Posts tonen met het label arbeidsongevallen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label arbeidsongevallen. Alle posts tonen

26 april 2012

Cassatierechtspraak in sociale zaken: 2 arresten uit januari 2012

Cass. 16 januari 2012, C.11.0256.N

Arbeidsongeval -  wettelijke subrogatie arbeidsongevallenverzekeraar - derde aansprakelijke

De vordering die de arbeidsongevallenverzekeraar op grond van de artikelen 46 en 47 Arbeidsongevallenwet kan instellen tegen de derde die voor een arbeidsongeval aansprakelijk is, berust op een indeplaatsstelling waardoor de schuldvordering van de getroffene of van diens rechthebbenden uit hun vermogen overgaat naar de verzekeraar tot beloop van de door deze betaalde vergoedingen en van het kapitaal dat de door hem verschuldigde waarde van de jaarlijkse vergoedingen of renten vertegenwoordigt.
 

Hieruit volgt dat, wanneer de door een arbeidsongeval ontstane schade mede door de schuld van de aansprakelijke derde is veroorzaakt, de arbeidsongevallenverzekeraar die aan de getroffene of zijn rechthebbenden de wettelijke vergoedingen heeft betaald, en dus de door de derde berokkende schade geheel of gedeeltelijk heeft vergoed, tot beloop van het betaalde in de plaats is gesteld van de getroffene of zijn rechthebbenden wat betreft hun recht op integrale vergoeding van de schade die hun door de derde is toegebracht, voor zover daarbij het bedrag van de schadeloosstelling die hun krachtens het gemene recht toekomt, niet wordt overschreden.

Deze subrogatie is niet beperkt tot de fractie van de betaalde wettelijke vergoedingen die gelijk is aan de fractie van de aansprakelijkheid die ten laste van de derde komt.

Cass. 30 januari 2012, S.11.0043.N
Collectieve arbeidsovereenkomst - interpretatie - loonbegrip

Krachtens artikel 2 CAO van 26 juli 1999, gesloten in het paritair comité voor het garagebedrijf, betreffende de ploegenpremie, in uitvoering van artikel 4.5 van het nationaal akkoord 1999-2000 van 27 april 1999, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 4 februari 2002, wordt, onverminderd gunstiger bepalingen op ondernemingsvlak, het loon van de werklieden die ploegenarbeid verrichten (vroege en late shift) verhoogd met 10 pct.
 

Krachtens artikel 3 CAO van 4 juli 2001, gesloten in het paritair comité voor het garagebedrijf, betreffende de ploegenpremie, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 17 september 2005, wordt, onverminderd gunstiger bepalingen op ondernemingsvlak, het basisloon van de werklieden die ploegenarbeid verrichten (vroege en late shift) verhoogd met 10 pct. 

Met “loon” respectievelijk “basisloon” in de zin van voormelde bepalingen wordt, bij gebrek aan definitie, nadere precisering of tegenaanwijzing volgend uit de ontstaansgeschiedenis van die bepalingen, het loon in zijn gewone arbeidsrechtelijke betekenis bedoeld, namelijk het werkelijk betaalde loon.

01 februari 2012

Cassatierechtspraak in sociale zaken (sept. 2011/dec. 2011)

Cass. 5 september 2011, S.10.0119.N

RSZ-wet – aansprakelijkheid van de aannemer – strafkarakter – retroactiviteit van de mildste straf – verwijlintresten

Artikel 30ter, §6, B, eerste lid, van de RSZ-wet, voor de opheffing van dit artikel bij koninklijk besluit van 26 december 1998, zoals te dezen van toepassing, legde een sanctie op aan de hoofdaannemer die de bij de wet opgelegde inlichtingen niet verstrekte, teneinde aldus de onwettige activiteiten van de koppelbazen te bestrijden en strekte er toe via bestraffing een ontradende werking te hebben.
Die sanctie kon tot aanzienlijke bedragen oplopen, waarvan de vaststelling, binnen de in de wet bepaalde perken, werd overgelaten aan de overheid die het bedrag moest moduleren, niet met de bedoeling om, al was het maar forfaitair, een geleden nadeel te vergoeden, maar door rekening te houden met de ernst van de tekortkoming.
Deze maatregel had een overwegend repressief karakter en kan niet als een louter burgerlijke sanctie worden beschouwd. Aldus vertoonde deze maatregel het karakter van een strafrechtelijke sanctie in de zin van de artikelen 7.1 EVRM en 15.1 IVBPR.
De omstandigheid dat de bedoelde maatregel een strafrechtelijke sanctie was in de zin van de artikelen 7 EVRM en 15.1 IVBPR, brengt mee dat de waarborgen van de bepalingen van het EVRM en IVBPR moeten in acht worden genomen.
De voormelde artikelen 7.1 en 15.1 bepalen dat geen zwaardere straf mag worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbaar feit van toepassing was. Dit impliceert dat geen bijkomende straf mag worden opgelegd die niet was voorzien ten tijde van het begaan van het strafbaar feit.
De RSZ-wet voorzag, ingeval van niet-naleving van de meldingsplicht voorgeschreven door artikel 30ter, §5, in een sanctie, bestaande uit de betaling van een bedrag van minstens 5 pct van het totale bedrag van de niet-gemelde werkzaamheden en maximaal 5 pct van het bedrag van de aan de hoofdaannemer op de betrokken werf toevertrouwde werkzaamheden. In een nalatigheidsinterest werd niet voorzien.
Met toepassing van de voormelde artikelen 7.1 en 15.1 is het de rechter niet toegelaten de hoofdaannemer die de door artikel 30ter, §5, van de RSZ-wet voorgeschreven meldingsplicht niet heeft nageleefd, te veroordelen tot betaling van verwijlintrest op de som die hij krachtens artikel 30ter, §6, B, aan de eiser verschuldigd is.

