Posts tonen met het label werkloosheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label werkloosheid. Alle posts tonen

17 oktober 2015

Controle van de gezinssituatie van werklozen – nieuwe procedure van kracht vanaf 28.08.2015

door Liesbet Hofman
 
Vanaf 28 augustus 2015 geldt een soepelere procedure voor het huisbezoek bij werklozen. Controleurs kunnen zich voortaan zonder verwittiging naar de woonplaats van de sociaal verzekerde begeven om de juistheid van diens gegevens in het werkloosheidsdossier na te gaan, met name inzake de gezinssituatie en verblijfplaats.

Tot voor 28 augustus moesten controleurs krachtens artikel 23 van de wet van 14 februari 1961 een strengere procedure volgen en de werkloze eerst schriftelijk uitnodigen voor een hoorzitting. Pas als zij na die hoorzitting aan de verklaringen twijfelden en een huisbezoek noodzakelijk achtten, konden zij de werkloze hiervoor om toestemming vragen. Dit artikel werd in 2000 onder meer ingevoerd omwille van bezorgdheden over het recht op privacy. Het gaf de uitkeringsgerechtigde echter de tijd om sporen van domiciliefraude weg te werken, wat het nut van de maatregel aanzienlijk beperkte.  De procedure van het huisbezoek was mede hierdoor buiten gebruik geraakt.

Artikel 23 van de wet van 14 februari 1961 werd door de programmawet van 10 augustus 2015 opgeheven, waardoor controleurs sinds 28 augustus 2015 voor het controleren van de gezinssituatie van de werkloze terugvallen op de bevoegdheden vermeld in het sociaal strafwetboek. Krachtens artikel 24 hebben zij onder meer toegang tot bewoonde ruimten "op verzoek of met toestemming van de persoon die het werkelijk genot heeft van de bewoonde ruimte; het verzoek of de toestemming moet schriftelijk en voorafgaand aan de visitatie worden gegeven."

De controleur kan zich nu dus zonder verwittiging naar de woonplaats van de sociaal verzekerde begeven, maar zal nog steeds expliciet, ondubbelzinnig en met opgave van de reden de schriftelijke toestemming moeten bekomen van de bewoner(s). Deze toestemming geldt als een afstand van het recht op privacy, maar geeft de controleurs geen vrijgeleide, aangezien het recht op privacy niet mag worden uitgehold. De mogelijkheden van de controleurs tijdens het huisbezoek zijn dan ook beperkt: zij mogen geen onderzoeksdaden verrichten of voorwerpen verplaatsen.

Doordat de algemene regels van het sociaal strafwetboek gelden, wint de procedure aan duidelijkheid en sluit ze beter aan bij de mogelijkheden die controleurs in andere situaties hebben, zoals bv. het onderzoeken van zwartwerk in een bewoonde ruimte. Bovendien is er meer overeenstemming met de mogelijkheden van andere diensten die de gezinssituatie van uitkeringsgerechtigden controleren, zoals bv. maatschappelijk assistenten van het OCMW, die zich eveneens ter controle van de gezinsituatie bij de woning kunnen aanbieden met het verzoek een huisbezoek af te leggen.

Rond deze nieuwe procedure is ook een onderrichting uitgevaardigd.[1] Deze benadrukt dat de selectie van de dossiers die zullen worden onderzocht op domiciliefraude, en waar een huisbezoek tot de mogelijkheden behoort, op dezelfde wijze zal blijven gebeuren.  Ook wordt beklemtoond dat de deontologische regels van de bescherming van de privacy en het principe van evenredigheid moeten eerbiedigd worden.

De wetswijziging toont het spanningsveld dat bestaat tussen het recht op privacy enerzijds en de strijd tegen sociale fraude anderzijds. Waar in 2000 de strengere procedure werd ingevoerd om het recht op privacy te vrijwaren, werd de versoepeling ingegeven door het belang van de strijd tegen fraude.

Het zoeken naar dit evenwicht is een delicate oefening. Essentieel is dat een degelijk onderzoek naar misbruiken mogelijk is, zonder dat onnodig inbreuk wordt gepleegd op beschermde waarden, zoals het recht op privacy, en zonder dat het recht wordt uitgehold. Deze wetswijziging vormt in dat kader een verbetering in het streven naar een evenwicht, in de veronderstelling dat de nieuwe onderrichting wordt nageleefd. Veel hangt dus af van de manier waarop in de praktijk met de bevoegdheden wordt omgesprongen.[2]
 


[1] Controle van de gezinssituatie van de werklozen – nieuwe procedure van kracht vanaf 28.08.2015, RioDoc 152937, consulteerbaar op www.rvatech.be

[2] Een uitgebreide bespreking van de waarborgen voor het recht op privacy in een onderzoek naar domiciliefraude, alsook een vergelijking tussen het onderzoek in het kader van de werkloosheidsuitkering en het leefloon, kan u terugvinden in mijn thesis 'L. Hofman, Waarborgen voor het recht op privacy bij het opsporen van domiciliefraude', gepubliceerd in het najaar van 2015 in het jaarboek Juridische Meesterwerken VUB 2015, Brussel, Larcier.

20 september 2015

Een lidstaat mag burgers van de Unie die zich daarheen begeven om werk te zoeken, uitsluiten van bepaalde niet op premie- of bijdragebetaling berustende sociale uitkeringen


Vreemdelingen die in Duitsland aankomen om aldaar bijstand te verkrijgen of die slechts een verblijfsrecht hebben om werk te kunnen zoeken, zijn uitgesloten van de uitkeringen van de Duitse basisvoorziening („Grundsicherung”) vastgesteld dat een dergelijke uitsluiting rechtmatig is ten aanzien van de onderdanen van een lidstaat die het grondgebied van een andere lidstaat zijn binnengekomen zonder wil om daar werk te vinden (zie HvJ, 11 november 2014, Dano (C-333/13))

In de onderhavige zaak wenst het Bundessozialgericht (Duitsland) te vernemen of een dergelijke uitsluiting ook rechtmatig is ten aanzien van burgers van de Unie die zich naar het grondgebied van een gastlidstaat hebben begeven om daar werk te zoeken en daar reeds gedurende bepaalde tijd hebben gewerkt, terwijl die uitkeringen wel zijn gewaarborgd voor de zich in dezelfde situatie bevindende eigen onderdanen van de gastlidstaat.

