Welkom

    Sociaalrecht blog biedt academici en practici actief in het sociaal recht ruimte om te reflecteren over ontwikkelingen in hun rechtstak.

    Het redactioneel beheer is in handen van prof.dr. Koen Nevens (VUB)
Graag de nieuwsbrief in je mailbox? Geef je e-mailadres en vergeet niet te reageren op de bevestigingsmail (mogelijk in spam-box!):

Andere blogs

De Morgen: Economie

De Tijd: Netto

De Standaard: Economie & Werk

Extra

Add to Technorati Favorites Law & Legal Blogs - BlogCatalog Blog Directory recht logo lawyer blogs

15 februari 2013

Vereniging Sociaal Recht VZW : programma lezingen voorjaar 2013

Wij nodigen u uit de volgende lezingen te noteren voor het voorjaar 2013 :

  • dinsdag 5 maart 2013 : lezing "Fraudebestrijding". Deze lezing zal worden gegeven door de heer Jean-Claude Heirman, Algemeen Directeur Sociale Inspectie FOD sociale zekerheid ;
  • dinsdag 23 april 2013 : lezing omtrent de stand van zaken inzake stakingsrecht en collectieve acties. Deze lezing zal worden gegeven door de heer Bruno Lietaert, raadsheer bij het Arbeidshof te Gent ;
  • dinsdag 4 juni 2013 : lezing "Actualia arbeidswetgeving". Deze lezing zal worden gegeven door Prof. Dr. Willy van Eeckhoutte.
De lezingen gaan zoals gewoonlijk door om 18 u, in het Arbeidshof te Brussel, Poelaertplein 3, 7de verdieping en zullen gevolgd worden door een receptie ter plaatse.

De lezingen van de VZW Vereniging Sociaal Recht zijn alleen toegankelijk voor leden. Indien u in het lidmaatschap geïnteresseerd bent, kunt u nadere informatie bekomen op het volgende e-mailadres : info@verenigingsociaalrechtvzw.be.



20 december 2012

Hof van Justitie vindt Limosa voor zelfstandigen een onevenredige maatregel

door K. Nevens

HvJ, C-577/10, Commissie/België

1. In een arrest van 19 december 2012 oordeelde het Hof van Justitie dat de verplichting zelfstandige dienstverrichters die niet in België zijn gevestigd, om vóór de uitoefening van hun activiteit in België een voorafgaande melding te doen, in strijd is met het vrij verkeer van diensten (art. 56 VWEU). Het betreft de zogenaamde limosaverplichting voor zelfstandigen, zoals die is vervat in artikel 153 van de programmawet I van 27 december 2006 en thans is strafbaar gesteld door artikel 182, §2 van het Sociaal Strafwetboek (vóór 1 juli 2011 was dit art. 157 van de reeds genoemde programmawet). 

Het Hof is van oordeel dat de meldingsplicht en de daarmee gepaard gaande formaliteiten, een belemmering vormt van het vrij verrichten van diensten. De meldingsplicht maakt het in een andere lidstaat gevestigde zelfstandige dienstverrichters moeilijker om op het Belgische  grondgebied diensten te verrichten, aldus het Hof.

Het Hof erkent wel dat de doelstellingen waarop België zich beroept, kunnen gelden als dwingende vereisten van algemeen belang die een beperking van het vrij verrichten van diensten kunnen rechtvaardigen. België beriep zich meer bepaald op de doelstelling van bestrijding van sociale fraude en de voorkoming van misbruiken zoals schijnzelfstandigheid. Het Hof aanvaardt dat deze doelstelling kan samenhangen met het doel  het financiële evenwicht van de socialezekerheidsstelsel te vrijwaren, maar ook met het doel oneerlijke concurrentie en sociale dumping te voorkomen en werkenden, met inbegrip van zelfstandigen, te beschermen. het Hof sluit zich zodoende in algemene termen aan bij de conclusie van advocaat-generaal Cruz Villalon, die het volgende stelde:

"Hoewel de wetgever van de Unie tot op heden „schijnzelfstandigheid” blijkbaar nog niet als een specifiek probleem heeft beschouwd of zelfs nog nooit heeft geprobeerd te ontdekken wat achter deze realiteit kan schuilgaan, komt dit fenomeen in talloze documenten ter sprake en zijn cijfers beschikbaar waaruit de omvang ervan blijkt, hetgeen voldoende reden is om de door het Koninkrijk België aangevoerde rechtvaardigingsgrond op zijn waarde te beoordelen.
In casu vormt de noodzaak om het fenomeen van schijnzelfstandigheid te bestrijden en daartoe de nodige controles uit te voeren ontegenzeglijk een dwingend vereiste van algemeen belang dat een beperking van het vrij verrichten van diensten kan rechtvaardigen. Dat vereiste, dat met name de waarborging van naleving van de minimumnormen van richtlijn 96/71 mogelijk maakt, sluit aan bij de bescherming van de werknemers, die sinds lang door het Hof als een dwingend vereiste van algemeen belang is erkend.
Ook de doelstelling van bestrijding van schijnzelfstandigheid kan in verband worden gebracht met de doelstelling van voorkoming van oneerlijke concurrentie, die het Hof als een dwingend vereiste van algemeen belang heeft erkend, en meer in het algemeen met de door het Koninkrijk België aangevoerde doelstelling van voorkoming van sociale dumping, voor zover – zoals de Commissie in haar schrifturen heeft benadrukt – deze doelstelling bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstelling van sociale bescherming van de echte werknemers die de schijnzelfstandigen zijn."
 Het Hof vindt een veralgemeende meldingsplicht echter te verregaand. Het Hof merkt op dat "de betrokken meldingsplicht niet beperkt is tot de gevallen waarin reden is om te controleren of (de) fiscale en sociale verplichtingen zijn nagekomen" en geeft voorts aan  dat  "de betrokken meldingsplicht het vereist om de Belgische overheid zeer gedetailleerde informatie te verstrekken" zonder dat door België duidelijk wordt gemotiveerd waarom die informatie noodzakelijkerwijs moet worden verstrekt rekening houdende met de nagestreefde doelstellingen. Het Hof sluit zich dus opnieuw aan bij de conclusie van advocaat-generaal Cruz Villalon, die de limosaregeling als incoherent bestempelde, en ook het gebrek aan statistische gegevens hekelde om de draagwijdte van de maatregelen en de uitzonderingen daarop toe te lichten en/of te rechtvaardigen.

2. De uitspraak van het Hof van Justitie verbaast niet. In de Belgische rechtsleer werden al langer vragen gesteld bij de conformiteit van de limosaregeling met het vrij verkeer van diensten, en dan zeker wat betreft het luik zelfstandigen (zie bv. voor een grondige analyse: K. Salomez, "Aspecten van handhaving van het toepasselijke arbeidsrecht in geval van internationale detachering", in H. Verschueren en M. Houwerzijl (eds.), Toepasselijk arbeidsrecht over de grenzen heen, Kluwer, 2009, 191 e.v.)

De uitspraak van het Hof is zelfs behoorlijk mild, in vergelijking met het betoog dat door de Europese Commissie werd gevoerd. Zo toont het Hof, in tegenstelling tot zijn rechtspraak met betrekking tot de juridische waarde van de E101/A1-verklaring, enige zin voor pragmatisme wanneer het overweegt dat "de door de Commissie vermelde regelingen voor administratieve samenwerking (...) niet van doorslaggevend belang kunnen zijn" en vooral dat "niet (is) aangetoond dat deze (europese samenwerkings)mechanismen het Koninkrijk België in staat stellen te beschikken over dezelfde informatie als die welke het noodzakelijk acht voor de verwezenlijking van de doelstellingen van algemeen belang waarop het zich beroept". 

Met andere woorden, het Hof neemt enigszins afstand van het ideaalbeeld dat het soms koestert in verband met grensoverschrijdende samenwerking en informatieuitwisseling en het zogenaamde beginsel van "Bundestreue". Het is dan ook ietwat verbijsterend in de populaire pers te moeten lezen dat "de Europese rechters verwezen (...) naar de bestaande Europese mechanismen voor de samenwerking tussen de verschillende nationale administraties" om hun uitspraak te motiveren (zie De Standaard 19 december 2012). 

Wel integendeel, de limosaregeling voor zelfstandigen struikelt enkel maar op de laatste horde, omdat België een onvoldoende coherent systeem op poten zette, dat met te weinig finesse werd gerechtvaardigd. Een ware programmawet dus... 