Cass. 26 september 2011, S.09.0111.F

RMI-wet – leefloon – sociaal onderzoek – herziening - terugvordering

Krachtens artikel 19, § 1, eerste lid, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, verricht het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een sociaal onderzoek met het oog op de toekenning van maatschappelijke integratie in de vorm van een leefloon, of een tewerkstelling, met het oog op de herziening of de intrekking van een beslissing dienaangaande of met het oog op een beslissing tot schorsing van de uitbetaling van het leefloon. De tweede paragraaf van dat artikel bepaalt dat de aanvrager ertoe gehouden is elke voor het onderzoek van zijn aanvraag nuttige inlichting en machtiging te geven.
Luidens artikel 22, § 1, eerste lid, van dezelfde wet herziet het centrum, onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake de verjaring, een beslissing in geval van gewijzigde omstandigheden die een invloed hebben op de rechten van de persoon, een wijziging van het recht door een wettelijke of reglementaire bepaling, een juridische of materiële vergissing van het centrum en in geval van verzuim, onvolledige en onjuiste verklaringen van de persoon.
Het tweede lid van die bepaling bepaalt dat de betrokkene, met het oog op een eventuele herziening, onmiddellijk aangifte moet doen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op het hem toegekende bedrag of op zijn situatie als rechthebbende.Volgens het derde lid moet het centrum met hetzelfde oogmerk geregeld, en minstens om het jaar, nagaan of de toekenningsvoorwaarden vervuld blijven.
Uit die bepalingen volgt niet dat het centrum niet op grond van een onvolledige aangifte van een persoon de terugbetaling van zijn leefloon mag vorderen, indien het niet minstens om het jaar heeft nagegaan of de toekenningsvoorwaarden vervuld waren gebleven.
Op de vraag die aan het Grondwettelijk Hof was gesteld in het arrest van het Hof van 13 december 2010, antwoordt voormeld Hof dat artikel 29, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, in de versie van vóór de wijziging ervan bij de wet van 30 december 2009, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt in zoverre het toestaat de vordering tot terugvordering gedurende vijf jaar uit te oefenen. Het bestreden arrest, dat die verjaringstermijn toepast, schendt de artikelen 10 en11 van de Grondwet niet.

Cass.10 oktober 2011, S.10.0054.F

Arbeidsongeval – uitvoering arbeidsovereenkomst – vermoeden - tegenbewijs


L’article 7, alinéa 2, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail présume, jusqu’à la preuve du contraire, que l’accident survenu dans le cours de l’exécution du contrat de travail est survenu par le fait de cette exécution. Cette preuve contraire peut-être apportée par toute voie de droit.
L’arrêt constate que le défendeur a été victime d’une agression par balles dans le cours de l’exécution du contrat de travail. Conformément à l’article 7, alinéa 2, précité, il incombe à la
demanderesse de prouver que cet accident n’est pas survenu par le fait de cette exécution.
En conclusions, la demanderesse sollicitait le renvoi de la cause au role jusqu’à la clôture de l’instruction relative à l’agression, afin d’être en mesure de consulter le dossier répressif dans lequel elle espérait découvrir des circonstances excluant que l’accident soit survenu par ce fait.
L’arrêt rejette cette mesure au motif que la demanderesse « n’indique pas de manière précise les circonstances particulières qui, en l’espèce, permettraient effectivement » de renverser la présomption.
L’arrêt n’a pu, sans constater que la consultation du dossier répressif n’était pas susceptible de contribuer à la preuve dont la demanderesse avait la charge, priver celle-ci de la possibilité de rapporter cette preuve par ce moyen, au seul motif qu’elle n’indiquait pas les faits précis qu’elle entendait ainsi prouver.
En décidant, sur la seule base des éléments recueillis jusqu’alors, que la demanderesse ne renverse pas la présomption de l’article 7, alinéa 2, l’arrêt viole cette disposition.