Deze vraag is gerezen in het kader van een geding tussen Jobcenter Berlin Neukölln en vier Zweedse staatsburgers: mevrouw N. Alimanovic, geboren in Bosnië, en haar drie kinderen Sonita, Valentina en Valentino, geboren in Duitsland in respectievelijk 1994, 1998 en 1999. De familie Alimanovic heeft Duitsland in de loop van 1999 verlaten om naar Zweden te gaan en is in juni 2010 naar Duitsland teruggekeerd. Vanaf hun terugkeer waren Nazifa Alimanovic en haar oudste dochter Sonita tot en met mei 2011 werkzaam in verschillende kortlopende banen of werkten zij enkel in het kader van werkgelegenheidsprojecten van minder dan een jaar. Sindsdien hebben zij geen beroepsactiviteiten meer verricht. Aan de familie Alimanovic zijn vervolgens uitkeringen van de basisvoorziening toegekend in het tijdvak van 1 december 2011 tot en met 31 mei 2012, te weten, enerzijds, voor Nazifa Alimanovic en haar dochter Sonita, uitkeringen voor levensonderhoud voor langdurigwerklozen („Arbeitslosengeld II”) en anderzijds, voor de kinderen Valentina en Valentino, sociale uitkeringen voor niet-arbeidsgeschikte uitkeringsgerechtigden. In 2012 heeft de bevoegde autoriteit (Jobcenter Berlin Neukölln) de betaling van deze uitkeringen uiteindelijk stopgezet op grond dat N. Alimanovic en haar oudste dochter, als buitenlandsewerkzoekenden die slechts een verblijfsrecht hebben om werk te kunnen zoeken, waren uitgesloten van de betrokken uitkeringen. Bijgevolg heeft deze autoriteit ook de andere kinderen uitgesloten van de respectieve uitkeringen.

In antwoord op de vragen van de Duitse rechter oordeelt het Hof dat de weigering om aan burgers van de Unie die op het grondgebied van een gastlidstaat alleen een verblijfsrecht hebben om werk te kunnen zoeken, bepaalde „niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties” kennen, niet in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling.

Het Hof stelt vast dat de betrokken prestaties ertoe strekken om aan personen die niet in hun levensonderhoud kunnen voorzien, de eerste levensbehoeften te verzekeren en dat zij niet op premie of bijdrage berusten en worden gefinancierd uit de belastingen, ook al maken zij deel uit van een stelsel dat daarnaast ook voorziet in uitkeringen om het zoeken naar werk te vergemakkelijken. Het Hof beklemtoont dat deze prestaties, net als in de zaak Dano, moeten worden aangemerkt als „sociale bijstand”.

In dit verband brengt het Hof in herinnering dat een burger van de Unie, voor toegang tot sociale bijstand zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, alleen kan eisen gelijk te worden behandeld als een onderdaan van de gastlidstaat, indien zijn verblijf op het grondgebied van de gastlidstaat voldoet aan de voorwaarden van de richtlijn „Unieburger"

Met betrekking tot werkzoekenden, zoals in casu aan de orde, constateert het Hof dat er twee mogelijkheden zijn om een verblijfsrecht te verkrijgen: 

Indien een burger van de Unie met een verblijfsrecht als werknemer zich, na minder dan een jaar te hebben gewerkt, bevindt in een toestand van onvrijwillige werkloosheid en zich bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening als werkzoekende heeft ingeschreven, behoudt hij de status van werknemer en het verblijfsrecht gedurende ten minste zes maanden. Gedurende deze periode kan hij zich beroepen op het beginsel van gelijke behandeling en heeft hij recht op sociale bijstand.

Wanneer een burger van de Unie nog niet heeft gewerkt in de gastlidstaat of wanneer de periode van zes maanden is verstreken, kan een werkzoekende niet worden verwijderd uit die lidstaat zolang hij kan bewijzen dat hij nog immer werk zoekt en een reële kans maakt te worden aangesteld. In dat geval kan de gastlidstaat echter elke sociale bijstand weigeren.

Ten slotte brengt het Hof in herinnering dat wanneer een lidstaat op het punt staat een verwijderingsmaatregel te nemen of vast te stellen dat een persoon in het kader van diens verblijf een onredelijke belasting voor het socialebijstandsstelsel teweegbrengt, rekening moet worden gehouden met de individuele situatie van een betrokkene beklemtoont evenwel dat in een geval als het onderhavige een dergelijk individueel onderzoek niet geboden is, want het graduele stelsel van behoud van de status van werknemer in de richtlijn „Unieburger” (stelsel dat ertoe strekt het verblijfsrecht en de toegang tot sociale prestaties veilig te stellen) houdt immers zelf rekening met verschillende factoren die de individuele situatie van de aanvrager van sociale bijstand kenmerken. Voorts preciseert het Hof dat de vraag of de toekenning van sociale bijstand een „onredelijke last” vormt voor een lidstaat, wordt beoordeeld na de optelling van alle ingediende individuele aanvragen.

31 januari 2015

Non bis in idem breekt door bij de vervolging van fraude met werkloosheidsuitkeringen

Een werkloze kan volgens de eerste duidelijke stellingname van het hof van beroep te Gent niet strafrechtelijk worden vervolgd voor een inbreuk op de werkloosheidsreglementering, met name het niet schrappen van zijn controlekaart voor de aanvang van een activiteit, wanneer hij voor deze inbreuk reeds werd gestraft door de RVA met een uitsluiting van het recht op uitkeringen. Dit is in strijd met het algemeen rechtsbeginsel 'non bis in idem', zoals verankerd in artikel 14.7 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten en artikel 4.1 van het zevende protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dit protocol is voor België in werking getreden op 2 juli 2012.
 
Dit arrest werd gepubliceerd in het Nieuw Juridisch Weekblad 2015, afl. 315, 70, met noot van K. Nevens en A. Vanderhaeghen.