3. Het ziet er dus naar uit dat aan de limosaregeling voor zelfstandigen mogelijk nog kan worden gereanimeerd. Voorwaarde is dat de Belgische wetgever een inspanning levert om grondig na te denken in welke sectoren een meldingsplicht zich opdringt en welke informatie voor de Belgische inspectiediensten en in het verlengde daarvan, de arbeidsauditoraten, absoluut noodzakelijk is om fenomenen van detacheringsfraude met inzet van schijnzelfstandigen op een doeltreffende wijze te detecteren en te bestrijden.  Advocaat-generaal Cruz Villalon geeft in zijn conclusie een mooie voorzet:
"In casu kan in beginsel worden aangenomen dat de verplichting tot voorafgaande melding van de datum en plaats van de dienstverrichting en van de naam van de dienstontvanger die krachtens het Limosa-systeem rust op in een andere lidstaat dan het Koninkrijk België gevestigde dienstverrichters, noodzakelijk is voor de uitvoering van controles die onontbeerlijk zijn ter waarborging van zowel de naleving van de minimumnormen van richtlijn 96/71 inzake de sociale bescherming (bestrijding van schijnzelfstandigheid) als de bescherming van de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden van zelfstandigen (bescherming van echte zelfstandigen). Er dient immers te worden vastgesteld dat zo deze informatie niet beschikbaar is, het voor de lidstaat van bestemming praktisch onmogelijk is om onaangekondigde controles ter plaatse uit te voeren. Bovendien is het bij gebreke van regelingen voor administratieve samenwerking tussen de lidstaten voor de lidstaat van bestemming praktisch onmogelijk, anders dan het geval is voor op zijn grondgebied gevestigde zelfstandigen, om snel de voor dergelijke controles noodzakelijke informatie op te zoeken en in te winnen."
Kortom, een scherpstelling dringt zich op, maar een algehele afschaffing is geenszins vereist om het Belgische recht in overeenstemming te brengen met het EU-recht..





10 december 2012

Arbeidsmarktcongres op 7 februari 2013

Op donderdag 7 februari 2013 organiseert het Steunpunt WSE in samenwerking met het Departement WSE opnieuw een Arbeidsmarktcongres. Het doel van dit congres is om op basis van onderzoek en ervaringen het debat over de werking van de arbeidsmarkt aan te scherpen.
We starten met een keynote presentatie van de Europese Commissie over de bevindingen in het ‘2012 Ageing Report’. Daarna brengen we naar goede gewoonte een ‘diagnose’ van de Vlaamse arbeidsmarkt. Vervolgens voorzien we een aantal thematische parallelsessies met lezingen over diverse aspecten van de arbeidsmarkt. We richten ons hierbij op actuele thema’s en recent arbeidsmarktonderzoek uit Vlaanderen en Nederland.