Cass. 10 oktober 2011, S.10.0185.F

Arbeidsrelatie – Kwalificatie - Arbeidsovereenkomst – gezag

Lorsque les éléments soumis à son appréciation permettent d’exclure la qualification donnée par les parties à la convention qu’elles ont conclue, le juge du fond peut y substituer une qualification différente.Pour écarter la qualification de contrat d’entreprise que les parties ont donnée, lors de sa conclusion, à leur convention ayant pour objet la distribution d’imprimés et retenir l’existence d’un lien de subordination, l’arrêt se fonde sur les stipulations de cette convention et sur la manière dont elle a été exécutée et,en particulier, sur les éléments de fait suivants :
- les jours et heures de la distribution et le parcours à effectuer étaient imposés sans possibilité d’adaptation par des arrangements entre collègues ;
- les défendeurs avaient l’obligation d’effectuer eux-mêmes toutes les tournées, sauf absence justifiée par des motifs prouvés, alors que la nature du travail n’expliquait pas cette obligation, le remplaçant qu’ils devaient trouver en cas d’absence justifiée ne devant répondre à aucune exigence
particulière ;
- pour tout problème au cours de la tournée, les défendeurs devaient s’adresser à la demanderesse qui donnait les instructions à suivre en cas d’imprévu ;
- la demanderesse avait le pouvoir de contrôler le respect par les défendeurs de ses instructions précises et impératives ;
- la demanderesse pouvait prendre à l’égard des défendeurs des « sanctions d’office », qui ne constituaient pas l’exécution de la clause de responsabilité inscrite au « contrat d’entreprise » mais des mesures unilatérales, sans que ni la clause ni aucun accord ultérieur n’indique les hypothèses de sanction ou leur montant et sans davantage qu’il soit prouvé que le montant des retenues corresponde au dommage provoqué par une négligence.
Sur la base de l’ensemble de ces considérations, l’arrêt a pu déciderlégalement que les parties étaient liées par un contrat de travail.

Cass. 17 oktober 2011, S.08.0009.N

Europese sociale zekerheid – verordening 1408/71 – begrip ambtenaar – contractueel overheidspersoneel

Artikel 2, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: verordening nr. 1408/71), zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat deze verordening van toepassing is op ambtenaren en op personeel dat volgens de toepasselijke wetgeving met hen gelijkgesteld is, voor zover zij onderworpen zijn of geweest zijn aan de wettelijke regelingen van een lidstaat waarop deze verordening van toepassing is.
Verordening nr. 1408/71 is van toepassing op de wettelijke regelingen betreffende de takken van sociale zekerheid bedoeld in artikel 4, lid 1, van die verordening. Overeenkomstig artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71, zoals te dezen van toepassing, is deze verordening niet van toepassing op de bijzondere regelingen voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden.
Krachtens artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1408/71, zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van een enkele lidstaat onderworpen, onder voorbehoud van de artikelen 14quater en 14septies.
Artikel 13, lid 2, a), van verordening nr. 1408/71 bepaalt dat, onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17, op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing is, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat.
Artikel 13, lid 2, d), van verordening nr. 1408/71 bepaalt dat, onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17, op ambtenaren en met hen gelijkgestelden, de wetgeving van toepassing is van de lidstaat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert.
Overeenkomstig artikel 1, § 1, RSZ-wet, vindt deze wet toepassing op de werknemers en de werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden. Krachtens artikel 2, § 1, 2°, RSZ-wet, kan de Koning, bij in ministerraad overlegd besluit, en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, voor zekere categorieën werknemers die Hij bepaalt, de toepassing van deze wet tot een of meer van de bij artikel 5 opgesomde regelingen beperken.
Artikel 9, § 2, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet, bepaalt dat wat de personen betreft die door het Rijk, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies en de instellingen ondergeschikt aan de provincies krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst worden genomen, de toepassing van de wet beperkt wordt tot de regelingen opgesomd in § 1, eerste lid, zijnde de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, de regeling voor rust- en overlevingspensioen voor werknemers en de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid voor werknemers.
Overeenkomstig artikel 1, eerste lid, 3°, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel is de bij deze wet vastgestelde regeling voor het herstel van schade ten gevolge van arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en ten gevolge van beroepsziekten van toepassing op de leden van het vast, stagedoend, tijdelijk, hulppersoneel of het personeel dat wordt in dienst genomen door een arbeidsovereenkomst, behorende tot de besturen en andere diensten van de regeringen van de gemeenschappen en de gewesten.
Hieruit volgt dat, volgens de Belgische wettelijke regeling inzake sociale zekerheid, contractueel overheidspersoneel van de eiseres gedeeltelijk onder de toepassing valt van de algemene socialezekerheidsregeling voor werknemers en gedeeltelijk onder een bijzondere regeling voor ambtenaren.
Uit het arrest C-296/09 van het Hof van Justitie van 9 december 2010 blijkt dat wat dient te worden verstaan onder “ambtenaar” en “met hen gelijkgestelden” in de zin van artikel 13, lid 2, d), van verordening nr. 1408/71, uitsluitend wordt bepaald volgens het nationale recht van de lidstaat waaronder de overheidsdienst die deze personen tewerkstelt, ressorteert en dat een persoon in de situatie van de verweerder, die in een lidstaat gedeeltelijk onder de socialezekerheidsregeling voor ambtenaren en gedeeltelijk onder die voor werknemers valt, overeenkomstig artikel 13, lid 2, d), van die verordening uitsluitend onder de toepassing kan vallen van de wetgeving van de lidstaat waaronder de overheidsdienst die hem tewerkstelt, ressorteert.
Uit het arrest blijkt ook dat de begrippen “ambtenaren” en “met hen gelijkgestelden” in de zin van artikel 13, lid 2, d), van verordening nr. 1408/71 verwijzen naar de definities die daaraan worden gegeven in de socialezekerheidswetgevingen van de lidstaten en geen verband houden met de wijze waarop de uitgeoefende werkzaamheden in het arbeidsrecht worden gekwalificeerd.
De appelrechters stellen vast dat de verweerder met de eiseres verbonden was door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op grond van de Arbeidsovereenkomstenwet en aldus de hoedanigheid van werknemer had, dat hij niet genoot van de voor het ambtenarenstatuut kenmerkende vastheid van betrekking en dat de verweerder krachtens het personeelsstatuut voor contractueel personeel een functionele bevoegdheid had en geen hiërarchische bevoegdheid
zoals dit het geval is voor ambtenaren.
Uit deze vaststellingen die uitsluitend verband houden met de kwalificatie in het arbeidsrecht van de door de verweerder uitgeoefende werkzaamheden, noch uit de andere vaststellingen of overwegingen van het arrest volgt dat de verweerder op basis van het nationale stelsel van sociale zekerheid waarbij hij was aangesloten, niet als een met ambtenaar gelijkgestelde kan worden beschouwd.
De appelrechters oordelen niet wettig dat de verweerder niet als een met ambtenaar gelijkgestelde kan worden beschouwd in de zin van artikel 13, lid 2, d), van verordening nr. 1408/71. Hun beslissing dat het socialezekerheidsstelsel van de lidstaat waar zich de plaats van tewerkstelling bevond, met name Zweden, op de verweerder van toepassing was, zodat de eiseres ten onrechte socialezekerheidsbijdragen heeft ingehouden op het loon van de verweerder, is dienvolgens niet naar recht verantwoord.

