Cass. 5 september 2011, S.10.0119.N
RSZ-wet – aansprakelijkheid van de aannemer – strafkarakter – retroactiviteit van de mildste straf – verwijlintresten
Artikel 30ter, §6, B, eerste lid, van de RSZ-wet, voor de opheffing van dit artikel bij koninklijk besluit van 26 december 1998, zoals te dezen van toepassing, legde een sanctie op aan de hoofdaannemer die de bij de wet opgelegde inlichtingen niet verstrekte, teneinde aldus de onwettige activiteiten van de koppelbazen te bestrijden en strekte er toe via bestraffing een ontradende werking te hebben.
Die sanctie kon tot aanzienlijke bedragen oplopen, waarvan de vaststelling, binnen de in de wet bepaalde perken, werd overgelaten aan de overheid die het bedrag moest moduleren, niet met de bedoeling om, al was het maar forfaitair, een geleden nadeel te vergoeden, maar door rekening te houden met de ernst van de tekortkoming.
Deze maatregel had een overwegend repressief karakter en kan niet als een louter burgerlijke sanctie worden beschouwd. Aldus vertoonde deze maatregel het karakter van een strafrechtelijke sanctie in de zin van de artikelen 7.1 EVRM en 15.1 IVBPR.
De omstandigheid dat de bedoelde maatregel een strafrechtelijke sanctie was in de zin van de artikelen 7 EVRM en 15.1 IVBPR, brengt mee dat de waarborgen van de bepalingen van het EVRM en IVBPR moeten in acht worden genomen.
De voormelde artikelen 7.1 en 15.1 bepalen dat geen zwaardere straf mag worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbaar feit van toepassing was. Dit impliceert dat geen bijkomende straf mag worden opgelegd die niet was voorzien ten tijde van het begaan van het strafbaar feit.
De RSZ-wet voorzag, ingeval van niet-naleving van de meldingsplicht voorgeschreven door artikel 30ter, §5, in een sanctie, bestaande uit de betaling van een bedrag van minstens 5 pct van het totale bedrag van de niet-gemelde werkzaamheden en maximaal 5 pct van het bedrag van de aan de hoofdaannemer op de betrokken werf toevertrouwde werkzaamheden. In een nalatigheidsinterest werd niet voorzien.
Met toepassing van de voormelde artikelen 7.1 en 15.1 is het de rechter niet toegelaten de hoofdaannemer die de door artikel 30ter, §5, van de RSZ-wet voorgeschreven meldingsplicht niet heeft nageleefd, te veroordelen tot betaling van verwijlintrest op de som die hij krachtens artikel 30ter, §6, B, aan de eiser verschuldigd is.
Cass. 26 september 2011, S.09.0111.F
RMI-wet – leefloon – sociaal onderzoek – herziening - terugvordering
Krachtens artikel 19, § 1, eerste lid, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, verricht het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een sociaal onderzoek met het oog op de toekenning van maatschappelijke integratie in de vorm van een leefloon, of een tewerkstelling, met het oog op de herziening of de intrekking van een beslissing dienaangaande of met het oog op een beslissing tot schorsing van de uitbetaling van het leefloon. De tweede paragraaf van dat artikel bepaalt dat de aanvrager ertoe gehouden is elke voor het onderzoek van zijn aanvraag nuttige inlichting en machtiging te geven.
Luidens artikel 22, § 1, eerste lid, van dezelfde wet herziet het centrum, onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake de verjaring, een beslissing in geval van gewijzigde omstandigheden die een invloed hebben op de rechten van de persoon, een wijziging van het recht door een wettelijke of reglementaire bepaling, een juridische of materiële vergissing van het centrum en in geval van verzuim, onvolledige en onjuiste verklaringen van de persoon.
Het tweede lid van die bepaling bepaalt dat de betrokkene, met het oog op een eventuele herziening, onmiddellijk aangifte moet doen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op het hem toegekende bedrag of op zijn situatie als rechthebbende.Volgens het derde lid moet het centrum met hetzelfde oogmerk geregeld, en minstens om het jaar, nagaan of de toekenningsvoorwaarden vervuld blijven.
Uit die bepalingen volgt niet dat het centrum niet op grond van een onvolledige aangifte van een persoon de terugbetaling van zijn leefloon mag vorderen, indien het niet minstens om het jaar heeft nagegaan of de toekenningsvoorwaarden vervuld waren gebleven.
