27 januari 2015

VUB-leerstoel voor prof.dr. W. Van Eeckhoutte: inaugurale les op 26 februari as.

Op voorstel van de Vakgroep Publiekrecht (PUBR) is de VUB-Leerstoel 2014-15 toegekend aan Prof. Willy van Eeckhoutte.

Prof. Willy van Eeckhoutte werd in 1985 doctor op proefschrift in de rechten (Universiteit Gent). Hij is thans buitengewoon hoogleraar aan de Universiteit Gent, en doceert er sinds 1986 aan de Faculteit Rechtsgeleerdheid de opleidings­onderdelen Arbeidsrecht en Socialezekerheidsrecht. Willy van Eeckhoutte doceerde ook aan de Gent-Leuven Management School en is docent in de Leergang Pensioenrecht, ingericht aan de KU Leuven. In 1975 werd hij advocaat aan de balie te Gent. In 1999 werd hij benoemd tot advocaat bij het Hof van Cassatie. Hij was de vorige stafhouder van de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie.

Willy van Eeckhoutte is auteur van vele tijdschriftartikelen en boeken over sociaal recht, waaronder het jaarlijks in een nieuwe editie gepubliceerde encyclopedische Sociaal Compendium Arbeidsrecht en Socialezekerheidsrecht, dat ook in het Frans wordt uitgegeven. Hij is tevens editor van de International Encyclopaedia of Social Security Law, die een overzicht geeft van het socialezekerheidsrecht van de verschillende landen ter wereld. Prof. Van Eeckhoutte werkt ook mee aan het actualiseren van SocialEye, een online databank voor specialisten in het sociaal recht en HR-professionals. Hij is bestuurslid van een aantal wetenschappelijke verenigingen, waaronder het Belgisch Genootschap voor arbeidsrecht en socialezekerheidsrecht, en voorzitter van de Vereniging der kassen voor gezinsvergoedingen. Hij wordt alom gewaardeerd als een begeesterend spreker.

Voor meer informatie en om zich in te schrijven voor de inaugurale les met als titels 'synthetische vezels in het sociaal recht', klik hier

14 januari 2015

Hof van Justitie buigt zich (opnieuw) over opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in het onderwijs

door E. Timbermont
 
In een recent arrest van 26 november 2014[1] beantwoordt het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag gesteld door de arbeidsrechtbank te Napoli inzake de overeenstemming van de nationale onderwijswetgeving, waardoor arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd quasi onbeperkt verlengd kunnen worden, met de Raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd[2].
De prejudiciële vraag wordt gesteld naar aanleiding van een aantal geschillen tussen een achttal werknemers van het Italiaans officieel onderwijs en hun werkgever omtrent de kwalificatie van de betrokken arbeidsovereenkomsten. Alle werknemers werden op basis van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd tewerkgesteld. In dit kader stellen de werknemers een vordering voor de Italiaanse arbeidsrechtbank in teneinde in hoofdorde de omzetting van hun arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te bekomen. In ondergeschikte orde vorderen zij een schadevergoeding wegens het onrechtmatig aanwenden van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten van bepaalde tijd door hun werkgever.
 
Na de ontvankelijkheid van de gestelde prejudiciële vragen onderzocht te hebben, gaat het Hof over tot het onderzoek ten gronde.
 
Het Hof herinnert eraan dat uit de bewoordingen van clausule 2, punt 1 en clausule 3, punt 1 van de Raamovereenkomst volgt dat het materiële toepassingsgebied ervan ruim opgevat is. In beginsel is geen enkele bijzondere sector van het toepassingsgebied van de Raamovereenkomst uitgesloten, zodat deze ook in het kader van de arbeidsverhoudingen in het onderwijs toepassing kan vinden.

