Posts tonen met het label zorgverzekering. Alle posts tonen
Posts tonen met het label zorgverzekering. Alle posts tonen

16 juli 2009

Het werkgelegenheids- en sociaal beleid van een "daadkrachtig Vlaanderen"

Het Vlaams regeerakkoord 2009-2014 met als titel "Een daadkrachtig Vlaanderen in beslissende tijden" kan worden geraadpleegd door hier te klikken.

Naast het hoofdstuk over het werkgelegenheidsbeleid (pp. 12-19), springt volgende passage in het oog (p.65):

"Een vernieuwd sociaal beleid

Om een krachtig en vernieuwd sociaal beleid gestalte te geven zal een basisdecreet met betrekking tot de Vlaamse sociale bescherming worden gerealiseerd.Dit basisdecreet bevat alvast volgende onderdelen:
• de bestaande zorgverzekering;
• een systeem van maximumfactuur in de thuiszorg;
• een Vlaamse hospitalisatieverzekering;
• een nieuwe regeling voor de financiële ondersteuning van kinderen;
• een nieuw systeem van begrenzing van de kosten in de residentiële ouderenzorg.

De financiële toegankelijkheid van de zorg wordt gevrijwaard door een consolidatie van de Vlaamse zorgverzekering. De langetermijnprognoses voor de financiële leefbaarheid van de zorgverzekering worden jaarlijks geactualiseerd en opgevolgd, met bijzondere aandacht voor de toestand van het reservefonds. Het systeem van maximumfactuur in de thuiszorg, zoals voorzien in het Woonzorgdecreet wordt uitgevoerd. Er wordt onmiddellijk werk gemaakt van het inkomensgerelateerd maken van de bijdrage voor een aantal thuiszorgdiensten.

Elke Vlaming heeft recht op een Vlaamse basishospitalisatieverzekering. Deze verzekering gaat uit van een hospitalisatie in een tweepersoonskamer en moet voor iedereen betaalbaar zijn. Met het oog op het beheersen van de kosten zullen met de betrokken actoren - waaronder ziekenhuizen, ziekenfondsen, verzekeraars, artsen - concrete afspraken gemaakt worden.

De nieuwe Vlaamse regeling van financiële ondersteuning van kinderen zal bestaan uit:
a) een nieuwe, in te voeren financiële tegemoetkoming voor kinderen bij geboorte en naar aanleiding van hun eerste en tweede jaar. Dit recht wordt geëffectueerd bij inschrijving bij Kind en Gezin;
b) de verhoogde schooltoelage vanaf 3 jaar, die geëffectueerd wordt door de inschrijving in het kleuter-, lager of secundair onderwijs.

Een nieuw systeem van begrenzing van de kosten voor residentiële ouderenvoorzieningen moet ertoe leiden dat de kostprijs van deze voorzieningen gereglementeerd wordt en heeft op termijn tot gevolg dat de kostprijs voor de resident het inkomen niet overschrijdt."

07 juni 2009

Een sociale zekerheid met vier pijlers, ook wel "la sécurité sociale à la flamande"


door K. Nevens

1.
Met de politieke partij NVA van Bart De Wever als één van de overwinnaars van de Vlaamse en Europese verkiezingen van 7 juni 2009, worden de plannen voor een "Vlaamse kinderbijslag" en een "Vlaamse hospitalisatieverzekering" weer iets concreter. Beide voorstellen maakten immers een belangrijk deel uit van het programma waarmee deze partij naar de Vlaamse kiezer stapte. De argumenten "méér kinderbijslag (voor Vlamingen)" en "voor iedereen (in Vlaanderen) een hospitalisatieverzekering, ook de (Vlaamse) senioren", konden die kiezer blijkbaar bekoren.

De NVA lijkt met haar voorstellen op een geruisloze wijze een soort van Vlaamse sociale zekerheid te willen uitbouwen, die haar plaats zou innemen tussen de wettelijke federale sociale zekerheid (de zogeheten eerste pijler) en de aanvullende sociale zekerheid (de tweede pijler, op bedrijfsniveau - en derde pijler, op individueel niveau). Men zou kunnen spreken van een vierde pijler, of een pijler één-bis. De Vlaamse zorgverzekering was hiertoe reeds een eerste aanzet. Het juridisch getouwtrek met betrekking tot deze laatste verzekering geeft echter ook aan dat de implementatie van NVA's voorstellen heel wat voeten in de aarde zouden kunnen hebben.

2. De eerste vraag die natuurlijk rijst is of Vlaanderen bevoegd is om een verplichte kinderbijslag- en/of hospitalisatieregeling in te voeren, wetende dat de sociale zekerheid volgens artikel 6, §1, VI, vijfde lid, 12° van de BWHI een federale bevoegdheid is. Het is immers blijkbaar niet de bedoeling om deze materies te regionaliseren, hoewel het bijvoorbeeld geweten is dat voormalig eerste minister Yves Leterme wat betreft de kinderbijslag hiervan een duidelijke voorstander is.

Het arrest van het Grondwettelijk Hof van 13 maart 2001 (nr. 33/2001) biedt een leidraad ter beantwoording van de bevoegdheidsvraag. In dit arrest overwoog het Hof meer bepaald dat "de Grondwetgever en de bijzondere wetgever de gemeenschappen de hele materie betreffende de bijstand aan personen als persoonsgebonden aangelegenheden wilden toevertrouwen en dat die met name de hulp en bijstand aan gezinnen, het beleid inzake maatschappelijk welzijn, het beleid inzake mindervaliden en het bejaardenbeleid omvat." Het Hof voegde daar aan toe dat het niet uitmaakt dat "de wetgever heeft gekozen voor een stelsel van verzekering, aansluiting, bijdragen en risicocompensatie. Het gaat hierbij om modaliteiten die de bevoegde overheid vermag vast te leggen zonder dat die keuze het beginsel van haar bevoegdheid in het gedrang kan brengen".

Uiteindelijk concludeerde het Hof dan ook dat "de maatregelen waarmee de gemeenschap een sociale zekerheidsregel wil wijzigen, ze wil vervangen, ervan wil afwijken of ze wil opheffen zouden als een overschrijding van de gemeenschapsbevoegdheid moeten worden beschouwd. Maar een gemeenschap overschrijdt haar bevoegdheden niet indien zij, bij de uitoefening van de bevoegdheden die haar inzake de bijstand aan personen zijn toegewezen, aan een aantal personen een bijzondere bijstand toekent, onderscheiden van de bijstand toegekend in het kader van het door de federale overheid georganiseerde socialezekerheidsstelsel, en zonder te raken aan een aan die overheid voorbehouden materie."

In arrest nr. 11/2009 nuanceert het Hof echter haar uitspraak door erop te wijzen dat zij wat betreft de zorgverzekering daarmee niet gezegd heeft dat er op federaal niveau geen regeling zou kunnen worden ingevoerd, die dan als een deel van de sociale zekerheid is te beschouwen. In het licht van deze 'verduidelijking' kan men zich afvragen of de Vlaamse gemeenschap niet te ver zou gaan door een kinderbijslag of -hospitalisatieregeling uit te werken wetende dat zo'n regeling al bestaat op federaal niveau (zij het dat de ZIV-wet de hospitalisatiekosten maar in zeer beperkte mate dekt). Het Hof lijkt in zijn recent arrest over de zorgverzekering immers te willen insinueren dat wanneer de federale overheid zijn bevoegdheid op vlak van sociale zekerheid heeft uitgeput, de gemeenschappen zich terughoudend moeten opstellen.