Op de vraag die aan het Grondwettelijk Hof was gesteld in het arrest van het Hof van 13 december 2010, antwoordt voormeld Hof dat artikel 29, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, in de versie van vóór de wijziging ervan bij de wet van 30 december 2009, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt in zoverre het toestaat de vordering tot terugvordering gedurende vijf jaar uit te oefenen. Het bestreden arrest, dat die verjaringstermijn toepast, schendt de artikelen 10 en11 van de Grondwet niet.
Cass.10 oktober 2011, S.10.0054.F
Arbeidsongeval – uitvoering arbeidsovereenkomst – vermoeden - tegenbewijs
L’article 7, alinéa 2, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail présume, jusqu’à la preuve du contraire, que l’accident survenu dans le cours de l’exécution du contrat de travail est survenu par le fait de cette exécution. Cette preuve contraire peut-être apportée par toute voie de droit.
L’arrêt constate que le défendeur a été victime d’une agression par balles dans le cours de l’exécution du contrat de travail. Conformément à l’article 7, alinéa 2, précité, il incombe à la
demanderesse de prouver que cet accident n’est pas survenu par le fait de cette exécution.
En conclusions, la demanderesse sollicitait le renvoi de la cause au role jusqu’à la clôture de l’instruction relative à l’agression, afin d’être en mesure de consulter le dossier répressif dans lequel elle espérait découvrir des circonstances excluant que l’accident soit survenu par ce fait.
L’arrêt rejette cette mesure au motif que la demanderesse « n’indique pas de manière précise les circonstances particulières qui, en l’espèce, permettraient effectivement » de renverser la présomption.
L’arrêt n’a pu, sans constater que la consultation du dossier répressif n’était pas susceptible de contribuer à la preuve dont la demanderesse avait la charge, priver celle-ci de la possibilité de rapporter cette preuve par ce moyen, au seul motif qu’elle n’indiquait pas les faits précis qu’elle entendait ainsi prouver.
En décidant, sur la seule base des éléments recueillis jusqu’alors, que la demanderesse ne renverse pas la présomption de l’article 7, alinéa 2, l’arrêt viole cette disposition.
Cass. 10 oktober 2011, S.10.0185.F
Arbeidsrelatie – Kwalificatie - Arbeidsovereenkomst – gezag
Lorsque les éléments soumis à son appréciation permettent d’exclure la qualification donnée par les parties à la convention qu’elles ont conclue, le juge du fond peut y substituer une qualification différente.Pour écarter la qualification de contrat d’entreprise que les parties ont donnée, lors de sa conclusion, à leur convention ayant pour objet la distribution d’imprimés et retenir l’existence d’un lien de subordination, l’arrêt se fonde sur les stipulations de cette convention et sur la manière dont elle a été exécutée et,en particulier, sur les éléments de fait suivants :
- les jours et heures de la distribution et le parcours à effectuer étaient imposés sans possibilité d’adaptation par des arrangements entre collègues ;
- les défendeurs avaient l’obligation d’effectuer eux-mêmes toutes les tournées, sauf absence justifiée par des motifs prouvés, alors que la nature du travail n’expliquait pas cette obligation, le remplaçant qu’ils devaient trouver en cas d’absence justifiée ne devant répondre à aucune exigence
particulière ;
- pour tout problème au cours de la tournée, les défendeurs devaient s’adresser à la demanderesse qui donnait les instructions à suivre en cas d’imprévu ;
- la demanderesse avait le pouvoir de contrôler le respect par les défendeurs de ses instructions précises et impératives ;
- la demanderesse pouvait prendre à l’égard des défendeurs des « sanctions d’office », qui ne constituaient pas l’exécution de la clause de responsabilité inscrite au « contrat d’entreprise » mais des mesures unilatérales, sans que ni la clause ni aucun accord ultérieur n’indique les hypothèses de sanction ou leur montant et sans davantage qu’il soit prouvé que le montant des retenues corresponde au dommage provoqué par une négligence.
Sur la base de l’ensemble de ces considérations, l’arrêt a pu déciderlégalement que les parties étaient liées par un contrat de travail.
Cass. 17 oktober 2011, S.08.0009.N
Europese sociale zekerheid – verordening 1408/71 – begrip ambtenaar – contractueel overheidspersoneel
Artikel 2, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: verordening nr. 1408/71), zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat deze verordening van toepassing is op ambtenaren en op personeel dat volgens de toepasselijke wetgeving met hen gelijkgesteld is, voor zover zij onderworpen zijn of geweest zijn aan de wettelijke regelingen van een lidstaat waarop deze verordening van toepassing is.
