Posts tonen met het label verjaring. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verjaring. Alle posts tonen

06 december 2014

De verjaring van de terugvordering van een sluitingsvergoeding door het FSO

door K. Nevens

De Sluitingswet 2002 bevatte lange tijd geen bijzondere verjaringstermijn wat betreft de terugvordering van ten onrechte betaalde vergoedingen door het Fonds Sluiting Ondernemingen. In de rechtspraak en rechtsleer werd dan ook aangenomen dat de tienjarige verjaringstermijn uit artikel 2277 BW kon en moest worden toegepast (cf. A. Lindemans, "De verjaring in bijzondere wetgevingen over arbeidsrechtelijke aangelegenheden", in ATO, O-1004, 125). In een arrest van 10 maart 2011 overwoog het Grondwettelijk Hof echter met betrekking tot de voormalige Sluitingswet van 1966, die evenmin een bijzondere verjaringstermijn vermeldde, dat dit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel (art. 10 en 11 GW), dit in vergelijking met de kortere verjaringstermijnen die gelden voor andere onverschuldigd betaalde sociale uitkeringen (arrest nr. 34/2011).

Bij wet van 30 juli 2013 werd dan ook een artikel 72/1 ingevoegd in de Sluitingswet 2002. Deze bepaling, die in werking trad op 11 augustus 2013, luidt als volgt:
“§1. De terugvordering van de ten onrechte aan de werknemer verrichte betalingen op basis van de artikelen 33, 35, 41, 47, 49 en 51 verjaart na drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de betaling werd verricht. De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt teruggebracht tot zes maanden indien de betaling enkel het gevolg is van een vergissing van het Fonds, waarvan de werknemer zich normaliter geen rekenschap kon geven. De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt verlengd tot vijf jaar indien ten onrechte werd betaald in geval van bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen van de werknemer.”
In de memorie van toelichting bij deze wet wordt de wetswijziging als volgt gemotiveerd:
“In zijn arrest nr. 34/2011 van 10 maart 2011 heeft het Grondwettelijk Hof voor recht gezegd dat “De wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat zij geen enkele bepaling bevat betref-fende de verjaringstermijn van de vordering tot terugbetaling van de vergoeding voor sluiting van een onderneming”. Voormelde wet van 28 juni 1966 werd opgeheven door voormelde wet van 26 juni 2002. Niettemin moet deze laatste wetgeving in overeenstemming worden gebracht met het arrest nr. 34/2011 aangezien deze wet geen enkele specifi eke bepaling bevat met betrekking tot de verjaringstermijn van de vordering tot terugbetaling van geldsommen dat het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers ten onrechte heeft betaald aan de werkne-mer. Dat is het doel dat wordt beoogd met deze wijzigingen, welke zich niet beperken tot de sommen die ten onrechte als sluitingsvergoeding worden betaald door het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, maar alle sommen viseren die worden betaald aan de werknemer op basis van voormelde wet van 26 juni 2002. Een dergelijke aanpak laat toe om de rechtszekerheid te versterken door het vooruitzicht op nieuwe beroepen ingesteld in het kader van vorderingen tot terugbetaling van geldsommen, die niet betaald werden als sluitingsvergoeding, te vermijden. De gekozen verjaringstermijnen zijn grotendeels geïnspireerd op deze voorzien door artikel 30, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van sociale zekerheid voor werknemers. Het Grondwettelijk Hof verwijst expliciet naar deze wettelijke bepaling in zijn arrest nr. 34/2011.” (Parl. St. Kamer 2012-2013, nr. 53-2891, 11)
Gelet op het voorgaande, en teneinde uitwerking te geven aan het aangehaalde arrest van het Grondwettelijk Hof, is het mijns inziens uit den boze de tienjarige verjaringstermijn toe te passen, zelfs indien de betaling van de sluitingspremie geschiedde vòòr de inwerkingtreding van 30 juli 2013. Dit lijkt mij immers het gelijkheidsbeginsel te schenden.

Ook een gedeeltelijke toepassing van de tienjarige verjaringstermijn ingevolge de regels van het overgangsrecht inzake verjaring, lijkt mij in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat de schuldeiser zodoende toch nog altijd voordeel haalt uit de langere verjaringstermijn. Ter herinnering, wanneer een wet voor de verjaring van de vordering een kortere termijn bepaalt dan die gesteld door de vorige wet, en het betrokken recht vòòr de inwerkingtreding van de nieuwe wet is ontstaan, dan begint de nieuwe verjaringstermijn ten vroegste met de inwerkingtreding van de nieuwe wet te lopen, tenzij de verjaring op dat ogenblik reeds zou zijn ingetreden (Cass. 6 maart 1958, Arr. Cass. 1958, 489; Cass. 24 jauari 1997, Arr. Cass. 1997, 107). Dit betekent in concreto dus dat bij een nog niet verstreken verjaring een deel van de oude termijn in beginsel wordt samengeteld met de nieuwe termijn (P. Popelier, Toepassing van de wet in de tijd, in APR, Story-Scientia, 1999, nr. 139).

LIETAERT schrijft dus terecht het volgende: 
“Inderdaad zal de rechter de verjaringstermijn niet toepassen in de mate dat hij discriminerend is. Het gegeven dat een wettelijke regel niet uit de rechtsorde is verdwenen, is zelfs voor een administratie geen rechtvaardiging om de ongrondwettig bevonden wet te blijven toepassen” (“Taak van de feitenrechter bij discriminaties in de wet of door lacunes van de wet”, TSR 2014, 174).
 In een arrest van 14 januari 2013 heeft het Hof van Cassatie nadrukkelijk overwogen dat uit het systeem van de prejudiciële vraagstelling, zoals onder meer geregeld door de artikelen 26 en 28 bijzondere wet Grondwettelijk Hof, volgt dat ook in andere zaken die hetzelfde voorwerp hebben als een reeds beantwoorde prejudiciële vraag, de rechter de wetsbepaling die het Grondwettelijk Hof ongrondwettig heeft bevonden, niet vermag toe te passen (AR C.12.0059.N, www.cass.be).

Daarenboven overwoog ditzelfde Hof in zijn arresten van 14 oktober 2008 en 3 november 2008 dat wanneer het Grondwettelijk Hof vaststelt dat een wetsbepaling een leemte bevat waardoor de artikelen 10 en 11, van de Grondwet worden geschonden, de rechter zo mogelijk deze leemte moet opvullen. Indien aan de ongrondwettigheid zonder meer een einde kan gesteld worden door die wetsbepaling, binnen het kader van de bestaande wettelijke regeling, aan te vullen, dermate dat ze niet meer strijdig is met de artikelen 10 en 11, van de Grondwet, kan en moet de rechter dit doen. De rechter mag dit alleen niet doen wanneer de leemte van die aard is dat zij noodzakelijk vereist dat een volledig andere procesregeling wordt ingevoerd (JT 2008, 755 en JTT 2009, afl. 1030, 87). Het bepalen en toepassen van een kortere verjaringstermijn vereist geenszins de invoering van een volledig andere procesregeling, die uitvoeringsmaatregelen zou vereisen of een geheel nieuwe afweging van sociale belangen zou vereisen.

Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat de wetgever ondertussen bij wet van 30 juli 2013 de bakens heeft uitgezet. Er kan mijns inziens voor betalingen die nog dateren van voor de inwerkingtreding van de wet van 30 juli 2013 dus zonder meer toepassing worden gemaakt van de kortere verjaringstermijnen die thans worden vermeld in het huidige artikel 72/1 van de Sluitingswet, en die zijn geïnspireerd door de verjaringstermijnen vermeld in artikel 30, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van sociale zekerheid voor werknemers.

20 januari 2010

Grondwettelijk Hof kent geen genade voor uitbetalingsvergissingen begaan door kinderbijslaginstellingen

GwH, nr. 1/2010, 20 januari 2010

Prejudiciële vraag

Schendt artikel 35 van de programmawet van 20 juli 2006, dat artikel 120bis van de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, samengeordend op 19 december 1939, wijzigt,
de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de kinderbijslaginstellingen toestaat de kinderbijslag terug te vorderen die, door een aan hen toe te schrijven vergissing, ten onrechte aan hun aangeslotenen is uitbetaald, op voorwaarde dat de per vergissing gecrediteerde persoon niet wist of niet moest weten dat hij geen of niet langer recht had op de uitgekeerde bijslag, geheel of gedeeltelijk, terwijl, in het algemeen, artikel 17, tweede lid, van het Handvest van de sociaal verzekerde, dat van toepassing is op alle socialezekerheidsinstellingen, waartoe de kinderbijslaginstellingen behoren, zich verzet tegen elke terugvordering van sommen die de sociaal verzekerden ten onrechte hebben geïnd, wanneer :
1) de vergissing die aan de oorsprong van de verbeterende beslissing ligt, aan de socialezekerheidsinstelling te wijten is;
2) het na de herziening erkende recht kleiner is dan het aanvankelijk toegekende recht;
3) de sociaal verzekerde niet wist of niet moest weten dat hij geen recht meer had op het gehele bedrag van de uitgekeerde prestaties ?

Het antwoord van het Hof

De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 120bis van de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, samengeordend op 19 december 1939, zoals het is vervangen bij artikel 35 van de programmawet van 20 juli 2006, dat bepaalt :
"De terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen kan niet geëist worden na verloop van een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied.
Benevens de redenen waarin is voorzien in het Burgerlijk Wetboek, wordt de verjaring gestuit door het eisen van het onverschuldigd uitbetaalde, door middel van een ter post aangetekend aan de schuldenaar betekend schrijven.
In afwijking van het eerste lid wordt de termijn gebracht op :
- vijf jaar, indien de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen;
- een jaar, indien de onverschuldigde betaling voortvloeit uit een juridische of een materiële vergissing van de kinderbijslaginstelling en de per vergissing gecrediteerde persoon niet wist of niet kon weten dat hij geen of niet langer recht had op de uitgekeerde bijslag, geheel of gedeeltelijk".

Het verwijzende rechtscollege vraagt het Hof de bestaanbaarheid te onderzoeken van het derde lid, in fine, van die bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het vergelijkt de situatie van de sociaal verzekerden op wie die bepaling van toepassing is, met die van de sociaal verzekerden op wie artikel 17, tweede lid, van het Handvest van de sociaal verzekerde van toepassing is.

Artikel 17 van het bij wet van 11 april 1995 ingevoerde Handvest van de sociaal verzekerde bepaalt :
"Wanneer vastgesteld wordt dat de beslissing aangetast is door een juridische of materiële vergissing, neemt de instelling van sociale zekerheid op eigen initiatief een nieuwe beslissing die uitwerking heeft op de datum waarop de verbeterde beslissing had moeten ingaan, onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake verjaring.
Onverminderd de toepassing van artikel 18, heeft de nieuwe beslissing, indien de vergissing aan de instelling van sociale zekerheid te wijten is, uitwerking op de eerste dag van de maand na de kennisgeving ervan, als het recht op de prestatie kleiner is dan het aanvankelijk toegekende recht.
Het vorige lid is niet van toepassing indien de sociaal verzekerde weet of moest weten, in de zin van het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen, dat hij geen recht heeft of meer heeft op het gehele bedrag van een prestatie".


Met toepassing van artikel 120bis van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag kan van de sociaal verzekerde die ten onrechte uitgekeerde kinderbijslag heeft geïnd als gevolg van een vergissing vanwege het kinderbijslagfonds, de terugbetaling van het onverschuldigde bedrag gedurende één jaar worden geëist. Op grond van artikel 17 van het Handvest van de sociaal verzekerde moet diegene die ten onrechte betaalde uitkeringen heeft geïnd als gevolg van een vergissing van de instelling die de uitkeringen heeft uitbetaald, daarentegen niets terugbetalen behoudens wanneer de sociaal verzekerde wist of moest weten dat hij geen recht had of meer had op het gehele bedrag van de prestatie. De in het geding zijnde bepaling voert derhalve een verschil in behandeling in tussen de sociaal verzekerden op wie zij van toepassing is en diegenen die artikel 17 van het Handvest van de sociaal verzekerde genieten.

Met de invoering van het Handvest van de sociaal verzekerde wilde de wetgever een betere juridische bescherming voor de sociaal verzekerde. Daarom diende het Handvest aan de volgende verwachtingen te voldoen : "rechtszekerheid, toegankelijkheid, doorzichtigheid, snelheid en nauwkeurigheid, en ten slotte vereenvoudiging van de administratieve verplichtingen" (Parl. St., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 353/1, pp. 1-2). Een amendement van de Regering (Parl. St., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 353/2, p. 10) om artikel 21 (thans artikel 17) te schrappen, werd niet gevolgd omdat de Commissie voor de Sociale Zaken van oordeel was dat " deze bepaling […] in sterke mate de rechtszekerheid van de sociaal verzekerde [verhoogt] en […] behouden [moet] blijven" (Parl. St., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 353/5, p. 19).

Evenwel werd vastgesteld dat artikel 17, tweede lid, van de wet van 11 april 1995 belangrijke budgettaire implicaties had : "Vooral in het kader van de werkloosheidsverzekering en de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen zouden deze nieuwe bepalingen aanleiding geven tot een verlies van miljarden frank teveel betaalde prestaties die niet meer kunnen worden teruggevorderd" (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 907/1, p. 16).

Niettemin werd het beginsel van artikel 17 van het Handvest in verschillende socialezekerheidssectoren ingevoerd. Dat is het geval voor de arbeidsongevallenwetgeving (artikel 60bis van de wet van 10 april 1971) en voor de werkloosheidsreglementering (artikel 149, § 1, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering).