Programma

12u00 - Onthaal & broodjeslunch
13u00 - The challenges of an ageing population. Budgetary and labour force projections for Belgium and the EU member states
The ageing of the population is a challenge for our societies and economies. In this session we will look at the consequences of demographic changes for future pension systems and labour market participation. A special focus will be on the effects of pension reforms on the labour market, economic growth and the sustainability of public finances.
Chairman: Jan Verschooten (Federaal Planbureau)
> Alexander Schwan (European Commission). Keynote presentation about The 2012 Ageing Report
> Questions & Answers
 13u45 - Diagnose Vlaamse arbeidsmarkt
Met de ‘diagnose’ bieden we een overzicht van de toestand en ontwikkelingen op de Vlaamse arbeidsmarkt anno 2012. Naast de actuele ontwikkelingen, hebben we ook aandacht voor meer structurele knelpunten en werpen we een blik vooruit naar de arbeidsmarkt in 2020.
  > Luc Sels (Steunpunt WSE, KU Leuven). Diagnose van de Vlaamse arbeidsmarkt
14u15 - Toespraak van Philippe Muyters, Vlaams minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport (onder voorbehoud)
14u25 - Koffiepauze
14u45 - Thematische parallelsessies:
1. Arbeidsmobiliteit en transities (abstracts)
Voorzitter: David Meulemans (VDAB)
Montserrat González Garibay (HIVA, KU Leuven). Het wegnemen van belemmeringen voor arbeidsmobiliteit met het oog op kwalitatieve transities in de latere loopbaan Peter De Cuyper en Laura Jacobs (HIVA, KU Leuven). De arbeidsmarktpositie na gedwongen ontslag en de rol van het beleidsinstrumentarium hierbij Maria Münderlein (Erasmus Universiteit Rotterdam). Arbeidsmarkttransities en arbeidsmarktuitkomsten van oudere werknemers in drie Europese landen Sarah Vansteenkiste en Marijke Verbruggen (KU Leuven). De gevolgen van flexibel zoekgedrag bij werklozen: van werkloosheid naar ondertewerkstelling?
2. Pensioenhervorming en uittrede (abstracts)
Didier Fouarge (ROA, Universiteit Maastricht). Hoe gevoelig is de uittredeleeftijd voor veranderingen in het pensioenstelsel? Dorien Van Looy (CELLO, Universiteit Antwerpen). Minder uren werken, later pensioneren? De relatie tussen arbeidsduurvermindering en pensioneringstiming Koen Hendrickx (Federaal Planbureau). Impact pensioenhervormingen op de Belgische arbeidsmarkt Boie Neefs (Steunpunt WSE, KU Leuven). Vergrijzing in de sectoren. Waar is de nood aan vervanging het hoogst?
3. Dimensies en gevolgen van arbeidskwaliteit (abstracts)
Voorzitter: Stephan Vanderhaeghe (SERV)
Sem Vandekerckhove (HIVA, KU Leuven). Kwaliteit van werk en werkgelegenheid in België Wendy Niesen (KU Leuven). Jobonzekerheid en innovatief werkgedrag: twee fenomenen in een veranderende arbeidsmarkt Peggy De Prins (AMS). Op zoek naar een duurzame ‘work in life balance’. Een onderzoek naar determinanten van werkengagement, werkverslaving en werk-privé vervlechting 4. Organisaties en inzetbaarheid (abstracts)
Voorzitter: Anneleen Forrier (KU Leuven / Lessius)
Ans De Vos (AMS). Duurzaam loopbaanbeleid: Een zaak voor organisaties? Dirk Buyens (Vlerick Business School). Naar een leven lang leren: stimuleren van een positief leerklimaat in organisaties Jill Nelissen (Research Centre of Organisation Studies, KU Leuven). De Employability Scan: een doorlichting van de inzetbaarheid van werknemers van Belgische ondernemingen Jessie Vandeweyer (Departement WSE). Een Work Ability Indicator voor Vlaanderen 5. Sociale economie en inschakeling kwetsbare groepen (abstracts)
Laura Jacobs, Vicky Heylen en Caroline Gijselinckx (HIVA, KU Leuven). Sociale inschakelingseconomie: springplank naar duurzame tewerkstelling?
Johan Desseyn (Tempera). Jobcreatie in sociale economie-projecten: lessen uit Antwerpse case-studies Peter Brouwer (TNO Nederland). Inclusieve arbeidsorganisaties in Nederland 16u45 - Receptie

Inschrijven

Inschrijven is verplicht en kan via het digitaal inschrijvingsformulier (zie link onderaan).

Praktisch

Het WSE Arbeidsmarktcongres vindt plaats op donderdag 7 februari 2013 vanaf 12u in het Provinciehuis Vlaams-Brabant, Provincieplein 1, B-3010 Leuven.

Voor meer info: steunpuntwse@kuleuven.be of tel. 016-32.32.39

04 oktober 2012

Hof van Justitie verkiest werkelijke situatie boven schriftelijke bedingen bij de toepassing van de detacheringsregels uit de Coordinatieverordening

HvJ, C-115/11, 4 oktober 2012, Format

door K. Nevens

1. Een Poolse beroepsrechter werd geconfronteerd met een geval van grensoverschrijdende tewerkstelling, waarbij een Poolse werknemer tot driemaal toe door een Poolse onderneming naar het buitenland werd gezonden om arbeid te verrichten, telkenmale op basis van een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur. De Poolse onderneming voerde in eigen land geen opdrachten uit.