08 augustus 2014

Vrijwilligerswerk in de werkloosheidsreglementering



door K. Nevens

1. Artikel 13 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers en artikel 45bis, §2 van het Werkloosheidsbesluit bepalen dat een uitkeringsgerechtigde werkloze met behoud van uitkeringen vrijwilligerswerk in de zin van die wet kan uitoefenen op voorwaarde dat hij dit vooraf en schriftelijk aangeeft bij het werkloosheidsbureau van de RVA. 

Onder vrijwilligerswerk wordt verstaan: elke activiteit (a) die onbezoldigd en onverplicht wordt verricht, (b) die verricht wordt ten behoeve van één of meer personen, andere dan degene die de activiteit verricht, van een groep of organisatie of van de samenleving als geheel, (c) die ingericht wordt door een organisatie anders dan het familie- of privé-verband van degene die de activiteit verricht,en (d) die niet door dezelfde persoon en voor dezelfde organisatie wordt verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst, een dienstencontract of een statutaire aanstelling.

Het begrip 'organisatie' wordt eveneens wettelijk gedefinieerd. Het gaat om elke feitelijke vereniging of private of publieke rechtspersoon zonder winstoogmerk die werkt met vrijwilligers (, waarbij onder feitelijke vereniging wordt verstaan elke vereniging zonder rechtspersoonlijkheid van twee of meer personen die in onderling overleg een activiteit organiseren met het oog op de verwezenlijking van een onbaatzuchtige doelstelling, met uitsluiting van enige winstverdeling onder haar leden en bestuurders, en die een rechtstreekse controle uitoefenen op de werking van de vereniging. 

De aangifte dient in de praktijk te gebeuren aan de hand van het formulier C45B.

2. De directeur van het werkloosheidsbureau kan de uitoefening van de activiteit met behoud van uitkeringen, verbieden, of slechts aanvaarden binnen bepaalde perken, indien hij aantoont dat:

1) dat deze activiteit niet de kenmerken vertoont van vrijwilligerswerk als bedoeld in deze wet;

2) de activiteit, gezien de aard, de omvang en de frequentie ervan of gezien het kader waarin zij wordt uitgeoefend, niet of niet langer de kenmerken vertoont van een activiteit die in het verenigingsleven gewoonlijk door vrijwilligers wordt verricht;

3) dat de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt van de werkloze zou verminderen.

Artikel 14 bepaalt dat de in artikel 13 bedoelde regeling eveneens geldt voor de bruggepensioneerden en de halftijds bruggepensioneerden, behoudens de afwijkingen die door de Koning vastgesteld zijn op grond van hun specifiek statuut.

De huidige tekst van artikel 13 van de Vrijwilligerswet, en het daarop gebaseerde artikel 45bis van het Werkloosheidsbesluit, vloeit voort uit een amendement volksvertegenwoordiger Van Gool, dat door de Kamer werd aangenomen (cf. Parl. St. Kamer 2003-2004, nr. 455/3, 7-9 (amendement nr. 10)). Bij de verantwoording van dit amendement staat het volgende te lezen met betrekking tot de mogelijkheid van de directeur van het werkloosheidsbureau om sommige vormen van vrijwilligerswerk te verbieden:

“In het tweede lid worden voorts bijkomende criteria aangereikt die toelaten oneigenlijk gebruik te weren”.

In de parlementaire werken voorafgaand aan de Vrijwilligerswet is er verder echter geen toelichting te vinden over de betekenis en de draagwijdte van deze bijkomende voorwaarden. Zo zijn er in deze werken geen aanwijzingen terug te vinden op basis waarvan dient te worden beoordeeld of een activiteit, gezien zijn aard, omvang en frequentie of gezien het kader waarin het wordt uitgeoefend, niet of niet langer de kenmerken vertoont van een activiteit die in het vrijwilligersleven gewoonlijk door vrijwilliger wordt verricht.

Het is wel duidelijk dat de gebruikte bewoordingen zijn overgenomen uit artikel 18, §4 van het Ministerieel Besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering, zoals dat werd ingevoerd bij Ministerieel Besluit van 27 april 1994. In een antwoord op een parlementaire vraag aangaande aanvragen door werklozen om vrijwilligerswerk te verrichten, deelde de bevoegde minister met betrekking tot de toepassing van dit artikel mee:

“Indien een aanvraag wordt afgewezen, gebeurt dit doorgaans om één van de navermelde redenen:
-          de omvang van de activiteit (wekelijks aantal activiteitsuren en globale duurtijd) is dermate dat de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt in het gedrang komt;
-          het betreft een oneigenlijk gebruik van vrijwilligerswerk, aangezien de betreffende activiteit de kenmerken van een activiteit in loondienst vertoont, en de werkloze dus als goedkope arbeidskracht actief zou zijn (…)”

(Vr. & Antw. Kamer, 25 oktober 2004, 7802)

3. De (gepubliceerde) rechtspraak met betrekking tot artikel 18, §4 van het Ministerieel Besluit en met betrekking tot artikel 45bis van het Werkloosheidsbesluit is bijzonder schaars. Enkel een arrest van het Arbeidshof te Gent van 7 maart 2003 (JTT 2003, 187) heeft enige precedentswaarde in deze zaak. Het Arbeidshof besliste in casu dat het opvangen en begeleiden van slachtoffers van pedofilie en het deelnemen aan stands of openbare activiteiten in het kader van een vzw die tot doel heeft de belangen en de rechten van kinderen in het algemeen, en van seksueel misbruikte kinderen in het bijzonder, een activiteit is die niet de kenmerken vertoont van een activiteit die in het verenigingsleven gewoonlijk door vrijwilligers wordt verricht, maar integendeel op een professionele wijze door erkende organisaties moet gebeuren.

Davagle schrijft het volgende omtrent de hierboven vermelde voorwaarde:

“De vrijwillige activiteit mag volgens de rechtspraak die vroeger aanvaard werd door de RVA, niet toegestaan worden als ze concurreert met de normale markt door goederen of diensten aan te bieden tegen bescheiden prijzen (omdat de arbeid vrijwillig gebeurt) aan klanten die in staat zijn om de normale prijzen te betalen. De activiteit mag evenmin toegestaan worden als ze een arbeidsplaats in het normale arbeidscircuit vervangt. Ten slotte mag de activiteit geen handelskarakter hebben (bv. uitbaten van een café), behalve als dit beperkt is en uitsluitend dient om het nastreven van de sociale of humanitaire doeleinden van de instelling of de vereniging mogelijk te maken (bv. verkoop van stickers om een humanitaire actie te steunen).”