Verordening nr. 1408/71 is van toepassing op de wettelijke regelingen betreffende de takken van sociale zekerheid bedoeld in artikel 4, lid 1, van die verordening. Overeenkomstig artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71, zoals te dezen van toepassing, is deze verordening niet van toepassing op de bijzondere regelingen voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden.
Krachtens artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1408/71, zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van een enkele lidstaat onderworpen, onder voorbehoud van de artikelen 14quater en 14septies.
Artikel 13, lid 2, a), van verordening nr. 1408/71 bepaalt dat, onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17, op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing is, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat.
Artikel 13, lid 2, d), van verordening nr. 1408/71 bepaalt dat, onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17, op ambtenaren en met hen gelijkgestelden, de wetgeving van toepassing is van de lidstaat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert.
Overeenkomstig artikel 1, § 1, RSZ-wet, vindt deze wet toepassing op de werknemers en de werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden. Krachtens artikel 2, § 1, 2°, RSZ-wet, kan de Koning, bij in ministerraad overlegd besluit, en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, voor zekere categorieën werknemers die Hij bepaalt, de toepassing van deze wet tot een of meer van de bij artikel 5 opgesomde regelingen beperken.
Artikel 9, § 2, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet, bepaalt dat wat de personen betreft die door het Rijk, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies en de instellingen ondergeschikt aan de provincies krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst worden genomen, de toepassing van de wet beperkt wordt tot de regelingen opgesomd in § 1, eerste lid, zijnde de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, de regeling voor rust- en overlevingspensioen voor werknemers en de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid voor werknemers.
Overeenkomstig artikel 1, eerste lid, 3°, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel is de bij deze wet vastgestelde regeling voor het herstel van schade ten gevolge van arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en ten gevolge van beroepsziekten van toepassing op de leden van het vast, stagedoend, tijdelijk, hulppersoneel of het personeel dat wordt in dienst genomen door een arbeidsovereenkomst, behorende tot de besturen en andere diensten van de regeringen van de gemeenschappen en de gewesten.
Hieruit volgt dat, volgens de Belgische wettelijke regeling inzake sociale zekerheid, contractueel overheidspersoneel van de eiseres gedeeltelijk onder de toepassing valt van de algemene socialezekerheidsregeling voor werknemers en gedeeltelijk onder een bijzondere regeling voor ambtenaren.
Uit het arrest C-296/09 van het Hof van Justitie van 9 december 2010 blijkt dat wat dient te worden verstaan onder “ambtenaar” en “met hen gelijkgestelden” in de zin van artikel 13, lid 2, d), van verordening nr. 1408/71, uitsluitend wordt bepaald volgens het nationale recht van de lidstaat waaronder de overheidsdienst die deze personen tewerkstelt, ressorteert en dat een persoon in de situatie van de verweerder, die in een lidstaat gedeeltelijk onder de socialezekerheidsregeling voor ambtenaren en gedeeltelijk onder die voor werknemers valt, overeenkomstig artikel 13, lid 2, d), van die verordening uitsluitend onder de toepassing kan vallen van de wetgeving van de lidstaat waaronder de overheidsdienst die hem tewerkstelt, ressorteert.
Uit het arrest blijkt ook dat de begrippen “ambtenaren” en “met hen gelijkgestelden” in de zin van artikel 13, lid 2, d), van verordening nr. 1408/71 verwijzen naar de definities die daaraan worden gegeven in de socialezekerheidswetgevingen van de lidstaten en geen verband houden met de wijze waarop de uitgeoefende werkzaamheden in het arbeidsrecht worden gekwalificeerd.
De appelrechters stellen vast dat de verweerder met de eiseres verbonden was door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op grond van de Arbeidsovereenkomstenwet en aldus de hoedanigheid van werknemer had, dat hij niet genoot van de voor het ambtenarenstatuut kenmerkende vastheid van betrekking en dat de verweerder krachtens het personeelsstatuut voor contractueel personeel een functionele bevoegdheid had en geen hiërarchische bevoegdheid
zoals dit het geval is voor ambtenaren.
Uit deze vaststellingen die uitsluitend verband houden met de kwalificatie in het arbeidsrecht van de door de verweerder uitgeoefende werkzaamheden, noch uit de andere vaststellingen of overwegingen van het arrest volgt dat de verweerder op basis van het nationale stelsel van sociale zekerheid waarbij hij was aangesloten, niet als een met ambtenaar gelijkgestelde kan worden beschouwd.
