01 februari 2012
Cassatierechtspraak in sociale zaken (sept. 2011/dec. 2011)
RSZ-wet – aansprakelijkheid van de aannemer – strafkarakter – retroactiviteit van de mildste straf – verwijlintresten
Artikel 30ter, §6, B, eerste lid, van de RSZ-wet, voor de opheffing van dit artikel bij koninklijk besluit van 26 december 1998, zoals te dezen van toepassing, legde een sanctie op aan de hoofdaannemer die de bij de wet opgelegde inlichtingen niet verstrekte, teneinde aldus de onwettige activiteiten van de koppelbazen te bestrijden en strekte er toe via bestraffing een ontradende werking te hebben.
Die sanctie kon tot aanzienlijke bedragen oplopen, waarvan de vaststelling, binnen de in de wet bepaalde perken, werd overgelaten aan de overheid die het bedrag moest moduleren, niet met de bedoeling om, al was het maar forfaitair, een geleden nadeel te vergoeden, maar door rekening te houden met de ernst van de tekortkoming.
Deze maatregel had een overwegend repressief karakter en kan niet als een louter burgerlijke sanctie worden beschouwd. Aldus vertoonde deze maatregel het karakter van een strafrechtelijke sanctie in de zin van de artikelen 7.1 EVRM en 15.1 IVBPR.
De omstandigheid dat de bedoelde maatregel een strafrechtelijke sanctie was in de zin van de artikelen 7 EVRM en 15.1 IVBPR, brengt mee dat de waarborgen van de bepalingen van het EVRM en IVBPR moeten in acht worden genomen.
De voormelde artikelen 7.1 en 15.1 bepalen dat geen zwaardere straf mag worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbaar feit van toepassing was. Dit impliceert dat geen bijkomende straf mag worden opgelegd die niet was voorzien ten tijde van het begaan van het strafbaar feit.
De RSZ-wet voorzag, ingeval van niet-naleving van de meldingsplicht voorgeschreven door artikel 30ter, §5, in een sanctie, bestaande uit de betaling van een bedrag van minstens 5 pct van het totale bedrag van de niet-gemelde werkzaamheden en maximaal 5 pct van het bedrag van de aan de hoofdaannemer op de betrokken werf toevertrouwde werkzaamheden. In een nalatigheidsinterest werd niet voorzien.
Met toepassing van de voormelde artikelen 7.1 en 15.1 is het de rechter niet toegelaten de hoofdaannemer die de door artikel 30ter, §5, van de RSZ-wet voorgeschreven meldingsplicht niet heeft nageleefd, te veroordelen tot betaling van verwijlintrest op de som die hij krachtens artikel 30ter, §6, B, aan de eiser verschuldigd is.
Cass. 26 september 2011, S.09.0111.F
RMI-wet – leefloon – sociaal onderzoek – herziening - terugvordering
Krachtens artikel 19, § 1, eerste lid, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, verricht het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een sociaal onderzoek met het oog op de toekenning van maatschappelijke integratie in de vorm van een leefloon, of een tewerkstelling, met het oog op de herziening of de intrekking van een beslissing dienaangaande of met het oog op een beslissing tot schorsing van de uitbetaling van het leefloon. De tweede paragraaf van dat artikel bepaalt dat de aanvrager ertoe gehouden is elke voor het onderzoek van zijn aanvraag nuttige inlichting en machtiging te geven.
Luidens artikel 22, § 1, eerste lid, van dezelfde wet herziet het centrum, onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake de verjaring, een beslissing in geval van gewijzigde omstandigheden die een invloed hebben op de rechten van de persoon, een wijziging van het recht door een wettelijke of reglementaire bepaling, een juridische of materiële vergissing van het centrum en in geval van verzuim, onvolledige en onjuiste verklaringen van de persoon.
Het tweede lid van die bepaling bepaalt dat de betrokkene, met het oog op een eventuele herziening, onmiddellijk aangifte moet doen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op het hem toegekende bedrag of op zijn situatie als rechthebbende.Volgens het derde lid moet het centrum met hetzelfde oogmerk geregeld, en minstens om het jaar, nagaan of de toekenningsvoorwaarden vervuld blijven.
Uit die bepalingen volgt niet dat het centrum niet op grond van een onvolledige aangifte van een persoon de terugbetaling van zijn leefloon mag vorderen, indien het niet minstens om het jaar heeft nagegaan of de toekenningsvoorwaarden vervuld waren gebleven.
Op de vraag die aan het Grondwettelijk Hof was gesteld in het arrest van het Hof van 13 december 2010, antwoordt voormeld Hof dat artikel 29, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, in de versie van vóór de wijziging ervan bij de wet van 30 december 2009, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt in zoverre het toestaat de vordering tot terugvordering gedurende vijf jaar uit te oefenen. Het bestreden arrest, dat die verjaringstermijn toepast, schendt de artikelen 10 en11 van de Grondwet niet.
Cass.10 oktober 2011, S.10.0054.F
Arbeidsongeval – uitvoering arbeidsovereenkomst – vermoeden - tegenbewijs
L’article 7, alinéa 2, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail présume, jusqu’à la preuve du contraire, que l’accident survenu dans le cours de l’exécution du contrat de travail est survenu par le fait de cette exécution. Cette preuve contraire peut-être apportée par toute voie de droit.
L’arrêt constate que le défendeur a été victime d’une agression par balles dans le cours de l’exécution du contrat de travail. Conformément à l’article 7, alinéa 2, précité, il incombe à la
demanderesse de prouver que cet accident n’est pas survenu par le fait de cette exécution.
En conclusions, la demanderesse sollicitait le renvoi de la cause au role jusqu’à la clôture de l’instruction relative à l’agression, afin d’être en mesure de consulter le dossier répressif dans lequel elle espérait découvrir des circonstances excluant que l’accident soit survenu par ce fait.
L’arrêt rejette cette mesure au motif que la demanderesse « n’indique pas de manière précise les circonstances particulières qui, en l’espèce, permettraient effectivement » de renverser la présomption.
L’arrêt n’a pu, sans constater que la consultation du dossier répressif n’était pas susceptible de contribuer à la preuve dont la demanderesse avait la charge, priver celle-ci de la possibilité de rapporter cette preuve par ce moyen, au seul motif qu’elle n’indiquait pas les faits précis qu’elle entendait ainsi prouver.
En décidant, sur la seule base des éléments recueillis jusqu’alors, que la demanderesse ne renverse pas la présomption de l’article 7, alinéa 2, l’arrêt viole cette disposition.
Cass. 10 oktober 2011, S.10.0185.F
Arbeidsrelatie – Kwalificatie - Arbeidsovereenkomst – gezag
Lorsque les éléments soumis à son appréciation permettent d’exclure la qualification donnée par les parties à la convention qu’elles ont conclue, le juge du fond peut y substituer une qualification différente.Pour écarter la qualification de contrat d’entreprise que les parties ont donnée, lors de sa conclusion, à leur convention ayant pour objet la distribution d’imprimés et retenir l’existence d’un lien de subordination, l’arrêt se fonde sur les stipulations de cette convention et sur la manière dont elle a été exécutée et,en particulier, sur les éléments de fait suivants :
- les jours et heures de la distribution et le parcours à effectuer étaient imposés sans possibilité d’adaptation par des arrangements entre collègues ;
- les défendeurs avaient l’obligation d’effectuer eux-mêmes toutes les tournées, sauf absence justifiée par des motifs prouvés, alors que la nature du travail n’expliquait pas cette obligation, le remplaçant qu’ils devaient trouver en cas d’absence justifiée ne devant répondre à aucune exigence
particulière ;
- pour tout problème au cours de la tournée, les défendeurs devaient s’adresser à la demanderesse qui donnait les instructions à suivre en cas d’imprévu ;
- la demanderesse avait le pouvoir de contrôler le respect par les défendeurs de ses instructions précises et impératives ;
- la demanderesse pouvait prendre à l’égard des défendeurs des « sanctions d’office », qui ne constituaient pas l’exécution de la clause de responsabilité inscrite au « contrat d’entreprise » mais des mesures unilatérales, sans que ni la clause ni aucun accord ultérieur n’indique les hypothèses de sanction ou leur montant et sans davantage qu’il soit prouvé que le montant des retenues corresponde au dommage provoqué par une négligence.
Sur la base de l’ensemble de ces considérations, l’arrêt a pu déciderlégalement que les parties étaient liées par un contrat de travail.
Cass. 17 oktober 2011, S.08.0009.N
Europese sociale zekerheid – verordening 1408/71 – begrip ambtenaar – contractueel overheidspersoneel
Artikel 2, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: verordening nr. 1408/71), zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat deze verordening van toepassing is op ambtenaren en op personeel dat volgens de toepasselijke wetgeving met hen gelijkgesteld is, voor zover zij onderworpen zijn of geweest zijn aan de wettelijke regelingen van een lidstaat waarop deze verordening van toepassing is.
Verordening nr. 1408/71 is van toepassing op de wettelijke regelingen betreffende de takken van sociale zekerheid bedoeld in artikel 4, lid 1, van die verordening. Overeenkomstig artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71, zoals te dezen van toepassing, is deze verordening niet van toepassing op de bijzondere regelingen voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden.
Krachtens artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1408/71, zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van een enkele lidstaat onderworpen, onder voorbehoud van de artikelen 14quater en 14septies.
Artikel 13, lid 2, a), van verordening nr. 1408/71 bepaalt dat, onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17, op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing is, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat.
Artikel 13, lid 2, d), van verordening nr. 1408/71 bepaalt dat, onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17, op ambtenaren en met hen gelijkgestelden, de wetgeving van toepassing is van de lidstaat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert.
Overeenkomstig artikel 1, § 1, RSZ-wet, vindt deze wet toepassing op de werknemers en de werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden. Krachtens artikel 2, § 1, 2°, RSZ-wet, kan de Koning, bij in ministerraad overlegd besluit, en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, voor zekere categorieën werknemers die Hij bepaalt, de toepassing van deze wet tot een of meer van de bij artikel 5 opgesomde regelingen beperken.
Artikel 9, § 2, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet, bepaalt dat wat de personen betreft die door het Rijk, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies en de instellingen ondergeschikt aan de provincies krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst worden genomen, de toepassing van de wet beperkt wordt tot de regelingen opgesomd in § 1, eerste lid, zijnde de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, de regeling voor rust- en overlevingspensioen voor werknemers en de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid voor werknemers.
Overeenkomstig artikel 1, eerste lid, 3°, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel is de bij deze wet vastgestelde regeling voor het herstel van schade ten gevolge van arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en ten gevolge van beroepsziekten van toepassing op de leden van het vast, stagedoend, tijdelijk, hulppersoneel of het personeel dat wordt in dienst genomen door een arbeidsovereenkomst, behorende tot de besturen en andere diensten van de regeringen van de gemeenschappen en de gewesten.