Cass. 17 oktober 2011, S.10.0213.N

Sociale verkiezingen – kandidaten – beroep door werkgever – inroeping ongeldigheid kandidatuur in ontslagprocedure - laattijdigheid

Krachtens artikel 5 van de wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen van het jaar 2008, kan de werkgever een beroep instellen tegen de voordracht van kandidaten, wanneer de kandidaten of de kandidatenlijsten niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van de Bedrijfsorganisatiewet, van de Wet Welzijn Werknemers en van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008, zelfs indien geen enkele klacht werd ingediend.
Indien er geen klacht werd ingediend, moet het beroep van de werkgever worden ingesteld binnen vijf dagen na de termijn voor de indiening van klachten vastgesteld in artikel 37 van de laatst vermelde wet van 4 december 2007.
Deze bepaling vindt toepassing op alle betwistingen betreffende de geldigheid van een kandidatuur en de samenstelling van de kandidatenlijsten. De werkgever kan de geldigheid van een kandidatuur waartegen hij niet tijdig beroep heeft ingesteld, niet meer betwisten in een procedure met betrekking tot de ontslagbescherming.
De appelrechters stellen vast dat de verweerster inroept dat de eiser niet voldoet aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden van artikel 59, § 1, 3°, Wet WelzijnWerknemers, zodat de eiser geen aanspraak kan maken op de door hem gevorderde beschermingsvergoeding. Deze betwisting betreft de geldigheid van de kandidatuur in het licht van de bepalingen van de Wet Welzijn Werknemers en valt derhalve onder artikel 5 van de eerst vermelde wet van 4 december 2007.
Met miskenning van die wetsbepaling, oordelen de appelrechters dat de verweerster kan inroepen dat de eiser niet beantwoordde aan de verkiesbaarheidsvoorwaarde, hoewel zij dit tijdens de procedure van de sociale verkiezingen nooit heeft ingeroepen, aangezien de rechtsvraag die aan de orde is betrekking heeft op het feit of de eiser aan de wettelijke voorwaarden voldoet om aanspraak te maken op de bijzondere beschermingsvergoeding en niet op het feit of de kandidatuur van de eiser geldig werd ingesteld volgens de bepaling van artikel 5 van de wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen van het jaar 2008.

Cass. 24 oktober 2011, S.11.0039.F

Werkloosheid – Terugvordering – Beperking ingeval van goede trouw

En vertu de l'article 169, alinéas 1er et 2, de l’arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, toute somme perçue indûment doit être remboursée à moins qu'il ne soit établi que le chômeur a perçu de bonne foi des allocations auxquelles il n'avait pas droit, auquel cas la récupération est limitée aux cent cinquante derniers jours d'indemnisation indue.
Conformément à l'alinéa 5 de ce même article, lorsque le chômeur prouve qu’il a perçu de bonne foi des allocations auxquelles il n'avait pas droit, le montant de la récupération peut, par dérogation aux alinéas précédents de cet article, être limité au montant brut des revenus dont il a bénéficié et qui n’étaient pas cumulables avec les allocations.
L’arrêt décide que le défendeur a agi de bonne foi. Sur cette base, il limite le montant de la récupération des allocations de chômage perçues indûment aux revenus bruts dont a bénéficié le défendeur durant les cent cinquante derniers jours d’indemnisation indue. Il viole, dès lors, l'article 169 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage.

24 januari 2012

Hof van Justitie buigt zich nogmaals over nationale wetgeving inzake jaarlijkse vakantie


De richtlijn betreffende de organisatie van de arbeidstijd verplicht de lidstaten, de maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de nationale wettelijke bepalingen (artikel 7).