De appelrechters oordelen niet wettig dat de verweerder niet als een met ambtenaar gelijkgestelde kan worden beschouwd in de zin van artikel 13, lid 2, d), van verordening nr. 1408/71. Hun beslissing dat het socialezekerheidsstelsel van de lidstaat waar zich de plaats van tewerkstelling bevond, met name Zweden, op de verweerder van toepassing was, zodat de eiseres ten onrechte socialezekerheidsbijdragen heeft ingehouden op het loon van de verweerder, is dienvolgens niet naar recht verantwoord.
Cass. 17 oktober 2011, S.10.0213.N
Sociale verkiezingen – kandidaten – beroep door werkgever – inroeping ongeldigheid kandidatuur in ontslagprocedure - laattijdigheid
Krachtens artikel 5 van de wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen van het jaar 2008, kan de werkgever een beroep instellen tegen de voordracht van kandidaten, wanneer de kandidaten of de kandidatenlijsten niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van de Bedrijfsorganisatiewet, van de Wet Welzijn Werknemers en van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008, zelfs indien geen enkele klacht werd ingediend.
Indien er geen klacht werd ingediend, moet het beroep van de werkgever worden ingesteld binnen vijf dagen na de termijn voor de indiening van klachten vastgesteld in artikel 37 van de laatst vermelde wet van 4 december 2007.
Deze bepaling vindt toepassing op alle betwistingen betreffende de geldigheid van een kandidatuur en de samenstelling van de kandidatenlijsten. De werkgever kan de geldigheid van een kandidatuur waartegen hij niet tijdig beroep heeft ingesteld, niet meer betwisten in een procedure met betrekking tot de ontslagbescherming.
De appelrechters stellen vast dat de verweerster inroept dat de eiser niet voldoet aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden van artikel 59, § 1, 3°, Wet WelzijnWerknemers, zodat de eiser geen aanspraak kan maken op de door hem gevorderde beschermingsvergoeding. Deze betwisting betreft de geldigheid van de kandidatuur in het licht van de bepalingen van de Wet Welzijn Werknemers en valt derhalve onder artikel 5 van de eerst vermelde wet van 4 december 2007.
Met miskenning van die wetsbepaling, oordelen de appelrechters dat de verweerster kan inroepen dat de eiser niet beantwoordde aan de verkiesbaarheidsvoorwaarde, hoewel zij dit tijdens de procedure van de sociale verkiezingen nooit heeft ingeroepen, aangezien de rechtsvraag die aan de orde is betrekking heeft op het feit of de eiser aan de wettelijke voorwaarden voldoet om aanspraak te maken op de bijzondere beschermingsvergoeding en niet op het feit of de kandidatuur van de eiser geldig werd ingesteld volgens de bepaling van artikel 5 van de wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen van het jaar 2008.
Cass. 24 oktober 2011, S.11.0039.F
Werkloosheid – Terugvordering – Beperking ingeval van goede trouw
En vertu de l'article 169, alinéas 1er et 2, de l’arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, toute somme perçue indûment doit être remboursée à moins qu'il ne soit établi que le chômeur a perçu de bonne foi des allocations auxquelles il n'avait pas droit, auquel cas la récupération est limitée aux cent cinquante derniers jours d'indemnisation indue.
Conformément à l'alinéa 5 de ce même article, lorsque le chômeur prouve qu’il a perçu de bonne foi des allocations auxquelles il n'avait pas droit, le montant de la récupération peut, par dérogation aux alinéas précédents de cet article, être limité au montant brut des revenus dont il a bénéficié et qui n’étaient pas cumulables avec les allocations.
L’arrêt décide que le défendeur a agi de bonne foi. Sur cette base, il limite le montant de la récupération des allocations de chômage perçues indûment aux revenus bruts dont a bénéficié le défendeur durant les cent cinquante derniers jours d’indemnisation indue. Il viole, dès lors, l'article 169 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage.