Verder onderstreept het Hof dat arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd als een essentieel onderdeel van de werknemersbescherming opgevat worden. Arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd worden als een mogelijke bron van misbruik van werknemers beschouwd. Te dien einde worden in clausule 5, punt 1 van de Raamovereenkomst drie minimale beschermende maatregelen opgesomd om te vermijden dat misbruik gemaakt wordt van het opeenvolgende gebruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd tussen eenzelfde werkgever en werknemer. Het betreft met name de vaststelling van ten eerste objectieve redenen die een vernieuwing van een dergelijke arbeidsovereenkomst rechtvaardigen, ten tweede de maximale totale duur van deze opeenvolgende arbeidsovereenkomsten en ten derde het aantal malen dat dergelijke overeenkomsten mogen vernieuwd worden. Indien lidstaten vaststellen dat in hun nationale recht geen gelijkwaardige wettelijke maatregelen voorhanden zijn, dienen zij ten minste één van deze maatregelen op effectieve en bindende wijze vast te stellen in hun nationale recht.
In casu wordt door het Hof vastgesteld dat de Italiaanse regelgeving voor zogenaamde ‘vervangende’ onderwijzers die door middel van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (i.e. ‘vervangingsovereenkomsten’) tewerkgesteld zijn, geen maatregelen voorziet teneinde de maximale duur van deze overeenkomsten of het aantal vernieuwingen ervan te beperken. Evenmin wordt voorzien in een gelijkwaardige maatregel. Bijgevolg dient nagegaan te worden of de opeenvolging van dergelijke arbeidsovereenkomsten door een objectieve reden gerechtvaardigd kan worden. Met een verwijzing naar het arrest Kücük[3] oordeelt het Hof dat als objectieve redenen beschouwd kunnen worden: “precieze en concrete omstandigheden welke een bepaalde activiteit kenmerken en dus rechtvaardigen dat in die bijzondere context gebruik wordt gemaakt van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd”.[4] Deze overwegingen kunnen m.n. voortvloeien uit de bijzondere aard van de taken die in het raam van de overeenkomst uitgevoerd moeten worden, uit de inherente kenmerken ervan, of nog, uit het nastreven van een rechtmatige doelstelling van sociaal beleid van een lidstaat. Bijgevolg dienen objectieve en transparante criteria afgeleid te kunnen worden teneinde na te gaan of de vernieuwing van een dergelijke overeenkomst beantwoordt aan de werkelijke behoefte, geschikt is om de nagestreefde doelstelling te bereiken en daartoe noodzakelijk is.
Het Hof oordeelt dat het sluiten van ‘vervangingsovereenkomsten’ in afwachting van de afronding van vergelijkende onderzoeken in het kader van een aanwerving in vaste dienst en ter vervanging van personeelsleden die tijdelijk niet in staat zijn hun functie uit te oefenen, in beginsel niet in strijd met de Raamovereenkomst is en bijgevolg als een ‘objectieve reden’ in de zin van clausule 5, punt 1, sub a van de Raamovereenkomst aanzien kan worden. Deze vaststelling dient volgens het Hof des te meer onderschreven te worden gelet op de bijzondere positie van het onderwijs (i.e. het grondrecht op onderwijs dat gegarandeerd dient te worden en het fluctuerende leerlingenaantal) waardoor een aanzienlijk personeelsbestand onvermijdelijk lijkt en de behoefte aan flexibiliteit bijgevolg bijzonder groot is. Personeelsleden dienen immers nu en dan vervangen te worden om redenen die op zich ook een rechtmatige beleidsdoelstelling[5] kunnen nastreven, aldus het Hof. Ook het voorbehouden van de toegang tot een vast dienstverband aan personen die geslaagd zijn voor een vergelijkend onderzoek kan een objectieve rechtvaardiging vormen voor het aanwenden van arbeidsovereenkomsten van bepaalde tijd teneinde de beschikbare posten in afwachting van de afronding van een dergelijk onderzoek in te vullen.
Onverminderd voorgaande vaststelling dient evenwel in concreto onderzocht te worden of een dergelijke regeling er in de praktijk niet toe leidt dat er misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gemaakt wordt. Met name dient nagegaan te worden of de Italiaanse regeling niet aangewend wordt voor behoeften die eigenlijk permanent en blijvend zijn. Het Hof stelt ten eerste vast dat er geen enkele precieze termijn voor de organisatie van vergelijkende onderzoeken vooropgesteld is. Bovendien stelt het Hof vast dat een aanstelling in vaste dienst door de stijging van een onderwijzer op de ‘ranglijsten’ die naar aanleiding van de georganiseerde vergelijkende onderzoeken opgesteld worden, afhankelijk is van toevallige en onvoorzienbare omstandigheden (i.e. de totale duur van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en het voorhanden zijn van vacante betrekkingen).