Mevrouw Domínguez heeft in november 2005 een ongeval gehad op het traject tussen haar woning en haar arbeidsplaats. Na dat ongeval was zij van 3 november 2005 tot en met 7 januari 2007 met ziekteverlof. Zij heeft de Franse rechter aangezocht ter verkrijging van 22,5 dag vakantie over die periode, die haar werkgever, het Centre informatique du Centre Ouest Atlantique („CICOA”), haar had geweigerd, en, subsidiair, de betaling van een compenserende vergoeding van circa 1 970 EUR. Domínguez houdt staande dat het ongeval op het traject tussen haar woning en haar werk een arbeidsongeval is waarvoor de regeling voor arbeidsongevallen geldt. Voor de berekening van haar vakantie met behoud van loon moet volgens haar het tijdvak waarin de arbeid onderbroken is na een ongeval op weg van of naar het werk worden gelijkgesteld met daadwerkelijke arbeidstijd. Na in het ongelijk te zijn gesteld heeft Domínguez beroep in cassatie ingesteld.

De Cour de cassation (Frankrijk) heeft het Hof de vraag voorgelegd of de Franse wettelijke regeling verenigbaar is met de richtlijn. Op grond van die wettelijke regeling geldt voor het ontstaan van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon de voorwaarde dat de werknemer bij dezelfde werkgever in de referentieperiode (in beginsel een jaar) minstens tien dagen (vóór februari 2008 was dit een maand) heeft gewerkt. Voorts erkent de Franse wettelijke regeling als tijdvakken van daadwerkelijke arbeid tijdvakken waarin de arbeidsovereenkomst niet wordt uitgevoerd onder meer wegens een arbeidsongeval, zonder dat het ongeval op het traject tussen de woning en de arbeidsplaats wordt vermeld.

In zijn arrest van heden antwoordt het Hof om te beginnen dat de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale bepaling op grond waarvan aan het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon de voorwaarde is gekoppeld dat de werknemer in het referentietijdvak minimaal tien dagen (of een maand) daadwerkelijk heeft gewerkt.
Het Hof brengt in herinnering dat het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon moet worden beschouwd als een bijzonder belangrijk beginsel van sociaal recht van de Unie, waarvan niet mag worden afgeweken en waaraan de bevoegde nationale autoriteiten slechts uitvoering mogen geven binnen de grenzen die uitdrukkelijk zijn aangegeven in de richtlijn. Weliswaar mogen de lidstaten de voorwaarden voor de uitoefening en de tenuitvoerlegging van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon vastleggen, maar zij mogen dit recht niet van enigerlei voorwaarde afhankelijk stellen, noch het bestaan zelf van dit uitdrukkelijk aan iedere werknemer toegekend recht uitsluiten.
Voorts verklaart het Hof dat nu de richtlijn geen onderscheid maakt tussen werknemers die wegens ziekteverlof in het referentietijdvak afwezig zijn en werknemers die in genoemd tijdvak daadwerkelijk hebben gewerkt#, in het geval van werknemers met een naar behoren voorgeschreven ziekteverlof voor het door deze richtlijn aan alle werknemers verleende recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon door een lidstaat niet als voorwaarde kan worden gesteld dat tijdens de door die lidstaat vastgestelde referentieperiode daadwerkelijk is gewerkt.

In de tweede plaats preciseert het Hof dat de nationale rechter bij de toepassing van het interne recht dit zoveel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn. Teneinde de volle werking van deze laatste te verzekeren zal de nationale rechterlijke instantie moeten onderzoeken of zij tot een uitlegging van dat recht kan komen op grond waarvan de afwezigheid van de werknemer wegens een ongeval op weg naar of van het werk kan worden gelijkgesteld met afwezigheid wegens een arbeidsongeval. In dat verband beklemtoont het Hof dat geen werknemer, of hij nu gedurende het referentietijdvak met ziekteverlof is na een ongeval op de arbeidsplaats of elders of wegens ziekte, ongeacht de aard of de oorsprong daarvan, zijn recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon van minstens vier weken mag worden ontnomen.

Voor het geval een dergelijke richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht niet mogelijk mocht zijn zal de nationale rechter moeten onderzoeken of een werknemer als Domínguez zich rechtstreeks op de richtlijn kan beroepen. Het Hof stelt dienaangaande vast dat de bepalingen van de richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk zijn en voldoende nauwkeurig opdat particulieren er zich voor de nationale rechter op kunnen beroepen tegenover de lidstaat. Voor zover voorts de justitiabelen zich niet rechtstreeks op een richtlijn kunnen beroepen tegenover particulieren, zal de nationale rechter moeten nagaan of op de richtlijn een beroep kan worden gedaan jegens het CICOA op basis van de hoedanigheid waarin dit optreedt (als privaatrechtelijk of publiekrechtelijk orgaan). In het geval waarin de richtlijn aan het CICOA kan worden tegengeworpen zal de nationale rechter iedere andersluidende nationale bepaling buiten toepassing moeten laten. Indien dat niet het geval is zal Domínguez een schadevordering kunnen indienen tegen de Staat en in voorkomend geval recht hebben op vergoeding van de schade die zij heeft geleden doordat haar uit de richtlijn voortvloeiend recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon is aangetast.