Posts tonen met het label bedrijfsorganisatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label bedrijfsorganisatie. Alle posts tonen
01 februari 2012
13 januari 2012
Kandidaten bij sociale verkiezingen vanaf deze week beschermd
door Isabelle Van Hiel (assistente UGent)
Hoewel de lijsten pas in maart moeten worden ingediend, gaat de bescherming van de kandidaten bij de sociale verkiezingen al deze week in. Werknemers die zich kandidaat stellen voor een mandaat in de ondernemingsraad of het CPBW zijn wettelijk beschermd tegen ontslag[1]. De bescherming begint 30 dagen voor de aanplakking van het bericht dat de verkiezingsdatum aankondigt (X-30), terwijl de kandidatenlijsten pas moeten worden ingediend 35 dagen na de aanplakking van dit bericht (X+35). De periode tussen X-30 en X+35 waarin de werknemer beschermd is, hoewel zijn kandidatuur nog niet ingediend is, wordt de “occulte periode” genoemd. De occulte periode moet voorkomen dat een werkgever die reeds informeel op de hoogte kan zijn van een voorgenomen kandidatuur, de werknemer zou ontslaan voordat hij de kans heeft om zijn kandidatuur officieel te maken.
Het exacte ogenblik waarop de bescherming aanvangt, hangt af van de binnen de onderneming gekozen verkiezingsdatum (Y). Voor ondernemingen die op de eerst mogelijke datum, 7 mei, verkiezingen organiseren, ging de bescherming al in op 8 januari. Voor ondernemingen die pas op de laatst mogelijke datum, 20 mei, verkiezingen organiseren, is het nog wachten tot 21 januari. Naargelang de in de onderneming gekozen verkiezingsdatum, zal X+35 vallen tussen 13 maart en 26 maart.
Verkiesbaarheidsvoorwaarden
Om geldig te zijn, moet de kandidatuur voldoen aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden van artikel 19 van de bedrijfsorganisatiewet en artikel 59 van de welzijnswet en worden voorgedragen door een tot voordracht bevoegde organisatie. Sinds de sociale verkiezingen van 2000 moeten de kandidatenlijsten worden voorgedragen door de representatieve interprofessionele werknemersorganisaties ABVV, ACLVB en ACV. De beroepscentrales kunnen een volmacht krijgen om op te treden. Alleen voor het kaderkiescollege in de ondernemingsraad, kunnen kandidatenlijsten worden ingediend door de Nationale Confederatie voor Kaderleden en zijn huislijsten mogelijk.
De werkgever moet de door de werknemersorganisaties ingediende kandidatenlijsten aanplakken, maar kan een beroep instellen tegen de voordracht van kandidaten, wanneer de kandidaten of de kandidatenlijsten niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van de bedrijfsorganisatiewet[2], de welzijnswet[3] en de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen[4]. Indien door de werknemers of hun organisaties geen klachten bij de werkgever werd ingediend, moet de werkgever zijn beroep instellen binnen vijf dagen na het verstrijken van de termijn voor de indiening van klachten (X+52). Werden wel klachten ingediend, dan loopt de termijn tot X+61.
Stelt de werkgever niet tijdig beroep in dan kan hij de geldigheid van de kandidatuur – en de daaraan gekoppelde bescherming – later niet meer betwisten. Vroeger werd wel eens gesteld[5] dat de werkgever de ongeldigheid van de kandidatuur nog kon inroepen tijdens een procedure over de bescherming, maar in het arrest van 17 oktober 2011[6] maakte het Hof van Cassatie duidelijk dat na het verloop van de termijn van artikel 5 van de wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen[7] de bescherming onherroepelijk verworven is. De kandidaat die op de definitieve kandidatenlijst staat die binnen de dertien dagen die de verkiezingsdag voorafgaan (X+77), niet meer kan worden gewijzigd, geniet de bescherming[8]. Naargelang de in de onderneming gekozen verkiezingsdatum, zal X+77 vallen tussen 24 april en 7 mei.
Geen of onvoldoende kandidaten
Zijn er geen of onvoldoende kandidaturen, dan moeten er geen verkiezingen worden georganiseerd. Artikel 78, eerste lid, van de wet betreffende de sociale verkiezingen bepaalt onder welke voorwaarden de kiesprocedure wordt stopgezet: 1° wanneer geen enkele kandidatenlijst werd ingediend; 2° wanneer geen enkele kandidatenlijst werd ingediend voor één of meerdere personeelscategorieën, terwijl één of meerdere lijsten ingediend zijn voor minstens één andere personeelscategorie; 3° wanneer één enkele representatieve werknemersorganisatie of één enkele representatieve organisatie van kaderleden of wanneer enkel één groep van kaderleden een aantal kandidaten voordraagt dat gelijk is aan of lager is dan het aantal toe te kennen gewone mandaten. In dat laatste geval zijn, volgens het artikel, de kandidaten van rechtswege verkozen.