Rekening houdend met deze omstandigheden oordeelt het Hof dat de concrete toepassing van de eerder bevonden objectieve reden niet in overeenstemming is met de vereisten van de Raamovereenkomst. Er is immers geen enkele garantie dat deze regeling behoeften dekt die tijdelijk zijn, aldus het Hof. Integendeel dient te worden vastgesteld dat het in casu permanente en blijvende behoeften betreffen wegens een structureel tekort aan vacante betrekkingen in vast dienstverband. Het Hof steunt haar oordeel tevens op cijfermateriaal waaruit blijkt dat tussen 2006 en 2011 iets minder dan 1/5 van het totaal aantal onderwijzers in de betrokken scholen op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aangesteld werden.

Het Hof voert tevens aan dat budgettaire overwegingen mee aan de basis kunnen liggen van een dergelijk beleid, doch dergelijke overwegingen kunnen geen beleidsdoelstellingen an sich inhouden en derhalve ook geen rechtvaardiging vormen voor het ontbreken van maatregelen ter voorkoming van het misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten van bepaalde tijd. Het Hof wijst er eveneens op dat een aanstelling in vast dienstverband niet exclusief voorbehouden wordt voor personen die geslaagd zijn voor een vergelijkend onderzoek. Dergelijke vaststelling bevestigt volgens het Hof nogmaals dat het geenszins objectief gerechtvaardigd is om vacante posten in dergelijke onderwijsinstellingen in te vullen met behulp van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten van bepaalde tijd in afwachting van de afronding van vergelijkende onderzoeken.
De Raamovereenkomst voorziet evenwel niet in een specifieke sanctie indien misbruik vastgesteld wordt. Volgens het Hof dienen de lidstaten nochtans te voorzien in passende sancties die op het gebied van werknemersbescherming gelijkwaardige garanties voorzien teneinde dit misbruik naar behoren te bestraffen en de gevolgen van de schending van de Raamovereenkomst ongedaan te maken. Niettemin wijst het Hof erop dat het voorgaande niet betekent dat lidstaten in geval van misbruik de omzetting van een arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd naar een overeenkomst van onbepaalde tijd dienen te voorzien.

In casu wordt door het Hof vastgesteld dat de Italiaanse regelgeving niet voorziet in enige schadevergoeding in geval van misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Evenmin wordt in dergelijk geval voorzien in de omzetting naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Een stijging op de ranglijst naar aanleiding van de uitvoering van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd is de enige manier om opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd om te zetten in een arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Dergelijke mogelijkheid is evenwel onzeker zodat zij niet beschouwd kan worden als een voldoende effectieve en afschrikkende sanctie om de doelstellingen van de Raamovereenkomst te waarborgen, aldus het Hof.
Samengevat wordt door het Hof dan ook geoordeeld dat de Italiaanse regelgeving om opeenvolgende arbeidsovereenkomsten van bepaalde tijd zonder enige beperking toe te laten teneinde te voorzien in vaste dienstbetrekkingen in afwachting van de afronding van vergelijkende onderzoeken, zonder dat precieze termijnen voor de afronding van dergelijke onderzoeken vooropgesteld zijn en onder uitsluiting van elke mogelijkheid voor de betrokken onderwijzer op enige schadevergoeding die zij als gevolg van de onbeperkte opeenvolging van dergelijke overeenkomsten lijdt, in beginsel in strijd is met de Raamovereenkomst.





[1] HvJ 26 november 2014, nr. C-22/13, C-61/13-C-63/13 en C-418/13.