In de derde plaats overweegt het Hof dat de lidstaten op grond van de richtlijn mogen bepalen dat de duur van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon verschilt afhankelijk van de oorzaak van de ziekte, mits die duur langer is dan of even lang als de door deze richtlijn gewaarborgde minimumduur van vier weken.

22 september 2011

Grondwettelijk Hof vindt arbeidsrechtbanken de natuurlijke rechter inzake arbeidsongevallenverzekeringen, ook deze van gemeenrechtelijke aard

GwH, nr. 144/2011, 22 september 2011

Prejudiciële vraag

Schendt artikel 579, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, in die interpretatie dat de arbeidsgerechten geen kennis kunnen nemen van geschillen met betrekking tot de toepassing van de arbeidsongevallenwetgeving (in het kader waarvan moet worden begrepen alle wettelijke reglementeringen krachtens welke vergoedingen voor arbeidsongevallen moeten worden toegekend) en geen kennis kunnen nemen van geschillen met betrekking tot de toepassing van een gemeenrechtelijke verzekeringsovereenkomst die, op grond van artikel 55 van bijlage 3 van het koninklijk besluit van 6 mei 1971, moet worden gesloten door de gemeentelijke overheid die vrijwillige brandweerlieden in haar dienst tewerkstelt en dezelfde waarborgen moet bieden als die waarin de wet van 3 juli 1967 voor de beroepsbrandweerlieden voorziet, de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, met dien verstande dat beide groepen van brandweerlieden (de vrijwilligers en het beroepspersoneel) zich onbetwistbaar bevinden in een vergelijkbare situatie, aangezien zij zijn blootgesteld aan dezelfde risico's op ongevallen, zelfs indien een belangrijk verschil bestaat tussen beide groepen in zoverre de vrijwillige brandweerlieden zijn onttrokken aan de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wanneer hun trimestriële bezoldiging niet meer bedraagt dan 785,95 euro (geïndexeerd bedrag) (situatie waarin de heer Dupont zich bevindt), terwijl de beroepsbrandweerlieden van hun kant zonder enige uitzondering zijn onderworpen aan het socialezekerheidsstelsel dat op de werknemers van de overheidssector van toepassing is ?

Het antwoord van het Hof

In zijn arrest nr. 94/2009 van 4 juni 2009 heeft het Hof geoordeeld : "In de interpretatie dat de arbeidsrechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen betreffende de vergoeding van schade voortkomende uit ongevallen die worden gedekt door een gemeenrechtelijke ongevallenverzekering voor cursisten in beroepsopleiding, schendt artikel 579, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet".

Te dezen gaat het echter niet meer erom de situatie van de werknemers en leerjongens van een onderneming, enerzijds, en die van cursisten in beroepsopleiding, anderzijds, met elkaar te vergelijken wat betreft de rechtbank die bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen tot vergoeding van schade wegens een arbeidsongeval, maar wel vast te stellen of hetzelfde verschil in behandeling dat bestaat tussen de beroepsbrandweerlieden, enerzijds, en de vrijwillige brandweerlieden die niet aan de sociale zekerheid zijn onderworpen, anderzijds, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de wijze waarop de schade wordt verzekerd, op basis respectievelijk van een gemeenrechtelijke ongevallenverzekering of van de voormelde wet van 3 juli 1967.

De aard van de ongevallen die aanleiding geven tot de vorderingen tot vergoeding van de daaruit voortvloeiende schade en de omvang van de waarborgen die door de verzekeraars moeten worden verstrekt, zijn identiek of soortgelijk. De loutere omstandigheid dat die waarborgen onderscheidenlijk door de overheid overeenkomstig artikel 16 van de voormelde wet van 3 juli 1967 dan wel in een gemeenrechtelijke verzekering zijn verstrekt, kan niet verantwoorden dat verschillende rechtbanken bevoegd zouden zijn om uitspraak te doen over die vorderingen.

De vertrouwdheid van de arbeidsrechtbanken met de geschillen inzake arbeidsongevallen, de specifieke samenstelling van die rechtscolleges en de procedurele bijzonderheden, waaronder de wijze waarop de zaak bij de rechtbank wordt ingeleid (artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek), de bijstand van en de vertegenwoordiging door een afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie (artikel 728, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek) en de mogelijkheid van advies van het arbeidsauditoraat (artikel 766 van het Gerechtelijk Wetboek), bieden bijkomende waarborgen, die niet mogen worden onthouden aan personen die zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden.

Bovendien zou de onderscheiden bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg en van de arbeidsrechtbank ertoe kunnen leiden dat eenzelfde arbeidsongeval waarbij zowel een vrijwillige brandweerman als een beroepsbrandweerman zijn betrokken, door onderscheiden rechtbanken zou moeten worden beoordeeld. Daaruit volgt dat de onderscheiden bevoegdheid van de arbeidsrechtbank en de rechtbank van eerste aanleg ter zake niet redelijk is verantwoord.