(M. Davagle, Vrijwillige arbeid, Mechelen, Kluwer, 2008, 97)

10 juli 2013

Hoge Raad voor de Werkgelegenheid: verslag 2013

Het verslag behandelt de recente evoluties en vooruitzichten op de arbeidsmarkt.
De hoofdzaak van het rapport is dit jaar gewijd aan de situatie van de laaggeschoolden op de arbeidsmarkt. Het verslag kan worden geraadpleegd op de website van de FOD WASO.

Synthese van het rapport:

In 2012 was de cohorte die de arbeidsmarkt verliet, voor het eerst groter dan die welke toetrad. Zonder de bijdrage van het migratiesaldo zou de bevolking op arbeidsleeftijd in ons land gekrompen zijn. Het Federaal Planbureau heeft overigens recentelijk zijn groeivooruitzichten voor de bevolking neerwaarts bijgesteld. Oorzaak daarvan zijn twee belangrijke factoren : de nataliteit en de nettomigratiestroom. De herziening van deze beide factoren houdt met name verband met de verslechtering van de economische situatie, zowel in België als bij onze Europese partners. Mochten deze nieuwe hypothesen bewaarheid worden, dan zal de bevolking op arbeidsleeftijd in 2020 ongeveer 140 000 personen méér tellen dan in 2012, wat 40 000 personen minder is dan waar in de vorige projecties werd van uitgegaan. Zo zouden er in België in 2060 7 400 000 15- tot 64-jarigen zijn, dat is een half miljoen minder dan wat eerder werd voorspeld. Het groeipotentieel van de economie zal hierdoor worden aangetast, behalve indien de participatiegraad van deze bevolking, die de afgelopen jaren nog amper is gestegen, sterk omhooggaat. 

Ondanks het grotendeels onverwachte herstel van de werkgelegenheidsgroei aan het einde van 2012, is het aantal werkenden vorig jaar met slechts 0,2 % gestegen in een klimaat van licht negatieve groei. Zoals in dergelijke omstandigheden steeds het geval is, waren de arbeidsproductiviteit en het aantal per persoon gewerkte uren de eerste variabelen via welke de vertraging van de bedrijvigheid werd opgevangen. Eventuele correcties in termen van 'aantal werkenden' volgen, in voorkomend geval, pas later. Bij ontstentenis van een conjunctuuromslag, mag worden gevreesd dat in 2013 een aanzienlijk aantal banen zal worden vernietigd, temeer daar bepaalde crisismaatregelen zoals het 'Win-Win Activaplan' - waardoor het nettoverlies van arbeidsplaatsen kon worden beperkt - niet langer van kracht zijn. 

Vergelijkt men de situatie vandaag met die van vóór de grote recessie, dan blijkt dat België tot dusver merkelijk beter stand heeft weten te houden dan het Europese gemiddelde, aangezien ons land erin geslaagd is zijn werkgelegenheidsniveau te handhaven. Alleen Duitsland doet beter. In de zwaarst getroffen landen, namelijk Griekenland en Spanje, is tijdens deze periode nagenoeg één op vijf arbeidsplaatsen verloren gegaan. 

Tegen die achtergrond heeft de werkgelegenheidsgraad zich zogoed als gestabiliseerd op ongeveer 67 % van de bevolking tussen 20 en 64 jaar. Dat is 6 procentpunt onder de doelstelling die België wil bereiken in het kader van de 'Europa 2020'-strategie. Om dat doel te halen, moeten nog op z'n minst 400 000 extra banen worden gecreëerd, dat zijn er 50 000 per jaar vanaf nu tot 2020. Dat is bijzonder ambitieus aangezien dat er, sedert 2008, netto gemiddeld slechts 34 000 zijn; vóór de crisis waren er dat ongeveer 46 000.

Bovendien is de huidige conjuncturele zwakte in geen enkel opzicht bevorderlijk voor de werkgelegenheid. De Nationale Bank van België gaat er in haar laatste projecties zelfs van uit dat er in 2013 en 2014 respectievelijk zo'n 18 000 en 6 000 arbeidsplaatsen verloren zullen gaan. Het betreft daarbij jaargemiddelden, bij ongewijzigd beleid. Dankzij een geleidelijk herstel van de bedrijvigheid vanaf medio 2013 zullen er in de loop van 2014 netto opnieuw banen kunnen worden gecreëerd. In een dergelijke context hoeft het niet te verwonderen dat de werkloosheid toeneemt. In 2012 ging het reeds om 14 500 extra personen, van wie de meerderheid woonachtig was in Vlaanderen waar de werkgelegenheid conjunctuurgevoeliger is. Rekening houdend met de verwachte uitbreiding van de bevolking op arbeidsleeftijd en met een lichte stijging van de participatiegraad, zou het aantal werkzoekenden in 2013 en 2014 nog met 30 000 personen toenemen, waardoor de werkloosheidsgraad zou stijgen van 7,6 tot 8,7 % van de beroepsbevolking.

Verschillende specifieke ontwikkelingen dragen daaraan bij. Enerzijds groeit de bedrijvigheid onvoldoende opdat, rekening houdend met de structurele productiviteitswinsten, de marktsector nieuwe banen zou kunnen creëren. Anderzijds dreigt de groeidynamiek van het personeelsbestand in de overheidssector en in de niet-marktdiensten - die beide grotendeels door de overheid worden gesubsidieerd - te verzwakken tegen de achtergrond van een strakke begrotingsdiscipline. Tot slot is er onder invloed van zowel vraagfactoren (prijsstijging, het matuur worden van de markt) als aanbodfactoren (wervingsproblemen) een vertraging merkbaar in het elan van de banen die worden gecreëerd in het kader van de dienstencheques. Deze elementen zijn van doorslaggevend belang vermits, tussen 2007 en 2011, de meeste van de bijna 400 000 nieuwe banen in België te danken waren aan een al dan niet rechtstreekse ondersteuning door de overheid. Gelet op de budgettaire situatie van ons land, moeten de uitgaven beleidsmatig worden beheerst, ook die welke deze activiteiten hebben ondersteund.