Omdat de schriftelijke arbeidsovereenkomst bepaalde dat de werknemer zou werken "op bouwplaatsen in Polen en op het grondgebied van de Europese Unie (Ierland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Duitsland, Finland), volgens de instructies van de werkgever” had de bevoegde Poolse instelling van sociale zekerheid (de ZUS), voor de eerste twee tewerkstellingen een E101-formulier afgeleverd op basis van het toen geldende artikel 14, lid 2, sub b, van de coördinatieverordening nr. 1408/71. Volgens deze bepaling is bij tewerkstelling in meerdere lidstaten de volgende socialezekerheidswetgeving van toepassing:

"i) de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan zij wonen, indien zij een deel van hun werkzaamheden op dit grondgebied uitoefenen of indien zij verbonden zijn aan meer dan één onderneming of meer dan één werkgever die hun zetel of domicilie op het grondgebied van verschillende lidstaten hebben;
ii) de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij zij werkzaam zijn, zich bevindt, indien zij niet wonen op het grondgebied van een der staten waar zij hun werkzaamheden uitoefenen".
Met betrekking tot de derde tewerkstelling veranderde de ZUS echter het geweer van schouder. Een aanvraag voor een E10-formulier werd geweigerd omdat met betrekking tot de vorige tewerkstellingen was gebleken dat de werknemer steeds in één lidstaat buiten Polen werkzaam was. De feitelijke uitvoering van de arbeidsovereenkomst strookte met andere woorden niet met de schriftelijke bedingen ervan.

De Poolse rechter in eerste aanleg gaf de ZUS gelijk. Van tewerkstelling in meerdere lidstaten was er ook volgens hem geen sprake. Hij ging echter nog een stap verder en oordeelde ook dat er helemaal geen sprake was van een detachering in de zin van artikel 14, lid 1 van de oude coördinatieverordening. De Poolse rechter kwam tot dit besluit omdat de Poolse onderneming geen activiteiten uitoefende in Polen. De economische activiteit was met andere woorden volledig gericht op andere lidstaten. De Poolse rechter stelde zodoende impliciet aan de kaak dat de onderneming slechts een postbusfirma was. Het gevolg van deze beslissing was dat de werknemer onderworpen zou moeten worden aan de socialezekerheidswetgeving van de plaats van gewoonlijke tewerkstelling (in casu Frankrijk en Finland).

Tegen de beslissing van de rechter in eerste aanleg werd zowel door de werkgever als door de werknemer beroep aangetekend. De werkgever voerde aan dat de vereiste van gelijktijdigheid van tewerkstellingen niet wordt gesteld in artikel 14, lid 2. De werknemer voegde daar aan toe dat hij wel degelijk in meerdere landen had gewerkt, met name in het kader van verschillende opeenvolgende arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur.

De beroepsrechter vroeg opheldering aan het Hof van Justitie.

2. Het Hof van Justitie wijst er eerst en vooral op dat de Poolse rechter er terecht van uit ging dat er geen sprake is van detachering in de zin van artikel 14, lid 1 omdat de Poolse onderneming Format doorgaans geen werkzaamheden van betekenis verrichtte in Polen, haar lidstaat van vestiging. Het Hof zet in de verf dat dit een juiste toepassing en interpretatie is van die bepaling, en voegt er verder aan toe dat deze feitelijke vaststelling van de Poolse rechter niet werd betwist voor het Hof. Kortom, uit het arrest valt niet zoveel lering te trekken wat betreft het fenomeen van de postbusfirma's.

Ten tweede zegt het Hof zonder veel omwegen dat voor de toepassing van artikel 14, lid 2 een werknemer werkzaamheden moet plegen uit te oefenen op het grondgebied van twee of meer lidstaten. Wanneer een werknemer gewoonlijk werkzaamheden in loondienst verricht op het grondgebied van één lidstaat, kan hij dus niet onder de werkingssfeer van het voornoemde artikel vallen.