[2] Raamovereenkomst van 18 maart 1999 van het EVV, de UNICE en het CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, PB L 10 juli 1999. Hierna verkort als ‘Raamovereenkomst’.


[3] HvJ 26 januari 2012, nr. C-586/10.


[4] Overw. 87.


[5] Bijvoorbeeld de tijdelijke vervanging van zwangere werkneemsters.

30 december 2014

Een modern arbeidsrecht is er ook voor zelfstandigen - reactie op het radicaal voorstel van Peter De Keyzer tot afschaffing van schijnzelfstandigheid (lees: het arbeidsrecht)

door K. Nevens

In De Tijd van 26 december en in De Morgen van 27 december ll. doet Peter De Keyzer, hoofdeconoom bij BNP Parisbas Fortis, een radicaal voorstel om ondernemerschap te stimuleren. Schaf schijnzelfstandigheid af, zo orakelt hij, en we komen terecht in een wereld van ondernemers, een wereld waar vrijheid en blijheid heerst. 

Schijnzelfstandigheid afschaffen: het zal menig jurist in het sociaal recht allicht alleen al uit praktische overwegingen als muziek in de oren klinken. Schijnzelfstandigheid is immers een “evergreen” in het sociaal recht. Al decennialang wordt er in de rechtspraak en in de rechtsleer gebakkeleid over wat het onderscheid maakt tussen een werknemer en een zelfstandige. Iedereen is het er over eens dat het te vinden is in het al dan niet bestaan van een gezagsverhouding, maar veel minder eensgezindheid bestaat er over de concrete elementen die toelaten daartoe te besluiten. Sinds de Arbeidsrelatiewet van 2006 is er wel enige klaarheid geschapen. Het is sedertdien voor iedereen ook duidelijk dat de kwalificatie gekozen door de contractspartijen geldt als uitgangspunt, echter op voorwaarde dat de uitvoeringswijze van de overeenkomst niet onverenigbaar is met deze keuze. Kortom, elke discussie omtrent de aard van een arbeidsrelatie betekent  onvermijdelijk ook een discussie over wat de partijen eigenlijk hebben gewild en vooral ook, hoe oprecht die keuze wel was.

Schijnzelfstandigheid kan natuurlijk niet worden afgeschaft. Schijnzelfstandigheid bestaat immers omdat er in het sociaal recht nu eenmaal een tweedeling bestaat tussen werknemers en zelfstandigen. Dit leidt onder juristen onvermijdelijk tot discussies over de afgrenzing van de ene categorie ten opzichte van de andere. Schijnzelfstandigheid bestaat ook omdat sommige personen, in hun queeste naar de minst belaste weg of om andere redenen, er niet voor terugdeinzen valselijk het sociaal statuut van zelfstandige aan te nemen of op te dringen aan anderen. Laten we op dit vlak dus ook duidelijk zijn: schijnzelfstandigheid is sociale fraude. Het is iets voorhouden wat niet is, zoals het schijnhuwelijk. Schijnzelfstandigheid kan dus niet worden afgeschaft, maar slechts worden bestreden of gedoogd.

Met zijn voorstel tot de afschaffing van schijnzelfstandigheid, pleit Peter De Keyzer eigenlijk voor de afschaffing van het werknemersstatuut, of in economische termen, voor de afschaffing van de arbeidsmarkt. In een wereld van alleen maar zelfstandigen bestaat er immers alleen maar een dienstenmarkt. Zijn voorstel is dus het equivalent van de afschaffing van het huwelijk, dat op zich ook een einde zou maken aan het fenomeen van schijnhuwelijken.

Van iedere werkende persoon een zelfstandige dienstverrichter maken, verandert de economische en maatschappelijke realiteit natuurlijk niet. Was het immers niet nobelprijswinnaar economie Ronald Coase die in zijn ‘theory of the firm’  stelde dat in ondernemingen het prijsmechanisme eigen aan de markt wordt vervangen door hiërarchische structuren, omdat dit voordelen met zich meebrengt en in het bijzonder toelaat transactiekosten te verminderen of uit te schakelen? Met andere woorden, geconfronteerd met imperfecte markten creëren sommige economische actoren voor hun profijt gezagsstructuren.