Hieruit volgt dat, volgens de Belgische wettelijke regeling inzake sociale zekerheid, contractueel overheidspersoneel van de eiseres gedeeltelijk onder de toepassing valt van de algemene socialezekerheidsregeling voor werknemers en gedeeltelijk onder een bijzondere regeling voor ambtenaren.
Uit het arrest C-296/09 van het Hof van Justitie van 9 december 2010 blijkt dat wat dient te worden verstaan onder “ambtenaar” en “met hen gelijkgestelden” in de zin van artikel 13, lid 2, d), van verordening nr. 1408/71, uitsluitend wordt bepaald volgens het nationale recht van de lidstaat waaronder de overheidsdienst die deze personen tewerkstelt, ressorteert en dat een persoon in de situatie van de verweerder, die in een lidstaat gedeeltelijk onder de socialezekerheidsregeling voor ambtenaren en gedeeltelijk onder die voor werknemers valt, overeenkomstig artikel 13, lid 2, d), van die verordening uitsluitend onder de toepassing kan vallen van de wetgeving van de lidstaat waaronder de overheidsdienst die hem tewerkstelt, ressorteert.
Uit het arrest blijkt ook dat de begrippen “ambtenaren” en “met hen gelijkgestelden” in de zin van artikel 13, lid 2, d), van verordening nr. 1408/71 verwijzen naar de definities die daaraan worden gegeven in de socialezekerheidswetgevingen van de lidstaten en geen verband houden met de wijze waarop de uitgeoefende werkzaamheden in het arbeidsrecht worden gekwalificeerd.
De appelrechters stellen vast dat de verweerder met de eiseres verbonden was door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op grond van de Arbeidsovereenkomstenwet en aldus de hoedanigheid van werknemer had, dat hij niet genoot van de voor het ambtenarenstatuut kenmerkende vastheid van betrekking en dat de verweerder krachtens het personeelsstatuut voor contractueel personeel een functionele bevoegdheid had en geen hiërarchische bevoegdheid
zoals dit het geval is voor ambtenaren.
Uit deze vaststellingen die uitsluitend verband houden met de kwalificatie in het arbeidsrecht van de door de verweerder uitgeoefende werkzaamheden, noch uit de andere vaststellingen of overwegingen van het arrest volgt dat de verweerder op basis van het nationale stelsel van sociale zekerheid waarbij hij was aangesloten, niet als een met ambtenaar gelijkgestelde kan worden beschouwd.
De appelrechters oordelen niet wettig dat de verweerder niet als een met ambtenaar gelijkgestelde kan worden beschouwd in de zin van artikel 13, lid 2, d), van verordening nr. 1408/71. Hun beslissing dat het socialezekerheidsstelsel van de lidstaat waar zich de plaats van tewerkstelling bevond, met name Zweden, op de verweerder van toepassing was, zodat de eiseres ten onrechte socialezekerheidsbijdragen heeft ingehouden op het loon van de verweerder, is dienvolgens niet naar recht verantwoord.
Cass. 17 oktober 2011, S.10.0213.N
Sociale verkiezingen – kandidaten – beroep door werkgever – inroeping ongeldigheid kandidatuur in ontslagprocedure - laattijdigheid
Krachtens artikel 5 van de wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen van het jaar 2008, kan de werkgever een beroep instellen tegen de voordracht van kandidaten, wanneer de kandidaten of de kandidatenlijsten niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van de Bedrijfsorganisatiewet, van de Wet Welzijn Werknemers en van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008, zelfs indien geen enkele klacht werd ingediend.
Indien er geen klacht werd ingediend, moet het beroep van de werkgever worden ingesteld binnen vijf dagen na de termijn voor de indiening van klachten vastgesteld in artikel 37 van de laatst vermelde wet van 4 december 2007.
Deze bepaling vindt toepassing op alle betwistingen betreffende de geldigheid van een kandidatuur en de samenstelling van de kandidatenlijsten. De werkgever kan de geldigheid van een kandidatuur waartegen hij niet tijdig beroep heeft ingesteld, niet meer betwisten in een procedure met betrekking tot de ontslagbescherming.
De appelrechters stellen vast dat de verweerster inroept dat de eiser niet voldoet aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden van artikel 59, § 1, 3°, Wet WelzijnWerknemers, zodat de eiser geen aanspraak kan maken op de door hem gevorderde beschermingsvergoeding. Deze betwisting betreft de geldigheid van de kandidatuur in het licht van de bepalingen van de Wet Welzijn Werknemers en valt derhalve onder artikel 5 van de eerst vermelde wet van 4 december 2007.
Met miskenning van die wetsbepaling, oordelen de appelrechters dat de verweerster kan inroepen dat de eiser niet beantwoordde aan de verkiesbaarheidsvoorwaarde, hoewel zij dit tijdens de procedure van de sociale verkiezingen nooit heeft ingeroepen, aangezien de rechtsvraag die aan de orde is betrekking heeft op het feit of de eiser aan de wettelijke voorwaarden voldoet om aanspraak te maken op de bijzondere beschermingsvergoeding en niet op het feit of de kandidatuur van de eiser geldig werd ingesteld volgens de bepaling van artikel 5 van de wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen van het jaar 2008.
Cass. 24 oktober 2011, S.11.0039.F
Werkloosheid – Terugvordering – Beperking ingeval van goede trouw
En vertu de l'article 169, alinéas 1er et 2, de l’arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, toute somme perçue indûment doit être remboursée à moins qu'il ne soit établi que le chômeur a perçu de bonne foi des allocations auxquelles il n'avait pas droit, auquel cas la récupération est limitée aux cent cinquante derniers jours d'indemnisation indue.
Conformément à l'alinéa 5 de ce même article, lorsque le chômeur prouve qu’il a perçu de bonne foi des allocations auxquelles il n'avait pas droit, le montant de la récupération peut, par dérogation aux alinéas précédents de cet article, être limité au montant brut des revenus dont il a bénéficié et qui n’étaient pas cumulables avec les allocations.
L’arrêt décide que le défendeur a agi de bonne foi. Sur cette base, il limite le montant de la récupération des allocations de chômage perçues indûment aux revenus bruts dont a bénéficié le défendeur durant les cent cinquante derniers jours d’indemnisation indue. Il viole, dès lors, l'article 169 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage.
04 september 2011
Over de koppeling door het OCMW van financiële hulpverlening aan de voorwaarden uit de RMI-wet.
Artikel 60, §3 OCMW-wet bepaalt dat de financiële hulpverlening bij beslissing van het OCMW onderworpen kan worden aan de voorwaarden vermeld in de artikelen 3, 5° en 6°, 4, 11 en 13, §2 van de Wet Maatschappelijke Integratie. Indien deze voorwaarden niet worden nageleefd kan het recht op financiële hulp, op voorstel van de maatschappelijk werker belast met het dossier, worden geweigerd of geheel of gedeeltelijk worden geschorst voor een periode van ten hoogste een maand.
Artikel 3, 6° van de Wet Maatschappelijke Integratie bepaalt bijvoorbeeld dat om het recht op maatschappelijke integratie te kunnen genieten, de persoon onder andere zijn rechten moet laten gelden op uitkeringen die hij kan genieten krachtens de Belgische of buitenlandse sociale wetgeving. Deze toekenningsvoorwaarde strekt ertoe het residuair karakter van het recht op maatschappelijke integratie in de verf te zetten (D. Simoens, Handboek OCMW-dienstverlening, Brugge, Die Keure, losbl., 54).
Wanneer deze voorwaarde gekoppeld wordt aan de toekenning van maatschappelijke dienstverlening in de vorm van financiële hulp, dan leidt dit ertoe dat de toekenning niet langer louter afhangt van de voorwaarde dat de persoon in staat van behoeftigheid verkeert (cf. Cass., AR S.99.0160.F, 28 februari 2000).
Artikel 60, §3 van de OCMW-wet laat er evenwel geen twijfel over bestaan dat het OCMW dergelijke voorwaarde bij de toekenning van financiële hulpverlening kan opleggen, maar dat dit geen automatisme is (zie ook duidelijk in die zin: D. Simoens, Handboek OCMW-dienstverlening, Brugge, Die Keure, losbl., 54). De ‘koppeling’ kan blijken uit de individuele administratieve beslissing tot toekenning van de financiële hulp of uit een algemene beslissing van de OCMW-Raad.
In het geval van een rechtsgeschil lijkt het in elk geval gepast dat het administratief dossier het stuk of de stukken zou bevatten die het bewijs leveren van deze ‘koppeling’. In de praktijk durft men er al eens gemakshalve ervan uit te gaan dat de voorwaarden uit de RMI-wet sowieso van toepassing zijn bij de toekenning van maatschappelijke dienstverlening in de vorm van financiële hulp…
18 juni 2011
Cassatierechtspraak in sociale zaken 2011 (eerste kwartaal)
Cass., S.10.0046.F, 3 januari 2011
arbeidswegongeval – publieke sector – toepassingsgebied – werking in de tijd
Artikel 23, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, bepaalt dat, onverminderd de verkregen rechten op renten en andere vergoedingen, noch de leden van een personeel waarop een koninklijk besluit de bij deze wet ingestelde regeling toepasselijk heeft verklaard, noch hun rechthebbenden, vanaf de inwerkingtreding van dat koninklijk besluit nog langer in aanmerking komen voor de wetsbepalingen inzake herstel van schade uit arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar of van het werk en beroepsziekten.
Die bepaling, die de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet alleen uitsluit wat betreft de verkregen rechten op de renten en andere vergoedingen, belet de onmiddellijke toepassing niet van een bepaling die deze renten en vergoedingen ten laste legt van een andere uitkeringsplichtige dan die welke deze onder vigeur van de oude wet verschuldigd was.
Cass., S.09.0102.N, 10 januari 2011
RSZ-wet – dienstbode – huishoudelijke arbeid – begrip inwoning
Krachtens artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt, wat de werknemers betreft die krachtens een arbeidsovereenkomst voor dienstboden, hoofdzakelijk te werk gesteld zijn aan huishoudelijke arbeid van lichamelijke aard voor de behoeften van de huishouding van de werkgever of van zijn gezin, de toepassing van de wet beperkt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, tot de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers, tot de regeling betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers en tot de regeling betreffende de arbeidsvoorziening en de werkloosheid.
Krachtens artikel 18 van voormeld koninklijk besluit, worden aan de toepassing van de wet onttrokken, de in artikel 5 bedoelde werknemers die niet bij hun werkgever inwonen, wanneer zij geen vier uren daags bij eenzelfde werkgever, noch vierentwintig uren per week bij één of verschillende werkgevers tewerkgesteld zijn, alsmede de werkgevers wegens de tewerkstelling van deze werknemers.
Het inwonen in de zin van voormeld artikel 18 veronderstelt niet noodzakelijk dat de dienstbode in dezelfde woning als zijn werkgever leeft.
