Posts tonen met het label sociale documenten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sociale documenten. Alle posts tonen

17 september 2008

Van werkboekje tot Dimona

door Koen Nevens

1. De wet van 13 februari 2005 houdende administratieve vereenvoudiging is reeds lange tijd geleden in het Belgisch Staatsblad verschenen en in werking getreden. Wie onderzoek doet naar de geschiedenis van de arbeidsverhoudingen, zoals ikzelf in het kader van mijn doctoraat, kan dit Van Quickenborne-product echter niet links laten liggen. Artikel 6 van deze wet bepaalt immers:
"De wet van 10 juli 1883 betrekkelijk de dienstboekjes en houdende afschaffing van artikel 1781 van het Burgerlijk Wetboek wordt opgeheven."

Men kan zich de vraag stellen welke vereenvoudiging de afschaffing van een wet die in onbruik is geraakt en die gedeeltelijk ook zelf wetsbepalingen opheft, teweegbrengt. Gelukkig geldt in de juridische wereld niet de wiskundige regel dat - en - gelijk is aan + (er is zowaar cassatierechtspraak die dit bevestigt, heb ik ontdekt in het werk van Coremans en Van Dame, Beginselen van wetgevingstechniek en behoorlijke regelgeving, Brugge, Die Keure, 2001), anders zou artikel 1781 BW terug in voege zijn. Dit artikel hield in dat de werkgever wat betreft loongeschillen op zijn woord werd geloofd. Dit is echter niet het punt dat ik wil maken.

2. Graag had ik de lezer gewezen op een passage uit de memorie van toelichting bij de wet, die verband houdt met het dienstboekje. Voor alle duidelijkheid, in de geesten wordt dit boekje ("le livret d'ouvrier") vaak geassocieerd met onderdrukking van de werknemer, minstens overmatige en door de wet geïnstitutionaliseerde disciplinering van de arbeidersklasse. Ondertussen zijn de historici al tot nieuwe inzichten gekomen: Van den Eeckhout wijst erop dat het dienstboekje, daar waar de regeling al werd toegepast, eerder als een résumé en bewijsstuk van de arbeidsrelatie werd opgevat. Het overhandiging ervan stond gelijk aan het sluiten van de overeenkomst (zie P. Van den Eeckhout, "Van werkboekje tot arbeidscontract", BTNG 2005, 156). Een sociaal document avant la lettre dus. Dit is blijkbaar ook de visie van de voormalige federale regering, die een rode draad weet te vinden van een verordening van de Franse Koning Lodewijk XV (anno 1749) tot aan de de DIMONA-aangifte die op 1 januari 2003 werd geïntroduceerd.

3. Uittreksel memorie van toelichting (Parl. St. Kamer 2004-2005, nr. 1439/01, p. 6-7)

"Het dienstboekje gaat terug tot een verordening van 2 januari 1749 van de Franse koning Lodewijk XV. Deze verordening legde aan werklieden de verplichting op om met een boekje te bewijzen dat ze het werk bij hun vorige opdrachtgevers hadden beëindigd. Aan de opdrachtgevers werd verboden werklieden aan te nemen die niet aan de hand van het boekje konden bewijzen dat ze hun opdracht bij hun vorige opdrachtgevers hadden gepresteerd.

Het verplichte gebruik van het dienstboekje bleef behouden tot het jaar 1883. Toen werd dit verplichte gebruik door de wet van 10 juli 1883 betrekkelijk de dienstboekjes en houdende afschaffing van artikel 1781 van het Burgerlijk Wetboek opgeheven, maar het facultatief gebruik van het dienstboekje werd behouden. Het dienstboekje was immers een nuttig bewijsinstrument. Het vermeldde alle indiensttredingen en uitdiensttredingen. Op die manier kon de werkman makkelijk zijn beroepsloopbaan aantonen. Van zijn kant kon de opdrachtgever op een handige wijze nagaan waar een werkman overal voor zijn indiensttreding had gewerkt.

