Welkom

    Sociaalrecht blog biedt academici en practici actief in het sociaal recht ruimte om te reflecteren over ontwikkelingen in hun rechtstak.

    Het redactioneel beheer is in handen van prof.dr. Koen Nevens (VUB)
Graag de nieuwsbrief in je mailbox? Geef je e-mailadres:

Andere blogs

De Morgen: Economie

De Tijd: Netto

De Standaard: Economie & Werk

Extra

Add to Technorati Favorites Law & Legal Blogs - BlogCatalog Blog Directory recht logo lawyer blogs

24 januari 2012

Hof van Justitie buigt zich nogmaals over nationale wetgeving inzake jaarlijkse vakantie


De richtlijn betreffende de organisatie van de arbeidstijd verplicht de lidstaten, de maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de nationale wettelijke bepalingen (artikel 7).

Mevrouw Domínguez heeft in november 2005 een ongeval gehad op het traject tussen haar woning en haar arbeidsplaats. Na dat ongeval was zij van 3 november 2005 tot en met 7 januari 2007 met ziekteverlof. Zij heeft de Franse rechter aangezocht ter verkrijging van 22,5 dag vakantie over die periode, die haar werkgever, het Centre informatique du Centre Ouest Atlantique („CICOA”), haar had geweigerd, en, subsidiair, de betaling van een compenserende vergoeding van circa 1 970 EUR. Domínguez houdt staande dat het ongeval op het traject tussen haar woning en haar werk een arbeidsongeval is waarvoor de regeling voor arbeidsongevallen geldt. Voor de berekening van haar vakantie met behoud van loon moet volgens haar het tijdvak waarin de arbeid onderbroken is na een ongeval op weg van of naar het werk worden gelijkgesteld met daadwerkelijke arbeidstijd. Na in het ongelijk te zijn gesteld heeft Domínguez beroep in cassatie ingesteld.

De Cour de cassation (Frankrijk) heeft het Hof de vraag voorgelegd of de Franse wettelijke regeling verenigbaar is met de richtlijn. Op grond van die wettelijke regeling geldt voor het ontstaan van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon de voorwaarde dat de werknemer bij dezelfde werkgever in de referentieperiode (in beginsel een jaar) minstens tien dagen (vóór februari 2008 was dit een maand) heeft gewerkt. Voorts erkent de Franse wettelijke regeling als tijdvakken van daadwerkelijke arbeid tijdvakken waarin de arbeidsovereenkomst niet wordt uitgevoerd onder meer wegens een arbeidsongeval, zonder dat het ongeval op het traject tussen de woning en de arbeidsplaats wordt vermeld.

In zijn arrest van heden antwoordt het Hof om te beginnen dat de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale bepaling op grond waarvan aan het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon de voorwaarde is gekoppeld dat de werknemer in het referentietijdvak minimaal tien dagen (of een maand) daadwerkelijk heeft gewerkt.
Het Hof brengt in herinnering dat het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon moet worden beschouwd als een bijzonder belangrijk beginsel van sociaal recht van de Unie, waarvan niet mag worden afgeweken en waaraan de bevoegde nationale autoriteiten slechts uitvoering mogen geven binnen de grenzen die uitdrukkelijk zijn aangegeven in de richtlijn. Weliswaar mogen de lidstaten de voorwaarden voor de uitoefening en de tenuitvoerlegging van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon vastleggen, maar zij mogen dit recht niet van enigerlei voorwaarde afhankelijk stellen, noch het bestaan zelf van dit uitdrukkelijk aan iedere werknemer toegekend recht uitsluiten.
Voorts verklaart het Hof dat nu de richtlijn geen onderscheid maakt tussen werknemers die wegens ziekteverlof in het referentietijdvak afwezig zijn en werknemers die in genoemd tijdvak daadwerkelijk hebben gewerkt#, in het geval van werknemers met een naar behoren voorgeschreven ziekteverlof voor het door deze richtlijn aan alle werknemers verleende recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon door een lidstaat niet als voorwaarde kan worden gesteld dat tijdens de door die lidstaat vastgestelde referentieperiode daadwerkelijk is gewerkt.