Het verloop van het personeelsbestand in de grote bedrijfstakken getuigt van de voortschrijdende hervorming van onze economie tijdens het afgelopen decennium. Zo gingen er vrijwel ononderbroken banen verloren in de primaire (landbouw en visvangst) en in de secundaire sector (nijverheid en bouw), terwijl de werkgelegenheid in de diensten constant is toegenomen. Het kan echter niet worden ontkend dat deze laatste ontwikkeling voor een deel direct of indirect verband houdt met de activiteit in de verwerkende nijverheid en met het outsourcen van taken die voorheen in de industriële bedrijfstakken zelf werden verricht. Vooral een groot aantal van de banen in de dienstenbranches, met name in de niet-marktdiensten, zijn sterk overheidsgesteund, hetzij rechtstreeks (administratie en onderwijs) hetzij indirect (dienstverlening aan personen). Deze ontwikkelingen zijn ook merkbaar op regionaal niveau, ook al hebben ze betrekking op uiteenlopende specialisatiestructuren, met bovendien een grotere conjunctuurgevoeligheid van de industrie in Vlaanderen. 

De werkgelegenheidsproblematiek geldt niet op dezelfde manier voor alle categorieën van de bevolking of voor alle Gewesten van het land. Zo bedraagt de werkgelegenheidsgraad van de mannen nu reeds 73 %; voor de hooggeschoolden (mannen en vrouwen samen genomen), beloopt hij zelfs 82 %, een cijfer dat amper uitstijgt boven het gemiddelde voor de 30- tot 55- jarigen. Het is de geringe participatie van sommige zogenoemde kansengroepen die in België op de werkgelegenheidsgraad weegt. Het gaat voornamelijk om laaggeschoolden (wier situatie meer gedetailleerd wordt bestudeerd in het thematisch gedeelte van dit verslag), 55-plussers (ook al is de situatie van deze laatsten sterk verbeterd dankzij een cohorte-effect voor de vrouwen, die overwegend minder conjunctuurgevoelige activiteiten uitoefenen en overigens beter opgeleid zijn, en door het beleid dat erop gericht is voortijdige uittreding uit de arbeidsmarkt te beperken) en staatsburgers van landen die niet tot de EU behoren en voor wie het verschil in werkgelegenheidsgraad ten opzichte van de personen met de eigen nationaliteit in België het op één na grootste is van alle landen van de Unie.
De arbeidsparticipatie verschilt ook volgens de Gewesten van het land. De werkgelegenheidsgraad is het laagst in Brussel (58 %) en het hoogst in Vlaanderen (72 %). In Wallonië bedraagt hij 62 %. Dergelijke verschillen beïnvloeden onvermijdelijk de relatieve resultaten op het vlak van de werkloosheid. Ofschoon, met 7,4 % van de werkzoekende beroepsbevolking, België tot de groep EU-landen behoort die het minst door de werkloosheid worden getroffen, beloopt het aandeel van de werkzoekenden toch 16,5 % in Brussel en 9,9 % in Wallonië. In Vlaanderen bedraagt de werkloosheidsgraad, die weliswaar in stijgende lijn gaat, 4,5 %.

Met uitzondering van de 55-plussers - die, als ze niet langer werken, voornamelijk inactief zijn - treft men in de werkloosheid dezelfde kansengroepen aan als in de werkgelegenheid. De werkloosheidsgraad van de niet-EU-burgers, die eveneens wordt beïnvloed door een groot aantal inactieven in deze bevolkingsgroep, beloopt aldus 30 %, die van de jongeren van minder dan 25 jaar 20 %, met een maximum van 32 % in Brussel. Heel wat kansengroepen hebben, op transversale wijze, een laag kwalificatieniveau gemeen. In het thematisch gedeelte van dit verslag, waar dit probleem meer in detail wordt behandeld, wordt aangetoond dat dit een rem zet op hun participatie aan de arbeidsmarkt. Hoewel de werkloosheidsgraad van de laaggeschoolden 14 % bedraagt - bijna het dubbele van het nationale gemiddelde - geeft deze slechts een onvolledig beeld van hun ondertewerkstelling vermits een aanzienlijk deel van de laaggeschoolden inactief is. De werkloosheidsgraad van de personen met een diploma hoger onderwijs - gemiddeld 3,8 % in België en 2,5 % in Vlaanderen -, getuigt daarentegen van een situatie die dicht in de buurt komt van volledige tewerkstelling. Deze situatie kan echter ook wijzen op de overkwalificatie van sommige arbeidskrachten ten opzichte van de vaardigheden die werkelijk nodig zijn om hun functies uit te oefenen.

Hoewel het aandeel langdurig werklozen in België nog steeds hoger ligt dan gemiddeld in Europa, heeft ook deze indicator, gemeten op basis van de resultaten van de EAK, in ons land een relatief gunstiger verloop laten optekenen. Het aandeel van de personen die reeds meer dan twee jaar werkzoekend zijn, is immers - ondanks de crisis - blijven krimpen. Het risico dat de structurele werkloosheid stijgt, lijkt aldus kleiner dan bij onze partners. Er moet evenwel op worden toegezien dat deze personen niet in de inactiviteit verzeild raken. Om die reden mag het beleid inzake begeleiding en activering dat voor hen is bestemd, niet losstaan van de noodzakelijke follow-up van hun zoekgedrag naar werk, inclusief voor de ouderen.

In dit opzicht verheugt de Raad er zich over dat verschillende van de grondige hervormingen waar hij geregeld had op aangedrongen, in 2012 ten uitvoer zijn gelegd. Zo is met name de leeftijdsgrens opgetrokken om gebruik te kunnen maken van de vervroegde-uitstapregelingen, wordt er voorzien in de follow-up van het zoekgedrag van jongeren zonder beroepservaring of van 50-plussers, is opnieuw gedefinieerd wat een passende baan is die door werkzoekenden niet mag worden geweigerd, is het verzekerings- en stimulerend karakter van de werkloosheidsuitkeringen versterkt, is er een grotere responsabilisering aangekondigd van de ondernemingen die gebruik maken van het stelsel van tijdelijke werkloosheid, enz. Deze maatregelen zullen er op termijn toe bijdragen dat de menselijke middelen worden vrijgemaakt die nodig zijn voor de ontwikkeling van onze economie. Niettemin blijven belangrijke en bijzonder gevoelige pistes open, zoals de harmonisatie van het arbeiders- en bediendenstatuut en verdere stappen in de hervorming van de pensioenen. Het is wenselijk dat ter zake snel resultaten worden geboekt, erop toeziend, in overleg met de sociale partners, dat de gevolgen ervan voor de arbeidskosten en, derhalve, voor de werkgelegenheid onder controle worden gehouden, met name voor de laagstgeschoolden. Ook de aan de gang zijnde bezinning over een eventuele aanpassing van de wet van 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen is erg belangrijk voor een dermate open economie als België.