Toch werd door het Hof van Cassatie in een arrest van 4 april 2011[9] beslist dat de enige kandidaat niet geacht kan worden te zijn verkozen, gezien het aantal voorgedragen kandidaten lager ligt dan het door artikel 56.2 van de welzijnswet – of artikel 16, eerste lid, b) van de bedrijfsorganisatiewet) –minimaal vereiste aantal gewone afgevaardigden nodig om een comité te kunnen samenstellen. Een nieuwe paragraaf bij artikel 78[10] verduidelijkt nu dat “de van rechtswege verkozen kandidaat als effectief verkozene (geniet) van de bescherming tegen ontslag van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat personeelsafgevaardigden, zelfs indien hij de enige verkozene is en derhalve het orgaan niet zal kunnen functioneren”.
En na de verkiezingen?
Ook na de verkiezingsdag blijven de kandidaten beschermd. Artikel 2, § 3, van de wet bescherming personeelsafgevaardigden maakt een onderscheid tussen de duur van de bescherming van niet verkozen kandidaten bij hun eerste niet-succesvolle kandidatuur en bij volgende niet-succesvolle kandidaturen. De kandidaat-personeelsafgevaardigden die bij de verkiezingen van de vertegenwoordigers van het personeel voor de raden en voor de comités worden voorgedragen en de voorwaarden van verkiesbaarheid voldoen, genieten dezelfde bescherming als personeelsafgevaardigden zo het hun “eerste kandidatuur” betreft (§ 3, lid 1). Door het Hof van Cassatie werd de “eerste kandidatuur” geïnterpreteerd als de “eerste kandidatuur die niet tot een verkiezing leidde”[11], zodat een verkozen kandidaat bij zijn volgende vruchteloze kandidatuur de bescherming van 4 jaar blijft genieten. De succesvolle en de niet-succesvolle kandidatuur moeten niet opeenvolgend zijn voor de bescherming van vier jaar[12].
Voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden die “reeds kandidaat waren en niet werden verkozen bij de vorige verkiezingen” neemt de bescherming een einde twee jaar na de aanplakking van de uitslag der verkiezingen (§ 3, lid 2). De twee vruchteloze kandidaturen moeten volgens Cassatierechtspraak[13] niet opeenvolgend zijn.
Tabel - Overzicht van de belangrijke data in verband met de kandidaturen
| Y | 7/5 | 8/5 | 9/5 | 10/5 | 11/5 | 12/5 | 13/5 | 14/5 | 15/5 | 16/5 | 17/5 | 18/5 | 19/5 | 20/5 |
| X-30 | 8/1 | 9/1 | 10/1 | 11/1 | 12/1 | 13/1 | 14/1 | 15/1 | 16/1 | 17/1 | 18/1 | 19/1 | 20/1 | 21/1 |
| X+35 | 13/3 | 14/3 | 15/3 | 16/3 | 17/3 | 18/3 | 19/3 | 20/3 | 21/3 | 22/3 | 23/3 | 24/3 | 25/3 | 26/3 |
| X+52 | 30/3 | 31/3 | 1/4 | 2/4 | 3/4 | 4/4 | 5/4 | 6/4 | 7/4 | 8/4 | 9/4 | 10/4 | 11/4 | 12/4 |
| X+61 | 8/4 | 9/4 | 10/4 | 11/4 | 12/4 | 13/4 | 14/4 | 15/4 | 16/4 | 17/4 | 18/4 | 19/4 | 20/4 | 21/4 |
| X+77 | 24/4 | 25/4 | 26/4 | 27/4 | 28/4 | 29/4 | 30/4 | 1/5 | 2/5 | 3/5 | 4/5 | 5/5 | 6/5 | 7/5 |
21 september 2011
De sociale verkiezingen gaan door tussen 7 en 20 mei 2012!
door Isabelle Van Hiel (UGent)
Tussen 9 en 22 december 2011 geven meer dan 6000 ondernemingen het startschot voor de sociale verkiezingen. Deze verkiezingen die moeten leiden tot de oprichting van een of meerdere ondernemingsraden en/of CPBW’s, vinden in 2012 voor de 16de keer plaats. Hoewel de Bedrijfsorganisatiewet[1] en de Welzijnswet[2] voorschrijven dat de sociale verkiezingen elke 4 jaar plaatsvinden, dienen de verkiezingsdata en de procedureregels telkens opnieuw te worden bepaald. Sinds 2003 gebeurt dat bij wet. De wetten die de sociale verkiezingen in 2012 mogelijk maken, verschenen in het Belgisch Staatsblad van 12 september 2011. Het gaat om twee wetten van 28 juli 2011 die respectievelijk de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008[3] en de wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen van het jaar 2008 wijzigen. Beide wetten treden in werking op de dag van publicatie. Een derde wet van dezelfde datum die voor de sociale verkiezingen van 2012 de drempel voor de oprichting van ondernemingsraden behoudt, verscheen al op 31 augustus 2011 in het Belgisch Staatsblad.