De wetgever heeft de in het geding zijnde bepaling aangenomen op 20 juli 2006, dus na artikel 17 van het Handvest van de sociaal verzekerde. Een wetswijziging na de aanneming van het Handvest van de sociaal verzekerde die een op een socialezekerheidssector toepasselijke reglementering invoert, of die invoering tot gevolg heeft, die voor de verzekerde minder gunstig is dan die welke in het algemeen is opgenomen in het Handvest, roept onder de sociaal verzekerden een verschil in behandeling in het leven dat enkel met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet bestaanbaar kan worden geacht op voorwaarde dat er een relevante specifieke verantwoording voor bestaat.

Uit de parlementaire voorbereiding met betrekking tot artikel 35 van het programmawet van 20 juli 2006, dat artikel 120bis van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders heeft vervangen, blijkt dat de wetgever, enerzijds, de verjaringstermijnen voor de terugvordering van de ten onrechte betaalde kinderbijslag in het algemeen heeft willen inkorten en, anderzijds, een einde heeft willen maken aan een bepaalde rechtspraak die elke terugvordering van het ten onrechte uitgekeerde bedrag belette : "Naar aanleiding van het arrest nr. 13/2005 van 19 januari 2005 van het Arbitragehof, brengt deze bepaling de verjaringstermijnen betreffende de terugvordering van ten onrechte uitgekeerde kinderbijslag, momenteel van vijf en tien jaar, terug op drie en vijf jaar.
Bovendien herleidt die bepaling de termijn van vijf tot een jaar wanneer een kinderbijslaginstelling een fout maakt. Deze drastisch herleide termijn waarbinnen toch nog kan worden teruggevorderd wil aldus een einde maken aan de huidige rechtsonzekerheid die voortvloeit uit recente rechtspraak die oordeelt dat het onverschuldigd betaalde in het geheel niet meer kan worden teruggevorderd.
Deze laatste bepaling is gewettigd door begrotingsredenen (ontoereikende reserve-fondsen van de kinderbijslagfondsen), maar ook wegens het bijzonder complexe administratieve beheer van de onophoudelijk veranderende gezinssituaties (beroepsactiviteiten van de ouders, samenstelling van het gezin…)"
(Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2517/001, p. 40).

Het ingewikkelde karakter van het administratieve beheer waarvoor de kinderbijslagfondsen instaan, als gevolg van het feit dat de gezinsituaties veranderlijk zijn, zou niet kunnen verantwoorden dat de begunstigde van ten onrechte uitgekeerde kinderbijslag, die die heeft geïnd als gevolg van een vergissing van het uitkerende fonds, terwijl hij zich daarvan geen rekenschap kon geven, gedurende één jaar ertoe gehouden is de bedragen terug te betalen die hij ten onrechte heeft geïnd, terwijl de begunstigden van andere sociale uitkeringen die in dezelfde omstandigheden ten onrechte werden geïnd, niet ertoe zijn gehouden die terug te betalen.

In de beoogde hypothese heeft de begunstigde immers geen enkele vergissing begaan, zodat het kinderbijslagfonds correct is geïnformeerd over zijn gezinssituatie. De beheersmoeilijkheden als gevolg van het veranderlijke karakter van de gezinsituaties waarmee rekening moet worden gehouden, kunnen in die situatie dus niet de oorzaak van de onverschuldigde betaling vormen. Zij kunnen dus niet verantwoorden dat de gevolgen van een vergissing van de schuldenaar van de uitkeringen bij de toekenning ervan, ten laste van de sociaal verzekerde worden gelegd.
Overigens, vermits een terugbetaling van onterecht uitgekeerde bedragen de regel is, dienen de in de in het geding zijnde bepaling gebruikte bewoordingen "niet wist of niet kon weten dat hij geen of niet langer recht had" strikt te worden geïnterpreteerd.

Ten slotte, in tegenstelling tot het vakantiegeld, dat het voorwerp uitmaakte van het arrest nr. 39/2008 van 4 maart 2008 waarbij het Hof oordeelde dat het niet strijdig was met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet de terugvordering toe te staan van een onterechte uitbetaling als gevolg van een vergissing van de uitkerende instelling, wordt de kinderbijslag elke maand uitbetaald en kan zij een aanzienlijk deel vertegenwoordigen van het maandelijkse budget van de gezinnen die ertoe gerechtigd zijn, a fortiori wanneer het, zoals te dezen, gaat om verhoogde kinderbijslag. Gedurende een volledig jaar een terugvordering toestaan van bedragen die als gevolg van een vergissing van de uitkerende instelling werden uitbetaald, dreigt dan ook onevenredige gevolgen te hebben voor de uitkeringsgerechtigden die geen enkele fout of nalatigheid kan worden verweten.

De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

21 oktober 2009

De terugvordering van onterecht uitbetaalde werkloosheidsuitkeringen en de verjaring: uitspraak van het Grondwettelijk Hof

GwH, nr. 162/2009, 20 oktober 2009

De prejudiciële vraag

Schendt artikel 7, § 13, tweede lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals gewijzigd bij artikel 112 van de wet van 30 december 1988, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het geen enkele bijzondere verjaringstermijn vaststelt voor de vordering van de RVA tot terugvordering van onterecht uitbetaalde werkloosheidsuitkeringen, terwijl het specifieke en korte (meestal drie jaar bij ontstentenis van bijzondere omstandigheden) verjaringstermijnen vaststelt voor de vordering van andere socialezekerheidsinstellingen tot terugvordering van andere, vergelijkbare socialezekerheidsuitkeringen die onterecht zijn uitbetaald, met name onterecht uitbetaalde vergoedingen voor arbeidsongeschiktheid of pensioenen, of door de uitbetalingsinstellingen onterecht uitbetaalde werkloosheidsuitkeringen ?

Het antwoord van het Hof

De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 7, § 13, tweede lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals het werd gewijzigd bij artikel 112 van de programmawet van 30 december 1988, dat bepaalt : "Het recht van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen, alsmede de rechtsvorderingen van de uitbetalingsinstellingen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen verjaren na drie jaar. Die termijn wordt op vijf jaar gebracht wanneer de onverschuldigde betaling het gevolg is van arglist of bedrog van de werkloze".

De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over het verschil in behandeling dat uit de in het geding zijnde bepaling zou voortvloeien tussen de begunstigden van ten onrechte uitbetaalde werkloosheidsuitkeringen, die het ten onrechte uitbetaalde bedrag verschuldigd zijn aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (hierna : RVA), en de begunstigden van andere, vergelijkbare socialezekerheidsprestaties die ten onrechte zijn uitbetaald, met name de ten onrechte uitbetaalde vergoedingen voor arbeidsongeschiktheid of pensioenen, of door de uitbetalingsinstellingen ten onrechte uitbetaalde werkloosheidsuitkeringen.

In het eerste geval is de vordering van de RVA, die niet wordt beoogd in de in het geding zijnde bepaling, onderworpen aan het gemeen recht en zou zij verjaren na tien jaar; in het tweede geval is de vordering tot terugbetaling van het ten onrechte uitbetaalde bedrag onderworpen aan specifieke en korte verjaringstermijnen, meestal drie jaar indien geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, termijn die op vijf jaar wordt gebracht in geval van arglist of bedrog.