Cass., S.10.0030.F, 31 januari 2011
Maatschappelijke integratie – leefloon – meerekenbaarheid inkomsten samenwoner – bevoegdheid Koning – wettigheid koninklijk besluit
En vertu de l’article 3, 4°, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l’intégration sociale, une personne peut bénéficier de ce droit si elle ne dispose pas de ressources suffisantes. L’article 14 de cette loi détermine le montant du revenu d’intégration par catégorie de bénéficiaires. En son paragraphe 2, il énonce que ce montant est diminué des ressources de l’assuré social.
Conformément à l’article 16, § 1er, alinéa 1er, deuxième phrase, de la loi, les ressources des personnes avec lesquelles l’assuré social cohabite peuvent être prises en considération dans les limites fixées par le Roi par arrêté délibéré en conseil des ministres.
Cette disposition légale habilite le Roi à déterminer les cas dans lesquels les ressources des cohabitants de l’assuré social doivent être, peuvent être, ou ne sont pas prises en considération.
Tel est l’objet de l’article 34 de l’arrêté royal du 11 juillet 2002 portant règlement général en matière de droit à l’intégration sociale, dont le paragraphe 4 prévoit que, lorsque l’assuré social a droit à un revenu d’intégration visé à l’article 14, § 1er, alinéa 1er, 3°, de la loi, c’est-à-dire lorsqu’il vit avec une famille à sa charge, toutes les ressources du conjoint ou du partenaire de vie sont prises en considération.
En énonçant qu’en arrêtant cette disposition, qui « ne [prévoit] aucune exception ou latitude », le Roi a excédé les limites de l’habilitation qu’il puise dans l’article 16, § 1er, de la loi, lequel « prév[oit] une latitude dans […] la prise en considération des ressources des personnes avec lesquelles [l’assuré social] cohabite », et en décidant pour ce motif d’écarter l’application de
l’article 34, § 4, de l’arrêté royal et de ne pas prendre en considération les ressources de l’épouse du défendeur, l’arrêt viole l’article 16, § 1er, alinéa 1er, deuxième phrase, de la loi du 26 mai 2002.
Cass., S.10.0052.F, 31 januari 2011
RSZ-wet – deeltijdse arbeid – vermoeden van voltijdse arbeid – tegenbewijs
Arbeidsovereenkomst – interpretatie - bewijskracht
Aux termes de l’article 22ter de la loi du 27 juin 1969 révisant l’arrêtéloi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, tel qu’il était applicable au litige, sauf preuve contraire apportée par l’employeur, les travailleurs à temps partiel seront présumés, à défaut d’inscription dans les documents visés aux articles 160, 162, 163 et 165 de la loi-programme du 22 décembre 1989 ou d’utilisation des appareils visés à l’article 164 de la même loi, avoir effectué leur travail effectif normal conformément aux horaires de travail normaux des travailleurs concernés qui ont fait l’objet de mesures de publicité visées aux articles 157 à 159 de cette même loi. A défaut de publicité des horaires de travail normaux des travailleurs concernés, les travailleurs à temps partiel seront présumés avoir effectué leurs prestations dans le cadre d’un contrat de travail en qualité de travailleurs à temps plein.
La preuve contraire de la présomption que lesdits travailleurs ont effectué leurs prestations dans le cadre d’un contrat de travail à temps plein doit être apportée par l’employeur. Cette preuve contraire consiste à démontrer que les travailleurs à temps partiel n’ont pas effectué de prestations à temps plein dans le cadre d’un contrat de travail à temps plein.
L’arrêt relève qu’« aucun règlement de travail, contrat de travail ou extrait du contrat de travail constatant les horaires de travail n’a pu être présenté à l’inspecteur social », que « les travailleuses ne pointaient pas », que « le 9 mars 2004, un administrateur délégué de [la demanderesse] a déclaré qu’il n’y avait pas d’exemplaire des contrats de travail dans les grands magasins, et qu’il n’y avait pas non plus d’horaire pour une des travailleuses, laquelle avait des horaires variables », que « le 25 septembre 2006, [la demanderesse] a signé [les] déclarations complémentaires pour accord », que, « par une lettre de son avocat du 3 avril 2007, [la demanderesse] a transmis [au défendeur] une copie de contrats de travail des trois travailleuses, ces contrats [étant] datés respectivement du 1er mars 1999 (avec un avenant du 1er mars 2004), du 25 avril 2002 et du 29 avril 2002 » et qu’ « en appel, [la demanderesse] dépose les comptes individuels des travailleuses ».
Il énonce, sans être critiqué, que la demanderesse n’a pas respecté les mesures de publicité prescrites, en cas de travail à temps partiel suivant des horaires fixes, et que les trois travailleuses sont, par conséquent, présumées avoir travaillé à temps plein.
Il considère que « même si la présomption vaut jusqu’à la preuve contraire, les contrats de travail produits après le contrôle, et les comptes individuels ne suffisent pas à prouver le contraire. En effet, les contrats de travail ont pu être établis après le contrôle et antidatés. Quant aux déclarations de l’employeur au secrétariat social puis [au défendeur], elles peuvent être inexactes. Les trois travailleuses ont pu, comme l’expose [le défendeur], avoir été occupées au travail à temps plein et continuer à travailler après 9 heures, ou bien dans les grands magasins où elles ont été trouvées au travail avant 9 heures, ou bien en d’autres lieux, tout en n’étant déclarées que pour quelques heures de prestations par jour ». L’arrêt considère ainsi, de manière certaine, sans méconnaître ni les règles relatives à la charge de la preuve ni l’article 22ter précité, que la demanderesse ne prouve pas que les travailleuses concernées n’effectuaient pas des prestations de travail à temps plein dans le cadre d’un contrat de travail à temps plein.
En énonçant que les contrats de travail ont pu être établis après le contrôle et antidatés, l’arrêt ne donne pas de ceux-ci une interprétation inconciliable avec leurs termes et ne viole dès lors pas la foi qui leur est due. En n’y voyant pas une preuve de l’occupation à temps partiel des travailleuses, il ne refuse pas de donner à ces contrats les effets qu’ils ont légalement à l’égard des tiers et, partant, ne viole pas l’article 1165 du Code civil.
L’arrêt ne déclare pas que les éléments de preuve contraire avancés par la demanderesse sont des faux mais qu’ils n’offrent pas une vraisemblance suffisante pour renverser la présomption instituée par l’article 22ter précité. Il ne peut dès lors violer les règles relatives à la procédure d’inscription de faux. Enfin, l’arrêt, qui était tenu d’appliquer l’article 22ter précité, n’a pas élevé une contestation que les conclusions des parties excluaient en constatant que les éléments de preuve apportés par la demanderesse ne permettaient pas le renversement de la présomption légale.
Cass., S.10.0056.N, 7 februari 2011
RSZ-wet - deeltijdse arbeid – vermoeden van voltijdse arbeid – weerlegbaar karakter
Krachtens artikel 1352, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, ontslaat het wettelijk vermoeden degene in wiens voordeel het bestaat, van ieder bewijs. Krachtens artikel 1352, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, wordt geen bewijs tegen het wettelijk vermoeden toegelaten, wanneer de wet, op grond van dit vermoeden, bepaalde handelingen nietig verklaart of de rechtsvordering ontzegt, tenzij de wet het tegenbewijs heeft vrijgelaten.
Krachtens artikel 22ter, tweede lid, RSZ-wet, zoals vervangen bij artikel 8 van de Programmawet van 27 december 2004, worden behoudens in de door de sociale inspectiediensten vastgestelde gevallen van materiële onmogelijkheid om voltijdse arbeid te verrichten, bij ontstentenis van openbaarmaking van de normale werkroosters van de betrokken werknemers, de deeltijdse werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor arbeid als voltijds werknemer.
Die bepaling die de aard van het vermoeden niet kwalificeert, kan alleen zo worden gelezen dat het ingevoerde vermoeden dat door de deeltijdse werknemers voltijds arbeid werd verricht, wanneer geen normale werkroosters werden bekendgemaakt, niet geldt wanneer door de sociale inspectiediensten is vastgesteld dat het materieel onmogelijk is om voltijdse arbeid te verrichten.
Hieruit volgt dat, waar voormeld artikel 22ter, tweede lid, niet vermeldt dat het vermoeden onweerlegbaar is en de wet op grond van dit vermoeden geen bepaalde handeling nietig verklaart of een rechtsvordering ontzegt, dit wettelijk vermoeden als weerlegbaar moet worden beschouwd, ongeacht de bewoordingen van de memorie van toelichting bij het wetsontwerp, die aan deze wetsbepaling geen draagwijdte kan geven die met de wettekst zelf niet overeenstemt.
Cass., C.10.0520.N, 21 februari 2011
arbeidsongeval – subrogatie verzekeraar t.a.v derde aansprakelijke - omvang
Op grond van artikel 47 Arbeidsongevallenwet treedt de arbeidsongevallenverzekeraar die aan de getroffene of zijn rechthebbenden de wettelijk bepaalde vergoedingen heeft betaald, tot beloop van het betaalde bedrag in de rechten die de getroffene of zijn rechthebbenden hadden kunnen laten gelden tegen de aansprakelijke op grond van het gemene recht.
Dit houdt in dat de arbeidsongevallenverzekeraar die aan de getroffene de wettelijke vergoedingen heeft betaald wegens tijdelijke of blijvende, gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, van de aansprakelijke de betaling kan vorderen van het bedrag van die vergoedingen, met inbegrip van de daarop rustende lasten, tot beloop van de gemeenrechtelijke vergoeding die de getroffene had kunnen verkrijgen voor dezelfde schade. Die gemeenrechtelijke vergoeding mag alleen op basis van het brutoloon berekend worden indien de rechter vaststelt dat de lasten die erop zouden rusten, overeenstemmen met de lasten op het loon dat het slachtoffer ingevolge het ongeval heeft moeten derven.
Door op deze gronden aan de verweerster een vergoeding toe te kennen berekend op basis van het brutoloon, zonder vast te stellen dat de fiscale en sociale lasten op de gemeenrechtelijke vergoeding overeenstemmen met de lasten, niet op de arbeidsongevallenvergoeding, maar op het loon dat het slachtoffer ingevolge het ongeval heeft moeten derven, schenden de appelrechters de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen.Cass., S.09.0089.F, 14 maart 2011
Werkloosheid – verboden arbeid – terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkeringen
Aux termes de l’article 169, alinéa 1er, de l’arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, toute somme perçue indûment doit être remboursée.
En vertu de l’article 7, § 13, alinéa 2, de l’arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, le droit de l’Office national de l’Emploi, en l’espèce le défendeur, d’ordonner la répétition des allocations de chômage payées indûment se prescrit par trois ans. Suivant l’article 7, § 13, alinéa 3, ce délai de prescription prend cours, en règle, le premier jour du trimestre civil suivant celui au cours duquel le paiement a été effectué.
Il résulte des articles 44 et 45, alinéa 1er, 1°, de l’arrêté royal, que, pour bénéficier des allocations de chômage, l’assuré social ne peut exercer pour son propre compte une activité qui peut être intégrée dans le courant des échanges économiques de biens et de services et qui n’est pas limitée à la gestion normale des biens propres.
Lorsque l’indu découle d’une activité exercée par l’assuré social en violation des articles 44 et 45, alinéa 1er, 1°, le droit du défendeur d’ordonner la répétition des allocations de chômage payées indûment n’est pas soumis à la condition que le défendeur constate les revenus produits par cette activité.
L’arrêt attaqué constate que, par un arrêt du 8 février 2006, la cour du travail a décidé que, du 1er septembre 2001 au 1er septembre 2002, le demandeur ne satisfaisait pas au prescrit des articles 44 et 45, alinéa 1er, 1°, et qu’il ne pouvait, dès lors, pas prétendre aux allocations de chômage pour cette période.
En considérant que la détention par le défendeur des avertissementsextraits de rôle relatifs aux revenus du demandeur pour les périodes concernées est une condition pour que la prescription commence à courir, l’arrêt ne justifie pas légalement sa décision que le droit du défendeur d’ordonner la répétition des allocations de chômage payées indûment n’était pas prescrit à la date du 27 juin 2006.
Cass., S.10.0067.F, 28 maart 2011
arbeidsongeval – plotselinge gebeurtenis – gewone dagtaak (uitvoering arbeidsovereenkomst)
Un accident du travail requiert notamment l'existence d'un événement soudain causant une lésion.
L'exercice habituel et normal de la tâche journalière peut être un événement soudain, à la condition que, dans cet exercice, puisse être décelé un élément qui a pu produire la lésion ; il n'est toutefois pas exigé que cet élément se distingue de l'exécution du contrat de travail.
Après avoir constaté que l’auteur des demanderesses a ressenti un malaise cardiaque après s’être fait intercepter fermement, menotter et mettre à genoux par les élèves de l’académie de police lors d’un exercice d’entraînement, l'arrêt attaqué décide que ce geste ne constitue pas un événement soudain aux motifs qu’ « il est acquis qu’il n’a été soumis à aucun stress particulier engendré par l’exécution du travail ni n’a fourni aucun effort particulier de nature professionnelle pouvant constituer le facteur déterminant ou un facteur co-déterminant de la lésion diagnostiquée ».
En refusant d'admettre que l'action de s’être fait intercepter fermement, menotter et mettre à genoux par les élèves de l’académie de police lors d’un exercice d’entraînement pouvait, à elle seule, constituer l'élément qui a pu produire la lésion, l'arrêt viole la disposition visée au moyen.
Cass., S.10.0147.F, 28 maart 2011
Arbeidsovereenkomst – verjaring
Publieke sector – bestuurshandeling met individuele strekking - ontslag
L’article 15, alinéa 1er, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail dispose que les actions naissant du contrat sont prescrites un an après la cessation de celui-ci ou cinq ans après le fait qui a donné naissance à l’action, sans que ce dernier délai puisse excéder un an après la cessation du contrat.
Aux termes de l’article L 1561-2, 4°, du Code wallon de la démocratie locale et de la décentralisation, afin de fournir au public une information claire et objective sur l’action de l’intercommunale, tout document par lequel une décision ou un acte de portée individuelle émanant d’un de ses services est notifié à un requérant indique les voies éventuelles de recours, les instances compétentes pour en connaître ainsi que les formes et délais à respecter, faute de quoi le délai de prescription pour introduire le recours ne prend pas cours.
Cette disposition, qui ne concerne que d’éventuelles voies de recours, n’impose pas, s’agissant d’une décision mettant fin à un contrat de travail, l’indication sur celle-ci de l’action ouverte au tribunal du travail et du délai de prescription de cette action.
L’arrêt constate, d’une part, que, par lettre du 9 mai 2006, la demanderesse a licencié le défendeur avec effet au 15 mai 2006, d’autre part, que celui-ci a introduit par une citation du 27 juillet 2007 une action en réintégration et, subsidiairement, en paiement d’une indemnité pour licenciement abusif et de dommages-intérêts réparant des fautes alléguées dans la procédure de licenciement.
En disant cette action non prescrite au motif que « la lettre de congé ne mentionne que les modalités relatives au recours interne devant le conseil d’administration » et non « l’existence d’un recours contre la décision de licenciement devant la juridiction du travail, la forme et le délai à respecter pour introduire ce recours », l’arrêt viole les dispositions légales précitées .
18 december 2010
Sanctie van uitsluiting in de RMI-wet is een straf in de zin van artikel 6 EVRM
Prejudiciële vraag
Schenden de artikelen 30, 31 en 47 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en artikel 580, 8°, c), tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij personen die met bedrieglijk oogmerk hebben gehandeld, wanneer zij voor de arbeidsrechtbank een administratieve beslissing betwisten waarbij hun een sanctie van uitsluiting wordt opgelegd, genomen met toepassing van artikel 30, § 1, eerste lid, van de wet van 26 mei 2002, niet toelaten een maatregel van uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen te genieten, terwijl, wanneer zij voor hetzelfde verzuim voor de correctionele rechtbank worden vervolgd, hun die maatregel kan worden toegekend met toepassing van de wet van 29 juni 1964?
Antwoord van het Hof
De schorsing van de betaling van het leefloon, bedoeld in artikel 30 van de voormelde wet van 26 mei 2002, is een strafsanctie in de zin van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien zij volgens de internrechtelijke kwalificatie een strafrechtelijk karakter heeft of indien uit de aard van de inbreuk, namelijk de algemene draagwijdte ervan en het preventieve en het repressieve karakter van de sanctie, blijkt dat het om een strafsanctie gaat, of nog, indien uit de aard en de ernst van de sanctie die de betrokkene ondergaat, blijkt dat zij een bestraffend en daardoor ontradend karakter heeft (zie EHRM, grote kamer, 23 november 2006, Jussila t. Finland).
Artikel 30 van de wet van 26 mei 2002 is opgenomen in een hoofdstuk V, met het opschrift "Sancties". Bovendien blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat de wetgever, met de aanneming van die bepaling, de tekortkomingen aan de verplichting om elke wijziging van de geldelijke situatie van de sociale-uitkeringsgerechtigde aan te geven die de berekening van het leefloon kan beïnvloeden, wilde voorkomen en bestraffen.
Aldus werd omtrent dat artikel 30 onderstreept :
"Dit artikel handelt over de sancties. Hierbij weze opgemerkt dat de begunstigde steeds het recht heeft om de sanctie te betwisten, hetzij door middel van zijn hoorrecht (art. 20), hetzij door middel van een beroep voor de arbeidsrechtbank (art. 47). Nieuw is evenwel dat met het oog op een meer proportionele verhouding tussen de aangeklaagde feiten en de sanctie in geval van verzuim, onjuiste of onvolledige verklaring, de sanctie nu ook kan bestaan in een gedeeltelijke schorsing van het leefloon. In de Bestaansminimumwet van 1974 had het OCMW enkel de keuze tussen een schorsing of geen schorsing. Voortaan zal een juistere verhouding mogelijk zijn tussen de aangeklaagde feiten en de sanctie" (Parl. St. Kamer, 2001-2002, DOC 50-1603/001, p. 32).Aangaande de proportionaliteit van de sanctie ingeval van niet-aangifte van alle inkomsten, verschaft de minister het volgend antwoord :
"men kan iemand die 100 euro verzwijgt niet gelijkstellen met iemand die verzuimt 10.000 euro aan te geven; in het huidige systeem wordt men volledig geschorst; aangezien de hoegrootheid van de verzwegen inkomsten precies kan bepaald worden, is de proportionaliteit hier volledig op zijn plaats omdat het willekeur totaal uitsluit; wat de term ‘ bedrieglijk opzet ’ betreft, wordt verwezen naar de bestaande wetgeving en rechtspraak" (Parl. St. Kamer, 2001-2002, DOC 50-1603/004, p. 69).Het gegeven dat de schorsing van het recht op het leefloon twaalf maanden kan duren, in geval van frauduleuze tekortkoming, terwijl de duur ervan is beperkt tot zes maanden wanneer er geen frauduleus opzet is, getuigt overigens van het repressieve karakter van de maatregel. Die maatregel beoogt niet het herstel van schade aan het bevoegde openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Hij is evenmin het natuurlijke gevolg van het verdwijnen van een voorwaarde voor de toekenning van het leefloon, maar vormt een sanctie die als doel heeft om de schending van een formele verplichting te bestraffen die het mogelijk maakt na te gaan of aan de voorwaarden voor de toekenning van het leefloon is voldaan.
Ten slotte, in zoverre de schorsing van de betaling van het leefloon kan worden uitgesproken voor een duur van hoogstens twaalf maanden, vormt zij zonder enige twijfel een bijzonder ernstige maatregel gelet op de onzekere financiële situatie van de sociale-uitkeringsgerechtigden.
Hieruit vloeit voort dat de schorsing van de betaling van het leefloon, bedoeld in artikel 30 van de wet van 26 mei 2002, een overheersend repressief karakter heeft en bijgevolg een strafsanctie is in de zin van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij moet dus in overeenstemming zijn met de algemene beginselen van het strafrecht. De schorsing is evenwel geen straf in de zin van artikel 1 van het Strafwetboek, zodat de interne regels van het strafrecht en de strafrechtspleging daarop niet als dusdanig van toepassing zijn.
Het staat aan het Hof na te gaan of de wetgever de artikelen 10 en 11 van de Grondwet heeft geschonden door uit te sluiten dat de regel van het uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen met toepassing van artikel 8 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie op die schorsing van toepassing is. Wanneer, zoals te dezen, de dader van eenzelfde feit hetzij naar de correctionele rechtbank kan worden verwezen, hetzij een administratieve sanctie kan krijgen waartegen beroep kan worden ingesteld voor een niet-strafrechtelijk rechtscollege, oordeelt het Hof dat in principe een parallellisme moet bestaan tussen de maatregelen tot individualisering van de straf (arresten nrs. 40/97, 45/97, 128/99, 86/2007, 157/2008).
Het uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen heeft tot doel de nadelen die inherent zijn aan de tenuitvoerlegging van de straffen, te beperken en de re-integratie van de veroordeelde niet in het gedrang te brengen. Daarnaast blijkt uit artikel 157bis, § 2, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en artikel 168quinquies, § 3, derde lid, van de op 14 juli 1994 gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, dat het uitstel niet onverenigbaar wordt geacht met een schorsing van sociale rechten opgelegd door een andere overheid dan een strafrechtelijk rechtscollege.
Ongeacht of het uitstel wordt toegekend door de correctionele rechtbank dan wel door een ander rechtscollege, zoals de arbeidsrechtbank, kan het de veroordeelde ertoe aanzetten zijn gedrag te wijzigen, gelet op het risico dat, in geval van herhaling, de veroordeling tot een strafsanctie in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ten uitvoer wordt gelegd.
Hieruit vloeit voort dat het verschil in behandeling, wat het voordeel van een maatregel van uitstel betreft, tussen de sociale-uitkeringsgerechtigde die strafrechtelijk wordt vervolgd en diegene die voor de arbeidsrechtbank beroep instelt tegen een schorsing van het recht op het leefloon, niet redelijk is verantwoord.
Die discriminatie vloeit evenwel niet voort uit een van de in het geding zijnde bepalingen, maar uit de ontstentenis van een wetsbepaling die het de sociale-uitkeringsgerechtigden die het voorwerp hebben uitgemaakt van een maatregel tot schorsing van hun recht op het leefloon, mogelijk maakt een maatregel van uitstel te genieten. Wanneer de wet van 29 juni 1964 niet van toepassing is, komt het aan de wetgever toe ter zake te bepalen onder welke voorwaarden een uitstel kan worden verleend en de voorwaarden en de rechtspleging volgens welke dat uitstel kan worden ingetrokken, vast te stellen.
11 december 2010
De vereiste van werkelijk verblijf in de Wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap
door K. Nevens
1. Artikel 4, §1 van de Wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap bepaalt dat de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming slechts kunnen worden toegekend aan een persoon die zijn werkelijke verblijfplaats in België heeft.
In de rechtsleer wordt geschreven dat deze verblijfsvoorwaarde géén aanleiding geeft tot rechtsgeschillen (zie in die zin: J. MAES, “Recente rechtspraak betreffende gehandicapten”, RW 2000-2001, 718; G. WEGGE, “De Nederlandstalige rechtspraak inzake de toepassing van de wet van 27 februari 1987…”, BTSZ 1992, 5).
Toch is het niet uitgesloten dat er discussie zou ontstaan omtrent de invulling die moet worden gegeven aan de vereiste van werkelijk verblijf in België, zeker wanneer een persoon niet is ingeschreven in het bevolkings- of vreemdelingenregister.
2. Bij de uitlegging van deze vereiste mag §3 van het reeds aangehaalde artikel 4 van de Wet van 27 februari 1987 niet uit het oog worden verloren. Deze paragraaf geeft aan de Koning immers de bevoegdheid te bepalen wat voor de toepassing van die wet onder “werkelijke verblijfplaats” moet worden verstaan.
Artikel 3 van het KB van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming (BS 8 juli 1987) bepaalt dat de gerechtigde die zijn hoofdverblijfplaats in België heeft en die er bestendig en daadwerkelijk verblijft, geacht wordt zijn werkelijke verblijfplaats in België te hebben. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat die ‘concretisering’ op het eerste gezicht weinig verhelderend is. Twee zaken moet echter wel in de verf worden gezet.
Vooreerst is het zo dat dit artikel in zijn oorspronkelijke versie bepaalde dat het werkelijk verblijf wordt bewezen door de inschrijving in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister. De huidige formulering werd geïntroduceerd bij KB van 8 januari 1992 (BS 22 januari 1992). Bijgevolg kan worden aangenomen dat de Koning met deze nieuwe formulering afstand heeft willen nemen van de vereiste van inschrijving in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister.
Ten tweede kan – ter vergelijking – worden opgemerkt dat ook de toekenning van het recht op maatschappelijke integratie vereist dat de aanvrager “zijn werkelijke verblijfplaats in België (heeft) in de door de Koning te bepalen zin” (art. 3, 1° RMI-wet). Art. 2 van het KB van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie (BS 31 juli 2002) verduidelijkt dat een persoon voor de toepassing van die wet geacht wordt zijn werkelijke verblijfplaats in België te hebben wanneer hij gewoonlijk en bestendig in België verblijft, zelfs als hij niet over een woonst beschikt of niet is ingeschreven in de bevolkingsregisters. Het werkelijk verblijf mag dan ook met alle rechtsmiddelen worden bewezen. Het werkelijk verblijf kan uiteraard dikwijls worden vastgesteld aan de hand van de inschrijving in het bevolkingsregister van een Belgische gemeente, maar dergelijke inschrijving kan niet worden geëist. Die inschrijving geldt echter ook niet als onweerlegbaar vermoeden van werkelijk verblijf. Het OCMW kan dus het bewijs van het tegendeel leveren (D. SIMOENS, Handboek OCMW-dienstverlening, Brugge, Die Keure, 2009, nr. 15).
Die interpretatie wordt overigens bevestigd door artikel 9, §2 van het KB van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap (BS 27 juni 2003), dat bepaalt dat de informatiegegevens verkregen bij het Rijksregister van de natuurlijke personen bewijskracht hebben tot bewijs van het tegendeel.
Samenvattend kan dan ook worden gesteld dat het door artikel 4, §1 van de Wet van 27 februari 1987 vereiste werkelijk verblijf – naar analogie met het bepaalde in artikel 3, 1° RMI-wet – op een feitelijke wijze moet worden beoordeeld, waarbij de inschrijving in het bevolkingsregister kan gelden als weerlegbaar vermoeden van bestendig en daadwerkelijk verblijf in België, maar zonder dat de inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister noodzakelijk is. Het Arbeidshof te Luik oordeelde reeds in dezelfde zin in een arrest van 19 oktober 1992, zaak die net betrekking had op een persoon met een handicap die ambtshalve was afgevoerd in het bevolkingsregister, maar die bijna ononderbroken in een psychiatrisch ziekenhuis en in een provinciaal tehuis te Luik verbleef (Soc. Kron. 1995, 181, noot D. PLAS).
3. Wat betreft de inschrijving in het bevolkingsregister, die geldt als een weerlegbaar vermoeden van werkelijk verblijf in België, kan erop worden gewezen dat het Hof van Cassatie in een arrest van 19 april 2002 heeft overwogen dat een referentieadres, zoals bedoeld in artikel 1, §2 van de Wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, etc. (BS 3 september 1991), gelijkstaat aan een inschrijving in het bevolkingsregister (Cass. 19 april 2002, Arr. Cass. 2002, 1053, concl. Adv.-Gen. WERQUIN), tenminste voor wat betreft het woonplaatsbegrip uit artikel 36 Ger.W.
Uiteraard kan niet worden ontkend dat de inschrijving op een referentieadres een juridische en administratieve fictie is, aangezien dit adres niet overeenstemt met de plaats waar een persoon zijn hoofdverblijf heeft (zie in die zin: Adv.-Gen. WERQUIN, concl. Bij Cass. 19 april 2002, Arr. Cass. 2002, 1056; V. D’HUART, “Inconnu à cette adresse”, (noot onder Cass. 19 april 2002), JLMB 2003, 1009; E. LEROY, “Repenser le formalisme”, (noot onder Cass. 19 april 2002), RCJB 2003, 333). Onder referentieadres wordt immers verstaan “het adres van ofwel een natuurlijke persoon die is ingeschreven in het bevolkingsregister op de plaats waar hij zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd, ofwel een rechtspersoon en waar, met de toestemming van deze natuurlijke persoon of deze rechtspersoon, een natuurlijke persoon zonder vaste verblijfplaats is ingeschreven” (art. 1, §2 Wet 19 juli 1991 (eigen onderlijning)).
Zo bepaalt dit artikel sedert de Wet van 24 januari 1997 (BS 6 maart 1997) uitdrukkelijk dat personen die bij gebrek aan voldoende bestaansmiddelen geen verblijfplaats hebben of meer hebben en die bij gebrek aan inschrijving in de bevolkingsregisters geen maatschappelijke bijstand kunnen genieten van een OCMW of om het even welk ander sociaal voordeel, ingeschreven kunnen worden op het adres van het OCMW van de gemeente waar zij gewoonlijk vertoeven. Het betrof een nieuwe maatregel om de toestand van daklozen te verbeteren (Omzendbr. 24 mei 1997 betreffende de invoering van de mogelijkheid voor daklozen een referentieadres bij het OCMW te bekomen, BS 24 mei 1997; Omzendbr. 13 september 2006 betreffende daklozen – bevoegd OCMW – referentieadres – inschrijving en schrapping van een inschrijving, BS 12 oktober 2006).
De inschrijving op een referentieadres vereist wel dat men bij geen enkele gemeente is ingeschreven in het bevolkingsregister. In de praktijk betekent dit dat, zo een persoon wil ingeschreven worden op een referentieadres, maar hij wel nog in het bevolkingsregister van een gemeente is ingeschreven, hij door dat gemeentebestuur eerst van ambstwege moet worden afgevoerd. De reeds aangehaalde Omzendbrief van 13 september 2006 bepaalt ter zake:
“Sommige OCMW’s roepen het feit in dat een dakloze nog is ingeschreven in een andere gemeente, om inschrijving te weigeren op een referentieadres. Om de dakloze te helpen (…), moet het centrum bij de gemeente stappen ondernemen voor de schrapping van de vroegere inschrijving van de betrokkene (…).”
4. Het fictieve karakter van het referentieadres neemt niet weg dat daaruit een vermoeden van werkelijk verblijf in België kan worden afgeleid, omdat zodanig adres enkel kan worden bekomen door Belgen en door vreemdelingen die toegelaten of gemachtigd zijn om voor een langere termijn dan drie maanden in het Rijk te verblijven of die gemachtigd zijn zich er te vestigen (art. 1, §2 in samenlezing met art. 1, §1, 1° Wet 19 juli 1991). en waarvan dus mag worden vermoed dat zij in principe in het land verblijven Een referentieadres bij het OCMW van een gemeente kan daarenboven slechts bekomen worden indien men gewoonlijk vertoeft in die gemeente.
Verder mag niet uit het oog worden verloren dat de mogelijkheid voor personen zonder vaste verblijfplaats om zich in te schrijven op een referentieadres net werd ingevoerd om te vermijden dat mensen hun band met hun gemeentebestuur, en ruimer gesteld, met sociale en gerechtelijke instanties zouden verliezen (Parl. St. Kamer 1995-1996, nr. 122/1, 2-3; Adv.-Gen. WERQUIN, concl. Bij Cass. 19 april 2002, Arr. Cass. 2002, 1055-1056). De toekenning van een referentieadres bij het OCMW strekt in het bijzonder ertoe een betere integratie van deze personen in de maatschappij te verwezenlijken, en vooral, hun rechten op sociale uitkeringen te vrijwaren (Omzendbr. 24 mei 1997 betreffende de invoering van de mogelijkheid voor daklozen een referentieadres bij het OCMW te bekomen, BS 24 mei 1997; Omzendbr. 13 september 2006 betreffende daklozen – bevoegd OCMW – referentieadres – inschrijving en schrapping van een inschrijving, BS 12 oktober 2006. Zie ook Arbrb. Gent (10e k.) 8 april 2005, OCMW-Visies 2005, afl. 3, 60; Arbrb. Brussel 17 juni 2008, Soc. Kron. 2010, 110).
30 oktober 2008
Andere verjaringstermijn voor terugvordering van leefloon versus maatschappelijke dienstverlening in financiële vorm kan niet door de beugel
Het wetgevend kader
1. Artikel 24 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie (hierna : wet van 26 mei 2002) bepaalt de gevallen waarin het OCMW op de betrokkene het eefloon kan verhalen dat hem werd uitgekeerd :
"§ 1. Het leefloon uitgekeerd met toepassing van deze wet wordt op de betrokkene verhaald :
[…]
2° indien hij de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarvoor hem een leefloon werd uitbetaald. In dit geval is de terugvordering beperkt tot beloop van het bedrag waarvoor die inkomsten bij de berekening van het leefloon in aanmerking hadden moeten worden genomen indien hij er te dien tijde reeds de beschikking over zou hebben gehad. In afwijking van artikel 1410 van het Gerechtelijk Wetboek treedt het centrum van rechtswege en tot beloop van dat bedrag in de rechten die de begunstigde op de hierboven bedoelde inkomsten kan doen gelden.
[…]".
Buiten de in artikel 24, § 1, bedoelde gevallen, is geen enkele terugvordering van het leefloon bij de betrokkene mogelijk (artikel 24, § 2, van de wet van 26 mei 2002).
Artikel 29 van de wet van 26 mei 2002 bepaalt :
"§ 1. De terugvordering bedoeld in artikel 24, § 1 en de vordering bedoeld in artikel 27, eerste lid, verjaren overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.
[…]". Het betreft de tienjarige verjaringstermijn voor persoonlijke rechtsvorderingen.
Artikel 99 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna : wet van 8 juli 1976) voorziet in de mogelijkheid om de uitbetaalde maatschappelijke dienstverlening als volgt op de betrokkene te verhalen:
"§ 1. Wanneer een persoon de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarvoor hem hulp werd verleend door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, vordert dit laatste de kosten van de hulpverlening van hem terug tot beloop van het bedrag van de bovenbedoelde inkomsten, rekening houdende met de vrijgestelde minima. […]".
Artikel 102 van dezelfde wet bepaalt :
"De vordering tot terugbetaling bedoeld in de artikelen 98 en 99 verjaart overeenkomstig artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek." Het betreft een vijfjarige verjaringstermijn.
De prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof
3. De Arbeidsrechtbank te Brussel stelde het Grondwettelijk Hof een vraag over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 29, § 1, van de wet van 26 mei 2002, in zoverre het een verschil in behandeling creëert tussen de rechthebbenden op maatschappelijke integratie en de rechthebbenden op maatschappelijke dienstverlening, wat betreft de verjaringstermijn van de vordering tot terugbetaling van het recht dat werd uitbetaald aan een persoon die de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarin hem het recht op maatschappelijke integratie of het recht op maatschappelijke dienstverlening werd uitbetaald : terwijl de eerstgenoemden zijn onderworpen aan een verjaringstermijn van tien jaar, zijn de laatstgenoemden onderworpen aan een verjaringstermijn van vijf jaar. Het geschil voor de verwijzende rechter heeft betrekking op de terugbetaling van geldsommen die werden uitbetaald als bestaansminimum, en daarna als leefloon.
Het oordeel van het Hof: een discriminatie
4. Het Grondwettelijk Hof wijst erop dat vóór de aanneming van de wet van 26 mei 2002 de verjaringstermijn van de vordering tot terugbetaling van het uitgekeerde bestaansminimum – en, de verjaringstermijn van de vordering tot terugbetaling van de uitbetaalde maatschappelijke dienstverlening bouwt erop voort – werd vastgelegd onder verwijzing naar de vijfjarige verjaringstermijn bedoeld in artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek voor de periodieke schulden.
De kortere verjaring waarin artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek voorziet, wordt verantwoord door de bijzondere aard van de schuldvorderingen die zij beoogt : het gaat erom, wanneer de schuld betrekking heeft op de uitkeringen van inkomsten die bij het jaar of bij kortere termijnen betaalbaar zijn, ofwel de kredietnemers te beschermen en de schuldeisers tot zorgvuldigheid aan te zetten, ofwel te vermijden dat het totaalbedrag van de periodieke schuldvorderingen voortdurend aangroeit. De kortere verjaring maakt het ook mogelijk de schuldenaars te beschermen tegen de opeenstapeling van periodieke schulden die, na verloop van tijd, een aanzienlijke kapitaalschuld zouden kunnen worden.
5. De wet van 26 mei 2002 bepaalt dat de betrokkene, overeenkomstig de bij de wet gestelde voorwaarden, recht heeft op een leefloon in afwachting van een tewerkstelling in het kader van een arbeidsovereenkomst of een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie of ook wanneer hij wegens gezondheids- of billijkheidsredenen niet kan werken (artikel 10).
Overeenkomstig artikel 3 van diezelfde wet, moet de aanvrager van een leefloon aan een aantal voorwaarden voldoen; zo mag hij, onder andere, niet over toereikende bestaansmiddelen beschikken, noch er aanspraak op kunnen maken, noch in staat zijn deze hetzij door eigen inspanningen, hetzij op een andere manier te verwerven; daarnaast moet de aanvrager werkbereid zijn, onder voorbehoud van de bovenvermelde gezondheids- of billijkheidsredenen.
Het leefloon is een "geïndexeerd inkomen dat de persoon in staat moet stellen om een menswaardig bestaan te leiden" (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1603/001, p. 7).
Krachtens artikel 23, § 1, tweede lid, van de wet van 26 mei 2002 wordt het leefloon, na de eerste betaling die volgt op de aanvraag tot toekenning, betaald per week, per veertien dagen of per maand naar keuze van het centrum, zoals bepaald in de toekenningsbeslissing.
Het leefloon wordt dus toegekend in de vorm van periodieke betalingen.
De wet van 8 juli 1976 bepaalt dat elke persoon recht heeft op maatschappelijke dienstverlening (artikel 1). De wetgever kent hieraan een verstrekkende doelstelling toe door te bepalen dat zij tot doel heeft "eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid"; voor het overige preciseert de wetgever niet onder welke voorwaarden die maatschappelijke dienstverlening wordt toegekend.
Die dienstverlening, kan, overeenkomstig artikel 57 van de wet van 8 juli 1976, onder verschillende vormen worden toegekend, zoals hulp in contanten of in natura, en kan zowel van lenigende als van curatieve of preventieve aard zijn (artikel 57, § 1, tweede lid); de dienstverlening kan van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn (artikel 57, § 1, derde lid); bovendien is bepaald dat de materiële hulp in de meest passende vorm wordt verstrekt (artikel 60, § 3). Bovendien bepaalt artikel 60, § 3, tweede lid, van die wet, zoals gewijzigd bij artikel 58 van de wet van 26 mei 2002, dat de financiële hulpverlening bij beslissing van het centrum kan worden onderworpen aan de voorwaarden vermeld in de artikelen 3, 5° en 6°, 4, 11 en 13, § 2, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie; de financiële maatschappelijke hulp wordt meestal vastgelegd onder verwijzing naar de bedragen van het leefloon.
Hoewel de maatschappelijke dienstverlening niet noodzakelijk financieel of periodiek is, geven de artikelen 99, § 1, en 102, eerste lid, van de wet van 8 juli 1976 met de nodige aanpassingen de artikelen 12 en 15 weer van de wet op het bestaansminimum (Parl. St., Senaat, 1975-1976, nr. 581/1, p. 28) : ongeacht de vorm waarin de maatschappelijke dienstverlening wordt toegekend, heeft de wetgever dus ervoor gekozen de verjaring van de vordering tot terugbetaling van de kosten van de maatschappelijke dienstverlening af te stemmen op de kortere verjaring van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, zoals hij dat heeft gedaan voor de terugbetaling van het bestaansminimum, indien de persoon de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarin hem een dienstverlening werd toegekend door het OCMW.
6. Hoewel er tussen het stelsel van het recht op maatschappelijke integratie en dat van de maatschappelijke dienstverlening objectieve verschillen bestaan die betrekking hebben op zowel het doel en de toekenningsvoorwaarden als de aard en de omvang van de toegekende steun, kan de terugvordering in beide stelsels betrekking hebben op periodiek uitbetaalde geldsommen waarvan het bedrag toeneemt naarmate de tijd verstrijkt, en waarop, indien die sommen dienen te worden terugbetaald, in beginsel de kortere verjaringstermijn vastgelegd in artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek bijgevolg van toepassing zou moeten zijn.
Bij de aanneming van de wet van 26 mei 2002 werd in de parlementaire voorbereiding echter geen enkele verantwoording gegeven wat betreft de verlenging, van vijf tot tien jaar, van de verjaringstermijn van de vordering tot terugbetaling ten laste van de rechthebbende, in zoverre de in het geding zijnde bepaling verwijst naar de tienjarige verjaring bedoeld in artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek en niet meer, zoals dat het geval was in de wet van 7 augustus 1974 voor het bestaansminimum, naar de vijfjarige verjaring bedoeld in artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek.
Die afwijking van de in artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde kortere verjaringstermijn, die ten doel heeft de schuldenaars te beschermen tegen de opeenstapeling van periodieke schulden over een te lange periode, is in dergelijke omstandigheden niet verantwoord daar de terugvordering van het leefloon dat werd uitgekeerd tijdens een lange periode betrekking kan hebben op bedragen die, op termijn, een dermate grote schuld zijn geworden dat zij de schuldenaar zouden kunnen ruïneren, wat volledig in strijd zou zijn met de doelstelling zelf van maatschappelijke integratie die wordt nagestreefd door de wet van 26 mei 2002.
Het verschil in behandeling, wat de verjaringstermijn van de vordering tot terugbetaling betreft, tussen de rechthebbenden op een leefloon en de rechthebbenden op periodieke financiële maatschappelijke hulp of, algemeen genomen, het verschil in behandeling tussen de rechthebbenden op een leefloon die de uitbetaalde sommen dienen terug te betalen en de schuldenaars van periodieke schulden bedoeld in artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, is dus niet verantwoord.
Zie ook:
- integraal arrest nr. 147/2008, 30 oktober 2008.
25 oktober 2008
Cassatierechtspraak in sociale zaken: september 2008
Cass., P.08.0022.F, 3 september 2008, PDOS t./ B.D. e.a.
Arbeidsongeval – Overheidspersoneel – Wettelijke subrogatie
A la suite de l’accident sur le chemin du travail survenu le 20 septembre 1994 et qui coûta la vie à W. P., l’Etat belge, aux droits duquel se trouve le demandeur, a, en application des articles 1er et 14, § 2, de la loi du 3 juillet 1967 sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public, versé à la veuve de la victime une rente capitalisée s’élevant à la somme de 83.655,00 euros.
Le jugement attaqué constate que le défendeur a été condamné pour homicide involontaire et déclaré responsable de l’accident par le tribunal de police.
En vertu de l’article 14, § 3, de la loi précitée, le demandeur est subrogé de plein droit dans tous les droits, actions et moyens généralement quelconques que la victime ou ses ayants droit seraient en droit de faire valoir, conformément au § 1er, contre la personne responsable de l’accident du travail ou de la maladie professionnelle jusqu’à concurrence du montant des rentes et des indemnités prévues par ladite loi et du montant égal au capital représentatif de ces rentes.
Cette disposition assigne une double limitation à la subrogation qu’elle instaure. Le demandeur ne peut ni réclamer au tiers responsable davantage que les décaissements qu’il a effectués au profit de la victime ni lui demander plus que le montant de l’indemnité revenant à celle-ci en vertu du droit commun et couvrant le même dommage.
En vertu de l’article 14, § 1er, si elle n’avait pas bénéficié de la rente qui lui a été allouée par l’Etat belge, la veuve de la victime eût été en droit d’obtenir de l’auteur de l’accident la réparation du dommage résultant pour elle de la perte d’une partie de la pension de retraite dont son mari aurait bénéficié. Le montant de cette indemnité eût été déterminé sans que la pension de survie lui revenant puisse être prise en considération. La subrogation qu’instaure l’article 14, § 3, précité exclut que les décaissements effectués par le demandeur doivent rester définitivement à sa charge.
Cass., S.07.0033.F, 15 september 2008, RSZ t./ ARW e.a.
RSZ – globale vaststelling van bijdragen – onmogelijkheid om bijdragen op andere wijze vast te stellen
Overheidsaansprakelijkheid – Onzorgvuldige behandeling van het administratief dossier - Fout
Il résulte des articles 21, 22 et 22bis de la loi du 27 juin 1969 révisant l’arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs que le demandeur ne peut établir globalement le montant des cotisations dont l’employeur est débiteur que dans le cas où il est impossible de déterminer ce montant de manière plus précise. Cette impossibilité suppose, comme le prévoit l’article 22 de la loi, qu’en l’absence de tous éléments qui seraient déjà en sa possession, le demandeur n’ait pu recueillir tous les renseignements qu’il juge utiles au calcul des cotisations auprès de l’employeur qui n’a pas respecté les obligations édictées par l’article 21.
Par les considérations d’où l’arrêt déduit que le demandeur n’apporte pas la preuve, pour chaque travailleur concerné, du nombre de remorquages effectués sur la base des factures établies, il a pu décider, sans violer les articles 21, 22 et 22bis précités, que le demandeur n’était pas, contrairement à ce que celui-ci affirme, dans l’impossibilité d’établir le montant des cotisations d’une manière autre que globale.
L’arrêt, qui relève que « l’enquête administrative [du demandeur] n’a été que fort restreinte, voire bâclée » et « qu’un élément important d’appréciation manque donc au dossier suite à la négligence, voire la désinvolture » du demandeur, qui déplore « ‘l’amateurisme’ dont [celui-ci] a fait preuve dans ce dossier » et qui observe que le demandeur « ne maîtris[e] pas entièrement un dossier bâclé », constate qu’il a commis une faute dans l’exercice de l’action qu’il a dirigée contre les défenderesses.Même si cette action n’a pas mis en péril leur situation financière, l’arrêt n’en admet pas moins que les frais d’avocat, que les défenderesses ont dû exposer, compte tenu de la technicité du dossier, en raison de cette faute, leur ont causé un préjudice qu’il évalue à 10.000 euros. Par ces considérations, l’arrêt, qui constate l’existence d’une faute, d’un dommage et d’un lien de causalité, justifie légalement sa décision de condamner le demandeur au paiement de la somme susmentionnée.
Cass., S.07.0095.N22 september 2008, A.R. t./ OCMW Holsbeek
Maatschappelijke integratie – Leefloon – (Vrijstelling van) Werkbereidheidsvereiste - Studeren
Krachtens artikel 2, eerste lid, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, heeft elke persoon recht op maatschappelijke integratie. Krachtens artikel 3, 4°, van die wet, moet de persoon om het recht op maatschappelijke integratie te kunnen genieten, tegelijkertijd en onverminderd de bijzondere voorwaarden die bij deze wet worden gesteld, niet over toereikende bestaansmiddelen beschikken, noch er aanspraak kunnen op maken, noch in staat zijn deze hetzij door eigen inspanningen, hetzij op een andere manier te verwerven.
Krachtens artikel 3, 5°, van zelfde wet, moet de persoon om het recht op maatschappelijke integratie te kunnen genieten ook werkbereid zijn, tenzij dit om gezondheids- of billijkheidsredenen niet mogelijk is.
De regel van artikel 3, 4°, van voormelde wet krachtens dewelke, om het recht op maatschappelijke integratie te kunnen genieten, de betrokken persoon niet in staat mag zijn door eigen inspanningen toereikende bestaansmiddelen te verwerven, geldt niet wanneer, om billijkheidsredenen, moet aanvaard worden dat de betrokkene geen blijk dient te geven van werkbereidheid.
De enkele omstandigheid dat een persoon van meer dan 25 jaar, die blijk heeft gegeven in de mogelijkheid te verkeren om, op duurzame wijze en in het kader van een passende functie, toereikende bestaansmiddelen te verwerven en derhalve blijk heeft gegeven van maatschappelijke integratie, opnieuw studies wenst aan te vatten, verder te zetten of te hervatten, kan niet worden aangezien als een billijkheidsreden van aard de betrokkene van werkbereidheid te ontslaan, ook al
zouden deze studies van aard zijn zijn beroepsmogelijkheden te vergroten of hem toe te laten een hoger loon te verdienen.
De appelrechters stellen vast dat de eiser, die geboren is op 29 september 1978 en met ingang van 16 september 2004 leefloon aanvroeg om aangevatte studies verder te zetten, in staat was door zijn inspanningen bestaansmiddelen te verwerven, nu hij gedurende meer dan vier jaar in loondienst heeft gewerkt.
Zij oordelen dat:
- artikel 3, 5°, van de wet van 26 mei 2002 bepaalt dat de aanvrager werkbereid moet zijn, tenzij dit om gezondheids- of billijkheidsredenen niet mogelijk is;
- uit de beschrijving van de door de eiser uitgeoefende functie niet blijkt dat deze functie voor hem niet passend was;
- de eiser, na vier jaar werken, kon opteren om opnieuw te studeren teneinde zijn ambities waar te maken, zijn beroepsmogelijkheden te vergroten en een hoger loon te verdienen, maar dat deze ambitie niet moet betaald worden door de gemeenschap en dat het voortzetten van die studies geen billijkheidsreden is in de zin van artikel 3, 5°, van voormelde wet, die de eiser ontslaat van zijn plicht tot werkbereidheid.
Op deze gronden vermochten de appelrechters, zonder schending van het artikel 3, 5°, van de wet 26 mei 2002, te oordelen dat de eiser niet voldeed aan de in dit artikel vermelde voorwaarde om het recht op maatschappelijke integratie en leefloon te kunnen genieten.
Cass., S.07.0103.N, 22 september 2008, RSZ t./ Insurance Company Verstraeten
RSZ – Betaling bijdragen – Verjaring
RSZ – Bijdragevermindering voor nieuw in dienst genomen werknemer –Getuigschrift als voorwaarde voor bijdragevermindering
Krachtens artikel 42, eerste lid, van de RSZ-wet, verjaren de schuldvorderingen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op de werkgevers die onder deze wet vallen, na vijf jaar.
Krachtens artikel 34, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van zelfde wet, is het bedrag van de bijdragen door de werkgever aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verschuldigd op de navolgende vier data van elk jaar: 31 maart, 30 juni, 30 september en 31 december. Krachtens het voorlaatste lid van artikel 34 van hetzelfde koninklijk besluit, dienen de bijdragen die voor het verstreken kwartaal verschuldigd zijn, uiterlijk de laatste dag van de maand na dit kwartaal te worden betaald. Uit deze bepalingen volgt dat het recht van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid om een vordering in te stellen tot betaling van de bijdragen voor het verstreken kwartaal, slechts ontstaat na het verstrijken van de in het voorlaatste lid
van het artikel 34 bepaalde termijn en dat de verjaringstermijn derhalve slechts op dat ogenblik ingaat.
Krachtens artikel 127bis, eerste lid, van de Programmawet van 30 december 1988, zoals te dezen van toepassing, moet de werkgever, om te genieten van een tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid ter bevordering van de tewerkstelling, zoals dit voordeel voorzien is in het hoofdstuk VII van deze wet, voor de werkgevers bedoeld in de artikelen 118, §1, 1°, 2°, 3° en 6° en 119, a en c, van dezelfde wet, bij het bevoegd gewestelijk bureau van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, een getuigschrift verkrijgen waaruit blijkt
dat deze werknemer voldoet aan de voorwaarden vereist voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk.
Krachtens artikel 127bis, tweede lid, van dezelfde wet, bepaalt de Koning de voorwaarden, de nadere regelen en de termijnen binnen welke de werkgevers dit getuigschrift moeten aanvragen.
Krachtens artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 tot uitvoering van artikel 127 bis van de Programmawet van 30 december 1988, zoals te dezen van toepassing, moet het getuigschrift dat aan de werknemers toelaat te genieten van de toepassing van de artikelen 114 tot 131 van voormelde Programmawet, voor de werknemers bedoeld in de artikelen 118, §1, 1°, 2°, 3° en 6° en 119, a en c, van dezelfde wet, bij het bevoegde gewestelijk bureau van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening worden aangevraagd ten laatste de dertigste dag die volgt op de dag van het begin van de tewerkstelling.
Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat de werkgever, die nalaat, binnen de termijn bepaald in artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 voor de werknemers bedoeld in de artikelen 118, §1, 1°, 2°, 3° en 6° en 119, a en c, van de Programmawet van 30 december 1988, bij het bevoegde gewestelijk bureau het in dit artikel bedoeld getuigschrift aan te vragen, het recht verliest om het voordeel van hoofdstuk VII van zelfde wet te genieten.
De appelrechters oordelen dat het bedoeld getuigschrift slechts een bewijsinstrument is, dat door de wetgever werd aangereikt met de bedoeling zekerheid en eenvoud te bewerkstelligen omtrent het bewijs dat de in dienst genomen werknemer de noodzakelijke in de Programmawet gestelde voorwaarden vervult om voor de werkgever het recht op bijdragevermindering te openen, maar
waarvan het gebruik niet verplicht werd opgelegd. De appelrechters geven aldus te kennen dat de door de eiser aangevoerde omstandigheid dat de verweerster het bedoelde getuigschrift niet tijdig had aangevraagd, niet het verlies meebracht van het recht om het voordeel te genieten van een tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen. Door aldus te oordelen schenden de appelrechters artikel 127bis van de Programmawet van 30 december 1988 en artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991, zoals te dezen van toepassing.
Het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet neergelegde gelijkheidsbeginsel houdt niet in dat uit de enkele omstandigheid dat een overheidsinstelling in bepaalde gevallen en zonder verantwoording nalaat aan het niet vervullen van een door de wet voorziene formaliteit de door deze wet voorziene gevolgen te verbinden, rechten kunnen worden geput door een derde, die heeft nagelaten dezelfde formaliteit te vervullen.