Ten derde zet het Hof in de verf dat de instelling bevoegd voor het afleveren van E10-formulieren zorgvuldig de (verwachte) arbeidssituatie moet analyseren. Het Hof erkent hierbij dat de schriftelijke (arbeids)overeenkomst die bij de aanvang van de arbeidsrelatie worden opgesteld, in de praktijk van bijzonder belang kunnen zijn, maar voegt er wel het volgende aan toe:
"voor zover de bewoordingen van die documenten evenwel overeenkomen met de betrokken te verwachten werkzaamheden op het ogenblik van de aanvraag van de E 101-verklaring of, in voorkomend geval, de vóór of na een dergelijke aanvraag daadwerkelijk uitgeoefende werkzaamheden."
Bij de beoordeling van de feiten voor de vaststelling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving in het kader van de afgifte van een E101-verklaring (nu A1), kan het betrokken orgaan in voorkomend geval dus, behalve met de bewoordingen van de contractdocumenten, rekening houden met diverse factoren, zoals de wijze waarop overeenkomsten tussen de betrokken werkgever en werknemer voorheen werden uitgevoerd, de omstandigheden waarin deze overeenkomsten zijn gesloten en, meer algemeen, de kenmerken en uitvoeringswijzen van de door de betrokken onderneming verrichte werkzaamheden, voor zover die factoren licht kunnen werpen op de werkelijke aard van de werkzaamheden in kwestie.

Het Hof haakt dit vast aan de verplichting tot juiste toepassing van de verordening door het bevoegde orgaan van de lidstaat. Dit orgaan moet zich, niettegenstaande de bewoordingen van de contractdocumenten, baseren op de werkelijke situatie van de werknemer. Dit alles brengt het Hof uiteindelijk tot de conclusie dat de ZUS en de Poolse rechter in eerste aanleg het bij het juiste eind hadden. Het Hof zegt:
"uit de niet-betwiste inlichtingen die aan het Hof zijn verstrekt door de verwijzende rechter, Format en ZUS, (blijkt dat ) Kita op basis van de betreffende overeenkomsten op permanente basis werkzaamheden (verrichtte) gedurende meerdere maanden of meer dan tien maanden op het grondgebied van één lidstaat, te weten Frankrijk. Voorts werkte Kita in het kader van de volgende overeenkomst, die hij opnieuw voor bepaalde duur met Format sloot, enkel op Fins grondgebied. Blijkens de stukken kreeg Kita in de context van alledrie de overeenkomsten na beëindiging van de werkzaamheden onbetaald verlof, waarna de betrokken overeenkomst in onderlinge overeenstemming voortijdig werd beëindigd. 
In die omstandigheden kan (...) niet worden geoordeeld dat een werknemer in de situatie van Kita onder het begrip „degene die op het grondgebied van twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt uit te oefenen” in de zin van artikel 14, lid 2, van verordening nr. 1408/71 kan vallen."
Ook het beschikkend gedeelte is kristalhelder:
"een persoon die in het kader van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten die het grondgebied van meerdere lidstaten als plaats van de werkzaamheden vermelden, feitelijk voor de duur van elke overeenkomst telkens slechts op het grondgebied van een van die staten werkt, (kan) niet onder het begrip „degene die op het grondgebied van twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt uit te oefenen” in de zin van die bepaling (...) vallen."
 3. De beschouwingen die het Hof wijdt aan de verhouding tussen schriftelijke documenten en de feitelijke uitvoering van de arbeidsovereenkomst, doen meteen denken aan de discussies die daaromtrent werden en worden gevoerd bij het bepalen van de juridische aard van een arbeidsrelatie.

Het is geweten dat de Belgische arbeidsgerechten tot aan de zogeheten kwalificatiearresten van het Hof van Cassatie ook voorrang gaven aan de feitelijke uitvoering. De kwalificatiearresten werden door een meerderheid van de rechtsleer opgevat als een restauratie van de wil der partijen, en daarmee gepaard gaande een herwaardering van de schriftelijke arbeidsovereenkomst. Sommige auteurs zijn dan ook de mening toegedaan dat de kwalificatiearresten, en de Arbeidsrelatiewet die deze arresten codificeerde, afbreuk doen aan het 'primacy of fact'-beginsel zoals dat wordt gehuldigd in IAO-aanbeveling nr. 198 inzake de arbeidsrelatie.