Uit de in het geding zijnde bepaling, alsmede uit de artikelen 167 en 170 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, vloeit voort dat de ten onrechte uitbetaalde werkloosheidsuitkeringen worden teruggevorderd door de RVA, behoudens in de in artikel 167 van het koninklijk besluit opgesomde gevallen, waarin de uitbetalingsinstelling aansprakelijk is voor de vergissing die aan de oorsprong ligt van de ten onrechte uitgevoerde betaling.

Door te bepalen dat het recht van de RVA om de terugbetaling van de ten onrechte uitbetaalde sommen te bevelen, verjaart na drie jaar, of na vijf jaar in geval van bedrog, kent de in het geding zijnde bepaling, enerzijds, aan de RVA het recht toe om een uitvoerbare titel aan zichzelf te verlenen met betrekking tot de terugbetaling van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen en stelt zij, anderzijds, de periode - van drie of vijf jaar - vast waarop de terugbetaling van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen betrekking kan hebben.

De tienjarige verjaringstermijn, bepaald in artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, toegepast op de terugbetaling van de door de RVA ten onrechte uitbetaalde werkloosheidsuitkeringen, kan dus alleen betrekking hebben op de uitvoering van de door de RVA verleende uitvoerbare titel.

Er dient te worden nagegaan of die verjaringstermijnen een onverantwoord verschil in behandeling invoeren voor de begunstigden van werkloosheidsuitkeringen die de RVA ten onrechte heeft uitbetaald, ten opzichte van andere begunstigden van socialezekerheidsprestaties.

a) Ten aanzien van de door de uitbetalingsinstellingen uitbetaalde werkloosheidsuitkeringen

Door te bepalen dat het recht van de RVA om de terugbetaling van de onverschuldigde sommen te bevelen en de vorderingen van de uitbetalingsinstellingen tot terugbetaling van dezelfde onverschuldigde sommen verjaren na drie jaar, kent de in het geding zijnde bepaling aan de RVA en aan de uitbetalingsinstellingen dezelfde termijn van drie jaar toe om, naar gelang van hun statuut, de uitvoerbare titel te verkrijgen of aan zichzelf te verlenen, die hen in staat zal stellen over te gaan tot de terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen. De omstandigheid dat in één geval de titel wordt verleend door de RVA zelf, terwijl in het andere geval de uitbetalingsinstelling zich tot de rechter moet wenden om die te verkrijgen, vloeit voort uit hun respectieve statuten.

De RVA is een administratie die over het "privilège du préalable" beschikt waardoor het een administratieve beslissing kan nemen tot terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde sommen, beslissing die geldt als uitvoerbare titel. De uitbetalingsinstellingen daarentegen zijn private instellingen die, aangezien ze niet over hetzelfde privilege beschikken, zich tot de rechter moeten wenden om een uitvoerbare titel te verkrijgen teneinde de ten onrechte uitbetaalde sommen terug te vorderen.

Wanneer de RVA of de uitbetalingsinstelling een uitvoerbare titel hebben verkregen, eerstgenoemde door die aan zichzelf te verlenen en laatgenoemde door het verkrijgen van een vonnis, beschikken zij beide over dezelfde verjaringstermijn van tien jaar, bedoeld in artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, om die titel ten uitvoer te leggen.

Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat er geen verschil in behandeling bestaat naargelang ten onrechte uitbetaalde uitkeringen worden teruggevorderd door de RVA dan wel door de uitbetalingsinstelling.

b) Ten aanzien van andere socialezekerheidsprestaties

In zijn motivering stelt de verwijzende rechter vast dat in specifieke verjaringstermijnen is voorzien voor de terugbetaling van de vergoedingen voor arbeidsongeschiktheid, voor de terugbetaling van de ten onrechte uitbetaalde pensioenen, alsook voor "andere, vergelijkbare socialezekerheidsuitkeringen die ten onrechte zijn uitbetaald".

Zonder dat dient te worden nagegaan of en in welke mate de terugbetaling van de ten onrechte uitbetaalde werkloosheidsuitkeringen kan worden vergeleken met de terugvordering "van andere, vergelijkbare socialezekerheidsuitkeringen die ten onrechte zijn uitbetaald", die niet nader worden gepreciseerd in de vraag, dient te worden vastgesteld dat de vergelijking die de verwijzende rechter maakt tussen de verjaringstermijn van de vordering van de RVA tot terugbetaling van de ten onrechte uitbetaalde werkloosheidsuitkeringen en de vordering van de in de prejudiciële vraag of in de motivering van de verwijzingsbeslissing bedoelde socialezekerheidsinstellingen, vertrekt van een verkeerd uitgangspunt.

De bepalingen betreffende de terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde socialezekerheidsprestaties, vermeld in de prejudiciële vraag of in de motivering van de verwijzingsbeslissing, voorzien immers in korte, van het gemeen recht afwijkende verjaringstermijnen voor de terugbetaling van de ten onrechte uitgekeerde socialezekerheidsprestaties.

De verwijzende rechter refereert aldus aan :
- artikel 174, eerste lid, 5°, 6° en 7°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, dat de verjaringstermijn van de vordering tot terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde prestaties van de uitkeringsverzekering op twee jaar vaststelt, waarbij die termijn één jaar bedraagt in geval van een vergissing van de verzekeringsinstelling of de goede trouw van de verzekerde (artikel 174, derde lid) en vijf jaar in geval van een bedrieglijke handeling van de verzekerde (artikel 174, vierde lid);
- artikel 21, § 3, van de wet van 13 juni 1966 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden, waarnaar artikel 34 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers verwijst, en artikel 20, § 3, van de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden, alsook artikel 36, § 2, van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen; die bepalingen stellen de verjaringstermijn van de vordering tot terugbetaling van de ten onrechte uitbetaalde prestaties vast op zes maanden, waarbij die termijn drie jaar bedraagt in geval van arglist of bedrog;
- de artikelen 99 en 102 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, die de vijfjarige verjaringstermijn bepaald in artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek toepassen op de vordering tot terugbetaling van het OCMW;
- artikel 120bis van de op 19 december 1939 samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, en artikel 9, § 1, van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag, die de verjaringstermijn van ten onrechte uitbetaalde kinderbijslag vaststellen op drie jaar, waarbij die termijn één jaar kan bedragen in geval van vergissing van de kinderbijslaginstelling of vijf jaar in geval van arglist of bedrog.

Die bepalingen hebben telkens betrekking op de vordering die voor een rechter wordt ingesteld teneinde ten onrechte uitbetaalde prestaties terug te vorderen.

Door een korte termijn vast te stellen voor de vordering tot terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde sommen, beperken die bepalingen eveneens de periode tijdens welke de ten onrechte uitbetaalde prestaties kunnen worden teruggevorderd, teneinde een opeenstapeling van periodieke schulden over een te lange periode te voorkomen, die de sociaal verzekerde zou kunnen ruïneren.

Die bepalingen passen aldus in het doel dat wordt nagestreefd door artikel 30, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, dat bepaalt : "De terugvordering van de ten onrechte betaalde sociale prestaties verjaart na drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied.
De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt teruggebracht tot zes maanden indien de betaling enkel het gevolg is van een vergissing van de instelling of de dienst, waarvan de betrokkene zich normaal geen rekenschap kon geven.
De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt verlengd tot vijf jaar indien ten onrechte werd betaald in geval van bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen van de betrokkene".

Die afwijking van de gemeenrechtelijke termijnen was verantwoord door het feit dat "de eigen aard en het toenemende technische aspect van de normatieve teksten die ons sociale-zekerheidssysteem beheersen […] een bijzondere regeling voor de materie van de terugvordering van onverschuldigde bedragen ten aanzien van de principes van het burgerlijk recht [vereisen]" (Parl. St., Senaat, 1979-1980, 508, nr. 1, p. 25).

De in het geding zijnde bepaling draagt bij tot dezelfde zorg om de sociaal verzekerde te beschermen door te voorzien in een kortere verjaringstermijn voor de terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde som. De in het geding zijnde bepaling stelt voor de RVA een termijn van drie of vijf jaar vast om aan zichzelf een uitvoerbare titel te verlenen teneinde de terugbetaling van de ten onrechte uitbetaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen, terwijl de tienjarige verjaringstermijn, toegepast op de terugbetaling van de ten onrechte uitbetaalde werkloosheidsuitkeringen, betrekking heeft op de uitvoering van de door de RVA verleende uitvoerbare titel. Het is dus een korte verjaringstermijn die van toepassing is op de terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen zodat de periode tijdens welke de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen kunnen worden teruggevorderd beperkt is.

Het gegeven dat, in het ene geval, de titel door de RVA zelf wordt verleend, terwijl in het andere de socialezekerheidsinstelling zich tot de rechter moet wenden om die te verkrijgen, vloeit voort uit hun respectieve statuten. Wanneer de RVA of de socialezekerheidsinstelling een uitvoerbare titel hebben verkregen, eerstgenoemde door die aan zichzelf te verlenen en laatstgenoemde door het verkrijgen van een vonnis, beschikken zij beide over dezelfde verjaringstermijn van tien jaar, bedoeld in artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, om die titel ten uitvoer te leggen.

Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat er geen verschil in behandeling bestaat naargelang ten onrechte uitbetaalde uitkeringen worden teruggevorderd door de RVA dan wel door een andere socialezekerheidsinstelling.

De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

13 maart 2009

Cassatierechtspraak in sociale zaken: januari 2009


Cass. 5 januari 2009, S.08.0064.N, RSZ t./ NAFTA

RSZ – Loon – Gift

Artikel 14, §1, van de R.S.Z.-wet van 27 juni 1969 bepaalt dat de bijdragen voor de sociale zekerheid berekend worden op basis van het loon van de werknemer. Krachtens artikel 14, §2, van deze wet, wordt het loonbegrip omschreven met verwijzing naar het loonbegrip van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965, met dien verstande dat het in de laatstgenoemde wet bepaalde loonbegrip bij koninklijk besluit kan worden verruimd of beperkt.

Krachtens artikel 2 van de Loonbeschermingswet, wordt onder loon verstaan: het loon in geld en de in geld waardeerbare voordelen "waarop de werknemer ingevolge de dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever". De voormelde wetsbepaling breidt het loonbegrip in de zin van de arbeidsovereenkomstenwet, zijnde de tegenprestatie van de krachtens de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid, uit tot de voordelen in geld of in geld waardeerbaar, waarop de werknemer ingevolge de dienstbetrekking aanspraak heeft ten laste van de werkgever. Betalingen door de werkgever aan zijn werknemer gedaan, worden in beginsel beschouwd als betalingen verschuldigd ingevolge de dienstbetrekking, dus als loon waarop de socialezekerheidsbijdragen worden berekend.

De wetgever heeft evenwel de bedoeling gehad de door de werkgever aan de werknemer toegekende giften uit te sluiten van het begrip loon. Uit de omschrijving van het loonbegrip in de Loonbeschermingswet volgt echter dat van een gift slechts sprake kan zijn wanneer het voordeel niet is toegekend wegens de ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid en dus niet ingevolge de dienstbetrekking, maar bij gelegenheid van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, naar aanleiding van een arbeidsonderbreking of wegens bijzondere omstandigheden zoals de persoonlijke genegenheid of de waardering van de werkgever of een andere gebeurtenis in het persoonlijke leven of dat van de familie van de werknemer.

Het arrest oordeelt dat de eenmalige premie die in 1984 door de verweerster werd betaald aan de arbeiders en bedienden "geen arbeid (heeft) gecompenseerd", maar wel een aantal ongemakken heeft vergoed, die het personeel te lijden had gehad bij de reorganisatie van het bedrijf en dat de personeelsdirecteur de betaalde bedragen als echte vrijgevigheden bestempelde. Op grond hiervan vermocht het arrest niet wettig te oordelen dat de uitbetaalde premie als gift werd uitbetaald en niet ingevolge de dienstbetrekking.

Cass. 5 januari 2009, S.08.0086.N, V.P. t./ EGEMIN

Arbeidsovereenkomst – Opzegging – Criteria ter bepaling opzeggingstermijn en -vergoeding

Krachtens artikel 39, §1 van de Arbeidsovereenkomstenwet is de werkgever die de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van de aan de bediende toekomende opzeggingstermijn, de betaling van een opzeggingsvergoeding verschuldigd die gelijk is aan het lopend loon en de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst, overeenstemmend met de duur van de aan de bediende toekomende opzeggingstermijn.

De rechter die de aan de bediende toekomende opzeggingstermijn en de forfaitaire opzeggingsvergoeding moet bepalen, dient dit te doen met inachtneming van het loon op het tijdstip van de kennisgeving van het ontslag of van de vaststelling van de onregelmatige beëindiging van de overeenkomst en met inachtneming van de voor de bediende op dat ogenblik bestaande kans om een gelijkwaardige, passende betrekking te vinden, gelet op zijn leeftijd, zijn anciënniteit in het bedrijf en zijn functie.Voor het bepalen van de hoegrootheid van deze opzeggingsvergoeding mag, gelet op het forfaitair karakter ervan, geen rekening gehouden worden met omstandigheden die zich na de kennisgeving van het ontslag of na de vaststelling van de onregelmatige beëindiging van de overeenkomst hebben voorgedaan.

Door voor het bepalen van de hoegrootheid van de verschuldigde opzeggingsvergoeding rekening te houden met de omstandigheid dat de eiser een maand na zijn vaststelling van de onregelmatige beëindiging van de overeenkomst door de verweerster een vennootschap opgericht heeft met dezelfde activiteiten als deze van de verweerster, schendt het arrest de artikelen 39, §1, en 82, §3, van de Arbeidsovereenkomstenwet.
Het onderdeel is gegrond.

Cass. 5 januari 2009, S.08.0101.N, Wit-Gele Kruis van Oost-Vlaanderen t./ ABVV, ACV en ACLVB

Bedrijfsorganisatie – Sociale verkiezingen – Kandidaatstelling – Noodzakelijkheid van inschrijving op kiezerslijst

Krachtens artikel 2 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008, is die wet van toepassing, onverminderd de bepalingen van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, hierna Bedrijfsorganisatiewet genoemd, en van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, hierna Wet Welzijn Werknemers genoemd.

Krachtens de artikelen 19, eerste lid, van de Bedrijfsorganisatiewet en 59, §1, eerste lid, van de Wet Welzijn Werknemers, moeten de werknemers, om als personeelsafgevaardigde verkiesbaar te zijn, op de datum van de verkiezingen aan de volgende voorwaarden voldoen:
1° ten minste 18 jaar oud zijn (...);
2° geen deel uitmaken van het leidinggevend personeel, noch de hoedanigheid hebben van preventieadviseur van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk(...);
3° (...) minstens zes maanden ononderbroken tewerkgesteld zijn in de juridische entiteit waartoe de onderneming behoort of in de technische bedrijfseenheid, gevormd door verschillende juridische entiteiten (...);
4° de leeftijd van vijfenzestig jaar niet hebben bereikt.

Krachtens de artikelen 21, §2, van de Bedrijfsorganisatiewet en 61 van de Wet Welzijn Werknemers, neemt het mandaat van personeelsafgevaardigde onder meer een einde indien de betrokkene geen lid meer is van de representatieve werknemersorganisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen en indien hij niet meer behoort tot de categorie van werknemers waartoe hij behoorde op het ogenblik van de verkiezingen, tenzij de organisatie die de kandidatuur heeft voorgedragen, het behoud van het mandaat vraagt bij ter post aangetekend schrijven, gericht aan de werkgever.

Krachtens artikel 33, §1, vierde en vijfde lid, van de voormelde wet van 4 december 2007:
- mogen op de kandidatenlijsten niet meer kandidaten voorkomen dan er gewone en plaatsvervangende mandaten kunnen toegekend worden;
- moeten de kandidaten behoren tot de technische bedrijfseenheid waar hun kandidatuur wordt voorgedragen;
- moeten de kandidaten-arbeiders, kandidaten-bedienden, kandidaten-jeugdige werknemers en kandidaten-kaderleden onderscheidenlijk behoren tot de categorie waarvoor zij ter verkiezing worden voorgedragen, waarbij het behoren tot een categorie van werknemers wordt vastgesteld in functie van de kiezerslijst waarop de werknemer is ingeschreven;
- mag er geen zelfde kandidaat op meer dan één kandidatenlijst worden voorgedragen.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bepaalde in de slotzin van artikel 33, §1, vierde lid, van de voormelde wet van 4 december 2007 dat "het behoren tot een categorie van werknemers wordt vastgesteld in functie van de kiezerslijst waarop de werknemer is ingeschreven", er enkel toe strekt problemen te vermijden die kunnen ontstaan wanneer een kandidaat in de loop van de verkiezingsprocedure van werknemerscategorie verandert, in het bijzonder wanneer de wijziging van categorie plaatsvindt nadat de kandidatenlijst definitief is geworden. Die bepaling heeft niet tot doel een bijkomende verkiesbaarheidsvoorwaarde die niet in de Bedrijfsorganisatiewet en de Wet Welzijn Werknemers is bepaald, namelijk op een kiezerslijst ingeschreven zijn, in te voeren.

Het onderdeel dat ervan uitgaat dat enkel werknemers die op een kiezerslijst staan vermeld, zich kandidaat kunnen stellen voor een mandaat van personeelsafgevaardigde in de ondernemingsraad of het comité voor preventie en bescherming op het werk, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt mitsdien naar recht.

Cass. 5 januari 2009, S.08.0013.N, DHL t./ T.J., andersluidende concl. Adv. Gen. R. MORTIER

Arbeidsovereenkomst – Ontslag – Dringende Reden – Lopende maar ontoereikende opzeggingstermijn – Verlies van recht op aanvullende opzeggingsvergoeding

Wanneer een werknemer die door een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur gebonden is, ontslagen wordt met een ontoereikende opzeggingstermijn, ontstaat in zijn hoofde overeenkomstig artikel 39, §1 van de Arbeidsovereen-komstenwet een recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding vanaf de kennisgeving van het ontslag, hoewel de arbeidsovereenkomst blijft voortbestaan totdat de in acht genomen opzeggingstermijn verstrijkt.

Dit recht, dat ertoe strekt de hem ter kennis gebrachte ontoereikende opzeggingstermijn te compenseren, heeft geen bestaansreden meer indien de arbeidsovereenkomst niet meer eindigt ten gevolge van de opzegging gegeven met een ontoereikende opzeggingstermijn, maar wel van een later door de werkgever terecht gegeven ontslag om dringende redenen.

De werknemer die zich gedurende de in acht genomen opzeggingstermijn schuldig maakt aan een ernstige tekortkoming die zijn ontslag om een dringende reden rechtvaardigt, verliest door zijn toedoen het recht op de vergoeding die de ontoereikende duur van die termijn compenseert.

Het arrest dat zijn beslissing over de door de eiseres ingeroepen dringende redenen voor het ontslag van de verweerster opschort en tezelfdertijd, de eiseres veroordeelt tot betaling aan de verweerster van een aanvullende opzeggingsvergoeding, schendt artikel 39, §1 van de Arbeidsovereenkomstenwet.

Cass. 19 januari 2009, S.08.0099.N, RSZ t./ Bouwwerken Verstraeten BVBA

RSZ – Niet-Geregistreerde aannemer – Hoofdelijke aansprakelijkheid opdrachtgever – Verjaring - Stuiting

Luidens artikel 30bis, §3, eerste lid van de RSZ-wet is de opdrachtgever die een beroep doet op een aannemer die niet is geregistreerd op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst, hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de sociale schulden van zijn medecontractant. Krachtens het toepasselijk artikel 42, eerste lid, van de RSZ-wet, verjaren de schuldvorderingen van de eiser op de werkgevers en de personen bedoeld bij artikel 30bis, na vijf jaar. Het derde lid bepaalt dat de verjaring van deze schuldvorderingen, benevens overeenkomstig de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, kan worden gestuit door een aangetekende brief van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan de werkgever. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat een aangetekende brief van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, gericht aan de medecontractant van de werkgever, overeenkomstig voormeld artikel 42, zoals te dezen van toepassing, tot gevolg heeft dat de vordering tegen deze medecontractant wordt gestuit, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

Cass. 19 januari 2009, S.08.0098.N, RSZ t./ G.N.

RSZ – Niet-Geregistreerde aannemer – Hoofdelijke aansprakelijkheid opdrachtgever – Faillissement - Verjaring – Stuiting – Schorsing

Luidens artikel 30bis, §3, eerste lid, van de RSZ-wet, is de opdrachtgever die een beroep doet op een aannemer die niet is geregistreerd op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst, hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de sociale schulden van zijn medecontractant. Krachtens het te dezen toepasselijk artikel 42, eerste lid, van de RSZ-wet, verjaren de schuldvorderingen van de eiser op de werkgevers en de personen bedoeld bij artikel 30bis, na vijf jaar. Het derde lid bepaalt dat de verjaring van deze schuldvorderingen onder meer overeenkomstig de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, wordt gestuit.

Artikel 1206 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de vervolgingen tegen een van de hoofdelijke schuldenaars de verjaring stuit tegen allen. De aangifte van schuldvordering in het faillissement van de schuldenaar stuit de verjaring zowel ten aanzien van de faillissementsboedel als tegen de gefailleerde schuldenaar. Volgens artikel 2251 van het Burgerlijk Wetboek loopt evenwel de verjaring niet tegen hen voor wie de wet een uitzondering maakt. Door die bepaling wordt voorkomen dat de verjaring zou intreden terwijl een wettelijke regeling de schuldeiser verhindert de betaling te verkrijgen van zijn vordering.

De regel van artikel 452 van de oude Faillissementswet en van artikel 24 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 houdt in dat de algemeen bevoorrechte of gewone schuldeiser tot aan de sluiting van het faillissement wettelijk van de gefailleerde zelf geen betaling kan verkrijgen van zijn schuldvordering, maar enkel aanspraken heeft in de boedel.
Hieruit volgt dat tegen de schuldeiser die aangifte heeft gedaan van zijn schuldvordering, de verjaring ten aanzien van de gefailleerde geschorst is.

Uit de samenlezing van deze wetsbepalingen volgt dat het indienen door een schuldeiser van zijn schuldvordering in het faillissement van een hoofdelijke schuldenaar de verjaring stuit ten aanzien van alle hoofdelijke schuldenaars, maar van dan af enkel de verjaring schorst tot de sluiting van het faillissement ten aanzien van de failliet verklaarde hoofdelijke schuldenaar.

De appelrechters stellen vast dat:
- de verweerster een beroep heeft gedaan op de bvba Van Hemel, een niet-geregistreerde aannemer, en krachtens artikel 30bis van de RSZ-wet hoofdelijk aansprakelijk is voor de sociale schulden verschuldigd door de bvba Van Hemel;
- de bvba Van Hemel op 19 januari 1993 failliet werd verklaard;
- de eiser op 12 april 1995 aangifte deed van zijn schuldvordering in dit faillissement;
- het faillissement op 11 januari 2000 werd gesloten;
- de inleidende dagvaarding dateert van 7 december 2004.

De appelrechters die oordelen dat door de aangifte door de eiser van de schuldvordering in het faillissement van de bvba Van Hemel een nieuwe verjaringstermijn is beginnen te lopen, en op die grond beslissen dat bij afwezigheid van een nieuwe stuitingshandeling binnen de in artikel 42, eerste lid, van de RSZ-wet bedoelde termijn, de vordering van de eiser tegen de verweerster als hoofdelijke schuldenaar van de bvba Van Hemel is verjaard, verantwoorden hun beslissing naar recht.

13 februari 2009

Kinderbijslag en het nog niet in werking getreden artikel 30 van de Wet Algemene Beginselen Sociale Zekerheid

"Schendt het oude artikel 120bis van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het niet verwijst naar de termijnen die zijn vastgelegd bij het weliswaar tot op heden nog niet in werking getreden artikel 30 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers wat betreft de verjaringstermijn en voor het recht op terugvordering van ten onrechte uitbetaalde uitkeringen :
- enerzijds, door de gewone verjaringstermijn vast te stellen op vijf jaar, terwijl artikel 30 van de voormelde wet die vaststelt op drie jaar, of op zes maanden indien de betaling enkel het gevolg is van een vergissing van de instelling of de dienst waarvan de betrokkene zich normaal gesproken geen rekenschap kon geven;
- anderzijds, doordat het geen verjaringstermijn bepaalt voor de terugvordering van kinderbijslag die ten onrechte werd verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijke onvolledige verklaringen, terwijl artikel 30 van de voormelde wet de verjaringstermijn voor sociale prestaties die onder die voorwaarden onterecht werden verkregen, tot vijf jaar beperkt
?". Het was de vraag die het Arbeidshof te Antwerpen aan het Grondwettelijk Hof voorlegde.

Het Grondwettelijk Hof antwoordde in arrest nr. 20/2009 als volgt:

"Artikel 120bis van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders zoals van toepassing vóór de vervanging ervan bij artikel 35 van de programmawet van 20 juli 2006, bepaalde : "Het recht op terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen verjaart door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied. In geen geval is een terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen mogelijk na verloop van deze termijn. Benevens de redenen waarin is voorzien in het Burgerlijk Wetboek, wordt de verjaring gestuit door het eisen van het onverschuldigd uitbetaalde, door middel van een ter post aangetekend aan de schuldenaar betekend schrijven. Het eerste lid is niet toepasselijk indien de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen werden bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen".

Artikel 30, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers bepaalt: "De terugvordering van de ten onrechte betaalde sociale prestaties verjaart na drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied.
De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt teruggebracht tot zes maanden indien de betaling enkel het gevolg is van een vergissing van de instelling of de dienst, waarvan de betrokkene zich normaal geen rekenschap kon geven. De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt verlengd tot vijf jaar indien ten onrechte werd betaald in geval van bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen van de betrokkene
".

In zijn arrest nr. 13/2005 van 19 januari 2005 heeft het Hof die vraag als volgt beantwoord : "Het Hof wordt een vraag gesteld over het feit of artikel 120bis van de samengeordende wetten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat het een stelsel invoert dat verschilt van de algemene regel van artikel 30, § 1, van de wet van 29 juni 1981, waarbij die termijn is vastgelegd op drie jaar of op zes maanden indien de betaling enkel het gevolg is van een vergissing van de instelling of de dienst, waarvan de betrokkene zich normaalgesproken geen rekenschap kon geven, en waarbij de verjaringstermijn voor de terugvordering van uitkeringen die ten onrechte werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen, tot vijf jaar is beperkt, terwijl artikel 120bis van de voormelde samengeordende wetten die termijn niet preciseert.
Artikel 30, § 1, van de wet van 29 juni 1981 geeft aan dat de wetgever ervoor gezorgd heeft niet toe te staan dat de inzake sociale zekerheid gestorte uitkeringen, wanneer die onverschuldigd zijn geïnd, binnen de gemeenrechtelijke termijnen kunnen worden teruggevorderd. Hij heeft rekening willen houden met het feit dat ' de eigen aard en het toenemende technische aspect van de normatieve teksten die ons socialezekerheidssysteem beheersen […] een bijzondere regeling [vereisen] voor de materie van de terugvordering van onverschuldigde bedragen ten aanzien van de principes van het burgerlijk recht ' (Parl. St. Senaat, 1979-1980, 508, nr. 1, p. 25). Hij heeft tevens erover gewaakt dat de korte verjaringstermijnen niet van toepassing zijn ' in geval van bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen van de betrokkene ' en in dat geval de verjaringstermijn tot vijf jaar beperkt (artikel 30, § 1, derde lid, van de voormelde wet van 29 juni 1981).
Zelfs al vormen die bepalingen uitsluitend algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers die in elk van de specifieke wetgevingen concreet moesten worden toegepast, toch kan niet worden aangenomen dat ten onrechte verkregen uitkeringen kunnen worden teruggevorderd van de rechthebbenden op kinderbijslag, die sociaal verzekerden zijn in de zin van de artikelen 1, § 1, 3, 6 en 21, § 1, 6°, van de wet van 29 juni 1981, binnen een termijn van vijf jaar indien met het ten onrechte uitbetaalde bedrag geen fraude gemoeid is, en gedurende tien jaar, zoals de Ministerraad beweert, en bij gebrek aan een specifieke vermelding in het in het geding zijnde artikel 120bis van de voormelde samengeordende wetten, indien het ten onrechte uitbetaalde bedrag het gevolg is van fraude
."

Het feit dat, zoals het verwijzende rechtscollege opmerkt, artikel 30, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers nog niet in werking is getreden, doet geen afbreuk aan het voorgaande antwoord. Zoals het Hof in zijn arrest nr. 39/2008 van 4 maart 2008 reeds heeft geoordeeld, is, indien het Hof de prejudiciële vraag bevestigend beantwoordt, de verwijzende rechter immers ertoe gehouden de toepassing van de in het geding zijnde bepaling te weren.

02 januari 2009

De eindejaarswetten 2008 en de Commissie ter regeling van de arbeidsrelatie

door Koen Nevens

1. In dit eerste bericht van het nieuwe jaar - en toevallig ook het honderste bericht op de weblog - even een blik op de traditionele eindejaarswetten anno 2008: het gaat meer bepaald om de programmawet en de wetten diverse bepalingen (I) en (II) van 22 december 2008, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2008.

Deze wetten bevatten naar goede gewoonte weer afdelingen, titels en hoofdstukken die verband houden met de regelgeving inzake sociale zaken en/of werk. Sommige van de door de wetgever behandelde materies zoals de nieuwe verjaringstermijnen van en tegen de RSZ, nieuwigheden betreffende het vaderschapsverlof en de moederschapsrust en de introductie van een verplichte solidariteitsbijdrage voor werkgevers die nalaten een dimona te doen, werden reeds op een andere website onder de loep genomen. Ik beperk me in dit bericht dan ook tot één element uit de programmawet dat bij mij in het oog sprong.

2. Artikel 127 van de programmawet verlengt, met ingang van 1 januari van dit jaar, de uitvoeringstermijn waarover de Koning beschikt met betrekking tot de bepalingen inzake de Commissie ter regeling van de arbeidsrelatie, en die in artikel 343 van de Arbeidsrelatieswet oorspronkelijk op 1 januari 2008 ten laatste werd vastgesteld, tot "uiterlijk op 1 januari 2009". Het gevolg is dat met betrekking tot deze bepalingen ook de uiteindelijke datum van inwerkingtreding van de wet van 1 januari 2008 naar 1 januari 2009 werd verplaatst, zonder dat er evenwel ondertussen sprake zou zijn van een koninklijk besluit dat uitvoering geeft aan de desbetreffende bepalingen.

In de memorie van toelichting bij de wet, zegt de regering: "Om te vermijden dat er een juridische vacuüm zou zijn voor 2008 wegens het niet uitvoeren van de wet die op 1 januari 2008 in werking trad, komt het er op aan artikel 343 van de programmawet (I) van 27 december 2006 te wijzigen en de woorden 'en uiterlijk op 1 januari 2008' te vervangen door de woorden 'en uiterlijk op 1 januari 2009'" (Parl. St. Kamer 2008-2009, 1607/1). De vraag rijst of de wetgever de datum niet beter van de eerste keer naar 1 januari 2010 had verplaatst, want bij gebrek aan KB vòòr 1 januari 2009, bevindt men zich opnieuw in een juridisch vacuüm...

Het lijkt dat de regering op datum van het redigeren van het wetsontwerp in de stellige overtuiging was dat het KB er ook effectief zou zijn tegen 1 januari 2009, of minstens dat het KB eerstdaags kan worden verwacht. "De Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO’s en de NAR hebben zich respectievelijk op 19 juni 2008 en 10 oktober 2008 over de lokalisering en inrichting van de Commissie ter regeling van de arbeidsrelatie" (uitgesproken (sic)), staat er in de memorie van toelichting, alsof de zaak daarmee al beklonken was.

3. De datum van inwerkingtreding is overigens ook nog van belang voor enkele andere artikelen uit de Arbeidsrelatieswet.

Zo bepaalt artikel 338, §2 van de Arbeidsrelatieswet nog steeds dat de beslissingen van de administratieve kamers van de commissie inzake de aard van de arbeidsrelatie onder andere kunnen worden genomen op gezamenlijk initiatief van het geheel van de partijen van de arbeidsrelatie, wanneer de partijen de bevoegde kamer van de administratieve afdeling binnen een termijn van één jaar aanzoeken vanaf de inwerkingtreding van deze wet (...). De vraag is alleen welke datum van inwerkingtreding hier wordt bedoeld: deze in verband met de principe-bepalingen uit de wet ( 1 januari 2007, aanvraag mogelijk tot 31 december 2007) of deze in verband met de instelling van de commissie ( thans 1 januari 2009, aanvraag mogelijk tot 31 december 2009)?

Ook artikel 342 van de Arbeidsrelatieswet dat voorziet in een ex-post-wetsevaluatie twee jaar na de inwerkingtreding van de wet wordt stilaan een wetgevingstechnisch lachertje, terwijl deze bepaling volgens Popelier net de illussie van een degelijk wetgevingsbeleid wil scheppen. Zeker wanneer men ervan uit gaat de in dit artikel bedoelde datum van inwerkingtreding 1 januari 2007 is, is het duidelijk dat wetgever en regering zich serieus aan het vastrijden zijn. 1 januari 2007 als ijkpunt betekent immers dat de evaluatie dit jaar zou moeten geschieden, terwijl de Commissie ter regeling van de arbeidsrelatie er nog niet eens is...

Allicht is het aangeraden de nieuwe regering en de wetgever niet al te veel te plagen en gewoon ervan uit te gaan dat met 'datum van inwerkingtreding' in deze bepalingen thans 1 januari 2009 wordt bedoeld. Dit houdt in dat de NAR en de HRZKMO het wetgevingstechnisch gedrocht dat de Arbeidsrelatieswet is, pas in 2011 op zijn waarde en doeltreffendheid hoeven te beoordelen.