Toegegeven, in de geglobaliseerde netwerkeconomie van de 21ste eeuw lijken dergelijke gezagsstructuren meer en meer te verdampen. Dit proces wordt al langer beschreven in de sociaal-wetenschappelijke literatuur: arbeidspatronen evolueren, van werknemers wordt steeds meer verwacht dat ze autonoom handelen en ze willen dat eigenlijk zelf ook, en ondernemingen doen met het oog op het verhogen van flexibiliteit en het drukken van kosten steeds vaker beroep op externe medewerkers. En in die context worden werknemers steeds meer ‘werkondernemers’, zo stelden de Duitse sociologen Pongratz en Voss al in 2003. 

De retoriek van werknemer naar ondernemer mag echter niet doen vergeten dat ook in de 21ste eeuwse dienstgerichte kenniseconomie heel wat afhankelijkheidsrelaties bestaan en uit economische overwegingen ook in stand zullen worden gehouden. Sterkere economische actoren blijven immers zoeken naar economische organisatie en integratie. Heel wat zelfstandige vrachtwagen- en taxichauffeurs, heel wat onderaannemers in de bouw-, schoonmaak- en in de bewakingssector, heel wat zelfstandige koeriers en krantenbedelers en heel wat ‘freelance’ IT’ers en journalisten, om maar enkele groepen te noemen, kunnen er ongetwijfeld over meespreken.

Het  daadwerkelijke ondernemerschap van deze economisch afhankelijke zelfstandigen kan in vraag worden gesteld, niet omdat deze mensen niet oprecht ernaar streven hun eigen professioneel leven naar eigen inzicht vorm te geven, maar omdat ondernemerschap méér is dan zelfstandig zijn in de organisatie van zijn arbeid en zijn arbeidstijd. Ondernemerschap vergt volgens de Amerikaanse economist Frank Knight immers zeggenschap en controle over de vele facetten van de eigen activiteit, en onder die voorwaarden is het inderdaad logisch en aanvaardbaar dat iemand ook de risico’s van de activiteit draagt en op zich neemt.

Peter De Keyzer spiegelt voor dat elke zelfstandige zonder meer  over die vrijheid beschikt en dus controle heeft over de risico’s van zijn activiteit. De realiteit is anders: vele zelfstandigen werken zij aan zij, aan een prijs of tarief bepaald door hun opdrachtgever, in een uniform gekozen door hun opdrachtgever, met het logo en de belettering van hun opdrachtgever, met de bedrijfsmiddelen gefinancierd  of verschaft door hun opdrachtgever, exclusief voor die opdrachtgever. In het economisch spinnenweb van de opdrachtgever is er niet veel zeggenschap of controle over het eigen economisch beleid, laat staan van enige ruimte voor innovatie voor eigen profijt. En innoveren, daar draait ondernemerschap uiteindelijk toch om?

Van iedereen een zelfstandige maken, zal dus niet leiden tot meer ondernemerschap, net zomin als het weggeven van rijbewijzen de autorijvaardigheid van mensen verhoogt. Ongelukken, die kunnen dan wel worden verwacht.

Van iedereen een zelfstandige maken, staat daarenboven gelijk met een doodsvonnis voor het arbeidsrecht. Dit is zeer zeker een radicaal pleidooi, maar een toekomstvoorspelling lijkt het me niet. Een groenboek over de modernisering (niet de afschaffing) van het arbeidsrecht van de Europese Commissie uit 2003 wijst immers in een andere richting. De Commissie stelde in het licht van de hierboven geschetste ontwikkelingen aan de Europese lidstaten immers openlijk de vraag: “Is er nood aan een geheel van basisrechten inzake arbeidsvoorwaarden voor alle werkende personen ongeacht de aard van hun arbeidsrelatie?” Het is een debat dat ondertussen reeds in verschillende landen, niet alleen in academische kringen maar ook op beleidsniveau, volgens mij terecht wordt gevoerd.