In mijn doctoraal proefschrift keerde ik mij tegen de hierboven vermelde analyse van de kwalificatiearresten. Ik wees er meer bepaald op dat deze arresten in essentie slechts de bewijslastregels in herinnering brengen. Kortom, het bewijs van een gezagsverhouding moet worden geleverd op basis van deugdelijke elementen, en niet op basis van indiciën van economische afhankelijkheid. Enkel indien dit bewijs is geleverd, kan de rechter voorbijgaan aan het kwalificatieoordeel van de partijen. Dit kwalificatieoordeel wordt wel vaker in de schriftelijke overeenkomst opgenomen, maar valt geenszins te vereenzelvigen met de gehele overeenkomst, dat tal van andere bedingen kan bevatten die de rechten en verplichtingen van de contractspartijen concretiseren.In de kwalificatiearresten zegt het Hof van Cassatie dus niet dat alleen schriftelijke bedingen als bewijs van gezag kunnen gelden. De vraag naar de toelaatbaarheid van zekere bewijsmiddelen was immers niet aan de orde in de kwalificatiearresten. 

Voorts mag niet uit het oog worden verloren dat wanneer het Hof het heeft over de partijenkwalificatie, dat het dan gaat om het kwalificatieoordeel van de partijen, en niet om de werkelijke wil van de partijen die overeenkomstig artikel 1134BW de partijen tot wet strekt. In vooraanstaande verbintenisrechtelijke rechtsleer wordt zeer duidelijk het onderscheid gemaakt tussen werkelijke wil, uitgedrukte wil en partijenkwalificatie. De werkelijke wil is maatgevend, de uitgedrukte wil is wat partijen al dan niet onbeholpen op papier hebben gezet om die werkelijke wil tot uiting te brengen, en de partijenkwalificatie is de juridische kwalificatie die de partijen denken dat aan hun werkelijke wilsuiting moet worden toegedicht. Blijkbaar valt het velen, met inbegrip van de wetgever, bijzonder lastig om dit onderscheid te zien en te maken, en worden werkelijke wil, uitgedrukte wil en partijenkwalificatie om de haverklap met elkaar verward.

In mijn doctoraal proefschrift voegde ik aan deze analyse nog toe dat in arbeidsrechtelijke geschillen het geschrift een wettelijke bewijswaarde heeft (art. 1341BW) waaraan niet zomaar kan worden getornd. Dit wordt in de rechtspraktijk vaak over het hoofd gezien, maar stoort zelden, omdat het voornoemde artikel toch niet van openbare orde is. Bewijs door getuigen en vermoedens kan uiteraard dienstig zijn om de bedingen van de geschreven overeenkomst te interpreteren, maar niet om bewijs tegen of boven de geschreven akte aan te nemen. In socialezekerheidsgeschillen is het echter anders. Een instelling van sociale zekerheid kan - als derde - de juiste aard van de arbeidsrelatie bewijzen aan de hand van alle mogelijke bewijsmiddelen. Een derde moet enkel het bestaan van de overeenkomst erkennen en kan niet voorbij aan de bewijskracht van de overeenkomst (m.a.w. men mag het geschrift niet doen liegen), maar mag met getuigen en feitelijke vermoedens wel aantonen dat wat contractueel werd bepaald, niet strookt met wat de partijen werkelijk zijn overeengekomen.

4. Het arrest van het Hof van Justitie is mijns inziens volledig inpasbaar in mijn analyse, zodat het arrest van het Hof van Justitie geen aanleiding hoeft te zijn voor een Europeesrechtelijke herinterpretatie van de Belgische rechtsregels inzake de toelaatbaarheid van zekere bewijsmiddelen. Bij het beoordelen van een aanvraag voor een A1-formulier (vroeger gekend als E101) zal de RSZ zijn oordeel niet alleen kunnen baseren op de geschreven overeenkomst, maar ook op andere feitelijke elementen, waaruit dan vermoedens kunnen worden afgeleid, ter bepaling van de werkelijke aard van de arbeidssituatie.

Dat de RSZ en andere bevoegde organen verplicht zijn rekening te houden met de feitelijke realiteit en zich met andere woorden niet mogen verstoppen achter de schriftelijke overeenkomst, sluit dan weer aan bij de Belgische rechtsleer die stelt dat de fiscus en de RSZ moeten "belasten" op de werkelijke toestand, en niet op de gesimuleerde. De fiscus en de RSZ kunnen dus geen beroep doen op artikel 1321 BW. Dit artikel bepaalt dat een derde bij veinzing van een overeenkomst, mag voortgaan op deze simulatie. De tegenbrief (de werkelijke overeenkomst) kan hem niet worden tegengeworpen. Voor die bepaling zijn de fiscus en de RSZ dus geen derde.