De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

18 juni 2011

Cassatierechtspraak in sociale zaken 2011 (eerste kwartaal)

Cass., S.10.0046.F, 3 januari 2011

arbeidswegongeval – publieke sector – toepassingsgebied – werking in de tijd

Artikel 23, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, bepaalt dat, onverminderd de verkregen rechten op renten en andere vergoedingen, noch de leden van een personeel waarop een koninklijk besluit de bij deze wet ingestelde regeling toepasselijk heeft verklaard, noch hun rechthebbenden, vanaf de inwerkingtreding van dat koninklijk besluit nog langer in aanmerking komen voor de wetsbepalingen inzake herstel van schade uit arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar of van het werk en beroepsziekten.

Die bepaling, die de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet alleen uitsluit wat betreft de verkregen rechten op de renten en andere vergoedingen, belet de onmiddellijke toepassing niet van een bepaling die deze renten en vergoedingen ten laste legt van een andere uitkeringsplichtige dan die welke deze onder vigeur van de oude wet verschuldigd was.

Cass., S.09.0102.N, 10 januari 2011

RSZ-wet – dienstbode – huishoudelijke arbeid – begrip inwoning

Krachtens artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt, wat de werknemers betreft die krachtens een arbeidsovereenkomst voor dienstboden, hoofdzakelijk te werk gesteld zijn aan huishoudelijke arbeid van lichamelijke aard voor de behoeften van de huishouding van de werkgever of van zijn gezin, de toepassing van de wet beperkt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, tot de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers, tot de regeling betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers en tot de regeling betreffende de arbeidsvoorziening en de werkloosheid.

Krachtens artikel 18 van voormeld koninklijk besluit, worden aan de toepassing van de wet onttrokken, de in artikel 5 bedoelde werknemers die niet bij hun werkgever inwonen, wanneer zij geen vier uren daags bij eenzelfde werkgever, noch vierentwintig uren per week bij één of verschillende werkgevers tewerkgesteld zijn, alsmede de werkgevers wegens de tewerkstelling van deze werknemers.

Het inwonen in de zin van voormeld artikel 18 veronderstelt niet noodzakelijk dat de dienstbode in dezelfde woning als zijn werkgever leeft.

Cass., S.10.0030.F, 31 januari 2011

Maatschappelijke integratie – leefloon – meerekenbaarheid inkomsten samenwoner – bevoegdheid Koning – wettigheid koninklijk besluit

En vertu de l’article 3, 4°, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l’intégration sociale, une personne peut bénéficier de ce droit si elle ne dispose pas de ressources suffisantes. L’article 14 de cette loi détermine le montant du revenu d’intégration par catégorie de bénéficiaires. En son paragraphe 2, il énonce que ce montant est diminué des ressources de l’assuré social.

Conformément à l’article 16, § 1er, alinéa 1er, deuxième phrase, de la loi, les ressources des personnes avec lesquelles l’assuré social cohabite peuvent être prises en considération dans les limites fixées par le Roi par arrêté délibéré en conseil des ministres.

Cette disposition légale habilite le Roi à déterminer les cas dans lesquels les ressources des cohabitants de l’assuré social doivent être, peuvent être, ou ne sont pas prises en considération.

Tel est l’objet de l’article 34 de l’arrêté royal du 11 juillet 2002 portant règlement général en matière de droit à l’intégration sociale, dont le paragraphe 4 prévoit que, lorsque l’assuré social a droit à un revenu d’intégration visé à l’article 14, § 1er, alinéa 1er, 3°, de la loi, c’est-à-dire lorsqu’il vit avec une famille à sa charge, toutes les ressources du conjoint ou du partenaire de vie sont prises en considération.

En énonçant qu’en arrêtant cette disposition, qui « ne [prévoit] aucune exception ou latitude », le Roi a excédé les limites de l’habilitation qu’il puise dans l’article 16, § 1er, de la loi, lequel « prév[oit] une latitude dans […] la prise en considération des ressources des personnes avec lesquelles [l’assuré social] cohabite », et en décidant pour ce motif d’écarter l’application de

l’article 34, § 4, de l’arrêté royal et de ne pas prendre en considération les ressources de l’épouse du défendeur, l’arrêt viole l’article 16, § 1er, alinéa 1er, deuxième phrase, de la loi du 26 mai 2002.

Cass., S.10.0052.F, 31 januari 2011

RSZ-wet – deeltijdse arbeid – vermoeden van voltijdse arbeid – tegenbewijs

Arbeidsovereenkomst – interpretatie - bewijskracht

Aux termes de l’article 22ter de la loi du 27 juin 1969 révisant l’arrêtéloi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, tel qu’il était applicable au litige, sauf preuve contraire apportée par l’employeur, les travailleurs à temps partiel seront présumés, à défaut d’inscription dans les documents visés aux articles 160, 162, 163 et 165 de la loi-programme du 22 décembre 1989 ou d’utilisation des appareils visés à l’article 164 de la même loi, avoir effectué leur travail effectif normal conformément aux horaires de travail normaux des travailleurs concernés qui ont fait l’objet de mesures de publicité visées aux articles 157 à 159 de cette même loi. A défaut de publicité des horaires de travail normaux des travailleurs concernés, les travailleurs à temps partiel seront présumés avoir effectué leurs prestations dans le cadre d’un contrat de travail en qualité de travailleurs à temps plein.