Vandaag is het dienstboekje echter compleet in onbruik geraakt. Bovendien kunnen werknemers hun beroepsverleden met andere stukken zoals individuele rekeningen en attesten van vertrekvakantiegeld aantonen. Sinds 1 januari 2003 is er ook Dimona, de elektronische aangifte van indiensttredingen en uitdiensttredingen.

Daarom wordt nu ook het facultatief gebruik van het dienstboekje opgeheven."

20 juni 2008

Hof van Justitie veroordeelt Luxemburg voor slechte omzetting Terbeschikkingsrichtlijn (96/71)

door Koen Nevens

1. Gisteren besliste het Hof van Justitie dat het Groothertogdom Luxemburg de verplichtingen die op hem rusten krachtens richtlijn 97/71 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten, alsmede de artikelen 49 en 50 van het EG-verdrag inzake het vrij verkeer van diensten niet is nagekomen. Het arrest C-319/06 ligt in de lijn van andere recente arresten zoals Laval (C-341/05) en Ruffert (C-346/06).

In het arrest worden twee belangrijke betwistingen beslecht. Enerzijds reeds de vraag hoe het begrip "bepalingen van openbare orde" moest worden begrepen. Tot de zogeheten minimum hard kern van arbeidsrechtelijke bepalingen die een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter moet respecteren behoren immers niet enkel de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen (en voor sommige activiteiten (vb. bouw) ook de algemeen bindend verklaarde CAO's) betreffende de in art. 3, 1° van de richtlijn opgesomde materies (vb. minimumlonen, maximale werk- en minimale rustperiodes) maar ook die bepalingen die op andere aangelegenheden betrekking hebben voor zover het gaat om bepalingen van openbare orde.

Anderzijds had de Commissie ook vragen bij de Luxemburgse regeling inzake het bijhouden van sociale documenten dat in het Groothertogdom geldt voor in andere lidstaten gevestigde dienstverrichters. Een Luxemburgse wet van 20 december 2002 bepaalt immers dat aan de arbeidsinspectie vóór het begin van de werken op eenvoudig verzoek de noodzakelijke essentiële gegevens gegevens moeten worden overhandigd, alsook dat elke buitenlandse dienstverrichter die ook geen vaste inrichting heeft in het Groothertogdom, deze documenten te laten bewaren door een in Luxemburg woonachtige ad-hoc-gevolmachtigde.

De uitspraak van het Hof van Justitie

2. Het Hof geeft aan het begrip "bepalingen van openbare orde" een communautaire invulling en steunt zich - in navolging van advocaat-generaal Trstenjak - op een verklaring die door de lidstaten werd afgelegd bij de vaststelling van de richtlijn, doch die niet in het Publicatieblad werd bekendgemaakt. Volgens deze verklaring en dus ook volgens het Hof moeten onder hoger staande bewoordingen de bindende bepalingen worden verstaan waarvan niet mag worden afgeweken en die gelet op hun aard en doel beantwoorden aan de dwingende eisen van algemeen belang.

Door de wetgeving inzake de automatische aanpassing van het loon aan de stijging van de kosten voor het levensonderhoud (loonindexering) op te leggen aan buitenlandse dienstverrichters gaat het Groothertogdom volgens het Hof zijn boekje te buiten. De verwijzing naar de doelstellingen van bescherming van de koopkracht van de werknemers en van sociale vrede, zonder ook maar één element voor te leggen op basis waarvan de noodzaak en de evenredigheid van de vastgestelde maatregelen kunnen worden getoetst, was niet voldoende voor het Hof.