27 september 2012

Master Sociaal Recht 2012-2013 aan de VUB

Aan de Faculteit Recht en Criminologie van de Vrije Universiteit Brussel wordt een Master na Master in het Sociaal Recht ingericht. Deze opleiding kan worden gevolgd in één academiejaar of worden gespreid over twee academiejaren. Alle verplichte en de meeste keuzeopleidingsonderdelen worden gedoceerd in avondonderwijs, zodat beroepsactieve studenten de lessen kunnen volgen.

Het programma omvat:

a) Verplichte opleidingsonderdelen:

1. Bijzondere juridische vraagstukken inzake personeelsbeleid – Prof. K. Salomez ( 6 SP)
2. Sociaal statuut van de zelfstandigen – Prof. G. Van Limberghen (5 SP)
3. Vergelijkend arbeidsrecht – Prof. W. Rauws (3 SP)
4. Bijzondere vraagstukken uit het arbeidsrecht in Europees perspectief– Prof. W. Rauws (6 SP)
5. Bijzondere vraagstukken uit het socialezekerheidsrecht in Europees perspectief –
    Prof. G. Van Limberghen (6 SP)
6. Grensoverschrijdende tewerkstelling– Prof. H. Verschueren (4 SP)
7. Welzijn op het werk en arbeidswetgeving – Prof. K. Salomez (5 SP)
8. Masterproef (15 SP)

b) Keuzeopleidingsonderdelen: te kiezen tot beloop van ten minste 10 studiepunten

1. Sociaal handhavings- en procesrecht - Prof. K. Salomez (6 SP)
2. European Labour and Employment Law - Prof. M. De Vos (6 SP)
3. Droit collectif du travail - Prof. V. Vannes (ULB) - (5 SP)
4. Arbeids- en organisatiepsychologie - Prof. J. Hofmans (6 SP)
5. Organisatie van de gezondheidszorg : nationaal en internationaal – Prof. M. Leys (6 SP)
6. Geschiedenis van sociale bewegingen - Prof. G. Vanthemsche (6 SP)
7. Actuele welzijnsproblemen - Prof. F. Louckx (6 SP)
8. Human Resources Management - Prof. R. Pepermans (6 SP)
9. Rechtspositie van het overheidspersoneel - Prof. A. Wirtgen (6 SP)
10. Arbeidsverhoudingen - Prof. J. Vilrokx (6 SP)
11. Droit approfondi de la réparation des risques professionnels – Prof. C.-E. Clesse (ULB) - (5 SP)
12. Inleiding tot de sociologie van arbeid en arbeidsorganisatie - Prof. C. Vanroelen (6 SP)
13. Sociaalrechtelijke stage - Prof. G. Van Limberghen - (6 SP)
14. Droit social international - Prof. A. Nayer (ULB) - (3 SP)
15. Vreemdelingenrecht - Prof. G. Debersaques - (6 SP)

Overige academische medewerkers zijn Dra. E. Alofs, Mw. L. Cornil, Dhr. J. De Wortelaer, Mr. P. Dufaux, Dhr. F. Louckx, Mr. K. Mortier, Dhr. K. Naert, Prof. K. Nevens, Dhr. J. Steenlant, Dhr. Y. Stox,
Prof. em. M. Stroobant, Dra. E. Timbermont.

Nadere inlichtingen kunnen worden verkregen bij:
- Mw. Elisabeth Alofs (Coördinator) - tel. 02 629 13 84, 0495 629 512 - Elisabeth.Alofs@vub.ac.be of
  Dhr. Nicolas Mazeure (Studietrajectbegeleider) - tel. 02 629 24 72 – nicolas.mazeure@vub.ac.be
- www.vub.ac.be/SORE - www.vub.ac.be/sociaal-recht/master-na-master

Voor inschrijvingen kan men terecht bij het Studenten Administratie Centrum Vrije Universiteit Brussel, Gebouw Y, Pleinlaan 2, 1050 Brussel, tel. 02 629 20 10.