In de tweede plaats preciseert het Hof dat de nationale rechter bij de toepassing van het interne recht dit zoveel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn. Teneinde de volle werking van deze laatste te verzekeren zal de nationale rechterlijke instantie moeten onderzoeken of zij tot een uitlegging van dat recht kan komen op grond waarvan de afwezigheid van de werknemer wegens een ongeval op weg naar of van het werk kan worden gelijkgesteld met afwezigheid wegens een arbeidsongeval. In dat verband beklemtoont het Hof dat geen werknemer, of hij nu gedurende het referentietijdvak met ziekteverlof is na een ongeval op de arbeidsplaats of elders of wegens ziekte, ongeacht de aard of de oorsprong daarvan, zijn recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon van minstens vier weken mag worden ontnomen.

Voor het geval een dergelijke richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht niet mogelijk mocht zijn zal de nationale rechter moeten onderzoeken of een werknemer als Domínguez zich rechtstreeks op de richtlijn kan beroepen. Het Hof stelt dienaangaande vast dat de bepalingen van de richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk zijn en voldoende nauwkeurig opdat particulieren er zich voor de nationale rechter op kunnen beroepen tegenover de lidstaat. Voor zover voorts de justitiabelen zich niet rechtstreeks op een richtlijn kunnen beroepen tegenover particulieren, zal de nationale rechter moeten nagaan of op de richtlijn een beroep kan worden gedaan jegens het CICOA op basis van de hoedanigheid waarin dit optreedt (als privaatrechtelijk of publiekrechtelijk orgaan). In het geval waarin de richtlijn aan het CICOA kan worden tegengeworpen zal de nationale rechter iedere andersluidende nationale bepaling buiten toepassing moeten laten. Indien dat niet het geval is zal Domínguez een schadevordering kunnen indienen tegen de Staat en in voorkomend geval recht hebben op vergoeding van de schade die zij heeft geleden doordat haar uit de richtlijn voortvloeiend recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon is aangetast.

In de derde plaats overweegt het Hof dat de lidstaten op grond van de richtlijn mogen bepalen dat de duur van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon verschilt afhankelijk van de oorzaak van de ziekte, mits die duur langer is dan of even lang als de door deze richtlijn gewaarborgde minimumduur van vier weken.

17 januari 2012

Werknemers die werkzaam zijn op gasboorplatformen op het tot een lidstaat behorende gedeelte van het continentaal plat vallen in beginsel onder het Unierecht


De prejduciële vraag

Salemink, die de Nederlandse nationaliteit heeft, was vanaf 1996 als verpleegkundige en radiografist werkzaam op een gasboorplatform van de Nederlandse Aardolie Maatschappij. Dat platform is gelegen buiten de Nederlandse territoriale wateren, op het Nederlandse gedeelte van het continentaal plat, op een afstand van ongeveer 80 km van de Nederlandse kust.

Op 10 september 2004 is Salemink van Nederland naar Spanje verhuisd. Vóór zijn vertrek naar Spanje was Salemink verplicht verzekerd overeenkomstig de Nederlandse wettelijke socialezekerheidsregeling, volgens welke degene die zijn dienstbetrekking buiten Nederland vervult, niet als werknemer wordt beschouwd, tenzij hij in Nederland woont en zijn werkgever eveneens in die lidstaat woont of gevestigd is. Vanwege zijn verhuizing naar Spanje voldeed Salemink niet meer aan dit woonplaatsvereiste en was hij bijgevolg niet langer verplicht verzekerd, met name tegen arbeidsongeschiktheid.

Nadat Salemink zich op 24 oktober 2006 ziek had gemeld, heeft hij op 11 september 2007 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen aangevraagd, met ingang van 24 oktober 2008.

Die aanvraag werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen afgewezen omdat Salemink, na zijn verhuizing naar Spanje, (vanaf 10 september 2004) niet meer verplicht verzekerd was en niet langer in aanmerking kwam voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering.

In die omstandigheden heeft de Rechtbank Amsterdam (Nederland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie gevraagd of het Unierecht zich ertegen verzet dat een werknemer die werkzaam is op een vaste installatie op het tot een lidstaat behorende gedeelte van het continentaal plat, in die lidstaat niet verplicht verzekerd is ingevolge de nationale wettelijke regeling, uitsluitend omdat hij niet woonachtig is in die lidstaat, maar in een andere lidstaat.