Ook het toepasselijk verklaren van de CAO-wetgeving (inzake uitwerking en uitvoering), laat staan alle bepalingen vervat in CAO's, op buitenlandse dienstverrichters kan niet. Een nadere precisering is steeds nodig, oordeelt het Hof. Dit sluit bij aan bij een algemene opmerking van de advocaat-generaal: "lidstaten mogen niet vorderen dat in andere lidstaten gevestigde diensverrichtende ondernemingen al hun dwingende arbeidsrechtelijke voorschriften naleven". Of artikel 5, §1 van de Belgische wet van 5 maart 2002 (BS 13 maart 2002) derhalve door de beugel kan, valt zeer te betwijfelen. Dit artikel bepaalt dat de werkgever die in België een ter beschikking gestelde werknemer tewerkstelt, ertoe gehouden is , voor de arbeidsprestaties die er worden verricht, de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden na te leven die bepaald worden door wettelijke, bestuursrechtelijke of conventionele bepalingen die strafrechtelijk beteugeld worden. Op het arbeidsovereenkomstenrecht na, is zowat het gehele Belgische arbeidsrecht strafrechtelijk beteugeld.

Tenslotte ziet het Hof ook niet in waarom de regelgeving inzake de individuele informatieverstrekking aan de werknemers (gebaseerd op richtlijn 91/533) en inzake deeltijdse arbeid (gebaseerd op richtlijnen 97/81 en 99/70) aan buitenlandse dienstverrichters zou moeten worden opgelegd aangezien de belangen die hierdoor beschermd worden reeds gewaarborgd worden door regels waaraan de dienstverrichter is onderworpen in de lidstaat waar hij is gevestigd. Het Hof volgt hiermee advocaat Trstenjak die terzake ook beargumenteerde dat aangezien de door deze richtlijnen geviseerde materies niet waren opgenomen in de opsomming van art. 3, 1° van de richtlijn, zij niet geacht kunnen worden deel uit te maken van de openbare orde van de Gemeenschap. Mijns inziens is dit - op zich genomen - een bedenkelijke redenering. Artikel 136, 2°, b van het EG-verdrag bepaalt immers dat wat betreft sommige arbeidsrechtelijke materies richtlijnen kunnen worden uitgevaardigd die minimumvoorschriften bevatten. Niets sluit dus uit dat een lidstaat met reden verder gaat dan de in een welbepaalde richtlijn opgelegd minimumvoorschrift. Het valt niet in te zien waarom enkel de minimumvoorschriften zouden kunnen voldoen aan een dwingende eis van algemeen belang, terwijl dit voor meer beschermende maatregelen a priori zou zijn uitgesloten. Dit holt mijns inziens uiteindelijk ook de bevoegdheid van de lidstaten uit om nog andere bepalingen dan deze opgesomd in de richtlijn, op te nemen in de "harde kern".

3. De procedure van voorafgaande kennisgeving die een buitenlandse dienstverrichter moet volgen is volgens het Hof dan weer behept met dubbelzinnigheden. Het Hof keert zich tegen een door de Luxemburgse regering naar voor geschoven interpretatie als zouden de documenten op de eerste dag van de werken ter beschikking moeten liggen van de inspectie, geeft aan dat de informatie volgens de letter van de Luxemburgse wet blijkbaar ook voorafgaand aan de werken klaar moet liggen en wijst erop dat de onnauwkeurigheden en ondubbelzinnigheden onverenigbaar zijn met artikel 49 EG-verdrag. Ook de wetsbepaling inzake de ad-hoc-gevolmachtigde is volgens het Hof onduidelijk, omdat de periode waarin de documenten moeten worden bewaard, niet wordt aangegeven. Voorts verwijst het Hof ook naar het arrest Arblade (C-376/96) en stelt zij dat een verplichting om documenten te bewaren bij een natuurlijke persoon die op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst woont, niet te rechtvaardigen valt. De aanduiding van een op de plaats van de dienstverrichting aanwezige werknemer als bewaarder van documenten, zou voor het vrij verkeer van diensten immers een minder beperkende doch even doeltreffende maatregel zijn.

In België bestaat op het vlak van het bijhouden van sociale documenten een vereenvoudigd systeem (hoofdstuk II bis KB nr. 5 inzake sociale documenten), dat sedert de programmawet I van 27 december 2006 (art. 137 e.v.) werd aangevuld met een voorafgaande meldingsplicht, de zogeheten limosa-regeling.

Zie: H.v.J., nr. C-319/06, 19 juni 2008 (Comm./Luxemburg), www.curia.eu, concl. adv.-gen. V. TRSTENJAK.