Dankzij de verdere regionalisering van de bevoegdheden inzake werkgelegenheid zal een beleid kunnen worden uitgestippeld dat beter aangepast is aan de specifieke behoeften van ieder gewest en een aanvulling vormt op het economisch en industrieel beleid dat nu reeds tot de bevoegdheid van de Gewesten behoort. De samenwerking die er vandaag tussen de entiteiten bestaat, met name krachtens de akkoorden die de regionale diensten voor arbeidsbemiddeling hebben gesloten, moet worden voortgezet. In dit opzicht lijkt de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid, vanwege zijn samenstelling, een geschikt uitwisselingsplatform te zijn in het nieuwe institutionele kader.

01 februari 2012

Cassatierechtspraak in sociale zaken (sept. 2011/dec. 2011)

Cass. 5 september 2011, S.10.0119.N

RSZ-wet – aansprakelijkheid van de aannemer – strafkarakter – retroactiviteit van de mildste straf – verwijlintresten

Artikel 30ter, §6, B, eerste lid, van de RSZ-wet, voor de opheffing van dit artikel bij koninklijk besluit van 26 december 1998, zoals te dezen van toepassing, legde een sanctie op aan de hoofdaannemer die de bij de wet opgelegde inlichtingen niet verstrekte, teneinde aldus de onwettige activiteiten van de koppelbazen te bestrijden en strekte er toe via bestraffing een ontradende werking te hebben.
Die sanctie kon tot aanzienlijke bedragen oplopen, waarvan de vaststelling, binnen de in de wet bepaalde perken, werd overgelaten aan de overheid die het bedrag moest moduleren, niet met de bedoeling om, al was het maar forfaitair, een geleden nadeel te vergoeden, maar door rekening te houden met de ernst van de tekortkoming.
Deze maatregel had een overwegend repressief karakter en kan niet als een louter burgerlijke sanctie worden beschouwd. Aldus vertoonde deze maatregel het karakter van een strafrechtelijke sanctie in de zin van de artikelen 7.1 EVRM en 15.1 IVBPR.
De omstandigheid dat de bedoelde maatregel een strafrechtelijke sanctie was in de zin van de artikelen 7 EVRM en 15.1 IVBPR, brengt mee dat de waarborgen van de bepalingen van het EVRM en IVBPR moeten in acht worden genomen.
De voormelde artikelen 7.1 en 15.1 bepalen dat geen zwaardere straf mag worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbaar feit van toepassing was. Dit impliceert dat geen bijkomende straf mag worden opgelegd die niet was voorzien ten tijde van het begaan van het strafbaar feit.
De RSZ-wet voorzag, ingeval van niet-naleving van de meldingsplicht voorgeschreven door artikel 30ter, §5, in een sanctie, bestaande uit de betaling van een bedrag van minstens 5 pct van het totale bedrag van de niet-gemelde werkzaamheden en maximaal 5 pct van het bedrag van de aan de hoofdaannemer op de betrokken werf toevertrouwde werkzaamheden. In een nalatigheidsinterest werd niet voorzien.
Met toepassing van de voormelde artikelen 7.1 en 15.1 is het de rechter niet toegelaten de hoofdaannemer die de door artikel 30ter, §5, van de RSZ-wet voorgeschreven meldingsplicht niet heeft nageleefd, te veroordelen tot betaling van verwijlintrest op de som die hij krachtens artikel 30ter, §6, B, aan de eiser verschuldigd is.

Cass. 26 september 2011, S.09.0111.F

RMI-wet – leefloon – sociaal onderzoek – herziening - terugvordering

Krachtens artikel 19, § 1, eerste lid, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, verricht het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een sociaal onderzoek met het oog op de toekenning van maatschappelijke integratie in de vorm van een leefloon, of een tewerkstelling, met het oog op de herziening of de intrekking van een beslissing dienaangaande of met het oog op een beslissing tot schorsing van de uitbetaling van het leefloon. De tweede paragraaf van dat artikel bepaalt dat de aanvrager ertoe gehouden is elke voor het onderzoek van zijn aanvraag nuttige inlichting en machtiging te geven.
Luidens artikel 22, § 1, eerste lid, van dezelfde wet herziet het centrum, onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake de verjaring, een beslissing in geval van gewijzigde omstandigheden die een invloed hebben op de rechten van de persoon, een wijziging van het recht door een wettelijke of reglementaire bepaling, een juridische of materiële vergissing van het centrum en in geval van verzuim, onvolledige en onjuiste verklaringen van de persoon.
Het tweede lid van die bepaling bepaalt dat de betrokkene, met het oog op een eventuele herziening, onmiddellijk aangifte moet doen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op het hem toegekende bedrag of op zijn situatie als rechthebbende.Volgens het derde lid moet het centrum met hetzelfde oogmerk geregeld, en minstens om het jaar, nagaan of de toekenningsvoorwaarden vervuld blijven.
Uit die bepalingen volgt niet dat het centrum niet op grond van een onvolledige aangifte van een persoon de terugbetaling van zijn leefloon mag vorderen, indien het niet minstens om het jaar heeft nagegaan of de toekenningsvoorwaarden vervuld waren gebleven.
Op de vraag die aan het Grondwettelijk Hof was gesteld in het arrest van het Hof van 13 december 2010, antwoordt voormeld Hof dat artikel 29, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, in de versie van vóór de wijziging ervan bij de wet van 30 december 2009, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt in zoverre het toestaat de vordering tot terugvordering gedurende vijf jaar uit te oefenen. Het bestreden arrest, dat die verjaringstermijn toepast, schendt de artikelen 10 en11 van de Grondwet niet.