Antwoord van het Hof

Het Hof onderzoekt om te beginnen of het Unierecht van toepassing is op de situatie van Salemink. In dit verband herinnert het Hof eraan dat uit het internationaal zeerecht volgt dat de kuststaat over het continentaal plat soevereine rechten uitoefent ter exploratie en exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van het plat. Die rechten zijn exclusief in die zin dat, indien de kuststaat het continentaal plat niet exploreert of de natuurlijke rijkdommen ervan niet exploiteert, niemand deze werkzaamheden mag gaan verrichten dan met de uitdrukkelijke toestemming van de kuststaat. Wat de kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen op het continentaal plat betreft, heeft de kuststaat het uitsluitende recht om deze te bouwen en de bouw, de werkzaamheden en het gebruik ervan te machtigen en te regelen. De kuststaat bezit dus de uitsluitende rechtsmacht over die kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen.

Aangezien het tot een lidstaat behorende gedeelte van het continentaal plat onder de, zij het functionele en beperkte, soevereiniteit van die staat valt, moet arbeid die een werknemer op vaste of drijvende installaties die zich op het continentaal plat bevinden, in het kader van de exploratie en/of exploitatie van natuurlijke rijkdommen verricht, voor de toepassing van het Unierecht worden aangemerkt als arbeid verricht op het grondgebied van die staat.

Nu is vastgesteld dat het Unierecht van toepassing is, onderzoekt het Hof vervolgens of het Unierecht zich ertegen verzet dat een persoon in de situatie van Salemink, nadat hij zijn woonplaats naar Spanje heeft verplaatst, wordt uitgesloten van het stelsel van verplichte verzekering.

In dit verband beklemtoont het Hof dat het aan de wettelijke regeling van elke lidstaat staat om vast te stellen onder welke voorwaarden het recht of de verplichting tot aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid of een bepaalde tak van een dergelijk stelsel ontstaat. Niettemin moeten de lidstaten, die weliswaar bevoegd blijven om de voorwaarden voor aansluiting bij hun stelsels van sociale zekerheid in te richten, bij de uitoefening van deze bevoegdheid het Unierecht eerbiedigen. Die voorwaarden mogen, enerzijds, niet tot gevolg hebben dat van het toepassingsgebied van een nationale wettelijke regeling worden uitgesloten de personen op wie diezelfde wettelijke regeling krachtens het Unierecht van toepassing is. Anderzijds moeten de stelsels van aansluiting bij verplichte verzekeringen verenigbaar zijn met de bepalingen inzake het vrije verkeer van werknemers.

Het Unierecht bepaalt uitdrukkelijk dat op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing is, „zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont”. Dat recht zou niet worden geëerbiedigd indien het woonplaatsvereiste waarvan de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan de werkzaamheden in loondienst worden verricht, de aansluiting bij de aldaar geldende verplichte verzekeringsregeling afhankelijk stelt, kan worden tegengeworpen aan personen die in die lidstaat werken maar in een andere lidstaat wonen. Het Unierecht heeft tot gevolg dat voor deze personen het woonplaatsvereiste wordt vervangen door de voorwaarde die berust op de uitoefening van werkzaamheden in loondienst op het grondgebied van de betrokken lidstaat.
 
Derhalve is een nationale wettelijke regeling krachtens welke de woonplaats bepalend is voor de vraag of een werknemer die werkzaam is op een gasboorplatform dat is gelegen op het tot een lidstaat behorende gedeelte van het continentaal plat, al dan niet in aanmerking komt voor een verplichte verzekering in die lidstaat, in strijd met het Unierecht.

Bovendien moet worden vastgesteld dat een dergelijke nationale wettelijke regeling niet-ingezeten werknemers, zoals Salemink, wat hun sociale verzekering in Nederland betreft in een minder gunstige situatie plaatst dan ingezeten werknemers, en daardoor inbreuk maakt op het door het Unierecht gegarandeerde beginsel van vrij verkeer.

Derhalve antwoordt het Hof dat het Unierecht zich ertegen verzet dat een werknemer die werkzaam is op een vaste installatie op het tot een lidstaat behorende gedeelte van het continentaal plat, in die lidstaat niet verplicht verzekerd is ingevolge de nationale wettelijke werknemersverzekeringen, uitsluitend omdat hij niet woonachtig is in die lidstaat, maar in een andere lidstaat.

13 januari 2012

Kandidaten bij sociale verkiezingen vanaf deze week beschermd

door Isabelle Van Hiel (assistente UGent)

Hoewel de lijsten pas in maart moeten worden ingediend, gaat de bescherming van de kandidaten bij de sociale verkiezingen al deze week in. Werknemers die zich kandidaat stellen voor een mandaat in de ondernemingsraad of het CPBW zijn wettelijk beschermd tegen ontslag[1]. De bescherming begint 30 dagen voor de aanplakking van het bericht dat de verkiezingsdatum aankondigt (X-30), terwijl de kandidatenlijsten pas moeten worden ingediend 35 dagen na de aanplakking van dit bericht (X+35). De periode tussen X-30 en X+35 waarin de werknemer beschermd is, hoewel zijn kandidatuur nog niet ingediend is, wordt de “occulte periode” genoemd. De occulte periode moet voorkomen dat een werkgever die reeds informeel op de hoogte kan zijn van een voorgenomen kandidatuur, de werknemer zou ontslaan voordat hij de kans heeft om zijn kandidatuur officieel te maken.

Het exacte ogenblik waarop de bescherming aanvangt, hangt af van de binnen de onderneming gekozen verkiezingsdatum (Y). Voor ondernemingen die op de eerst mogelijke datum, 7 mei, verkiezingen organiseren, ging de bescherming al in op 8 januari. Voor ondernemingen die pas op de laatst mogelijke datum, 20 mei, verkiezingen organiseren, is het nog wachten tot 21 januari. Naargelang de in de onderneming gekozen verkiezingsdatum, zal X+35 vallen tussen 13 maart en 26 maart.

Verkiesbaarheidsvoorwaarden

Om geldig te zijn, moet de kandidatuur voldoen aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden van artikel 19 van de bedrijfsorganisatiewet en artikel 59 van de welzijnswet en worden voorgedragen door een tot voordracht bevoegde organisatie. Sinds de sociale verkiezingen van 2000 moeten de kandidatenlijsten worden voorgedragen door de representatieve interprofessionele werknemersorganisaties ABVV, ACLVB en ACV. De beroepscentrales kunnen een volmacht krijgen om op te treden. Alleen voor het kaderkiescollege in de ondernemingsraad, kunnen kandidatenlijsten worden ingediend door de Nationale Confederatie voor Kaderleden en zijn huislijsten mogelijk.
De werkgever moet de door de werknemersorganisaties ingediende kandidatenlijsten aanplakken, maar kan een beroep instellen tegen de voordracht van kandidaten, wanneer de kandidaten of de kandidatenlijsten niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van de bedrijfsorganisatiewet[2], de welzijnswet[3] en de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen[4]. Indien door de werknemers of hun organisaties geen klachten bij de werkgever werd ingediend, moet de werkgever zijn beroep instellen binnen vijf dagen na het verstrijken van de termijn voor de indiening van klachten (X+52). Werden wel klachten ingediend, dan loopt de termijn tot X+61.
Stelt de werkgever niet tijdig beroep in dan kan hij de geldigheid van de kandidatuur – en de daaraan gekoppelde bescherming – later niet meer betwisten. Vroeger werd wel eens gesteld[5] dat de werkgever de ongeldigheid van de kandidatuur nog kon inroepen tijdens een procedure over de bescherming, maar in het arrest van 17 oktober 2011[6] maakte het Hof van Cassatie duidelijk dat na het verloop van de termijn van artikel 5 van de wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen[7] de bescherming onherroepelijk verworven is. De kandidaat die op de definitieve kandidatenlijst staat die binnen de dertien dagen die de verkiezingsdag voorafgaan (X+77), niet meer kan worden gewijzigd, geniet de bescherming[8]. Naargelang de in de onderneming gekozen verkiezingsdatum, zal X+77 vallen tussen 24 april en 7 mei.
Geen of onvoldoende kandidaten
Zijn er geen of onvoldoende kandidaturen, dan moeten er geen verkiezingen worden georganiseerd. Artikel 78, eerste lid, van de wet betreffende de sociale verkiezingen bepaalt onder welke voorwaarden de kiesprocedure wordt stopgezet: 1° wanneer geen enkele kandidatenlijst werd ingediend; 2° wanneer geen enkele kandidatenlijst werd ingediend voor één of meerdere personeelscategorieën, terwijl één of meerdere lijsten ingediend zijn voor minstens één andere personeelscategorie; 3° wanneer één enkele representatieve werknemersorganisatie of één enkele representatieve organisatie van kaderleden of wanneer enkel één groep van kaderleden een aantal kandidaten voordraagt dat gelijk is aan of lager is dan het aantal toe te kennen gewone mandaten. In dat laatste geval zijn, volgens het artikel, de kandidaten van rechtswege verkozen.
Toch werd door het Hof van Cassatie in een arrest van 4 april 2011[9] beslist dat de enige kandidaat niet geacht kan worden te zijn verkozen, gezien het aantal voorgedragen kandidaten lager ligt dan het door artikel 56.2 van de welzijnswet – of artikel 16, eerste lid, b) van de bedrijfsorganisatiewet) –minimaal vereiste aantal gewone afgevaardigden nodig om een comité te kunnen samenstellen. Een nieuwe paragraaf bij artikel 78[10] verduidelijkt nu dat “de van rechtswege verkozen kandidaat als effectief verkozene (geniet) van de bescherming tegen ontslag van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat personeelsafgevaardigden, zelfs indien hij de enige verkozene is en derhalve het orgaan niet zal kunnen functioneren”.
En na de verkiezingen?
Ook na de verkiezingsdag blijven de kandidaten beschermd. Artikel 2, § 3, van de wet bescherming personeelsafgevaardigden maakt een onderscheid tussen de duur van de bescherming van niet verkozen kandidaten bij hun eerste niet-succesvolle kandidatuur en bij volgende niet-succesvolle kandidaturen. De kandidaat-personeelsafgevaardigden die bij de verkiezingen van de vertegenwoordigers van het personeel voor de raden en voor de comités worden voorgedragen en de voorwaarden van verkiesbaarheid voldoen, genieten dezelfde bescherming als personeelsafgevaardigden zo het hun “eerste kandidatuur” betreft (§ 3, lid 1). Door het Hof van Cassatie werd de “eerste kandidatuur” geïnterpreteerd als de “eerste kandidatuur die niet tot een verkiezing leidde”[11], zodat een verkozen kandidaat bij zijn volgende vruchteloze kandidatuur de bescherming van 4 jaar blijft genieten. De succesvolle en de niet-succesvolle kandidatuur moeten niet opeenvolgend zijn voor de bescherming van vier jaar[12].

Voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden die “reeds kandidaat waren en niet werden verkozen bij de vorige verkiezingen” neemt de bescherming een einde twee jaar na de aanplakking van de uitslag der verkiezingen (§ 3, lid 2). De twee vruchteloze kandidaturen moeten volgens Cassatierechtspraak[13] niet opeenvolgend zijn.

Tabel - Overzicht van de belangrijke data in verband met de kandidaturen

Y
7/5
8/5
9/5
10/5
11/5
12/5
13/5
14/5
15/5
16/5
17/5
18/5
19/5
20/5
X-30
8/1
9/1
10/1
11/1
12/1
13/1
14/1
15/1
16/1
17/1
18/1
19/1
20/1
21/1
X+35
13/3
14/3
15/3
16/3
17/3
18/3
19/3
20/3
21/3
22/3
23/3
24/3
25/3
26/3
X+52
30/3
31/3
1/4
2/4
3/4
4/4
5/4
6/4
7/4
8/4
9/4
10/4
11/4
12/4
X+61
8/4
9/4
10/4
11/4
12/4
13/4
14/4
15/4
16/4
17/4
18/4
19/4
20/4
21/4
X+77
24/4
25/4
26/4
27/4
28/4
29/4
30/4
1/5
2/5
3/5
4/5
5/5
6/5
7/5
 

12 januari 2012

Gewaarborgde kinderbijslag voor kind van erkende staatloze


De prejudiciële vraag

Schendt artikel 1, achtste lid, van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag, in die zin geïnterpreteerd dat het van toepassing is op de staatlozen van wie wordt vastgesteld dat zij buiten hun wil hun nationaliteit hebben verloren en die aantonen dat zij geen wettige en duurzame verblijfstitel kunnen verkrijgen in een andere Staat waarmee zij banden zouden hebben, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2.2 en 26.1 van het Internationaal Verdrag van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind, in zoverre het de erkende staatlozen en de andere categorieën van vreemdelingen op dezelfde wijze behandelt, door van hen te vereisen, voor de toekenning van het recht op gewaarborgde gezinsbijslag, dat zij toegelaten of gemachtigd zijn in België te verblijven overeenkomstig de wet van 15 december 1980, waardoor aldus geen rekening wordt gehouden met hun specificiteit, waarbij België zich via het Verdrag van New York van 28 september 1954 betreffende de status van staatlozen te hunnen aanzien soortgelijke verplichtingen heeft opgelegd als die welke het zich via het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen jegens de vluchtelingen heeft opgelegd, zonder ze daarom op gelijkwaardige wijze na te komen, en waarbij het de supranationale waarborgen aldus op discriminerende wijze toepast ?

Het antwoord van het Hof

Nu de wetgever met de instelling van een gewaarborgde gezinsbijslag de bedoeling had een residuair stelsel in te voeren zodat de kinderen die niet onder het verplicht stelsel ressorteren ook het voordeel van gezinsbijslag zouden genieten, rijst de vraag of de maatregel die ertoe leidt dat, zonder enige uitzondering, het voordeel van die wetgeving niet in aanmerking kan worden genomen voor de kinderen die ten laste zijn van een staatloze persoon die niet is toegelaten of gemachtigd in België te verblijven of zich er te vestigen, overeenkomstig de wet van 15 december 1980, niet tegen de voormelde doelstelling ingaat.
Zoals het Hof in zijn arresten nrs. 110/2006 van 28 juni 2006 en 48/2010 van 29 april 2010 reeds heeft opgemerkt, vermocht de wetgever, gelet op het niet-contributieve karakter van het residuaire stelsel, dat voordeel afhankelijk te stellen van het bestaan van een voldoende band met België. Niettegenstaande de opeenvolgende wijzigingen ervan, hebben de artikelen 1 en 2 van de wet van 20 juli 1971 steeds voorwaarden - van nationaliteit of van verblijf - voor het verkrijgen van een gewaarborgde gezinsbijslag opgelegd. De wet van 29 april 1996 die tot de in het geding zijnde bepaling heeft geleid, heeft die vereisten enkel gemilderd om de Belgen en de onderdanen van de Europese Economische Ruimte (Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 352/1, p. 40) alsook de staatlozen en vluchtelingen op identieke wijze te behandelen.
In zijn arrest nr. 110/2006 van 28 juni 2006, zoals bevestigd in zijn arrest nr. 48/2010 van 29 april 2010, heeft het Hof geoordeeld dat de wetgever het voordeel van het residuaire stelsel afhankelijk kon stellen van de voorwaarde van een regelmatig verblijf in België.

Volgens artikel 49 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen worden de personen die als vluchtelingen in de zin van die wet worden beschouwd, toegelaten tot het verblijf of de vestiging in het Rijk. Zij voldoen daardoor aan de bij de in het geding zijnde bepaling vastgestelde voorwaarde om het voordeel van gezinsbijslag te verkrijgen. Een dergelijke bepaling bestaat daarentegen niet voor de staatlozen.
 
Het Hof moet onderzoeken of de in het geding zijnde bepaling redelijk is verantwoord, in zoverre zij, door van alle rechthebbenden op gezinsbijslag een wettelijk verblijf te vereisen, tot gevolg heeft dat die rechthebbenden verschillend worden behandeld, naargelang zij vluchtelingen of staatlozen zijn.
De situatie van de staatlozen in het internationaal recht wordt geregeld door het Verdrag van New York betreffende de status van staatlozen van 28 september 1954, goedgekeurd bij de wet van 12 mei 1960 (hierna : het Verdrag van New York); die van de vluchtelingen is geregeld bij het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, goedgekeurd bij de wet van 26 juni 1953 (hierna : het Verdrag van Genève).
De twee verdragen, die historisch gezien uit dezelfde demarche voortvloeien, bevatten bepalingen waarvan de draagwijdte in verschillende opzichten vergelijkbaar is. Krachtens artikel 7, lid 1, van het Verdrag van Genève en artikel 7, lid 1, van het Verdrag van New York kent België aan de vluchtelingen en aan de staatlozen de regeling toe die het aan de vreemdelingen in het algemeen toekent. Krachtens de artikelen 23 en 24 van het Verdrag van New York en de artikelen 23 en 24 van het Verdrag van Genève moet België aan de vluchtelingen die rechtmatig op zijn grondgebied verblijven en aan de staatlozen die rechtmatig erop verblijven, dezelfde behandeling als die van de onderdanen toekennen op het vlak van de arbeidswetgeving, de wetgeving inzake sociale zekerheid en de bijstand van overheidswege; noch de enen, noch de anderen kunnen, indien zij rechtmatig op het grondgebied verblijven, het land worden uitgezet, tenzij om redenen van nationale veiligheid of openbare orde (artikel 31 van het Verdrag van New York en artikel 32 van het Verdrag van Genève). Geen van beide verdragen kent aan de daarin beoogde personen het recht toe om te verblijven op het grondgebied van de Staat die hen als vluchteling of als staatloze erkent.

De erkende staatlozen en de erkende vluchtelingen bevinden zich aldus in grotendeels vergelijkbare situaties, niet alleen rekening houdend met de voorschriften van die bepalingen, maar ook met het feit dat aan de overheid, door hun de hoedanigheid van, al naar gelang van het geval, staatloze of vluchteling toe te kennen, plichten worden opgelegd ten aanzien van de betrokkenen.
Wanneer is vastgesteld dat de staatloze deze hoedanigheid heeft verkregen omdat hij buiten zijn wil zijn nationaliteit heeft verloren en dat hij aantoont dat hij geen wettige en duurzame verblijfstitel kan verkrijgen in een andere Staat waarmee hij banden zou hebben, kan de situatie waarin hij zich bevindt op discriminerende wijze afbreuk doen aan zijn grondrechten.
Hieruit vloeit voort dat het verschil in behandeling tussen de staatloze die zich in een dergelijke situatie op het Belgisch grondgebied bevindt en de erkende vluchteling, niet redelijk verantwoord is.

Het komt de wetgever toe de voorwaarden te bepalen onder welke bepaalde categorieën van staatlozen in België een verblijfstitel kunnen verkrijgen.

In afwachting van dat wetgevend optreden dat betrekking heeft op de wet van 15 december 1980, staat het aan de verwijzende rechter een einde te maken aan de gevolgen, wat de in het geding zijnde bepaling betreft, van de ongrondwettigheid die is vastgesteld, aangezien die vaststelling in voldoende precieze en volledige bewoordingen is uitgedrukt. Bijgevolg komt het de arbeidsgerechten waarbij een weigering om gewaarborgde gezinsbijslag toe te kennen ten behoeve van een kind dat ten laste van een erkende staatloze is van wie zij vaststellen dat hij buiten zijn wil zijn nationaliteit heeft verloren en dat hij aantoont dat hij geen wettige en duurzame verblijfstitel kan verkrijgen in een andere Staat waarmee hij banden zou hebben, aanhangig is gemaakt, toe dat kind het in het geding zijnde recht op gewaarborgde gezinsbijslag toe te kennen, niettegenstaande het feit dat de staatloze persoon ten laste van wie het is, nog niet is toegelaten of gemachtigd op het Belgische grondgebied te verblijven.

Tegemoetkoming voor gehandicapten hoeft niet voor alle vreemdelingen


De prejudiciële vraag

Schendt artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in ‘ samenhang ’ gelezen met artikel 191 ervan, met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, doordat het een onderscheid maakt tussen een vreemdeling die ingevolge een machtiging om zich in het koninkrijk te vestigen in het bevolkingsregister is ingeschreven en een vreemdeling die ingevolge een machtiging om in het koninkrijk onbeperkt te verblijven in het vreemdelingenregister is ingeschreven ?

Het antwoord van het Hof

Artikel 4, § 1, van de wet van 27 februari 1987 somt de categorieën van personen op aan wie een tegemoetkoming voor gehandicapten kan worden toegekend, waartoe ook verschillende categorieën van vreemdelingen behoren. Artikel 4, § 2, machtigt de Koning ertoe om, onder bepaalde voorwaarden, het toepassingsgebied van de wet uit te breiden tot andere categorieën van personen. Het toepassingsgebied van de wet wordt aldus bepaald door, enerzijds, artikel 4, § 1, en door, anderzijds, artikel 4, § 2, van de wet van 27 februari 1987, in samenhang gelezen met de koninklijke besluiten uitgevaardigd op grond van die wetsbepaling.

Bij zijn arrest nr. 153/2007 van 12 december 2007 heeft het Hof geoordeeld dat artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 een discriminatie inhoudt, in zoverre het de vreemdeling die ingevolge een machtiging om zich in het Koninkrijk te vestigen in het bevolkingsregister is ingeschreven, uitsluit van het voordeel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap. Die discriminatie werd ongedaan gemaakt door het koninklijk besluit van 17 juli 2006, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 9 februari 2009, op grond van de machtiging daartoe aan de Koning verleend.

De vaststelling door het Hof, in het voormelde arrest nr. 153/2007, dat artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 een discriminatie inhield, in zoverre het de vreemdeling die in het bevolkingsregister is ingeschreven, uitsloot van het voordeel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, werd gemotiveerd als volgt :
De vaststelling door het Hof, in het voormelde arrest nr. 153/2007, dat artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 een discriminatie inhield, in zoverre het de vreemdeling die in het bevolkingsregister is ingeschreven, uitsloot van het voordeel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, werd gemotiveerd als volgt :
Het sloot aldus aan bij de wil van de wetgever die in de parlementaire voorbereiding als volgt werd uitgedrukt :
‘ Nieuw is de categorie van de vreemdelingen die ingeschreven is in het bevolkingsregister. Aangezien er geen feitelijke, noch juridische argumenten zijn die een andere behandeling dan de Belgen rechtvaardigen, worden ook zij toegelaten tot het recht op maatschappelijke integratie ’ (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1603/001, p. 12).
Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat, hoewel kan worden aangenomen dat een vreemdeling die ertoe is gemachtigd in België te verblijven, ofwel voor korte duur (hoofdstuk 2 van de vreemdelingenwet), ofwel voor een duur van meer dan drie maanden, en die bijgevolg is ingeschreven in het vreemdelingenregister (artikel 12 van dezelfde wet), geen voldoende sterke band met België vertoont om de tegemoetkomingen te genieten waarin de wet van 27 februari 1987 voorziet, er geen ‘ zeer sterke overwegingen ’ bestaan die het mogelijk maken - en bijgevolg is het niet redelijkerwijze verantwoord - de vreemdeling die ertoe is gemachtigd zich in België te vestigen en bijgevolg in het bevolkingsregister is ingeschreven, en wegens zijn administratief statuut wordt geacht op definitieve wijze of op zijn minst voor een betekenisvolle duur in België te zijn gevestigd, van het voordeel van die tegemoetkomingen uit te sluiten.
Uit de motivering van het hierboven geciteerde arrest nr. 153/2007 blijkt dat artikel 4 van de wet van 27 februari 1987, in samenhang gelezen met het koninklijk besluit van 17 juli 2006, geen discriminatie inhoudt, in zoverre het toepassingsgebied van de wet niet werd uitgebreid tot de vreemdelingen die, ingevolge een toelating of een machtiging om in het Koninkrijk te verblijven voor een duur van meer dan drie maanden, in het vreemdelingenregister zijn ingeschreven, aangezien het administratief statuut van die personen aantoont dat zij een band met België hebben die de wetgever als minder sterk kon beschouwen dan die welke de personen die in het bevolkingsregister zijn ingeschreven, vertonen. De gevolgen van dat onderscheid zijn niet onevenredig, nu de vreemdeling aan wie de tegemoetkoming voor gehandicapten wordt geweigerd, in voorkomend geval aanspraak kan maken op maatschappelijke dienstverlening waarbij met zijn handicap rekening wordt gehouden.