-onderdanen en onderdanen van staten die gebonden zijn door de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, alsook aan onderdanen van derde landen die legaal op hun grondgebied verblijven
Het valt af te wachten welke termijn en welke voorwaarden de Belgische overheid zal vastleggen met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkt. Artikel 11 van de richtlijn lijkt in elk geval geen directe werking te hebben en is eerder asielzoeker-onvriendelijk (zie ook de Nota van Vluchtelingenwerk Vlaanderen).
Men kan alleen maar hopen dat niet wordt hervallen in een op een omzendbrief gesteunde administratieve praktijk, zoals die gangbaar was tot het KB van 6 februari 2003 (zie hieromtrent Omz. 26 april 1994 betreffende de voorlopige toelating van tewerkstelling voor kandidaat-vluchtelingen (asielzoekers), BS 30 april 1994; M.-C. Foblets, S. D’Hondt en S. Boeckaert, “De wankele regeling inzake het recht op werkloosheidsuitkeringen van vreemdelingen met precair verblijf. Met grondrechten en fundamentele rechtsbeginselen op zoek naar houvast”, T. Vreemd. 2000, 258).
3. Het enige wat men op politiek niveau van asielzoekers lijkt te tolereren is vrijwilligerswerk. Om die reden werd in artikel 9 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers (BS 29 augustus 2005) bepaalt dat deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, onder de door de Koning te bepalen voorwaarden, niet van toepassing is op het vrijwilligerswerk. Terzake is er nog geen K.B. uitgevaardigd, zodat de vraag rijst of deze wet op dit ogenblik wel effectief buitenspel is gezet. Zo niet, dan zijn asielzoekers zelfs van dit soort werk uitgesloten, tenzij hun aanvraag vòòr 1 juni 2007 ontvankelijk werd verklaard.
Hoe dan ook, dit artikel werd ingevoerd op voorstel van volksvertegenwoordigster Van Gool (amendement nr. 8, Parl. St. Kamer 2004-2005, nr. 455/3 en amendement nr. 47, Parl. St. Kamer 2004-2005, nr. 455/4, 14). Zij wou een einde maken aan de bestaande praktijk die enkel vreemdelingen met onbeperkt verblijfsrecht in België en gezinsvormers die huwen met een Belg of een EU-onderdaan vrijstelt van een arbeidskaart en dus enkele deze toelaat op legale basis vrijwilligerswerk te verrichten. De bedoeling was vooral asielzoekers, met het oog op hun integratie, de gelegenheid te bieden vrijwilligerswerk te verrichten.
De uitsluiting van vrijwilligerswerk uit de Wet Buitenlandse Arbeidskrachten getuigt niet meteen van wetgevingstechnische coherentie. Zo kan eraan worden herinnerd dat de wetgever in 1999 resoluut heeft geopteerd om inzake het personele toepassingsgebied van deze wet geen uitsluitingen te voorzien, maar de voorkeur te geven aan een regime van vrijstellingen. “Op die manier blijven deze personen in principe wél onderworpen aan de nieuwe wet. Dit is van belang wanneer deze personen betrokken zouden zijn bij één van de misdrijven die strafbaar worden gesteld in artikel 12 van het wetsontwerp.”(Parl. St. Kamer 1998-1999, nr. 2072/3, 7. Zie H. VERSCHUEREN, Grensoverschrijdende arbeid, Brugge, Die Keure, 2001, 14-15). Art.9 van de Vrijwilligerswet doorbreekt dus de coherentie van het systeem inzake arbeidsvergunningen en –kaarten.
Sedert de wet van 12 januari 2007 (BS 7 mei 2007) kan de opgevangen asielzoeker ook "gemeenschapsdienst" in het opvangcentrum. Deze activiteit geschiedt overeenkomstig de wet niet in het kader van een arbeidsovereenkomst en de uitbetaalde (verhoogde) dagvergoeding wordt niet gezien als zijnde een bezoldiging. Of dit voldoende is om deze personen pakweg uit de Welzijnswet uit te sluiten, kan worden betwijfeld aangezien deze wetten zelfs van toepassing zijn op personen die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verricht onder gezag van een andere persoon.
Het vonnis van de correctionele rechtbank te Brugge (4 juni 1992, TBR 1993, 88) waarbij werd geoordeeld dat de bepalingen van de Sociale Documentenwet niet van toepassing zijn op het aanleren van het beroep van kaasmaker op een geiten- en schapenbedrijf aan een asielaanvrager, omdat deze activiteit niet kadert binnen de normale arbeidsverhoudingen, kan niet meteen worden bijgetreden. Op de relevante vraag of het hier om arbeid onder gezag ging die al dan niet in het kader van een arbeidsovereenkomst werd gepresteerd, ging de correctionele rechter immers niet in. Kortom, het was een juridisch weinig onderbouwd billijkheidsoordeel.
4. Asielzoekers toelaten vrijwilligerswerk te verrichten met het oog op hun integratie is lovenswaardig, maar het valt niet in te zien waarom men vanuit eenzelfde optiek aan deze personen dan op het Belgische grondgebied arbeid in loondienst zou ontzeggen. Het aanhoudende heen-en-weer van de wetgever en de regering is vermoeiend en op juridisch vlak rijdt men zich soms wel eens vast, al is men zich daar allicht niet van bewust.
Ter illustratie, geef ik (onder het nodige voorbehoud) het volgende syllogisme mee:
- De wet Buitenlandse Arbeidskrachten is in beginsel van toepassing op iedere buitenlander die onder gezag arbeid verricht voor een andere persoon, ongeacht of dit geschiedt in het kader van een arbeidsovereenkomst (art. 3, 1°);
- Asielzoekers die vrijwilligerswerk of gemeenschapsdienst verrichten kunnen worden beschouwd als met werknemers gelijkgestelden (contra Corr. Brugge);
- De uitsluiting van vrijwilligers uit de wet Buitenlandse Arbeidskrachten wacht nog steeds op uitvoering en is daarom mijns inziens nog niet in voege;
- Kortom, asielzoekers die vrijwilligerswerk of gemeenschapsdienst willen verrichten (!), moeten een arbeidskaart C aanvragen, ook al gaat het niet om arbeid in loondienst krachtens een arbeidsovereenkomst (!!).
Zodanige arbeidskaart C kan een asielzoeker sedert 1 juni 2007 echter niet krijgen, tenzij hun aanvraag ontvankelijk werd verklaard vòòr die datum (!!!).
Volgende keer: werkloosheidsuitkeringen voor asielzoekers die arbeid in loondienst hebben verricht...