Cass.10 oktober 2011, S.10.0054.F

Arbeidsongeval – uitvoering arbeidsovereenkomst – vermoeden - tegenbewijs


L’article 7, alinéa 2, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail présume, jusqu’à la preuve du contraire, que l’accident survenu dans le cours de l’exécution du contrat de travail est survenu par le fait de cette exécution. Cette preuve contraire peut-être apportée par toute voie de droit.
L’arrêt constate que le défendeur a été victime d’une agression par balles dans le cours de l’exécution du contrat de travail. Conformément à l’article 7, alinéa 2, précité, il incombe à la
demanderesse de prouver que cet accident n’est pas survenu par le fait de cette exécution.
En conclusions, la demanderesse sollicitait le renvoi de la cause au role jusqu’à la clôture de l’instruction relative à l’agression, afin d’être en mesure de consulter le dossier répressif dans lequel elle espérait découvrir des circonstances excluant que l’accident soit survenu par ce fait.
L’arrêt rejette cette mesure au motif que la demanderesse « n’indique pas de manière précise les circonstances particulières qui, en l’espèce, permettraient effectivement » de renverser la présomption.
L’arrêt n’a pu, sans constater que la consultation du dossier répressif n’était pas susceptible de contribuer à la preuve dont la demanderesse avait la charge, priver celle-ci de la possibilité de rapporter cette preuve par ce moyen, au seul motif qu’elle n’indiquait pas les faits précis qu’elle entendait ainsi prouver.
En décidant, sur la seule base des éléments recueillis jusqu’alors, que la demanderesse ne renverse pas la présomption de l’article 7, alinéa 2, l’arrêt viole cette disposition.

Cass. 10 oktober 2011, S.10.0185.F

Arbeidsrelatie – Kwalificatie - Arbeidsovereenkomst – gezag

Lorsque les éléments soumis à son appréciation permettent d’exclure la qualification donnée par les parties à la convention qu’elles ont conclue, le juge du fond peut y substituer une qualification différente.Pour écarter la qualification de contrat d’entreprise que les parties ont donnée, lors de sa conclusion, à leur convention ayant pour objet la distribution d’imprimés et retenir l’existence d’un lien de subordination, l’arrêt se fonde sur les stipulations de cette convention et sur la manière dont elle a été exécutée et,en particulier, sur les éléments de fait suivants :
- les jours et heures de la distribution et le parcours à effectuer étaient imposés sans possibilité d’adaptation par des arrangements entre collègues ;
- les défendeurs avaient l’obligation d’effectuer eux-mêmes toutes les tournées, sauf absence justifiée par des motifs prouvés, alors que la nature du travail n’expliquait pas cette obligation, le remplaçant qu’ils devaient trouver en cas d’absence justifiée ne devant répondre à aucune exigence
particulière ;
- pour tout problème au cours de la tournée, les défendeurs devaient s’adresser à la demanderesse qui donnait les instructions à suivre en cas d’imprévu ;
- la demanderesse avait le pouvoir de contrôler le respect par les défendeurs de ses instructions précises et impératives ;
- la demanderesse pouvait prendre à l’égard des défendeurs des « sanctions d’office », qui ne constituaient pas l’exécution de la clause de responsabilité inscrite au « contrat d’entreprise » mais des mesures unilatérales, sans que ni la clause ni aucun accord ultérieur n’indique les hypothèses de sanction ou leur montant et sans davantage qu’il soit prouvé que le montant des retenues corresponde au dommage provoqué par une négligence.
Sur la base de l’ensemble de ces considérations, l’arrêt a pu déciderlégalement que les parties étaient liées par un contrat de travail.

Cass. 17 oktober 2011, S.08.0009.N

Europese sociale zekerheid – verordening 1408/71 – begrip ambtenaar – contractueel overheidspersoneel