3. Bij de uitwerking van een Vlaamse kinderbijslag- en/of hospitalisatieverzekering zal natuurlijk ook rekening moeten worden gehouden met het EG-recht, en meer bepaald de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake de Vlaamse zorgverzekering (i.e. arrest C-212/06). Het is ondertussen geweten dat het in strijd is met het vrij verkeer van werknemers om aan een EU-onderdaan (met inbegrip van elke Belg), die gedurende een zekere periode in een andere EU-lidstaat heeft gewerkt, de toegang tot de Vlaamse zorgverzekering te weigeren wanneer hij terugkeert naar ons land, ook al vestigt hij zich in de franse of duitse gemeenschap.

Men zou kunnen opperen dat Vlaanderen er beter aan doet de toegang tot de verzekeringen te laten afhangen van de plaats van tewerkstelling in plaats van de woonplaats van de rechtsonderhorige. Dat dit laatste criterium in sociale zaken soms nogal vreemd aandoet, bewijst bijvoorbeeld de Vlaamse jobkorting, waarvan heel wat in Brussel werkende Vlamingen konden genieten, terwijl hun Waalse collega's daar naar mochten fluiten. Op internationaal vlak wordt niet zonder reden vaak geopteerd voor het werklandbeginsel (Zie bijv. V° 1408/71 inzake de coördinatie van sociale zekerheid, en Verdrag van Rome inzake het recht van toepassing op overeenkomsten, onder andere bij grensoverschrijdende tewerkstelling).

Het Grondwettelijk Hof heeft echter reeds lang geleden - op grond van het woonplaatsbeginsel - gekozen voor exclusieve bevoegdheidssferen. Het zou de franstalige partijen immers nóg meer tegen de borst stoten dat een Waalse burger of Waalse onderneming die werkt of laat werken in Vlaanderen onderworpen zou zijn aan een Vlaamse regeling. In arrest nr. 10/86 inzake het Vlaamse Taaldecreet overwoog het Hof dan ook dat "aangezien het criterium, plaats van tewerkstelling van het personeel, slechts één van de partijen bij de sociale betrekkingen binnen het bedoelde bevoegdheidsgebied lokaliseert te weten het personeel en niet zoals grondwettelijk vereist, de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel" zelf, kan het de grondwettigheidstoets niet doorstaan."

4. Tenslotte moet toch ook de vraag worden gesteld hoe 'sociaal' de Vlaamse sociale zekerheid zal zijn, zo zij er ooit komt. Mogelijk kiest de Vlaamse gemeenschap - naar voorbeeld van de zorgverzekering - voor een bijdrage ten laste van de verzekerde. Men merke toch op dat de kinderbijslag voor werknemers één van de takken van de sociale zekerheid is die op dit ogenblik exclusief door de werkgevers wordt gefinancierd. De werknemersbijdrage voor de RSZ bevat dus geen bijdrage voor de kinderbijslagregeling (zie art. 17 RSZ-wet). Het is daarenboven de socialezekerheidsregeling bij uitstek waar er financiële overschotten zijn, door het dalend aantal geboortes sinds de "babyboom" van de jaren vijftig en zestig.

Zo'n bijdrage is dus niets minder dan een nieuwe pseudo-belasting, die - mocht zij een forfaitair karakter hebben - daarenboven niet echt sociaal kan worden genoemd. De extra Vlaamse kinderbijslag zou de Vlaming dus wel wat kunnen kosten. Men kan zich ook afvragen of de gemiddelde Vlaming, die via zijn werkgever van een hospitalisatieverzekering kan genieten, zit te wachten op een bijdrageplichtige Vlaamse hospitalisatieverzekering, hetgeen natuurlijk niet afdoet aan het reëel maatschappelijk probleem dat erin bestaat dat heel wat werkenden en niet-werkenden zich geen deugdelijke hospitalisatieverzekering (meer) kunnen permitteren. Hoe dan ook, autonomie heeft duidelijk een prijs...

De Vlaamse gemeenschap zou natuurlijk ervoor kunnen opteren deze verzekeringen rechtstreeks te bekostigen via de bestaande begrotingsmiddelen. Zonder individuele bijdrage kan er dan niet echt van een verzekering gesproken worden, al zal het Hof van Justitie daar zeker niet over struikelen om de regeling(en) als een vorm van sociale zekerheid te beschouwen, die val(t)(en) onder Verordening 1408/71. In de zaak Hughes (C-78/91) oordeelde het Hof bijvoorbeeld dat "de omstandigheid dat de toekenning van de uitkering niet afhankelijk is van premie- of bijdragebetaling, niet af(doet) aan de kwalificatie ervan als sociale-zekerheidsuitkering. De wijze van financiering van een uitkering is immers irrelevant voor de kwalificatie ervan als sociale-zekerheidsuitkering, zoals blijkt uit het feit dat uitkeringen die niet op premie- of bijdragebetaling berusten, ingevolge artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1408/71 niet uit de werkingssfeer van de verordening zijn uitgesloten."

23 januari 2009

Grondwettelijk Hof rondt zaak betreffende Vlaamse zorgverzekering af met vernietiging

door K. Nevens

1. In arrest nr. 2009/11 heeft het Grondwettelijk Hof een vervolg gebreid aan haar eigen arrest nr. 51/2006 en aan arrest C-212/06 van het Hof van Justitie. Dit laatste Hof had op 1 april 2008 naar aanleiding van een prejudiciële vraag van het Grondwettelijk Hof, geoordeeld dat artikel 4, §2ter van het Zorgverzekeringsdecreet (30 maart 1999), zoals ingevoegd bij decreet van 30 april 2004, in strijd is met het de Europeesrechtelijke bepalingen inzake het vrij verkeer van werknemers (Zie een eerder blogbericht).

Ter verduidelijking, het artikel 4, §2ter bepaalt dat “elke persoon, die niet in België woont, en voor wie uit eigen recht, omwille van tewerkstelling in het Nederlandse taalgebied, op grond van de aanwijzingsregels van verordening (EEG) nr. 1408/71, het sociale-zekerheidsstelsel van België van toepassing is, moet aangesloten zijn bij een krachtens dit decreet erkende zorgkas. De bepalingen van dit decreet met betrekking tot de personen, bedoeld in § 1, zijn van overeenkomstige toepassing. Elke persoon, die niet in België woont, en voor wie uit eigen recht, omwille van tewerkstelling in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, op grond van de aanwijzingsregels van verordening (EEG) nr. 1408/71, het sociale-zekerheidsstelsel van België van toepassing is, kan vrijwillig aansluiten bij een krachtens dit decreet erkende zorgkas. De bepalingen van dit decreet met betrekking tot de personen, bedoeld in § 2, zijn van overeenkomstige toepassing”. Het waren de Franse Gemeenschapsregering en de Waalse regering die de vernietiging van deze decretale bepaling hadden verzocht.

2. Het Grondwettelijk Hof brengt in herinnering dat de bestreden bepaling tot gevolg heeft dat personen, met inbegrip van de staatsburgers van andere lidstaten, die in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad werken maar die wonen in het Franse of het Duitse taalgebied, van het toepassingsgebied van het decreet zijn uitgesloten, en wijst vervolgens erop dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen twee situaties : die van de staatsburgers van de andere lidstaten van de Europese Gemeenschap en van de Belgische staatsburgers die gebruik hebben gemaakt van hun recht van vrij verkeer van personen binnen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en die van de Belgische staatsburgers die geen gebruik hebben gemaakt van hun recht van vrij verkeer van personen binnen de Europese Gemeenschap, anderzijds.

Met betrekking tot de eerste categorie volgt het Grondwettelijk Hof de uitspraak van het Hof van Justitie. De beoordeling met betrekking tot de tweede categorie, die volgens het Hof van Justitie een zuiver interne aangelegenheid is, geeft dan weer aanleiding tot enkele beschouwingen omtrent de bevoegdheidsverdeling tussen de federale staat en de gemeenschappen op het vlak van sociale zekerheid en daarmee aanverwante materies. Het Grondwettelijk Hof herhaalt dat de regeling inzake de zorgverzekering een persoonsgebonden aangelegenheid is die tot de bevoegdheden van de gemeenschappen behoort en het woonplaatscriterium door de beugel kan. Meer zelfs, het Hof zegt duidelijk dat de Vlaamse decreetgever in beginsel niet bevoegd is om een stelsel van zorgverzekering aan te nemen dat van toepassing zou zijn op personen die niet wonen op het grondgebied waarvoor hij bevoegd is.

3. Het Grondwettelijk Hof buigt zich vervolgens over de vraag of er zodoende geen discriminatie ontstaat tussen Walen die geen gebruik hebben gemaakt van het vrij verkeer van werknemers binnen de EG en zij die dit wel hebben gedaan. Zonder op deze vraag rechtstreeks te antwoorden, merkt het Hof op dat een uitbreiding van het toepassingsgebied van het bestreden decreet tot Belgische staatsburgers die in het Franse of het Duitse taalgebied wonen, en die het voordeel van dat decreet niet moeten genieten krachtens het Europees gemeenschapsrecht, de Vlaamse Gemeenschap ertoe zou kunnen brengen controle- en toezichtmaatregelen uit te oefenen die onbestaanbaar zijn met de territoriale bevoegdheidsregels eigen aan de Belgische staatsstructuur. Het Hof wijst erop dat het verschil in behandeling ongedaan zou kunnen worden gemaakt, mochten de Franse en de Duitstalige Gemeenschap eveneens een verplichte zorgverzekering introduceren. Tenslotte wijst het Hof erop dat ook een regeling op federaal niveau mogelijk is. Uit haar arrest nr. 33/2001 kan immers niet worden afgeleid er ten aanzien van personen met een verminderd zelfzorgvermogen geen maatregelen zouden kunnen worden genomen die behoren tot de sociale zekerheid. De opgeworpen (interne) discriminatie vindt dus zijn oorsprong in het ontbreken van analoge bepalingen in decreten van de Franse en de Duitstalige Gemeenschap of in de ontstentenis van federale socialezekerheidsmaatregelen.

Uiteindelijk vernietigt het Grondwettelijk Hof de aangevochten bepaling, maar handhaaft de gevolgen ervan tot uiterlijk tot 31 december 2009.

01 april 2008

Vlaamse zorgverzekering in strijd met EG-recht


door Koen Nevens

1. Het Hof van Justitie oordeelde vandaag dat de artikelen 39 en 43 van het EG-Verdrag zich ertegen verzetten dat Vlaamse zorgverzekering beperkt zou blijven tot personen die hetzij wonen op het grondgebied waarbinnen die gefedereerde eenheid bevoegd is, hetzij een beroepsactiviteit uitoefenen op dat grondgebied maar in een andere lidstaat wonen, voor zover door die beperking staatsburgers van andere lidstaten of eigen staatsburgers die gebruik hebben gemaakt van hun recht van vrij verkeer binnen de Europese Gemeenschap hierdoor ongunstig worden behandeld.

Het gaat bijvoorbeeld om een Fransman die in het Nederlandse taalgebied zou werken, maar ervoor kiest om in het Frans taalgebied te wonen, met als gevolg dat hij hierdoor geen toegang heeft tot de Vlaamse zorgverzekering, of nog om een Waal die gebruik zou hebben gemaakt van het vrij verkeer van werknemers om in het buitenland te gaan werken, en vervolgens naar Wallonië terugkeert om in Vlaanderen te werken.

Voor alle duidelijkheid: artikel 4 van het decreet van 30 maart 1999, zoals gewijzigd bij het decreet van 30 april 2004, bepaalt dat de Vlaamse zorgverzekering zich uitstrekt tot:
- Elke persoon die binnen het Nederlandse taalgebied woont;
- Elke persoon die binnen het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad woont, maar dan wel op eigen verzoek;
- Elke persoon, die niet in België woont, en voor wie uit eigen recht, omwille van tewerkstelling in het Nederlandse taalgebied, op grond van de aanwijzingsregels van verordening (EEG) nr. 1408/71, het socialezekerheidsstelsel van België van toepassing is;
- Elke persoon, die niet in België woont, en voor wie uit eigen recht, omwille van tewerkstelling in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, op grond van de aanwijzingsregels van verordening (EEG) nr. 1408/71, het socialezekerheidsstelsel van België van toepassing is, maar opnieuw enkel op eigen verzoek.

2. Het arrest lag in de lijn der verwachtingen. In haar conclusie voorafgaand aan het arrest had advocate-generaal Eleanor Sharpston reeds gesteld dat "any Community national who, irrespective of his place of residence and his nationality, has exercised the right to freedom of movement for workers and who has been employed in a Member State other than that of residence falls within the scope of article 39 EC" en oordeelde zij dat de woonplaatsvoorwaarde in strijd was met het EG-recht.

Zij meende ook dat de Vlaamse Gemeenschap voor deze decretale vereiste geen rechtvaardiging kon vinden in de eigenheid van de Belgische staatsstructuur en de daarmee gepaard gaande bevoegdheidsverdeling. Ook hierin trad het Hof haar bij: "(het) volgt immers uit vaste rechtspraak van het Hof dat een instantie van een lidstaat zich niet op bepalingen, praktijken of situaties die voortvloeien uit de grondwettelijke organisatie van die staat, kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen".

3. De draagwijdte van het arrest wordt in de Vlaamse media niet geheel onterecht geminimaliseerd. Het Hof gaf immers aan dat het EG-recht niet kan worden toegepast op zuiver interne situaties. Een Waal, die (nog) geen gebruik heeft gemaakt van het vrij verkeer van werknemers, in het Nederlandse taalgebied werkt, maar in het Franse taalgebied woont, kan in het EG-recht dus schijnbaar geen enkele remedie vinden.

Of deze omgekeerde discriminatie ons land tot eer strekt, is een andere vraag. Zo opperde advocate-generaal Sharpston: "I must confess to finding something deeply paradoxical about the proposition that, although the last 50 years have been spent abolishing barriers to freedom of movement between Members States, decentralised authorities of Member States may nevertheless reintroduce barriers through the back door by establishing them within Member States. One might ask rhetorically, what sort of a European Union is it if freedom of movement is guaranteed between Dunkirk (France) and De Panne (Belgium), but not between Jodoigne and Hoegaarden?".

Onbewust deelde zij ook een sneer uit naar het bijwijlen misplaatst Vlaams nationalisme. Mocht Vlaanderen een onafhankelijke staat zijn, lid van de EG, zo gaf ze aan, dan zou de onmogelijkheid voor de inwoners van Wallonië, die tewerkgesteld zijn in Vlaanderen, om zich aan te sluiten bij de Vlaamse zorgverzekering, in strijd zijn met het EG-Verdrag. Hiertegen kan worden ingebracht dat, mochten Vlaanderen en Wallonië onafhankelijke staten binnen de EG zijn, de regels van verordening nr. 1408/71 inzake de onderlinge coördinatie van de sociale zekerheid allicht toepassing zouden vinden ingeval van 'grensoverschrijdende' tewerkstelling tussen deze beide 'onafhankelijke staten'.

Tenslotte mag ook niet worden vergeten dat de advocate-generaal een hele denkoefening uit de doeken deed, waarbij een zuiver interne situatie in strijd zou kunnen worden geacht met het EG-recht, met bepaald de bepalingen inzake het EU-burgerschap. Ze raadde het Hof evenwel aan deze piste (voorlopig) niet te bewandelen wegens de mogelijk verstrekkende implicaties ervan ten aanzien van het recht van de lidstaten. Het Hof van Justitie volgde ook op dit punt haar advies.

Zie: HvJ C-212/06, Regeringen van de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest t./ Vlaamse Regering, http://www.curia.eu/ en E. SHARPSTON, concl. bij HvJ C-212/06, http://www.curia.eu/.