Anders dan in 2007 verliep de totstandkoming van de wetgeving zeer vlot. In 2007 werd de voorbereiding van de sociale verkiezingen doorkruist door de aanslepende discussie over de omzetting van de KMO-richtlijn[4]. Uiteindelijk werd een akkoord bereikt, maar toen bevond de regering zich al in lopende zaken. Om moeilijkheden te vermijden, werd geopteerd voor een wet[5]. In 2004 had de wetgever immers moeten tussenkomen om het K.B. Sociale Verkiezingen 2003[6] te bekrachtigen, nadat een werkgever met succes de wettigheid ervan had bestreden[7]. Dergelijke moeilijkheden bleven in 2011 achterwege. De sociale partners bereikten al tijdens het interprofessioneel overleg een akkoord over het behoud van de drempel voor de ondernemingsraad en brachten in december een advies uit over een zeer beperkt aantal knelpunten in verband met de verkiezingsprocedure[8].
Vermits de regering ook nu ontslagnemend is, werd er opnieuw voor gekozen om de verkiezingsdata en –procedure te regelen bij wet, m.n. via een wijziging van de Wet Sociale Verkiezingen en de Wet Gerechtelijke Beroepen. De drempel werd opnieuw in een aparte wet opgenomen. De keuze voor wetgeving leidde in 2007 tot procedures van het Vlaams Belang bij het Grondwettelijk Hof en de arbeidsgerechten waarin het recht van de representatieve werknemersorganisaties om kandidaten voor te dragen werd betwist[9]. Alle vorderingen werden afgewezen, zodat het onwaarschijnlijk lijkt dat dezelfde betwistingen zich bij deze verkiezingen opnieuw zullen voordoen. Het Vlaams Belang heeft bij de bespreking van het wetsontwerp vreemd genoeg ook geen amendementen ingediend.
Welke veranderingen houden nieuwe wetten in?
· De drempels blijven behouden
De nieuwe wet houdt geen wijzigingen in ten opzichte van de Wet van 8 november 2007 [10]. Ook in 2012 zullen ondernemingsraden pas moeten worden opgericht in alle ondernemingen met een gewoonlijke gemiddelde tewerkstelling van 100 werknemers. CPBW’s moeten worden ingesteld in alle ondernemingen met een gewoonlijke gemiddelde tewerkstelling van 50 werknemers. In de mijnen, groeven en graverijen moeten CPBW’s worden opgericht in alle ondernemingen die tenminste 20 werknemers tewerkstellen. Net als in 2007 gebeurt de omzetting van de KMO-richtlijn niet door de drempel van de ondernemingsraad te verlagen, maar door in de ondernemingen tussen de 50 en 100 werknemers bijkomende sociale en economische bevoegdheden toe te kennen aan de CPBW’s[11]. Anders dan de wet die de drempel alleen voor de verkiezingen van 2012 verhoogt, worden deze bevoegdheden niet beperkt in tijd. Hetzelfde geldt voor de extra bevoegdheden die door CAO nr. 9ter van 27 februari 2008[12] worden toegekend aan vakbondsafvaardiging in ondernemingen met minder dan 50 werknemers.
· De verkiezingsprocedure wordt slechts licht gewijzigd
In het opschrift van de Wet Sociale Verkiezingen worden de woorden « van het jaar 2008 » geschrapt. De bedoeling daarbij was om de wet aan te passen, zodat ze bruikbaar is bij alle volgende sociale verkiezingen. De wet beperkt echter haar toepassingsgebied door in artikel 3 te verwijzen naar de wet van 28 juli 2011 die de drempel verhoogt en in artikel 9 de verkiezingsperiode te bepalen die aanvangt op 7 mei 2012 en eindigt op 20 mei 2012. De verkiezingsperiode stemt overeen met het advies gegeven door de sociale partners[13].
De wijzigingen aan de Wet Sociale Verkiezingen blijven zeer beperkt. De bepalingen ervan worden geactualiseerd en de administratieve verplichtingen voor de werkgevers versoepeld door meer vormen van elektronische verzending en alternatieven voor aangetekende brieven toe te laten. Het artikel 67 over de aanduiding van de plaatsvervangers en de niet-verkozenen dat bij de vorige verkiezingen aanleiding gaf tot veel discussie, werd verduidelijkt. Hetzelfde geldt voor het artikel 78 dat ook bij de vorige verkiezingen al eens werd herschreven. In de nieuwe versie wordt er ook aan toegevoegd dat de van rechtswege verkozen kandidaat bescherming geniet als effectief verkozene, zelfs indien hij de enige verkozene is en derhalve het orgaan niet zal kunnen functioneren. De bepaling is het gevolg van een tijdens de bespreking van het ontwerp ingediend amendement dat tot doel had de gevolgen van het Cassatie-arrest van 4 april 2011[14] teniet te doen. Het gewijzigde artikel 80, tenslotte, opent meer mogelijkheden om nieuwe leidinggevende functies toe te voegen. In 2008 bestond de mogelijkheid alleen voor wijzigingen gebeurt na de verkiezingen. Vanaf 2012 zal de lijst van leidinggevende functies ook kunnen worden aangepast voor wijzigingen gebeurt tussen X-35[15] en Y[16], al zal de invoering ervan pas na de verkiezingen kunnen.
· De Wet Gerechtelijke Beroepen blijft ongewijzigd
In de Wet Gerechtelijke Beroepen[17] worden alleen de woorden "van het jaar 2008" geschrapt, om een definitieve regeling van de gerechtelijke beroepen bij wet mogelijk te maken. De verhouding tussen de bepalingen van de Wet Gerechtelijke Beroepen en artikel 24 van de Bedrijfsorganisatiewet en artikel 79 van de Welzijnswet is echter onduidelijk. In de Wet Gerechtelijke Beroepen werd niet uitdrukkelijk voorzien dat ze geldt “onverminderd” de bepalingen van de Bedrijfsorganisatiewet en de Welzijnswet, zoals voor de Wet Sociale Verkiezingen, en de wetgever miste de kans om deze vergetelheid recht te zetten in de wijzigingswet.
[1] Sectie IV van de Wet van 20 september 1948 houdende organisatie van bedrijfsleven, B.S. 27-28 september 1948.
[2] Hoofdstuk VIII van de Wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitoefening van hun werk, B.S. 18 september 1996.
[3] Wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008, B.S. 7 december 2007, ed. 2. Deze wet wordt verkort weergegeven als: Wet Sociale Verkiezingen.
[4] Richtlijn van 11 maart 2002 nr. 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap, P.B. L. 80, 23 maart 2002.
[5] M. DE GOLS, “Les élections sociales de 2008”, Ors. 2007, nr. 10, 2.
[6] K.B. van 15 mei 2003 betreffende de ondernemingsraden en de comités voor preventie en bescherming op het werk, B.S. 4 juni 2003, ed. 2, err. B.S. 24 juli 2003. Bekrachtigd bij artikel 2, 1°, van de Wet van 2 april 2004, B.S. 16 april 2004.
[8] Advies nr. 1748 van de Nationale Arbeidsraad van 7 december 2010 - Problemen die gerezen zijn bij de sociale verkiezingen, www.nar.be.
[9] Zie voor een bespreking: I. VAN HIEL, “Waarom alleen representatieve werknemersorganisaties kandidaten bij de sociale verkiezingen mogen voordragen”, Or. 2009, nr. 5, 126-138.
[10] Wet van 8 november 2007 tot bepaling van de drempel van toepassing voor de instelling van de ondernemingsraden of de vernieuwing van hun leden ter gelegenheid van de sociale verkiezingen van het jaar 2008, B.S. 28 november 2007.
[11] Wet van 23 april 2008 tot aanvulling van de omzetting van Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap, B.S. 16 mei 2008.
[13] Advies nr. 1766 van de Nationale Arbeidsraad van 2 maart 2011 - Datum en periode van de eerstkomende sociale verkiezingen.
[14] Cass. 4 april 2011, A.R. nr. S.10.0068.N, besproken in I. VAN HIEL, “Van rechtswege verkozen kandidaat is niet verkozen”, Juristenkrant 2011, afl. 231, 2.
[15] Dit betekent 35 dagen voor de dag van aanplakking van het bericht dat de verkiezingen aankondigt (= dag X).
[16] Y is de verkiezingsdag.
[17] Wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen van het jaar 2008, B.S. 7 december 2007, ed. 2. De wet wordt verkort weergegeven als: Wet Gerechtelijke Beroepen.
Abonneren op:
Reacties (Atom)