Artikel 2, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: verordening nr. 1408/71), zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat deze verordening van toepassing is op ambtenaren en op personeel dat volgens de toepasselijke wetgeving met hen gelijkgesteld is, voor zover zij onderworpen zijn of geweest zijn aan de wettelijke regelingen van een lidstaat waarop deze verordening van toepassing is.
Verordening nr. 1408/71 is van toepassing op de wettelijke regelingen betreffende de takken van sociale zekerheid bedoeld in artikel 4, lid 1, van die verordening. Overeenkomstig artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71, zoals te dezen van toepassing, is deze verordening niet van toepassing op de bijzondere regelingen voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden.
Krachtens artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1408/71, zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van een enkele lidstaat onderworpen, onder voorbehoud van de artikelen 14quater en 14septies.
Artikel 13, lid 2, a), van verordening nr. 1408/71 bepaalt dat, onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17, op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing is, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat.
Artikel 13, lid 2, d), van verordening nr. 1408/71 bepaalt dat, onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17, op ambtenaren en met hen gelijkgestelden, de wetgeving van toepassing is van de lidstaat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert.
Overeenkomstig artikel 1, § 1, RSZ-wet, vindt deze wet toepassing op de werknemers en de werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden. Krachtens artikel 2, § 1, 2°, RSZ-wet, kan de Koning, bij in ministerraad overlegd besluit, en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, voor zekere categorieën werknemers die Hij bepaalt, de toepassing van deze wet tot een of meer van de bij artikel 5 opgesomde regelingen beperken.
Artikel 9, § 2, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet, bepaalt dat wat de personen betreft die door het Rijk, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies en de instellingen ondergeschikt aan de provincies krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst worden genomen, de toepassing van de wet beperkt wordt tot de regelingen opgesomd in § 1, eerste lid, zijnde de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, de regeling voor rust- en overlevingspensioen voor werknemers en de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid voor werknemers.
Overeenkomstig artikel 1, eerste lid, 3°, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel is de bij deze wet vastgestelde regeling voor het herstel van schade ten gevolge van arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en ten gevolge van beroepsziekten van toepassing op de leden van het vast, stagedoend, tijdelijk, hulppersoneel of het personeel dat wordt in dienst genomen door een arbeidsovereenkomst, behorende tot de besturen en andere diensten van de regeringen van de gemeenschappen en de gewesten.
Hieruit volgt dat, volgens de Belgische wettelijke regeling inzake sociale zekerheid, contractueel overheidspersoneel van de eiseres gedeeltelijk onder de toepassing valt van de algemene socialezekerheidsregeling voor werknemers en gedeeltelijk onder een bijzondere regeling voor ambtenaren.
Uit het arrest C-296/09 van het Hof van Justitie van 9 december 2010 blijkt dat wat dient te worden verstaan onder “ambtenaar” en “met hen gelijkgestelden” in de zin van artikel 13, lid 2, d), van verordening nr. 1408/71, uitsluitend wordt bepaald volgens het nationale recht van de lidstaat waaronder de overheidsdienst die deze personen tewerkstelt, ressorteert en dat een persoon in de situatie van de verweerder, die in een lidstaat gedeeltelijk onder de socialezekerheidsregeling voor ambtenaren en gedeeltelijk onder die voor werknemers valt, overeenkomstig artikel 13, lid 2, d), van die verordening uitsluitend onder de toepassing kan vallen van de wetgeving van de lidstaat waaronder de overheidsdienst die hem tewerkstelt, ressorteert.
Uit het arrest blijkt ook dat de begrippen “ambtenaren” en “met hen gelijkgestelden” in de zin van artikel 13, lid 2, d), van verordening nr. 1408/71 verwijzen naar de definities die daaraan worden gegeven in de socialezekerheidswetgevingen van de lidstaten en geen verband houden met de wijze waarop de uitgeoefende werkzaamheden in het arbeidsrecht worden gekwalificeerd.
De appelrechters stellen vast dat de verweerder met de eiseres verbonden was door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op grond van de Arbeidsovereenkomstenwet en aldus de hoedanigheid van werknemer had, dat hij niet genoot van de voor het ambtenarenstatuut kenmerkende vastheid van betrekking en dat de verweerder krachtens het personeelsstatuut voor contractueel personeel een functionele bevoegdheid had en geen hiërarchische bevoegdheid
zoals dit het geval is voor ambtenaren.
Uit deze vaststellingen die uitsluitend verband houden met de kwalificatie in het arbeidsrecht van de door de verweerder uitgeoefende werkzaamheden, noch uit de andere vaststellingen of overwegingen van het arrest volgt dat de verweerder op basis van het nationale stelsel van sociale zekerheid waarbij hij was aangesloten, niet als een met ambtenaar gelijkgestelde kan worden beschouwd.
De appelrechters oordelen niet wettig dat de verweerder niet als een met ambtenaar gelijkgestelde kan worden beschouwd in de zin van artikel 13, lid 2, d), van verordening nr. 1408/71. Hun beslissing dat het socialezekerheidsstelsel van de lidstaat waar zich de plaats van tewerkstelling bevond, met name Zweden, op de verweerder van toepassing was, zodat de eiseres ten onrechte socialezekerheidsbijdragen heeft ingehouden op het loon van de verweerder, is dienvolgens niet naar recht verantwoord.

Cass. 17 oktober 2011, S.10.0213.N

Sociale verkiezingen – kandidaten – beroep door werkgever – inroeping ongeldigheid kandidatuur in ontslagprocedure - laattijdigheid

Krachtens artikel 5 van de wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen van het jaar 2008, kan de werkgever een beroep instellen tegen de voordracht van kandidaten, wanneer de kandidaten of de kandidatenlijsten niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van de Bedrijfsorganisatiewet, van de Wet Welzijn Werknemers en van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008, zelfs indien geen enkele klacht werd ingediend.
Indien er geen klacht werd ingediend, moet het beroep van de werkgever worden ingesteld binnen vijf dagen na de termijn voor de indiening van klachten vastgesteld in artikel 37 van de laatst vermelde wet van 4 december 2007.
Deze bepaling vindt toepassing op alle betwistingen betreffende de geldigheid van een kandidatuur en de samenstelling van de kandidatenlijsten. De werkgever kan de geldigheid van een kandidatuur waartegen hij niet tijdig beroep heeft ingesteld, niet meer betwisten in een procedure met betrekking tot de ontslagbescherming.
De appelrechters stellen vast dat de verweerster inroept dat de eiser niet voldoet aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden van artikel 59, § 1, 3°, Wet WelzijnWerknemers, zodat de eiser geen aanspraak kan maken op de door hem gevorderde beschermingsvergoeding. Deze betwisting betreft de geldigheid van de kandidatuur in het licht van de bepalingen van de Wet Welzijn Werknemers en valt derhalve onder artikel 5 van de eerst vermelde wet van 4 december 2007.
Met miskenning van die wetsbepaling, oordelen de appelrechters dat de verweerster kan inroepen dat de eiser niet beantwoordde aan de verkiesbaarheidsvoorwaarde, hoewel zij dit tijdens de procedure van de sociale verkiezingen nooit heeft ingeroepen, aangezien de rechtsvraag die aan de orde is betrekking heeft op het feit of de eiser aan de wettelijke voorwaarden voldoet om aanspraak te maken op de bijzondere beschermingsvergoeding en niet op het feit of de kandidatuur van de eiser geldig werd ingesteld volgens de bepaling van artikel 5 van de wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen van het jaar 2008.

Cass. 24 oktober 2011, S.11.0039.F

Werkloosheid – Terugvordering – Beperking ingeval van goede trouw

En vertu de l'article 169, alinéas 1er et 2, de l’arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, toute somme perçue indûment doit être remboursée à moins qu'il ne soit établi que le chômeur a perçu de bonne foi des allocations auxquelles il n'avait pas droit, auquel cas la récupération est limitée aux cent cinquante derniers jours d'indemnisation indue.
Conformément à l'alinéa 5 de ce même article, lorsque le chômeur prouve qu’il a perçu de bonne foi des allocations auxquelles il n'avait pas droit, le montant de la récupération peut, par dérogation aux alinéas précédents de cet article, être limité au montant brut des revenus dont il a bénéficié et qui n’étaient pas cumulables avec les allocations.
L’arrêt décide que le défendeur a agi de bonne foi. Sur cette base, il limite le montant de la récupération des allocations de chômage perçues indûment aux revenus bruts dont a bénéficié le défendeur durant les cent cinquante derniers jours d’indemnisation indue. Il viole, dès lors, l'article 169 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage.