Posts tonen met het label kinderbijslag. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kinderbijslag. Alle posts tonen

12 januari 2012

Gewaarborgde kinderbijslag voor kind van erkende staatloze


De prejudiciële vraag

Schendt artikel 1, achtste lid, van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag, in die zin geïnterpreteerd dat het van toepassing is op de staatlozen van wie wordt vastgesteld dat zij buiten hun wil hun nationaliteit hebben verloren en die aantonen dat zij geen wettige en duurzame verblijfstitel kunnen verkrijgen in een andere Staat waarmee zij banden zouden hebben, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2.2 en 26.1 van het Internationaal Verdrag van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind, in zoverre het de erkende staatlozen en de andere categorieën van vreemdelingen op dezelfde wijze behandelt, door van hen te vereisen, voor de toekenning van het recht op gewaarborgde gezinsbijslag, dat zij toegelaten of gemachtigd zijn in België te verblijven overeenkomstig de wet van 15 december 1980, waardoor aldus geen rekening wordt gehouden met hun specificiteit, waarbij België zich via het Verdrag van New York van 28 september 1954 betreffende de status van staatlozen te hunnen aanzien soortgelijke verplichtingen heeft opgelegd als die welke het zich via het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen jegens de vluchtelingen heeft opgelegd, zonder ze daarom op gelijkwaardige wijze na te komen, en waarbij het de supranationale waarborgen aldus op discriminerende wijze toepast ?

Het antwoord van het Hof

Nu de wetgever met de instelling van een gewaarborgde gezinsbijslag de bedoeling had een residuair stelsel in te voeren zodat de kinderen die niet onder het verplicht stelsel ressorteren ook het voordeel van gezinsbijslag zouden genieten, rijst de vraag of de maatregel die ertoe leidt dat, zonder enige uitzondering, het voordeel van die wetgeving niet in aanmerking kan worden genomen voor de kinderen die ten laste zijn van een staatloze persoon die niet is toegelaten of gemachtigd in België te verblijven of zich er te vestigen, overeenkomstig de wet van 15 december 1980, niet tegen de voormelde doelstelling ingaat.
Zoals het Hof in zijn arresten nrs. 110/2006 van 28 juni 2006 en 48/2010 van 29 april 2010 reeds heeft opgemerkt, vermocht de wetgever, gelet op het niet-contributieve karakter van het residuaire stelsel, dat voordeel afhankelijk te stellen van het bestaan van een voldoende band met België. Niettegenstaande de opeenvolgende wijzigingen ervan, hebben de artikelen 1 en 2 van de wet van 20 juli 1971 steeds voorwaarden - van nationaliteit of van verblijf - voor het verkrijgen van een gewaarborgde gezinsbijslag opgelegd. De wet van 29 april 1996 die tot de in het geding zijnde bepaling heeft geleid, heeft die vereisten enkel gemilderd om de Belgen en de onderdanen van de Europese Economische Ruimte (Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 352/1, p. 40) alsook de staatlozen en vluchtelingen op identieke wijze te behandelen.
In zijn arrest nr. 110/2006 van 28 juni 2006, zoals bevestigd in zijn arrest nr. 48/2010 van 29 april 2010, heeft het Hof geoordeeld dat de wetgever het voordeel van het residuaire stelsel afhankelijk kon stellen van de voorwaarde van een regelmatig verblijf in België.

Volgens artikel 49 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen worden de personen die als vluchtelingen in de zin van die wet worden beschouwd, toegelaten tot het verblijf of de vestiging in het Rijk. Zij voldoen daardoor aan de bij de in het geding zijnde bepaling vastgestelde voorwaarde om het voordeel van gezinsbijslag te verkrijgen. Een dergelijke bepaling bestaat daarentegen niet voor de staatlozen.
 
Het Hof moet onderzoeken of de in het geding zijnde bepaling redelijk is verantwoord, in zoverre zij, door van alle rechthebbenden op gezinsbijslag een wettelijk verblijf te vereisen, tot gevolg heeft dat die rechthebbenden verschillend worden behandeld, naargelang zij vluchtelingen of staatlozen zijn.
De situatie van de staatlozen in het internationaal recht wordt geregeld door het Verdrag van New York betreffende de status van staatlozen van 28 september 1954, goedgekeurd bij de wet van 12 mei 1960 (hierna : het Verdrag van New York); die van de vluchtelingen is geregeld bij het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, goedgekeurd bij de wet van 26 juni 1953 (hierna : het Verdrag van Genève).
De twee verdragen, die historisch gezien uit dezelfde demarche voortvloeien, bevatten bepalingen waarvan de draagwijdte in verschillende opzichten vergelijkbaar is. Krachtens artikel 7, lid 1, van het Verdrag van Genève en artikel 7, lid 1, van het Verdrag van New York kent België aan de vluchtelingen en aan de staatlozen de regeling toe die het aan de vreemdelingen in het algemeen toekent. Krachtens de artikelen 23 en 24 van het Verdrag van New York en de artikelen 23 en 24 van het Verdrag van Genève moet België aan de vluchtelingen die rechtmatig op zijn grondgebied verblijven en aan de staatlozen die rechtmatig erop verblijven, dezelfde behandeling als die van de onderdanen toekennen op het vlak van de arbeidswetgeving, de wetgeving inzake sociale zekerheid en de bijstand van overheidswege; noch de enen, noch de anderen kunnen, indien zij rechtmatig op het grondgebied verblijven, het land worden uitgezet, tenzij om redenen van nationale veiligheid of openbare orde (artikel 31 van het Verdrag van New York en artikel 32 van het Verdrag van Genève). Geen van beide verdragen kent aan de daarin beoogde personen het recht toe om te verblijven op het grondgebied van de Staat die hen als vluchteling of als staatloze erkent.

De erkende staatlozen en de erkende vluchtelingen bevinden zich aldus in grotendeels vergelijkbare situaties, niet alleen rekening houdend met de voorschriften van die bepalingen, maar ook met het feit dat aan de overheid, door hun de hoedanigheid van, al naar gelang van het geval, staatloze of vluchteling toe te kennen, plichten worden opgelegd ten aanzien van de betrokkenen.
Wanneer is vastgesteld dat de staatloze deze hoedanigheid heeft verkregen omdat hij buiten zijn wil zijn nationaliteit heeft verloren en dat hij aantoont dat hij geen wettige en duurzame verblijfstitel kan verkrijgen in een andere Staat waarmee hij banden zou hebben, kan de situatie waarin hij zich bevindt op discriminerende wijze afbreuk doen aan zijn grondrechten.
Hieruit vloeit voort dat het verschil in behandeling tussen de staatloze die zich in een dergelijke situatie op het Belgisch grondgebied bevindt en de erkende vluchteling, niet redelijk verantwoord is.

Het komt de wetgever toe de voorwaarden te bepalen onder welke bepaalde categorieën van staatlozen in België een verblijfstitel kunnen verkrijgen.

In afwachting van dat wetgevend optreden dat betrekking heeft op de wet van 15 december 1980, staat het aan de verwijzende rechter een einde te maken aan de gevolgen, wat de in het geding zijnde bepaling betreft, van de ongrondwettigheid die is vastgesteld, aangezien die vaststelling in voldoende precieze en volledige bewoordingen is uitgedrukt. Bijgevolg komt het de arbeidsgerechten waarbij een weigering om gewaarborgde gezinsbijslag toe te kennen ten behoeve van een kind dat ten laste van een erkende staatloze is van wie zij vaststellen dat hij buiten zijn wil zijn nationaliteit heeft verloren en dat hij aantoont dat hij geen wettige en duurzame verblijfstitel kan verkrijgen in een andere Staat waarmee hij banden zou hebben, aanhangig is gemaakt, toe dat kind het in het geding zijnde recht op gewaarborgde gezinsbijslag toe te kennen, niettegenstaande het feit dat de staatloze persoon ten laste van wie het is, nog niet is toegelaten of gemachtigd op het Belgische grondgebied te verblijven.

04 mei 2010

Grondwettelijk Hof over gewaarborgde kinderbijslag van vreemdeling met kind dat EU-burgerschap heeft

GwH 29 april 2010, nr. 2010/48.

De prejudiciële vraag

Schendt artikel 1, zesde lid, van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 191 van de Grondwet en met de artikelen 12 en 17 van het EG-Verdrag, die de artikelen 18 en 20 van het Verdrag betreffende de werking van Europese Unie zijn geworden, in zoverre het van toepassing is op de buitenlandse aanvrager van gewaarborgde gezinsbijslag die gemachtigd is om in België te verblijven maar die geen burger van de Europese Unie is en die de in het zevende lid van artikel 1 van die wet (in de versie ervan die van toepassing was vóór 1 maart 2009) bedoelde vrijstellingen niet kan genieten, terwijl het kind dat hij ten laste heeft, werkelijk in België verblijft en de nationaliteit van een andere lidstaat van de Europese Unie heeft ?

Antwoord van het Hof

In de versie die van toepassing was op het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil, bepaalde artikel 1, eerste, zesde en zevende lid, van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag :
"Onverminderd de bepalingen van artikel 10, wordt gezinsbijslag toegekend, onder de bij of krachtens deze wet bepaalde voorwaarden, ten behoeve van het kind dat uitsluitend of hoofdzakelijk ten laste is van een natuurlijke persoon die in België verblijft.
[…]
De natuurlijke persoon bedoeld in het eerste lid moet werkelijk en ononderbroken verbleven hebben in België gedurende minstens de laatste vijf jaar die de indiening van de aanvraag om gewaarborgde gezinsbijslag voorafgaan.
Van deze voorwaarde worden vrijgesteld :
1° de persoon die onder de toepassing valt van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de toepassing van de sociale verzekeringsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen;
2° de staatloze;
3° de vluchteling in de zin van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van de vreemdelingen;
4° de persoon die niet bedoeld is onder 1° en die onderdaan is van een Staat die het Europees Sociaal Handvest of het Herziene Europees Sociaal Handvest heeft geratificeerd
".

Vanaf 1 maart 2009, datum van inwerkingtreding van artikel 34 van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen, wordt de lijst van de categorieën van personen die worden vrijgesteld van de voorwaarde van een aan de aanvraag voorafgaand verblijf van vijf jaar in België, aangevuld met een 5°, luidende als volgt :
"5° de persoon die gewaarborgde gezinsbijslag aanvraagt ten behoeve van een kind :
a) dat onderdaan is van een Staat die onder de toepassing valt van de verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de toepassing van de sociale verzekeringsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, of indien dit niet het geval is, dat onderdaan is van een Staat die het Europees Sociaal Handvest of het (Herziene) Europees Sociaal Handvest heeft geratificeerd;
b) dat staatloze is of vluchteling in de zin van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
".
Die bepaling is niet van toepassing op de zaak die voor de verwijzende rechter hangende is.

Uit de motieven van het vonnis waarbij aan het Hof de vraag wordt gesteld, blijkt dat de zaak die hangende is voor de verwijzende rechter, betrekking heeft op een aanvraag tot gewaarborgde gezinsbijslag ten voordele van een kind van Spaanse nationaliteit. De moeder van het kind, die de hoedanigheid van rechthebbende heeft, is van Rwandese nationaliteit. De aanvraag tot gezinsbijslag betreft een periode van ongeveer drie maanden tijdens welke de rechthebbende, die niet voldeed aan de voorwaarde van vijf jaar verblijf voorafgaand aan de aanvraag, daarvan nog niet was vrijgesteld door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid.

Het verschil in behandeling dat door het Hof moet worden onderzocht, is het verschil dat bestaat tussen, enerzijds, de kinderen die, ten laste zijnde van hetzij een persoon van Belgische nationaliteit, hetzij een persoon van vreemde nationaliteit die sedert meer dan vijf jaar in België verblijft op het ogenblik waarop de aanvraag voor gewaarborgde gezinsbijslag wordt ingediend, die bijslag genieten, en, anderzijds, de kinderen die de desbetreffende bijslag niet kunnen genieten omdat zij ten laste zijn van een persoon van vreemde nationaliteit die die verblijfsvoorwaarde niet vervult.

Om de prejudiciële vraag te beantwoorden, dient te worden onderzocht of het door de wetgever in aanmerking genomen criterium van onderscheid, dat is afgeleid uit de vereiste van een voorafgaand verblijf van vijf jaar in België, verantwoord is ten aanzien van het door hem nagestreefde doel en of een redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen het aangewende middel en het beoogde doel.

Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 juli 1971 blijkt dat de wetgever de bedoeling had in de sector van de kinderbijslagen een residuair stelsel in te voeren :
"er zijn sommige kinderen voor wie momenteel de kinderbijslag niet kan worden uitbetaald omdat er in hunnen hoofde geen rechthebbende is noch in het stelsel der werknemers noch in het stelsel der zelfstandigen. Het is derhalve nodig een residuair stelsel van kinderbijslag in te richten" (Parl. St. Senaat, 1970-1971, nr. 576, verslag, p. 1).

Nu de wetgever met de instelling van een gewaarborgde gezinsbijslag de bedoeling had een residuair stelsel in te voeren zodat de kinderen die van een verplicht stelsel zijn uitgesloten ook het voordeel van gezinsbijslag zouden genieten, rijst de vraag of de maatregel die ertoe leidt dat het voordeel van die wetgeving wordt geweigerd aan de kinderen die ten laste zijn van een persoon die niet sedert meer dan vijf jaar in België verblijft en die op basis van het voormelde artikel 1, zevende lid, niet van die voorwaarde kan worden vrijgesteld, niet tegen de door de wetgever nagestreefde doelstelling ingaat.

Gelet op het niet-contributieve karakter van het residuaire stelsel, vermocht de wetgever dat voordeel afhankelijk te stellen van het bestaan van een voldoende band met België. De artikelen 1 en 2 van de wet van 20 juli 1971, niettegenstaande de opeenvolgende wijzigingen ervan, hebben steeds voorwaarden - van nationaliteit of van verblijf - voor het verkrijgen van een gewaarborgde gezinsbijslag opgelegd. De wet van 29 april 1996 die tot de in het geding zijnde bepaling heeft geleid, heeft die vereisten enkel gemilderd om de Belgen en de onderdanen van de Europese Economische Ruimte (Parl. St. Kamer 1995-1996, nr. 352/1, p. 40) alsook de staatlozen en vluchtelingen op identieke wijze te behandelen.

Aldus bepaalt artikel 1, achtste lid, van de in het geding zijnde wet :
"Als de natuurlijke persoon bedoeld in het eerste lid vreemdeling is, moet hij toegelaten of gemachtigd zijn in België te verblijven of zich er te vestigen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980, betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ".

In zijn arrest nr. 110/2006 van 28 juni 2006 heeft het Hof geoordeeld dat de wetgever het voordeel van het residuaire stelsel afhankelijk kon stellen van de voorwaarde van een regelmatig verblijf in België.

Artikel 2 van de wet van 20 juli 1971 - dat in de prejudiciële vraag niet wordt beoogd - stelt het recht op een gewaarborgde gezinsbijslag afhankelijk van het werkelijke verblijf van het kind in België, en voegt er, voor sommigen onder hen, nog andere eisen aan toe.

In zijn arrest nr. 62/2009 van 25 maart 2009 heeft het Hof geoordeeld dat de bijkomende vereiste van een verblijf van ten minste vijf jaar voor de rechthebbende die de in artikel 1, zevende lid, bedoelde vrijstellingen niet kan genieten, naast de voorwaarde van werkelijk verblijf van het kind, wanneer het kind Belg is, onevenredig lijkt met de bedoeling om het voordeel van het residuaire stelsel uit te breiden wanneer een voldoende band met de Belgische Staat is vastgesteld.

Het is om zich aan dat arrest te conformeren dat de wetgever het zevende lid van de in het geding zijnde bepaling heeft aangevuld. Bij die gelegenheid heeft hij geoordeeld dat hetzelfde stelsel moest worden aangenomen "als het kind Belg is of gelijkgesteld is met een Belgisch kind volgens de toepasselijke internationale normen" (Parl. St. Kamer, 2009-2010, DOC 52-2299/001, p. 28), zodat voortaan, sinds 1 maart 2009, eveneens van die vereiste worden vrijgesteld, onder anderen, de rechthebbenden die een kind ten laste hebben dat onderdaan is van een Staat die onder de toepassing valt van de verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971 van de Raad van de Europese Gemeenschappen, of onderdaan van een Staat die het Europees Sociaal Handvest of het herziene Europees Sociaal Handvest heeft geratificeerd.

Artikel 18 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (het vroegere artikel 12 van het EG-Verdrag) bepaalt :
"Binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.
Het Europees Parlement en de Raad kunnen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, regelingen treffen met het oog op het verbod van bedoelde discriminaties
".

Artikel 20 (het vroegere artikel 17 van het EG-Verdrag) van hetzelfde Verdrag bepaalt :
"1. Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan.
2. De burgers van de Unie genieten de rechten en hebben de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald. […]".


Vermits de in het geding zijnde bepaling strijdig werd geacht met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat zij van toepassing was op de rechthebbende die een kind van Belgische nationaliteit ten laste heeft, moet zij eveneens strijdig worden geacht met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang gelezen met de artikelen 18 en 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, doordat zij van toepassing is op de rechthebbende die een kind ten laste heeft dat het burgerschap van de Unie bezit.

De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

20 januari 2010

Grondwettelijk Hof kent geen genade voor uitbetalingsvergissingen begaan door kinderbijslaginstellingen

GwH, nr. 1/2010, 20 januari 2010

Prejudiciële vraag

Schendt artikel 35 van de programmawet van 20 juli 2006, dat artikel 120bis van de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, samengeordend op 19 december 1939, wijzigt,
de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de kinderbijslaginstellingen toestaat de kinderbijslag terug te vorderen die, door een aan hen toe te schrijven vergissing, ten onrechte aan hun aangeslotenen is uitbetaald, op voorwaarde dat de per vergissing gecrediteerde persoon niet wist of niet moest weten dat hij geen of niet langer recht had op de uitgekeerde bijslag, geheel of gedeeltelijk, terwijl, in het algemeen, artikel 17, tweede lid, van het Handvest van de sociaal verzekerde, dat van toepassing is op alle socialezekerheidsinstellingen, waartoe de kinderbijslaginstellingen behoren, zich verzet tegen elke terugvordering van sommen die de sociaal verzekerden ten onrechte hebben geïnd, wanneer :
1) de vergissing die aan de oorsprong van de verbeterende beslissing ligt, aan de socialezekerheidsinstelling te wijten is;
2) het na de herziening erkende recht kleiner is dan het aanvankelijk toegekende recht;
3) de sociaal verzekerde niet wist of niet moest weten dat hij geen recht meer had op het gehele bedrag van de uitgekeerde prestaties ?

Het antwoord van het Hof

De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 120bis van de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, samengeordend op 19 december 1939, zoals het is vervangen bij artikel 35 van de programmawet van 20 juli 2006, dat bepaalt :
"De terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen kan niet geëist worden na verloop van een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied.
Benevens de redenen waarin is voorzien in het Burgerlijk Wetboek, wordt de verjaring gestuit door het eisen van het onverschuldigd uitbetaalde, door middel van een ter post aangetekend aan de schuldenaar betekend schrijven.
In afwijking van het eerste lid wordt de termijn gebracht op :
- vijf jaar, indien de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen;
- een jaar, indien de onverschuldigde betaling voortvloeit uit een juridische of een materiële vergissing van de kinderbijslaginstelling en de per vergissing gecrediteerde persoon niet wist of niet kon weten dat hij geen of niet langer recht had op de uitgekeerde bijslag, geheel of gedeeltelijk".

Het verwijzende rechtscollege vraagt het Hof de bestaanbaarheid te onderzoeken van het derde lid, in fine, van die bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het vergelijkt de situatie van de sociaal verzekerden op wie die bepaling van toepassing is, met die van de sociaal verzekerden op wie artikel 17, tweede lid, van het Handvest van de sociaal verzekerde van toepassing is.

Artikel 17 van het bij wet van 11 april 1995 ingevoerde Handvest van de sociaal verzekerde bepaalt :
"Wanneer vastgesteld wordt dat de beslissing aangetast is door een juridische of materiële vergissing, neemt de instelling van sociale zekerheid op eigen initiatief een nieuwe beslissing die uitwerking heeft op de datum waarop de verbeterde beslissing had moeten ingaan, onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake verjaring.
Onverminderd de toepassing van artikel 18, heeft de nieuwe beslissing, indien de vergissing aan de instelling van sociale zekerheid te wijten is, uitwerking op de eerste dag van de maand na de kennisgeving ervan, als het recht op de prestatie kleiner is dan het aanvankelijk toegekende recht.
Het vorige lid is niet van toepassing indien de sociaal verzekerde weet of moest weten, in de zin van het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen, dat hij geen recht heeft of meer heeft op het gehele bedrag van een prestatie".


Met toepassing van artikel 120bis van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag kan van de sociaal verzekerde die ten onrechte uitgekeerde kinderbijslag heeft geïnd als gevolg van een vergissing vanwege het kinderbijslagfonds, de terugbetaling van het onverschuldigde bedrag gedurende één jaar worden geëist. Op grond van artikel 17 van het Handvest van de sociaal verzekerde moet diegene die ten onrechte betaalde uitkeringen heeft geïnd als gevolg van een vergissing van de instelling die de uitkeringen heeft uitbetaald, daarentegen niets terugbetalen behoudens wanneer de sociaal verzekerde wist of moest weten dat hij geen recht had of meer had op het gehele bedrag van de prestatie. De in het geding zijnde bepaling voert derhalve een verschil in behandeling in tussen de sociaal verzekerden op wie zij van toepassing is en diegenen die artikel 17 van het Handvest van de sociaal verzekerde genieten.

Met de invoering van het Handvest van de sociaal verzekerde wilde de wetgever een betere juridische bescherming voor de sociaal verzekerde. Daarom diende het Handvest aan de volgende verwachtingen te voldoen : "rechtszekerheid, toegankelijkheid, doorzichtigheid, snelheid en nauwkeurigheid, en ten slotte vereenvoudiging van de administratieve verplichtingen" (Parl. St., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 353/1, pp. 1-2). Een amendement van de Regering (Parl. St., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 353/2, p. 10) om artikel 21 (thans artikel 17) te schrappen, werd niet gevolgd omdat de Commissie voor de Sociale Zaken van oordeel was dat " deze bepaling […] in sterke mate de rechtszekerheid van de sociaal verzekerde [verhoogt] en […] behouden [moet] blijven" (Parl. St., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 353/5, p. 19).

Evenwel werd vastgesteld dat artikel 17, tweede lid, van de wet van 11 april 1995 belangrijke budgettaire implicaties had : "Vooral in het kader van de werkloosheidsverzekering en de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen zouden deze nieuwe bepalingen aanleiding geven tot een verlies van miljarden frank teveel betaalde prestaties die niet meer kunnen worden teruggevorderd" (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 907/1, p. 16).

Niettemin werd het beginsel van artikel 17 van het Handvest in verschillende socialezekerheidssectoren ingevoerd. Dat is het geval voor de arbeidsongevallenwetgeving (artikel 60bis van de wet van 10 april 1971) en voor de werkloosheidsreglementering (artikel 149, § 1, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering).

De wetgever heeft de in het geding zijnde bepaling aangenomen op 20 juli 2006, dus na artikel 17 van het Handvest van de sociaal verzekerde. Een wetswijziging na de aanneming van het Handvest van de sociaal verzekerde die een op een socialezekerheidssector toepasselijke reglementering invoert, of die invoering tot gevolg heeft, die voor de verzekerde minder gunstig is dan die welke in het algemeen is opgenomen in het Handvest, roept onder de sociaal verzekerden een verschil in behandeling in het leven dat enkel met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet bestaanbaar kan worden geacht op voorwaarde dat er een relevante specifieke verantwoording voor bestaat.

Uit de parlementaire voorbereiding met betrekking tot artikel 35 van het programmawet van 20 juli 2006, dat artikel 120bis van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders heeft vervangen, blijkt dat de wetgever, enerzijds, de verjaringstermijnen voor de terugvordering van de ten onrechte betaalde kinderbijslag in het algemeen heeft willen inkorten en, anderzijds, een einde heeft willen maken aan een bepaalde rechtspraak die elke terugvordering van het ten onrechte uitgekeerde bedrag belette : "Naar aanleiding van het arrest nr. 13/2005 van 19 januari 2005 van het Arbitragehof, brengt deze bepaling de verjaringstermijnen betreffende de terugvordering van ten onrechte uitgekeerde kinderbijslag, momenteel van vijf en tien jaar, terug op drie en vijf jaar.
Bovendien herleidt die bepaling de termijn van vijf tot een jaar wanneer een kinderbijslaginstelling een fout maakt. Deze drastisch herleide termijn waarbinnen toch nog kan worden teruggevorderd wil aldus een einde maken aan de huidige rechtsonzekerheid die voortvloeit uit recente rechtspraak die oordeelt dat het onverschuldigd betaalde in het geheel niet meer kan worden teruggevorderd.
Deze laatste bepaling is gewettigd door begrotingsredenen (ontoereikende reserve-fondsen van de kinderbijslagfondsen), maar ook wegens het bijzonder complexe administratieve beheer van de onophoudelijk veranderende gezinssituaties (beroepsactiviteiten van de ouders, samenstelling van het gezin…)"
(Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2517/001, p. 40).

Het ingewikkelde karakter van het administratieve beheer waarvoor de kinderbijslagfondsen instaan, als gevolg van het feit dat de gezinsituaties veranderlijk zijn, zou niet kunnen verantwoorden dat de begunstigde van ten onrechte uitgekeerde kinderbijslag, die die heeft geïnd als gevolg van een vergissing van het uitkerende fonds, terwijl hij zich daarvan geen rekenschap kon geven, gedurende één jaar ertoe gehouden is de bedragen terug te betalen die hij ten onrechte heeft geïnd, terwijl de begunstigden van andere sociale uitkeringen die in dezelfde omstandigheden ten onrechte werden geïnd, niet ertoe zijn gehouden die terug te betalen.

In de beoogde hypothese heeft de begunstigde immers geen enkele vergissing begaan, zodat het kinderbijslagfonds correct is geïnformeerd over zijn gezinssituatie. De beheersmoeilijkheden als gevolg van het veranderlijke karakter van de gezinsituaties waarmee rekening moet worden gehouden, kunnen in die situatie dus niet de oorzaak van de onverschuldigde betaling vormen. Zij kunnen dus niet verantwoorden dat de gevolgen van een vergissing van de schuldenaar van de uitkeringen bij de toekenning ervan, ten laste van de sociaal verzekerde worden gelegd.
Overigens, vermits een terugbetaling van onterecht uitgekeerde bedragen de regel is, dienen de in de in het geding zijnde bepaling gebruikte bewoordingen "niet wist of niet kon weten dat hij geen of niet langer recht had" strikt te worden geïnterpreteerd.

Ten slotte, in tegenstelling tot het vakantiegeld, dat het voorwerp uitmaakte van het arrest nr. 39/2008 van 4 maart 2008 waarbij het Hof oordeelde dat het niet strijdig was met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet de terugvordering toe te staan van een onterechte uitbetaling als gevolg van een vergissing van de uitkerende instelling, wordt de kinderbijslag elke maand uitbetaald en kan zij een aanzienlijk deel vertegenwoordigen van het maandelijkse budget van de gezinnen die ertoe gerechtigd zijn, a fortiori wanneer het, zoals te dezen, gaat om verhoogde kinderbijslag. Gedurende een volledig jaar een terugvordering toestaan van bedragen die als gevolg van een vergissing van de uitkerende instelling werden uitbetaald, dreigt dan ook onevenredige gevolgen te hebben voor de uitkeringsgerechtigden die geen enkele fout of nalatigheid kan worden verweten.

De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

31 juli 2009

Cassatierechtspraak in sociale zaken: april en mei 2009

Cass. S.08.0002.F, 6 april 2009

Arbeidsongevallen – Publieke sector - Toepassingsgebied

Aux termes de l'article 2bis, alinéa 1er, de la loi du 3 juillet 1967 sur la prévention ou la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public, lorsque l'autorité désignée par le Roi pour recevoir les déclarations d'accident refuse de prendre en charge le cas d'un membre du personnel qui n'a pas la qualité d'agent définitif, ou qu'elle estime qu'il existe un doute quant à l'application de la loi à l'accident de ce membre du personnel, elle prévient, dans les trente jours de la réception de la déclaration, la victime ou son ayant droit et l'organisme assureur auquel la victime est affiliée ou auprès duquel elle est inscrite conformément à la législation sur l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité.

Cette disposition, qui impose à l'autorité d'avertir l'organisme assureur notamment en cas de refus, quel qu'en soit le motif, de prendre un cas en charge, est applicable aussi bien lorsque l'autorité est avertie de la survenance de l'accident que lorsqu'elle est informée de l'existence, après la reprise du travail, d'une nouvelle incapacité de travail que le travailleur attribue à l'accident. Partant, l'arrêt, qui décide que la demande de la demanderesse d'obtenir de la défenderesse le remboursement des indemnités versées au membre du personnel n'est pas fondée, au motif que la défenderesse n'a l'obligation d'avertir l'organisme assureur que dans « l'hypothèse où elle reçoit la déclaration d'accident du travail », viole l'article 2bis précité.

Cass. S.08.0080.N, 4 mei 2009

Kinderbijslag werknemers – Bijslagtrekkende – Aanduiding door arbeidsrechtbank

Krachtens artikel 69, §1, derde lid, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, hierna Kinderbijslagwet Werknemers, wordt de kinderbijslag integraal aan de moeder uitbetaald, wanneer de twee ouders die niet samenwonen het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen in de zin van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek en het kind niet uitsluitend of hoofdzakelijk door een andere bijslagtrekkende wordt opgevoed. Toch wordt de kinderbijslag op zijn vraag integraal aan de vader uitbetaald, wanneer het kind en hijzelf dezelfde hoofdverblijfplaats hebben in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. Op verzoek van de beide ouders kan de uitbetaling gebeuren op een rekening waartoe zij beide toegang hebben. Wanneer de ouders niet overeenkomen over de toekenning van de kinderbijslag, kunnen zij de arbeidsrechtbank vragen om de bijslagtrekkende aan te duiden en dit in het belang van het kind.
Hieruit volgt dat elk van de beide ouders, wanneer zij niet overeenkomen met betrekking tot de verschillende hypothesen van het derde lid van voormeld artikel 69, §1, zich tot de arbeidsrechtbank kunnen wenden om de bijslagtrekkende te doen aanduiden in het belang van het kind. De arbeidsrechtbank beschikt bij deze aanduiding van de bijslagtrekkende over een beoordelingsbevoegdheid die haar toelaat, in het belang van het kind, de andere ouder aan te duiden dan diegene die uit de loutere toepassing van de voormelde wetsbepaling zou volgen.

Cass. S.07.0112.F, 11 mei 2009

Beroepsziekte – Tijdelijke of definitieve stopzetting van het werk – Recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering –Zwangerschap

Aux termes de l'article 37, § 1er, alinéa 1er, des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, sur avis du médecin désigné par le Roi, le Fonds peut, s'il le juge nécessaire, proposer à toute personne atteinte ou menacée par une maladie professionnelle de s'abstenir soit temporairement, soit définitivement, de toute activité qui puisse l'exposer encore aux risques de cette maladie et de cesser soit temporairement, soit définitivement, l'activité qu'elle exerce.
L'article 37, § 2, dans sa version applicable au litige, dispose, à l'alinéa 1er, que la personne qui accepte la proposition de cessation temporaire a droit aux indemnités d'incapacité temporaire totale de travail pendant la période de cessation temporaire qui peut débuter au plus tôt trois cent soixante-cinq jours avant la date de la demande ; il précise, à l'alinéa 2, que lorsqu'il s'agit de travailleuses enceintes, le droit aux allocations est limité à la période s'écoulant entre le début de la grossesse et le début des sept semaines préalables à la date présumée de l'accouchement.
Suivant l'article 1er de l'arrêté royal du 9 mars 1965 fixant les règles à suivre lors de la proposition de cessation du travail à faire aux personnes atteintes ou menacées par une maladie professionnelle, toute personne atteinte ou menacée par une maladie professionnelle, ou son mandataire, peut demander au Fonds des maladies professionnelles le bénéfice de l'article 37 précité ; après consultation de l'intéressé, la requête peut être introduite par les médecins-inspecteurs du travail chargés de la surveillance de l'application des dispositions légales et réglementaires relatives à la sécurité et à l'hygiène du travail ; les requêtes sont introduites par écrit et accompagnées d'un certificat médical.

En vertu de ces dispositions, lorsqu'une demande de cessation temporaire des activités est introduite alors que la travailleuse est enceinte, la grossesse a pour conséquence de limiter le droit aux allocations durant celle-ci à la période s'écoulant entre son début et le début des sept semaines qui précèdent la date présumée de l'accouchement. Par contre, il ne se déduit d'aucune des dispositions invoquées par le moyen que cette demande ne peut, à défaut d'avoir été renouvelée après l'accouchement, entraîner le paiement des indemnités d'incapacité temporaire totale de travail au-delà de la période précitée.


Cass. S.08.0095.F, 11 mei 2009

Zelfstandige – Ziekte en invaliditeit – Beoordeling invaliditeit – Tijdstip – Geen retroactieve werking

En vertu de l'article 7, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants, la période d'invalidité prend cours lorsque la période d'incapacité primaire indemnisable est révolue.
L'article 62 du même arrêté prévoit que les décisions au sujet de l'incapacité de travail au cours de la période d'invalidité sont régies par les dispositions qui concernent la même matière dans le régime des indemnités organisé par la loi du 9 août 1963 et notamment par les articles 51 et 52 de ladite loi et par le chapitre III de l'arrêté royal du 4 novembre 1963.
En vertu de l'article 94, alinéa 1er, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, le conseil médical de l'invalidité constate, sur la base d'un rapport établi par le médecin-conseil de l'organisme assureur, l'état d'invalidité et en fixe la durée.
Aux termes de l'article 95, alinéa 1er, de cette loi, le Roi fixe des indemnités relatives à la reconnaissance et à la prolongation de l'état d'invalidité.
En exécution de cette disposition légale, l'article 177, § 1er, 1°, alinéa 2, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 prévoit que les décisions du conseil médical de l'invalidité sur la reconnaissance d'invalidité sont prises, au vu du rapport du médecin-conseil, dans les quatre dernières semaines de la période d'incapacité primaire.
En son paragraphe 2, alinéa 2, cet article dispose que les rapports visés notamment au paragraphe 1er, 1°, doivent parvenir à la commission supérieure du conseil médical au plus tard quatre semaines avant la date limite à laquelle la décision, sur la base de ces rapports, doit intervenir.
La décision sur la reconnaissance de l'état d'invalidité devant être prise avant le début de la période de l'invalidité, il est inconciliable avec ladite réglementation que la reconnaissance soit refusée avec effet rétroactif après l'expiration de la période d'incapacité de travail primaire.
La décision du conseil médical de l'invalidité prise en violation desdites dispositions ne peut, dès lors, avoir pour effet que l'état d'invalidité ne soit pas reconnu pour la période précédant la décision.

Cass. S.08.0216.F, 11 mei 2009

Gehandicapten – Integratie-uitkering –Tussenkomst in kosten – Gedekte kosten

L'article 29 de l'arrêté du collège de la Commission communautaire française du 25 février 2000 relatif aux dispositions individuelles d'intégration sociale et professionnelle des personnes handicapées mises en œuvre par le service bruxellois francophone des personnes handicapées dispose que, dans les limites budgétaires, une intervention peut être accordée aux personnes handicapées dans le coût d'aides individuelles à l'intégration dans les cas et aux conditions prévues à l'annexe 1. L'article 5.1, g), de cette annexe prévoit que les accessoires de voiturette ne sont accordés que s'ils ne sont pas codifiés et qu'ils consistent à servir soit en tant qu'éclairage, porte-appareil indispensable à la personne (canne, respirateur, ...), fixation-taxi ou en tant que chauffage pour les mains. En vertu de l'article 29bis, alinéa 1er, du même arrêté, pour les cas non prévus à l'annexe 1 et dans les limites budgétaires, l'équipe pluridisciplinaire est compétente pour déterminer si l'intervention demandée répond aux conditions générales du décret du 4 mars 1999 de l'assemblée de la Commission communautaire française et de l'arrêté et si elle est nécessaire et indispensable à l'intégration sociale et professionnelle. Contrairement à ce que soutient la demanderesse, les cas non prévus à l'annexe 1, visés à l'article 29bis, alinéa 1er, de l'arrêté précité, ne se limitent pas à ceux où l'intervention n'a pas été envisagée au moment de l'élaboration de cette annexe parce que l'équipement concerné n'était pas connu de l'administration mais ils comprennent tous les accessoires de voiturette qui ne sont pas énumérés à l'article 5.1, g), de ladite annexe 1.
L'arrêt, qui constate que les accessoires litigieux ne sont pas repris à l'article 5.1, g), de l'annexe 1 de l'arrêté du 25 février 2000, ne viole aucune des dispositions légales visées au moyen en appliquant, pour dire la demande fondée, l'article 29bis de cet arrêté.

Cass. S.08.0082.F, 25 mei 2009

Arbeidsrelatie – Kwalificatie – Elementen die wijzen op een arbeidsovereenkomst

Lorsque les éléments soumis à son appréciation permettent d'exclure la qualification donnée par les parties à la convention qu'elles ont conclue, le juge du fond peut y substituer une qualification différente. Pour écarter la qualification de contrat d'entreprise que la demanderesse et la défenderesse ont donnée à leur convention et retenir l'existence d'un lien de subordination, l'arrêt se fonde sur la manière dont le contrat a été exécuté et, en particulier, sur les éléments de fait suivants : 1°) l'exercice par la demanderesse du pouvoir de donner des ordres à la défenderesse en ce qui concerne les horaires des prestations, spécialement celles du samedi en vue d'assurer les permanences, la rédaction d'un compte rendu précis des tâches et du temps imparti quotidiennement à leur réalisation, la production d'un certificat médical lors d'une incapacité de travail, l'assistance obligatoire à des formations et, en cas d'impossibilité d'y être présente, l'obtention de l'accord du responsable du service ; 2°) l'exercice par la demanderesse de son pouvoir de surveillance de l'activité de la défenderesse en obligeant celle-ci à compléter un « registre de présence » détaillé mentionnant l'heure d'arrivée et de fin des prestations, la durée de la pause à midi, le nombre d'heures prestées et le temps presté en plus ou en moins, et à remplir des « feuilles d'emploi du temps ».
L'arrêt décide ainsi légalement que ces parties étaient liées par un contrat de travail.

Sur la base de la constatation que la demanderesse a imposé unilatéralement à la défenderesse de compléter des feuilles de contrôle de son temps de travail à partir du mois de mars 1997, l'arrêt a pu légalement décider que la qualification donnée par les parties à leur convention ne correspondait plus à l'exécution qui en était faite depuis ce moment.

16 juli 2009

Het werkgelegenheids- en sociaal beleid van een "daadkrachtig Vlaanderen"

Het Vlaams regeerakkoord 2009-2014 met als titel "Een daadkrachtig Vlaanderen in beslissende tijden" kan worden geraadpleegd door hier te klikken.

Naast het hoofdstuk over het werkgelegenheidsbeleid (pp. 12-19), springt volgende passage in het oog (p.65):

"Een vernieuwd sociaal beleid

Om een krachtig en vernieuwd sociaal beleid gestalte te geven zal een basisdecreet met betrekking tot de Vlaamse sociale bescherming worden gerealiseerd.Dit basisdecreet bevat alvast volgende onderdelen:
• de bestaande zorgverzekering;
• een systeem van maximumfactuur in de thuiszorg;
• een Vlaamse hospitalisatieverzekering;
• een nieuwe regeling voor de financiële ondersteuning van kinderen;
• een nieuw systeem van begrenzing van de kosten in de residentiële ouderenzorg.

De financiële toegankelijkheid van de zorg wordt gevrijwaard door een consolidatie van de Vlaamse zorgverzekering. De langetermijnprognoses voor de financiële leefbaarheid van de zorgverzekering worden jaarlijks geactualiseerd en opgevolgd, met bijzondere aandacht voor de toestand van het reservefonds. Het systeem van maximumfactuur in de thuiszorg, zoals voorzien in het Woonzorgdecreet wordt uitgevoerd. Er wordt onmiddellijk werk gemaakt van het inkomensgerelateerd maken van de bijdrage voor een aantal thuiszorgdiensten.

Elke Vlaming heeft recht op een Vlaamse basishospitalisatieverzekering. Deze verzekering gaat uit van een hospitalisatie in een tweepersoonskamer en moet voor iedereen betaalbaar zijn. Met het oog op het beheersen van de kosten zullen met de betrokken actoren - waaronder ziekenhuizen, ziekenfondsen, verzekeraars, artsen - concrete afspraken gemaakt worden.

De nieuwe Vlaamse regeling van financiële ondersteuning van kinderen zal bestaan uit:
a) een nieuwe, in te voeren financiële tegemoetkoming voor kinderen bij geboorte en naar aanleiding van hun eerste en tweede jaar. Dit recht wordt geëffectueerd bij inschrijving bij Kind en Gezin;
b) de verhoogde schooltoelage vanaf 3 jaar, die geëffectueerd wordt door de inschrijving in het kleuter-, lager of secundair onderwijs.

Een nieuw systeem van begrenzing van de kosten voor residentiële ouderenvoorzieningen moet ertoe leiden dat de kostprijs van deze voorzieningen gereglementeerd wordt en heeft op termijn tot gevolg dat de kostprijs voor de resident het inkomen niet overschrijdt."

10 juni 2009

Uit de oude doos: twee adviezen van de Raad van State (afdeling wetgeving) over een Vlaamse kinderbijslag

door K. Nevens

1. In reactie op mijn recent blogbericht met als titel "Een sociale zekerheid met vier pijlers, ook wel "sécurité sociale à la flamande" waarin ik het had over het voorstel van NVA om een Vlaamse kinderbijslag op te richten - een voorstel waar ook SP.a-kopstuk Frank Vandenbroucke zich trouwens kan in terugvinden - ontving ik van mevrouw Valerie Jadoul (FGTB) een verwijzing naar twee adviezen van de Raad van State, afdeling wetgeving.

Het eerste advies gaat over een voorstel van decreet houdende invoering van een algemene gezinsbijslagregeling op Vlaams niveau (Parl. St. Vl. Parl. 1999-2000, nr. 355-2), het tweede advies gaat dan weer over een gelijkaardig voorstel van decreet tot invoering van een bijzondere tegemoetkoming voor kinderen (Parl. St. Vl. Parl. 1999-2000, nr. 393-2). In beide adviezen geeft de Raad te kennen dat Vlaanderen de nodige bevoegdheid mist.

2. De argumentatie sluit aan bij hetgeen ik in mijn eerder blogbericht stelde. De Raad zegt meer bepaald: "Anders dan de regeling in verband met de zorgverzekering, is de voorgestelde regeling nauw verbonden met de federale regeling inzake gezinsbijslagen. (... ) (H)et (...) blijkt dat de voorgestelde regeling bedoeld is om aanvullend te zijn ten opzichte van de federale regeling. De voorgestelde regeling komt er immers op neer dat het bedrag van de uitkeringen "van dezelfde aard", toegekend krachtens een Belgische, een buitenlandse of een internationale regeling, wordt aangevuld met het bedrag van een door de Vlaamse Gemeenschap toegekende bijslag, om het aldus op te trekken tot een bedrag bepaald door de Vlaamse regering. (...) Aldus moet aangenomen worden dat de voorgestelde regeling in feite in haar geheel neerkomt op een aanvulling van de federale regeling inzake gezinsbijslagen. Het gaat aldus om een wijziging van de federale regels in verband met de sociale zekerheid. De gemeenschappen zijn daarvoor echter niet bevoegd."

Volgens de Raad wordt die interpretatie ook bevestigd door de parlementaire voorbereiding van de BWHI van 8 augustus 1980, die de bevoegdheidsregels vastlegt. Naar aanloop van die bijzondere wet werd vanuit Vlaamse hoek verschillende malen de vraag gesteld of het voor de Gemeenschappen mogelijk zou zijn een aanvullende kinderbijslag in te voeren. Daarop werd steeds ontkennend geantwoord. Joëlle Milquet heeft de "non!" dus duidelijk niet uitgevonden.

07 juni 2009

Een sociale zekerheid met vier pijlers, ook wel "la sécurité sociale à la flamande"


door K. Nevens

1.
Met de politieke partij NVA van Bart De Wever als één van de overwinnaars van de Vlaamse en Europese verkiezingen van 7 juni 2009, worden de plannen voor een "Vlaamse kinderbijslag" en een "Vlaamse hospitalisatieverzekering" weer iets concreter. Beide voorstellen maakten immers een belangrijk deel uit van het programma waarmee deze partij naar de Vlaamse kiezer stapte. De argumenten "méér kinderbijslag (voor Vlamingen)" en "voor iedereen (in Vlaanderen) een hospitalisatieverzekering, ook de (Vlaamse) senioren", konden die kiezer blijkbaar bekoren.

De NVA lijkt met haar voorstellen op een geruisloze wijze een soort van Vlaamse sociale zekerheid te willen uitbouwen, die haar plaats zou innemen tussen de wettelijke federale sociale zekerheid (de zogeheten eerste pijler) en de aanvullende sociale zekerheid (de tweede pijler, op bedrijfsniveau - en derde pijler, op individueel niveau). Men zou kunnen spreken van een vierde pijler, of een pijler één-bis. De Vlaamse zorgverzekering was hiertoe reeds een eerste aanzet. Het juridisch getouwtrek met betrekking tot deze laatste verzekering geeft echter ook aan dat de implementatie van NVA's voorstellen heel wat voeten in de aarde zouden kunnen hebben.

2. De eerste vraag die natuurlijk rijst is of Vlaanderen bevoegd is om een verplichte kinderbijslag- en/of hospitalisatieregeling in te voeren, wetende dat de sociale zekerheid volgens artikel 6, §1, VI, vijfde lid, 12° van de BWHI een federale bevoegdheid is. Het is immers blijkbaar niet de bedoeling om deze materies te regionaliseren, hoewel het bijvoorbeeld geweten is dat voormalig eerste minister Yves Leterme wat betreft de kinderbijslag hiervan een duidelijke voorstander is.

Het arrest van het Grondwettelijk Hof van 13 maart 2001 (nr. 33/2001) biedt een leidraad ter beantwoording van de bevoegdheidsvraag. In dit arrest overwoog het Hof meer bepaald dat "de Grondwetgever en de bijzondere wetgever de gemeenschappen de hele materie betreffende de bijstand aan personen als persoonsgebonden aangelegenheden wilden toevertrouwen en dat die met name de hulp en bijstand aan gezinnen, het beleid inzake maatschappelijk welzijn, het beleid inzake mindervaliden en het bejaardenbeleid omvat." Het Hof voegde daar aan toe dat het niet uitmaakt dat "de wetgever heeft gekozen voor een stelsel van verzekering, aansluiting, bijdragen en risicocompensatie. Het gaat hierbij om modaliteiten die de bevoegde overheid vermag vast te leggen zonder dat die keuze het beginsel van haar bevoegdheid in het gedrang kan brengen".

Uiteindelijk concludeerde het Hof dan ook dat "de maatregelen waarmee de gemeenschap een sociale zekerheidsregel wil wijzigen, ze wil vervangen, ervan wil afwijken of ze wil opheffen zouden als een overschrijding van de gemeenschapsbevoegdheid moeten worden beschouwd. Maar een gemeenschap overschrijdt haar bevoegdheden niet indien zij, bij de uitoefening van de bevoegdheden die haar inzake de bijstand aan personen zijn toegewezen, aan een aantal personen een bijzondere bijstand toekent, onderscheiden van de bijstand toegekend in het kader van het door de federale overheid georganiseerde socialezekerheidsstelsel, en zonder te raken aan een aan die overheid voorbehouden materie."

In arrest nr. 11/2009 nuanceert het Hof echter haar uitspraak door erop te wijzen dat zij wat betreft de zorgverzekering daarmee niet gezegd heeft dat er op federaal niveau geen regeling zou kunnen worden ingevoerd, die dan als een deel van de sociale zekerheid is te beschouwen. In het licht van deze 'verduidelijking' kan men zich afvragen of de Vlaamse gemeenschap niet te ver zou gaan door een kinderbijslag of -hospitalisatieregeling uit te werken wetende dat zo'n regeling al bestaat op federaal niveau (zij het dat de ZIV-wet de hospitalisatiekosten maar in zeer beperkte mate dekt). Het Hof lijkt in zijn recent arrest over de zorgverzekering immers te willen insinueren dat wanneer de federale overheid zijn bevoegdheid op vlak van sociale zekerheid heeft uitgeput, de gemeenschappen zich terughoudend moeten opstellen.

3. Bij de uitwerking van een Vlaamse kinderbijslag- en/of hospitalisatieverzekering zal natuurlijk ook rekening moeten worden gehouden met het EG-recht, en meer bepaald de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake de Vlaamse zorgverzekering (i.e. arrest C-212/06). Het is ondertussen geweten dat het in strijd is met het vrij verkeer van werknemers om aan een EU-onderdaan (met inbegrip van elke Belg), die gedurende een zekere periode in een andere EU-lidstaat heeft gewerkt, de toegang tot de Vlaamse zorgverzekering te weigeren wanneer hij terugkeert naar ons land, ook al vestigt hij zich in de franse of duitse gemeenschap.

Men zou kunnen opperen dat Vlaanderen er beter aan doet de toegang tot de verzekeringen te laten afhangen van de plaats van tewerkstelling in plaats van de woonplaats van de rechtsonderhorige. Dat dit laatste criterium in sociale zaken soms nogal vreemd aandoet, bewijst bijvoorbeeld de Vlaamse jobkorting, waarvan heel wat in Brussel werkende Vlamingen konden genieten, terwijl hun Waalse collega's daar naar mochten fluiten. Op internationaal vlak wordt niet zonder reden vaak geopteerd voor het werklandbeginsel (Zie bijv. V° 1408/71 inzake de coördinatie van sociale zekerheid, en Verdrag van Rome inzake het recht van toepassing op overeenkomsten, onder andere bij grensoverschrijdende tewerkstelling).

Het Grondwettelijk Hof heeft echter reeds lang geleden - op grond van het woonplaatsbeginsel - gekozen voor exclusieve bevoegdheidssferen. Het zou de franstalige partijen immers nóg meer tegen de borst stoten dat een Waalse burger of Waalse onderneming die werkt of laat werken in Vlaanderen onderworpen zou zijn aan een Vlaamse regeling. In arrest nr. 10/86 inzake het Vlaamse Taaldecreet overwoog het Hof dan ook dat "aangezien het criterium, plaats van tewerkstelling van het personeel, slechts één van de partijen bij de sociale betrekkingen binnen het bedoelde bevoegdheidsgebied lokaliseert te weten het personeel en niet zoals grondwettelijk vereist, de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel" zelf, kan het de grondwettigheidstoets niet doorstaan."

4. Tenslotte moet toch ook de vraag worden gesteld hoe 'sociaal' de Vlaamse sociale zekerheid zal zijn, zo zij er ooit komt. Mogelijk kiest de Vlaamse gemeenschap - naar voorbeeld van de zorgverzekering - voor een bijdrage ten laste van de verzekerde. Men merke toch op dat de kinderbijslag voor werknemers één van de takken van de sociale zekerheid is die op dit ogenblik exclusief door de werkgevers wordt gefinancierd. De werknemersbijdrage voor de RSZ bevat dus geen bijdrage voor de kinderbijslagregeling (zie art. 17 RSZ-wet). Het is daarenboven de socialezekerheidsregeling bij uitstek waar er financiële overschotten zijn, door het dalend aantal geboortes sinds de "babyboom" van de jaren vijftig en zestig.

Zo'n bijdrage is dus niets minder dan een nieuwe pseudo-belasting, die - mocht zij een forfaitair karakter hebben - daarenboven niet echt sociaal kan worden genoemd. De extra Vlaamse kinderbijslag zou de Vlaming dus wel wat kunnen kosten. Men kan zich ook afvragen of de gemiddelde Vlaming, die via zijn werkgever van een hospitalisatieverzekering kan genieten, zit te wachten op een bijdrageplichtige Vlaamse hospitalisatieverzekering, hetgeen natuurlijk niet afdoet aan het reëel maatschappelijk probleem dat erin bestaat dat heel wat werkenden en niet-werkenden zich geen deugdelijke hospitalisatieverzekering (meer) kunnen permitteren. Hoe dan ook, autonomie heeft duidelijk een prijs...

De Vlaamse gemeenschap zou natuurlijk ervoor kunnen opteren deze verzekeringen rechtstreeks te bekostigen via de bestaande begrotingsmiddelen. Zonder individuele bijdrage kan er dan niet echt van een verzekering gesproken worden, al zal het Hof van Justitie daar zeker niet over struikelen om de regeling(en) als een vorm van sociale zekerheid te beschouwen, die val(t)(en) onder Verordening 1408/71. In de zaak Hughes (C-78/91) oordeelde het Hof bijvoorbeeld dat "de omstandigheid dat de toekenning van de uitkering niet afhankelijk is van premie- of bijdragebetaling, niet af(doet) aan de kwalificatie ervan als sociale-zekerheidsuitkering. De wijze van financiering van een uitkering is immers irrelevant voor de kwalificatie ervan als sociale-zekerheidsuitkering, zoals blijkt uit het feit dat uitkeringen die niet op premie- of bijdragebetaling berusten, ingevolge artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1408/71 niet uit de werkingssfeer van de verordening zijn uitgesloten."

13 februari 2009

Kinderbijslag en het nog niet in werking getreden artikel 30 van de Wet Algemene Beginselen Sociale Zekerheid

"Schendt het oude artikel 120bis van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het niet verwijst naar de termijnen die zijn vastgelegd bij het weliswaar tot op heden nog niet in werking getreden artikel 30 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers wat betreft de verjaringstermijn en voor het recht op terugvordering van ten onrechte uitbetaalde uitkeringen :
- enerzijds, door de gewone verjaringstermijn vast te stellen op vijf jaar, terwijl artikel 30 van de voormelde wet die vaststelt op drie jaar, of op zes maanden indien de betaling enkel het gevolg is van een vergissing van de instelling of de dienst waarvan de betrokkene zich normaal gesproken geen rekenschap kon geven;
- anderzijds, doordat het geen verjaringstermijn bepaalt voor de terugvordering van kinderbijslag die ten onrechte werd verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijke onvolledige verklaringen, terwijl artikel 30 van de voormelde wet de verjaringstermijn voor sociale prestaties die onder die voorwaarden onterecht werden verkregen, tot vijf jaar beperkt
?". Het was de vraag die het Arbeidshof te Antwerpen aan het Grondwettelijk Hof voorlegde.

Het Grondwettelijk Hof antwoordde in arrest nr. 20/2009 als volgt:

"Artikel 120bis van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders zoals van toepassing vóór de vervanging ervan bij artikel 35 van de programmawet van 20 juli 2006, bepaalde : "Het recht op terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen verjaart door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied. In geen geval is een terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen mogelijk na verloop van deze termijn. Benevens de redenen waarin is voorzien in het Burgerlijk Wetboek, wordt de verjaring gestuit door het eisen van het onverschuldigd uitbetaalde, door middel van een ter post aangetekend aan de schuldenaar betekend schrijven. Het eerste lid is niet toepasselijk indien de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen werden bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen".

Artikel 30, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers bepaalt: "De terugvordering van de ten onrechte betaalde sociale prestaties verjaart na drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied.
De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt teruggebracht tot zes maanden indien de betaling enkel het gevolg is van een vergissing van de instelling of de dienst, waarvan de betrokkene zich normaal geen rekenschap kon geven. De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt verlengd tot vijf jaar indien ten onrechte werd betaald in geval van bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen van de betrokkene
".

In zijn arrest nr. 13/2005 van 19 januari 2005 heeft het Hof die vraag als volgt beantwoord : "Het Hof wordt een vraag gesteld over het feit of artikel 120bis van de samengeordende wetten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat het een stelsel invoert dat verschilt van de algemene regel van artikel 30, § 1, van de wet van 29 juni 1981, waarbij die termijn is vastgelegd op drie jaar of op zes maanden indien de betaling enkel het gevolg is van een vergissing van de instelling of de dienst, waarvan de betrokkene zich normaalgesproken geen rekenschap kon geven, en waarbij de verjaringstermijn voor de terugvordering van uitkeringen die ten onrechte werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen, tot vijf jaar is beperkt, terwijl artikel 120bis van de voormelde samengeordende wetten die termijn niet preciseert.
Artikel 30, § 1, van de wet van 29 juni 1981 geeft aan dat de wetgever ervoor gezorgd heeft niet toe te staan dat de inzake sociale zekerheid gestorte uitkeringen, wanneer die onverschuldigd zijn geïnd, binnen de gemeenrechtelijke termijnen kunnen worden teruggevorderd. Hij heeft rekening willen houden met het feit dat ' de eigen aard en het toenemende technische aspect van de normatieve teksten die ons socialezekerheidssysteem beheersen […] een bijzondere regeling [vereisen] voor de materie van de terugvordering van onverschuldigde bedragen ten aanzien van de principes van het burgerlijk recht ' (Parl. St. Senaat, 1979-1980, 508, nr. 1, p. 25). Hij heeft tevens erover gewaakt dat de korte verjaringstermijnen niet van toepassing zijn ' in geval van bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen van de betrokkene ' en in dat geval de verjaringstermijn tot vijf jaar beperkt (artikel 30, § 1, derde lid, van de voormelde wet van 29 juni 1981).
Zelfs al vormen die bepalingen uitsluitend algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers die in elk van de specifieke wetgevingen concreet moesten worden toegepast, toch kan niet worden aangenomen dat ten onrechte verkregen uitkeringen kunnen worden teruggevorderd van de rechthebbenden op kinderbijslag, die sociaal verzekerden zijn in de zin van de artikelen 1, § 1, 3, 6 en 21, § 1, 6°, van de wet van 29 juni 1981, binnen een termijn van vijf jaar indien met het ten onrechte uitbetaalde bedrag geen fraude gemoeid is, en gedurende tien jaar, zoals de Ministerraad beweert, en bij gebrek aan een specifieke vermelding in het in het geding zijnde artikel 120bis van de voormelde samengeordende wetten, indien het ten onrechte uitbetaalde bedrag het gevolg is van fraude
."

Het feit dat, zoals het verwijzende rechtscollege opmerkt, artikel 30, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers nog niet in werking is getreden, doet geen afbreuk aan het voorgaande antwoord. Zoals het Hof in zijn arrest nr. 39/2008 van 4 maart 2008 reeds heeft geoordeeld, is, indien het Hof de prejudiciële vraag bevestigend beantwoordt, de verwijzende rechter immers ertoe gehouden de toepassing van de in het geding zijnde bepaling te weren.

30 oktober 2008

Het niet toekennen van een verhoogde kinderbijslag aan een niet-uitkeringsgerechtigde werkloze schendt kinderrechtenverdrag


1. "Schendt artikel 42bis, eerste lid, van de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 19 december 1939, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2, 3, 26.2 en 27.3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, aangenomen te New York op 20 november 1989, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een verschil in behandeling invoert tussen de rechtgevende kinderen van uitkeringsgerechtigde volledig werklozen en de rechtgevende kinderen van niet uitkeringsgerechtigde volledig werklozen, daar het het voordeel van de verhoogde kinderbijslag vanaf de zevende maand werkloosheid voorbehoudt aan de eerstgenoemden, met uitsluiting dus van de laatstgenoemden ?", dat was hetgeen het Arbeidshof te Luik zich afvroeg.

In arrest nr. 145/2008 antwoordde het Grondwettelijk Hof deze vraag bevestigend.

2. Het Hof wijst eerst erop dat de toekenning van kinderbijslag ertoe strekt bij te dragen in de kosten van onderhoud en opvoeding van de kinderen; ze biedt een gedeeltelijke compensatie voor de toegenomen lasten die door het gezin worden gedragen wanneer het zich uitbreidt. Het algemene stelsel van de kinderbijslag is misschien wel een verzekeringsstelsel, wat inhoudt dat de bestaansmiddelen van de begunstigden ervan niet in aanmerking worden genomen om te bepalen of het recht om die bijslag te genieten, bestaat, maar dat algemene stelsel wordt gecorrigeerd ten voordele van bepaalde categorieën van begunstigden die een bijzondere aandacht vereisen. Dat is het geval bij de kinderen van de pensioengerechtigde, van de uitkeringsgerechtigde volledig werkloze en van wie een overlevingsuitkering geniet, aan wie het in het geding zijnde artikel 42bis een verhoogde kinderbijslag toekent.

Het Hof wijst erop dat artikel 42bis in de gecoördineerde wetten werd ingevoegd om de volgende redenen:

"Het recht op kinderbijslag wordt […] verder toegekend aan de kinderen van invalide werknemers, aan de kinderen die op de bijslag voor een mindervalide kind zijn gerechtigd voor wat betreft deze bijslag en de leeftijdsbijslag, aan de kinderen die de wezenbijslag ontvangen, aan de kinderen van werklozen die sinds zes maand uitkeringsgerechtigd zijn en aan de kinderen van gepensioneerden. […] De kinderen of hun gezin, die zelf in een minder gunstige sociale economische situatie verkeren zullen de voordelen die zij tot nu toe hebben ontvangen, niet verliezen".

Artikel 42bis werd later gewijzigd, met name bij artikel 52 van de programmawet van 22 december 1989. Die wijziging werd tijdens de parlementaire voorbereiding als volgt toegelicht :

"Artikel 42bis betreft de toekenning van de verhoogde kinderbijslag voor gepensioneerden en langdurig werklozen. Het doel van de in de huidige wet bevatte hervorming is een meer stabiele toekenning van de basiskinderbijslag door de ‘ trimestrialisering ’ van het recht. Zoals in de memorie van toelichting reeds gezegd werd, worden de verhogingen van de bijslag verleend om aan bijzondere familiale situaties tegemoet te komen. Die verhogingen blijven maandelijks verschuldigd. Bijgevolg werden de thans globaal uitgedrukte bedragen van de bijslag gesplitst in basisbedragen (vermeld in het nieuwe artikel 40) en bijkomende bijslag. Deze wijziging verandert niets aan de bedragen gestort aan de uitkeringsgerechtigde gezinnen. Het gaat eerder om een technische aanpassing die het mogelijk maakt het recht op de basisuitkering te ‘trimestrialiseren ’ en toch een soepele maandelijkse toekenning van de verhogingen te behouden" (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 975/1, p. 31).

Er werd ook verduidelijkt :

"Men weet dat de kinderbijslag beschouwd wordt als een financiële tussenkomst bij de opvoeding van de kinderen. Er wordt rekening gehouden met de feitelijke toestand van het gezin, waarin het kind wordt opgevoed. Zo komt het dat verhoogde kinderbijslagen werden voorzien om het hoofd te bieden aan bijzondere moeilijkheden :
- vermindering van inkomsten (verhoogde bijslag voor werklozen, invaliden, gepensioneerden), de handicap van het kind, de leeftijdsbijslag, het in aanmerking nemen van de rang van het kind. Deze toestanden kunnen van de ene tot de andere maand veranderen en het is van essentieel belang dat de bijslag, die maandelijks wordt verleend, afhankelijk blijft van de werkelijke gezinstoestand. De driemaandelijkse vaststelling van het recht waarborgt de blijvende uitbetaling van een basisbedrag (behalve bij het ophouden van het recht) terwijl de aanvullende bijslagen maandelijks worden toegekend rekening houdend met de gezinstoestand tijdens de maand waarop ze betrekking hebben
." (ibid.,p. 27).

3. Uit het voorafgaande blijkt volgens het Hof dat de wetgever, door de bij artikel 42bis van de gecoördineerde wetten bedoelde verhoogde kinderbijslag toe te kennen, de bedoeling had om rekening te houden met de bijzondere situatie van bepaalde gezinnen waarvan hij van oordeel was dat ze in een ongunstige sociaaleconomische situatie verkeerden.

Gelet op zowel de bestaansreden van de kinderbijslag – de toegenomen lasten die door het gezin worden gedragen wanneer het zich uitbreidt, gedeeltelijk compenseren – als het specifieke doel dat wordt nagestreefd door de toekenning van de verhoogde kinderbijslag – rekening houden met de sociaaleconomische situatie van bepaalde categorieën van gezinnen -, kan niets redelijkerwijze verantwoorden dat de voormelde toeslag wordt geweigerd aan de rechtgevende kinderen van niet uitkeringsgerechtigde volledig werklozen, terwijl de rechtgevende kinderen van uitkeringsgerechtigde volledig werklozen, wanneer die zich in dezelfde situatie bevinden, die toeslag genieten.

Indien immers zowel de enen als de anderen – en de gezinnen waarvan ze deel uitmaken – worden geconfronteerd met de moeilijkheid om, met een beperkt budget, de toegenomen lasten die de uitbreiding van het gezin met zich meebrengt, het hoofd te bieden, kan de ontstentenis van werkloosheidsuitkeringen de financiële situatie van de gezinnen waarvan de kinderen van niet uitkeringsgerechtigde volledig werklozen deel uitmaken, nog hachelijker maken; de toekenning van de in het geding zijnde verhoogde kinderbijslag is dan ook a fortiori te hunnen aanzien verantwoord.

4. Wat betreft het argument volgens hetwelk het in het geding zijnde verschil in behandeling zou worden verantwoord door het feit of al dan niet is voldaan aan de door de reglementering vereiste voorwaarden om werkloosheidsuitkeringen te genieten, komt het de wetgever weliswaar toe de voorwaarden te bepalen die, voor de werklozen, het recht openen op werkloosheidsuitkeringen, maar die voorwaarden zijn volgens het Hof niet relevant om het bedrag van de kinderbijslag te bepalen, waarvan de kinderen, in rechte, de begunstigden zijn.

Bovendien, zegt het Hof, door de kinderen van niet uitkeringsgerechtigde volledig werklozen niet de verhoogde kinderbijslag te geven die het toekent aan de kinderen van uitkeringsgerechtigde volledig werklozen, schendt artikel 42bis, eerste lid, artikel 2 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, dat verbiedt dat het kind wordt gediscrimineerd op basis van de status van de ouders, wettige voogden of familieleden van het kind. Het is immers niet bestaanbaar met die bepaling dat ten aanzien van een kind, begunstigde van de kinderbijslag, aan het totale bedrag van die bijslag wordt geraakt, enkel gelet op de situatie van niet uitkeringsgerechtigde werkloze van de rechthebbende.

06 juli 2008

Cassatierechtspraak in sociale zaken: mei 2008/deel2


Cass., S.06.0105.F, 26 mei 2008 (DD t./ HDP)

1. Kinderbijslag zelfstandigen – Wees – Voorwaarde(n) om rechthebbend te zijn
2. Kinderrechtenverdrag – IVESCR – Geen directe werking
3. Kinderbijslag – Verschillende stelsels – Discriminatie – Geen vergelijkbaarheid


1. Ingevolge artikel 9, §1 van het KB van 8 april 1976 inzake de kinderbijslag voor zelfstandigen is de wees rechthebbende indien de vader of de moeder, op het ogenblik van overlijden, gedurende ten minste twee van de vier trimesters voorafgaand aan het overlijden of gedurende de helft van de referentieperiode in dat artikel bepaald, voldeed aan de voorwaarden om rechtgevende te zijn.

Het ogenblik van overlijden is een objectief en redelijk gerechtvaardigd onderscheidingscriterium, aangezien dit op het ogenblik van het tot stand komen van het recht, het bestaan van een band verzekert tussen het door het kind genoten voordeel en de onderwerping van één van zijn ouders aan het kinderbijslagstelsel voor zelfstandigen.

2. Overeenkomstig artikel 2.1 van het Kinderrechtenverdrag (20 november 1989), goedgekeurd bij wet van 25 november 1991, verbinden de ondertekende Staten zich ertoe de in dat verdrag erkende rechten te respecteren en voor elk kind ook te garanderen, zonder enige vorm van discriminatie. Op grond van artikel 26.1 van dit verdrag erkennen de verdragsluitende partijen aan elk kind het recht op sociale zekerheid en nemen zij de nodige maatregelen om de integrale realisatie van dit recht te bewerkstelligen in overeenstemming met hun nationale wetgeving. Ook in artikel 9 van het IVESCR erkennen de verdragsluitende partijen het recht op sociale zekerheid. Artikel 10 van dit verdrag voorziet dat de verdragsluitende partijen bijzondere beschermings- en steunmaatregelen moeten nemen ten voordele van alle kinderen en jongeren, zonder discriminatie die verband houdt met afstamming.

Deze bepalingen hebben uit de aard van de tekst geen directe werking en creëren voor de rechtsonderhorigen geen individueel recht dat door de nationale overheid moet worden gegarandeerd.

3. De omstandigheden dat voor zelfstandigen enerzijds en voor loontrekkenden en ambtenaren anderzijds een stelsel van sociale zekerheid bestaat dat gefinancierd wordt door bijdragen die weliswaar anders worden geïnd, doch steeds berekend worden in functie van de beroepsinkomsten en dat de kinderbijslag in beide gevallen uitgekeerd wordt in het belang van het kind, volstaan niet om deze categorieën als vergelijkbare categorieën te beschouwen wat betreft het recht op kinderbijslag.

Cass., S.07.0076.F, 26 mei 2008 (RVA t/ MH)

Werkloosheid – Wachtuitkeringen – Inachtname onterechte schrappingsdagen

Overeenkomstig artikel 36, § 1, alinea 1, 4° van het Werkloosheidsbesluit moet een jongere, om toegelaten te worden tot het voordeel van de wachtuitkeringen, na het einde van zijn studies, leertijd of opleiding, een stage hebben vervolmaakt die bestaat uit een aantal dagen afhankelijk van zijn leeftijd. §2, alinea, 2° bepaalt dat de dagen, zondagen uitgezonderd tijdens dewelke de jongere ingeschreven is als werkzoekende en beschikbaar is voor de arbeidsmarkt, in acht worden genomen als stagedagen.

De inschrijving als werkzoekende gebeurt bij de bevoegde regionale tewerkstellingsdienst (art. 27, 5° KB). De werkzoekende geniet niet langer uitkeringen wanneer hij door deze dienst wordt geschrapt (art. 58, §1, alinea 3 KB). Hieruit kan evenwel niet worden afgeleid dat de RVA bij een uitkeringsaanvraag gebonden is door de schrappingsbeslissing van de regionale tewerkstellingdienst.

De RVA moet nagaan of de voorwaarden tot toekenning van de uitkering voldaan zijn en moet bijgevolg de gegrondheid van de schrapping van een werkzoekende onderzoeken en die er toe gerechtigd is deze schrappingsbeslissing voor de RVA te betwisten. De RVA heeft de bevoegdheid om de toegang tot uitkeringen te herzien door de dagen waarop de werkzoekende ten onrechte werd geschrapt, in acht te nemen als stagedagen.

Cass., S.07.0083.F, 26 mei 2008 (RIZIV – UNMS)

ZIV-wet – administratiekosten van de verzekeringsinstelling – ten onrechte betaalde prestaties

Administratiekosten van de verzekeringsinstellingen uit de ZIV-wet zijn de uitgaven die voortvloeien uit de toepassing van deze gecoördineerde wet, met uitsluiting van de uitgaven die overeenstemmen met het bedrag van de ten onrechte betaalde prestaties waarvan het niet terugvorderen als gewettigd is beschouwd onder de voorwaarden en volgens de regels door de Koning bepaald (art. 194, §1, b ZIV-wet). Deze voorwaarden en regels worden vastgesteld in artikel 327 van het KB van 3 juli 1996 houdende uitvoering van de ZIV-wet.

Overeenkomstig artikel 327, alinea 2, b) van hoger vernoemd KB, voorafgaand aan de wijziging doorgevoerd bij artikel 3 van het KB van 7 mei 1999, is de verzekeringsinstelling vrijgesteld om de niet gerecupereerde prestaties in te schrijven als administratiekosten wanneer alle middelen werden aangewend om terugbetaling te bekomen, met inbegrip van gerechtelijke stappen. De onstentenis van oplettendheid bij de verzekeringsinstelling om de terugbetaling af te dwingen verhindert slechts de toepassing van de vrijstelling indien deze houding invloed heeft gehad op de recuperatie van de onterecht betaalde prestaties.

Cass., S.07.0111.F, 26 mei 2008 (Fortis t./ GCF)

Arbeidsongeval – Herziening van de graad van arbeidsongeschiktheid – Nieuwe feiten

Overeenkomstig artikel 24 en 72 van de Arbeidsongevallenwet kan de aanvraag tot herziening van de uitkeringen gesteund op een wijziging van het verlies van arbeidsgeschiktheid van het slachtoffer ten gevolge van het ongeval, gebaseerd worden op nieuwe feiten die niet gekend waren en niet gekend konden zijn, rekening houdende met de medische onderzoeken die hebben plaatsgegrepen op het ogenblik van het akkoord tussen de partijen of de beslissing van de rechter op grond van artikel 24 van de wet.

16 juni 2008

Programmawet en wet diverse bepalingen van 8 juni 2008


door Koen Nevens

1. Vandaag, 16 juni, werd een zoveelste programmawet en wet diverse bepalingen in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Deze wetten hebben als afkondigingdatum 8 juni 2006 en bevatten uiteraard ook enkele bepalingen van sociaalrechtelijke aard. Ik zet er enkele op een rijtje.

2. Naast verschillende maatregelen ter verhoging van de koopkracht, die hun weerslag hebben op de kinderbijslag- en pensioenwetten (Titel V - Hoofdstuk I) en maatregelen inzake de werkbonus en de dienstencheque-regeling (Titel VIII), voegt artikel 32 van de programmawet een lid toe aan artikel 42 van de RSZ-wet. Het nieuwe lid luidt als volgt: “De door een werknemer ingestelde vordering tegen de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voor de erkenning van zijn subjectief recht ten opzichte van voormelde Rijksdienst moet, op straffe van verval, ingediend worden binnen de drie maanden na de kennisgeving door voormelde Rijksdienst van de beslissing inzake onderwerping of weigering van onderwerping.” Dit artikel treedt in werking op de eerste dag van het volgende kwartaal. Daarmee past de programmawetgever een mouw aan het feit dat de vermeende werknemer over geen specifieke termijn beschikte om een beslissing van de RSZ tot weigering van inschrijving aan te vechten. Er werd dan ook aangenomen dat de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van 10 jaar moest worden toegepast (zie hieromtrent E. Van Oostveldt, “De RSZ weigert de aangifte van een werknemer: hoe en wanneer reageren?”, http://www.bellaw-intranet.be/PDF/sc0817.pdf).

3. Artikel 59 van de Wet diverse bepalingen vult artikel 20bis van de Arbeidsongevallenwet verder aan en geeft een wettelijke invulling aan het begrip “belangrijkste kostwinner”. Het nieuwe lid stelt: "De getroffene wordt als de belangrijkste kostwinner beschouwd wanneer het gedeelte van zijn inkomen dat effectief diende als bijdrage, zowel in geld als in natura, in het onderhoud van de bloedverwanten in opgaande lijn op het ogenblik van het ongeval meer bedroeg dan het geglobaliseerd inkomen van de bloedverwanten in opgaande lijn, waarin de bijdrage, zowel in geld als in natura, van de getroffene niet is begrepen. Bij de vaststelling van de financiële bijdrage, zowel in geld als in natura, van de getroffene worden de kosten voor zijn eigen onderhoud niet in aanmerking genomen”. Deze bepaling bedoelt een einde te maken aan de controverse die terzake bestond in de jurisprudentie. (Zie Cass. 18 januari 1993, http://www.cass.be/; Cass. 8 oktober 2001, http://jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20011008-14;
Cass. 7 februari 2005,
http://jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20050207-5;
Cass. 6 juni 2005, http://jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20050606-8).
De wetgever neemt de door het Hof van Cassatie vastgestelde criteria over (M.v.t. bij ontwerp van wet diverse bepalingen I, Parl. St. Kamer 2007-2008, nr. 1012/1, 42).

4. Voorts wordt artikel 41quater, §3 van de RSZ-wet vervangen door een nieuwe bepaling die de invordering van de socialezekerheidsbijdragen moet verbeteren (art. 34 Wet diverse bepalingen I). Hetzelfde geldt voor artikel 23ter, §3 van het Sociaal Statuut der Zelfstandigen (art. 58 Wet diverse bepalingen I). Deze wijziging is vooral van belang voor de notariële praktijk.

05 april 2008

Cassatierechtspraak in sociale zaken: januari en februari


1. Cass. S.06.0097.F, 7 januari 2008 (ANMC t./RIZIV).

ZIV-wet – administratiekosten van de verzekeringsinstelling – ten onrechte betaalde prestaties

Administratiekosten van de verzekeringsinstellingen uit de ZIV-wet zijn de uitgaven die voortvloeien uit de toepassing van deze gecoördineerde wet, met uitsluiting van de uitgaven die overeenstemmen met het bedrag van de ten onrechte betaalde prestaties waarvan het niet terugvorderen als gewettigd is beschouwd onder de voorwaarden en volgens de regels door de Koning bepaald (art. 194, §1, b ZIV-wet).

Artikel 327, §2, tweede alinea van het KB van 3 juli 1996 betreffende de uitvoering van de gecoördineerde ZIV-wet bepaalt, in samenlezing met §1 van dit artikel, dat de verzekeringsinstelling met betrekking tot een ten onrechte betaalde prestatie de aanvraag tot vrijstelling van de boeking als administratiekost moet indienen binnen een termijn van drie maanden na het verstrijken van de termijn van twee jaar waarin de ten onrechte betaalde prestatie in beginsel moet worden teruggevorderd.

Hieruit moet worden afgeleid dat zodanige vrijstelling niet kan worden verleend wanneer de aanvraag na deze termijn wordt ingediend. De wetgever heeft deze termijn immers opgevat als een vervaltermijn. De omstandigheid dat, eens deze termijn is verstreken, het bedrag van de ten onrechte betaalde prestatie, op straffe van de administratieve sanctie voorzien in artikel 318, 18° van het KB, geboekt moet worden als administriekost, heeft geen invloed op de aard hiervan.

2. Cass. S.07.0030.N, 14januari 2008 (RSZ t./ De Brug NV)

RSZ-wet – deeltijdse arbeid – vermoeden van voltijdse arbeid – openbaarmaking werkrooster

Het vermoeden uit artikel 22ter RSZ-wet dat de deeltijdse werknemers arbeid hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid, geldt slechts bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters en geldt niet in het geval afwijkingen op het normaal deeltijds werkrooster niet of onjuist genoteerd werden. De vaststelling van sociale inspectie dat de beginuren van deeltijdse werknemers onjuist vermeld werden, staat niet gelijk aan de ontstentenis van de openbaarmaking van de werkroosters.

3. Cass. S.06.0099.F, 21 januari 2008 (Mutualités Socialistes du Brabant-wallon t./ RSZ)

RSZ-wet – loonbegrip

Artikel 2 van de Loonbeschermingswet, waarnaar artikel 14 van de RSZ-wet verwijst, bepaalt dat de in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer ten laste van de werkgever recht heeft ingevolge zijn betrekking, als loon moeten worden beschouwd.

Artikel 2, derde alinea, 3° van diezelfde wet sluit de vergoedingen die rechtstreeks of onrechtstreeks door de werkgever worden betaald en die een aanvulling zijn op de voordelen toegekend door de verschillende takken van de sociale zekerheid, evenwel uit het loonbegrip.

Om te beoordelen of een vergoeding niet als loon kan worden beschouwd uit hoofde van voorgaande bepaling, mag de rechter zich niet beperken tot een onderzoek van slechts één van de voordelen die de socialezekerheidswetgeving toekent.

4. Cass. S.07.0097.N, 28 januari 2008 (BR t./ Maes)


Arbeidsovereenkomst – opzegging – nietigheid – inroepen onmiddellijk ontslag – afstand van recht

Krachtens artikel 37, §1, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet, heeft ieder der partijen in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur het recht die overeenkomst te beëindigen door opzegging aan de andere. Krachtens artikel 37, §1, vierde lid, kan de kennisgeving van de opzegging, indien de opzegging uitgaat van de werkgever, op straffe van nietigheid enkel geschieden bij aangetekende brief die uitwerking heeft de derde dag na de datum van verzending, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot, met dien verstande dat de werknemer die nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter van ambtswege wordt vastgesteld.

De nietigheid van de opzegging tast evenwel de geldigheid van het ontslag niet aan.Geen enkele wetsbepaling maakt de geldigheid van het ontslag afhankelijk van bepaalde vormen.Wanneer de opzegging nietig is, bevat het ontslag geen geldige tijdsbepaling, zodat de arbeidsovereenkomst in beginsel onmiddellijk is beëindigd, ook al vermeldt de ontslagbrief een latere datum.

In geval evenwel zowel de werkgever als de werknemer zich na de krachtens artikel 37, §1, vierde lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet ongeldige kennisgeving van de daardoor nietig zijnde opzegging verder hebben gedragen alsof er geen onmiddellijk ontslag heeft plaatsgevonden, kunnen de partijen door de rechter na een redelijke termijn beschouwd worden als afstand te hebben gedaan van het recht het onmiddellijk ontslag in te roepen. De arbeidsovereenkomst blijft dan voortduren totdat ze op een andere wijze wordt beëindigd.

Het staat de partij die door een dergelijke nietige opzegging onmiddellijk ontslagheeft gekregen, vrij zich al dan niet op de onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst te beroepen. Het afzien van het inroepen van het onmiddellijk ontslag houdt geen afstand in van de in voormeld artikel 37, §1, vierde lid, bepaalde absolute nietigheid van de opzegging of van het recht die in te roepen.

De rechter oordeelt in feite of er stilzwijgende afstand van recht is. De stilzwijgende afstand van recht wordt niet vermoed en kan slechts worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitleg vatbaar zijn.

5. Cass. S.07.0093.F, 4 februari 2008 (MJ t./ La Bastide)

Arbeidsovereenkomst – opzegging - rechtsmisbruik

Het niet naleven van de bepalingen inzake de opzegging van de arbeidsovereenkomst is op zich geen misbruik van recht.

6. Cass. S.07.0010.F, 18 februari 2008 (ERFA t./ AF)

Arbeidsovereenkomst – Arbeider – Willekeurig ontslag

Onder willekeurige afdanking wordt, voor de toepassing van artikel 63 Arbeidsovereenkomstenwet, het ontslag verstaan van een werkman die is aangeworven voor een onbepaalde tijd, om redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werkman of die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, de instelling of de dienst.

Het ontslag is niet willekeurig wanneer de reden hiervan verband houdt met de geschiktheid van de arbeider, wat ook de gevolgen van de ongeschiktheid ook mogen zijn met betrekking tot de arbeidsorganisatie

Het ontslag dat gestoeld is op de veelvuldige afwezigheid van de arbeider, ook al verstoorde dit de arbeidsorganisatie niet, is niet willekeurig.

7. Cass. S.07.0048.N, 25 februari 2008 (Xerius t. DVF en BV)

Kinderbijslag werknemers – bijslagtrekkende – regeling ouderlijk gezag

Krachtens artikel 69, §1, derde lid, van de Kinderbijslagwet Werknemers, wordt de kinderbijslag integraal aan de moeder uitbetaald, wanneer de twee ouders die niet samenwonen het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen in de zin van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek en het kind niet uitsluitend of hoofdzakelijk door een andere bijslagtrekkende wordt opgevoed. Toch wordt de kinderbijslag op zijn vraag integraal aan de vader uitbetaald, wanneer het kind en hijzelf dezelfde hoofdverblijfplaats hebben in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. Op verzoek van de beide ouders kan de uitbetaling gebeuren op een rekening waartoe zij beiden toegang hebben.

Wanneer de ouders niet overeenkomen over de toekenning van de kinderbijslag, kunnen zij de arbeidsrechtbank vragen om de bijslagtrekkende aan te duiden en dit in het belang van het kind.
Krachtens artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek, blijven de ouders, wanneer zij niet samenleven, het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen en geldt het in artikel 373, tweede lid, bepaalde vermoeden.

Uit de samenlezing van de beide bepalingen volgt niet dat voor de toepassing van voormeld artikel 69, §1, derde lid, van de Kinderbijslagwet Werknemers, de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag door niet samenwonende ouders in de zin van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek noodzakelijkerwijze gerechtelijk dient te zijn vastgelegd.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met de in artikel 69, §1, derde lid, van de Kinderbijslagwet Werknemers bedoelde “andere bijslagtrekkende” die in de plaats van de moeder de kinderbijslag ontvangt wanneer hij het kind uitsluitend of hoofdzakelijk opvoedt, niet de vader maar een derde wordt beoogd.

De rechter kan niet ervan uitgaan dat bij gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag, de kinderbijslag moet worden uitbetaald aan de vader die het kind uitsluitend of hoofdzakelijk opvoedt, zelfs wanneer hij dit niet vraagt.