De appelrechters oordelen dat, nu de eiser, de Rijksdienst voor sociale zekerheid, in bepaalde gevallen het verstrijken van de termijn van dertig dagen om het attest C63 aan te vragen aangrijpt om de bijdrageverminderingen te annuleren en in andere gevallen niet en hij aldus werkgevers, die zich in een zelfde uitgangspositie bevinden, ongelijk behandelt zonder hiervoor enige verantwoording te geven, het niet naleven door de verweerster van de termijn voor het indienen van bedoeld getuigschrift de beslissing om de bijdrageverminderingen te annuleren niet kan rechtvaardigen.
Door aldus te oordelen, terwijl het niet naleven van de termijn voor het aanvragen van het getuigschrift wettelijk het verlies impliceert van het recht om het voordeel van hoofdstuk VII van de Programmawet van 30 december 1988 te genieten, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.
Cass., S.07.0119.N, 22 september 2008, Vlaamse Gemeenschap t./ VG
Arbeidsongevallen – Overheidspersoneel – Schade aan prothese
Luidens artikel 3ter, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, heeft het slachtoffer recht op de herstellings- en vervangingskosten van de prothese waaraan het ongeval schade heeft veroorzaakt.
De schade aan de prothese komt voor vergoeding in aanmerking wanneer de schade zich voordoet tijdens de uitvoering van het werk, zonder dat vereist is dat het slachtoffer op dat ogenblik van de prothese gebruik maakte.
Het middel dat ervan uitgaat dat een prothese enkel voor vergoeding in aanmerking komt wanneer die op het ogenblik van de beschadiging gebruikt werd door het slachtoffer, berust op een verkeerde rechtsopvatting.
Mede gelet op het bovenstaande, berust het middel dat er van uitgaat dat de prothese niet voor vergoeding in aanmerking komt, wanneer die prothese zich omwille van de uitvoering van het werk in een ander lokaal bevindt dan waar de arbeid wordt uitgevoerd, op een verkeerde rechtsopvatting.
Cass., S.08.0010.F, 29 september 2008, RVA t./ S.B.
Werkloosheid – Terugvordering onterecht betaalde uitkeringen - Verjaring
Overeenkomstig artikel 7, § 13, eerst alinea, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, verjaren de vorderingen tot betaling van werkloosheidsuitkeringen na drie jaar. Deze termijn vangt aan de eerste dag van het trimester van het burgerlijke jaar dat volgt op het trimester waarop de uitkeringen betrekking hebben.
Deze verjaringstermijn betreft niet het recht van de RVA om de terugvordering van onterecht betaalde uitkeringen te bevelen en de vorderingen die de uitbetalingsinstellingen instellen met het oog op deze terugvordering.
06 juli 2008
Cassatierechtspraak in sociale zaken: mei 2008/deel1
Cass., S.06.0034.F, 5 mei 2008 (DR t./ Belgische Staat)
Arbeidsovereenkomst - Verjaring
Overeenkomstig artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet varjaren vorderingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst door verloop van één jaar na het einde van de overeenkomst of vijf jaar na het feit waarop de vordering is gesteund, zonder dat deze laatste termijn één jaar na het einde van de overeenkomst mag overschrijden. Deze bepaling is van toepassing op vorderingen betreffende de uitvoering van verplichtingen die hun bron vinden in de arbeidsovereenkomst.
Door te overwegen dat de vordering gegrond is op verplichtingen die de werkgever op zich heeft genomen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, ook al werden deze in omzendbrieven van reglementaire aard bepaald, rechtvaardigt de feitenrechter zijn beslissing dat de vordering haar oorsprong vindt in de arbeidsovereenkomst, ook al bevindt de juridische oorzaak zich niet in de bedingen van de overeenkomst, zodat de verjaringstermijn van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet van toepassing is.
Cass., S.06.0036.F, 5 mei 2008, DD t/ Suez-Tractebel
Arbeidsovereenkomst – Verjaring
Overeenkomstig artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet varjaren vorderingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst door verloop van één jaar na het einde van de overeenkomst of vijf jaar na het feit waarop de vordering is gesteund, zonder dat deze laatste termijn één jaar na het einde van de overeenkomst mag overschrijden. Deze bepaling is van toepassing op vorderingen betreffende de uitvoering van verplichtingen die hun bron vinden in de arbeidsovereenkomst.
Het arrest van de feitenrechter stelt vast dat de partijen verbonden door een arbeidsovereenkomst bij de beëindiging hiervan een overeenkomst hebben gesloten die bepaalt dat de werknemer het recht heeft deel te nemen aan het aandelenoptieplan die de werkgever zou uittekenen voor de leden van het directiecomité. Door te overwegen dat de vordering die ertoe strekt de uitvoering van deze overeenkomst af te dwingen, onderworpen is aan artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet schendt de feitenrechter deze bepaling. De overeenkomst werd immers aangegaan bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en vindt hierin niet haar oorsprong.
Cass., S.07.0004.N,19 mei 2008 (RSZ t./ JM)
1. Arbeidsovereenkomst – Arbeid
2. RSZ-wet – toepassingsgebied – Occasionele arbeid
1. Krachtens artikel 2 van de Arbeidsovereenkomstenwet, is een arbeidsovereenkomst voor werklieden, de overeenkomst waarbij een werknemer, de werkman, zich verbindt, tegen loon en onder gezag van een werkgever in hoofdzaak handarbeid te verrichten. Als arbeid in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet dient te worden aangezien, de arbeid die een werknemer die zich daartoe bij overeenkomst heeft verbonden, tegen loon en onder het gezag van een werkgever verricht, onverschillig of de aldus gepresteerde arbeid in tijd en omvang beperkt is.
De appelrechters die de door arbeiders tegen loon en onder het gezag van de verweerder gepresteerde arbeid uit het toepassingsveld van de Arbeidsovereenkomstenwet sluiten op grond van de vaststelling dat die arbeid in tijd en omvang beperkt was, schenden artikel 2 van deze wet.
2. Krachtens artikel 1, §1, eerste lid, van de RSZ-wet is die wet van toepassing op de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden. Krachtens artikel 2, §1, 4°, van zelfde wet, kan de Koning, bij in Ministerraad overgelegd besluit, en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, aan de toepassing van deze wet onttrekken de categorieën van werknemers, tewerkgesteld aan een arbeid die voor hen een bijkomstige betrekking is of die wezenlijk van korte duur is, evenals de werkgevers uit hoofde van de tewerkstelling van die werknemers.
Krachtens het artikel 16, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de RSZ-wet worden aan de toepassing van de wet onttrokken de werknemers die occasionele arbeid verrichten, evenals de werkgevers uit hoofde van die werknemers.
Krachtens het tweede lid van hetzelfde artikel, wordt beschouwd als occasionele arbeid, de arbeid verricht voor de behoeften van de huishouding van de werkgever of van zijn gezin, voor zover die arbeid niet meer bedraagt dan acht uren per week bij één of verschillende werkgevers.
De appelrechters die de door werknemers geleverde prestaties uit het toepassingsveld sluiten van de RSZ-wet op grond van de beperkte en occasionele aard van die prestaties, zonder vast te stellen dat het prestaties zijn in de zin van artikel 16, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, schenden de in het onderdeel vermelde wettelijke bepalingen.
Cass., S.07.0078.N, 19 mei 2008 (PG t./ OCMW Oostende)
Maatschappelijke dienstverlening – Leefloon – Onderscheiden rechtsregeling
De wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie, zijn niet van toepassing op de maatschappelijke dienstverlening door het O.C.M.W. die wordt geregeld door de Organieke Wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Cass., S.07.0068.N, 19 mei 2008 (Flightcare t./ ACV)
1. Ontslag – Overmacht – Onderscheid
2. Antidiscriminatiewet – Stakingsvordering – Oordeel over al dan niet beëindiging arbeidsovereenkomst
1. Het ontslag is de handeling waarbij de werkgever aan de werknemer ter kennis brengt dat hij de arbeidsovereenkomst beëindigt. De vaststelling dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd wegens overmacht is niet gelijk te stellen met een ontslag. Indien de als overmacht ingeroepen feiten geen overmacht uitmaken, heeft de werkgever in de voormelde omstandigheden niet zijn wil uitgedrukt zelf de arbeidsovereenkomst te beëindigen.
Als de werkgever zich ten onrechte op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht beroept, kan de werknemer dit beschouwen als een onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Bij betwisting van de overmacht staat het dan aan de werknemer de eenzijdige onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever vast te stellen. Bij gebreke hiervan blijft de arbeidsovereenkomst dan in beginsel bestaan.
2. Artikel 19, §1, van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van de discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, hierna genoemd Antidiscriminatiewet, voor de opheffing ervan bij artikel 51 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie bepaalt dat, op verzoek van het slachtoffer of van een van de bij artikel 31 van die wet bedoelde groeperingen, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg of, naar gelang de aard van de daad, de voorzitter van de arbeidsrechtbank of van de rechtbank van koophandel, het bestaan vaststelt van een zelfs onder het strafrecht vallende daad waardoor de bepalingen van die wet worden overtreden en de staking ervan beveelt.
Krachtens artikel 587bis, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen door artikel 28 van de voormelde Antidiscriminatiewet en voor de vervanging ervan door artikel 10 van de wet van 10 mei 2007 tot aanpassing van het Gerechtelijk Wetboek aan de wetgeving ter bestrijding van discriminatie en tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, doet de voorzitter van de arbeidsrechtbank uitspraak over de vorderingen tot staking en legt hij de maatregelen van openbaarmaking van zijn beslissing op die hij nodig acht.
Uit die wetsbepalingen volgt dat de voorzitter van de arbeidsrechtbank die moet oordelen over een vordering van een werknemer tot staking van discriminerende verhindering door de werkgever van zowel de uitvoering van de arbeidsovereenkomst als van een syndicaal mandaat, bevoegd is te oordelen over het door de werkgever ingeroepen verweer dat de arbeidsovereenkomst beëindigd werd door voorhanden zijnde overmacht of ingevolge ontslag als relevant gegeven bij de beoordeling van de gevorderde maatregelen om de discriminatoire handelingen te doen ophouden.
Het arrest van het Arbeidshof te Brussel stelt vast dat de verweerders in hoofdzaak beogen het bestaan te horen vaststellen van jegens hen discriminatoire prakrijken uitgaande van de nv B.G.S., rechtsvoorganger van de eiseres, waaronder de inhouding van de badge, de verhindering van de mandaten van personeelsafgevaardigde, de verhindering van de toegang tot de werkomgeving en de verhindering van de uitoefening van de bedongen arbeid en de staking ervan te horen bevelen onder verbeurte van een dwangsom van 10.000 euro per dag.
Aldus was het noodzakelijk voor het nut van de gevorderde stakingsmaatregelen te onderzoeken en te beslissen of er overmacht was en of de arbeidsovereenkomst al dan niet was beëindigd, zodat het arbeidshof bevoegd was daarover te oordelen in het kader van de stakingsvordering.