La preuve contraire de la présomption que lesdits travailleurs ont effectué leurs prestations dans le cadre d’un contrat de travail à temps plein doit être apportée par l’employeur. Cette preuve contraire consiste à démontrer que les travailleurs à temps partiel n’ont pas effectué de prestations à temps plein dans le cadre d’un contrat de travail à temps plein.

L’arrêt relève qu’« aucun règlement de travail, contrat de travail ou extrait du contrat de travail constatant les horaires de travail n’a pu être présenté à l’inspecteur social », que « les travailleuses ne pointaient pas », que « le 9 mars 2004, un administrateur délégué de [la demanderesse] a déclaré qu’il n’y avait pas d’exemplaire des contrats de travail dans les grands magasins, et qu’il n’y avait pas non plus d’horaire pour une des travailleuses, laquelle avait des horaires variables », que « le 25 septembre 2006, [la demanderesse] a signé [les] déclarations complémentaires pour accord », que, « par une lettre de son avocat du 3 avril 2007, [la demanderesse] a transmis [au défendeur] une copie de contrats de travail des trois travailleuses, ces contrats [étant] datés respectivement du 1er mars 1999 (avec un avenant du 1er mars 2004), du 25 avril 2002 et du 29 avril 2002 » et qu’ « en appel, [la demanderesse] dépose les comptes individuels des travailleuses ».

Il énonce, sans être critiqué, que la demanderesse n’a pas respecté les mesures de publicité prescrites, en cas de travail à temps partiel suivant des horaires fixes, et que les trois travailleuses sont, par conséquent, présumées avoir travaillé à temps plein.

Il considère que « même si la présomption vaut jusqu’à la preuve contraire, les contrats de travail produits après le contrôle, et les comptes individuels ne suffisent pas à prouver le contraire. En effet, les contrats de travail ont pu être établis après le contrôle et antidatés. Quant aux déclarations de l’employeur au secrétariat social puis [au défendeur], elles peuvent être inexactes. Les trois travailleuses ont pu, comme l’expose [le défendeur], avoir été occupées au travail à temps plein et continuer à travailler après 9 heures, ou bien dans les grands magasins où elles ont été trouvées au travail avant 9 heures, ou bien en d’autres lieux, tout en n’étant déclarées que pour quelques heures de prestations par jour ». L’arrêt considère ainsi, de manière certaine, sans méconnaître ni les règles relatives à la charge de la preuve ni l’article 22ter précité, que la demanderesse ne prouve pas que les travailleuses concernées n’effectuaient pas des prestations de travail à temps plein dans le cadre d’un contrat de travail à temps plein.

En énonçant que les contrats de travail ont pu être établis après le contrôle et antidatés, l’arrêt ne donne pas de ceux-ci une interprétation inconciliable avec leurs termes et ne viole dès lors pas la foi qui leur est due. En n’y voyant pas une preuve de l’occupation à temps partiel des travailleuses, il ne refuse pas de donner à ces contrats les effets qu’ils ont légalement à l’égard des tiers et, partant, ne viole pas l’article 1165 du Code civil.

L’arrêt ne déclare pas que les éléments de preuve contraire avancés par la demanderesse sont des faux mais qu’ils n’offrent pas une vraisemblance suffisante pour renverser la présomption instituée par l’article 22ter précité. Il ne peut dès lors violer les règles relatives à la procédure d’inscription de faux. Enfin, l’arrêt, qui était tenu d’appliquer l’article 22ter précité, n’a pas élevé une contestation que les conclusions des parties excluaient en constatant que les éléments de preuve apportés par la demanderesse ne permettaient pas le renversement de la présomption légale.

Cass., S.10.0056.N, 7 februari 2011

RSZ-wet - deeltijdse arbeid – vermoeden van voltijdse arbeid – weerlegbaar karakter

Krachtens artikel 1352, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, ontslaat het wettelijk vermoeden degene in wiens voordeel het bestaat, van ieder bewijs. Krachtens artikel 1352, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, wordt geen bewijs tegen het wettelijk vermoeden toegelaten, wanneer de wet, op grond van dit vermoeden, bepaalde handelingen nietig verklaart of de rechtsvordering ontzegt, tenzij de wet het tegenbewijs heeft vrijgelaten.

Krachtens artikel 22ter, tweede lid, RSZ-wet, zoals vervangen bij artikel 8 van de Programmawet van 27 december 2004, worden behoudens in de door de sociale inspectiediensten vastgestelde gevallen van materiële onmogelijkheid om voltijdse arbeid te verrichten, bij ontstentenis van openbaarmaking van de normale werkroosters van de betrokken werknemers, de deeltijdse werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor arbeid als voltijds werknemer.

Die bepaling die de aard van het vermoeden niet kwalificeert, kan alleen zo worden gelezen dat het ingevoerde vermoeden dat door de deeltijdse werknemers voltijds arbeid werd verricht, wanneer geen normale werkroosters werden bekendgemaakt, niet geldt wanneer door de sociale inspectiediensten is vastgesteld dat het materieel onmogelijk is om voltijdse arbeid te verrichten.

Hieruit volgt dat, waar voormeld artikel 22ter, tweede lid, niet vermeldt dat het vermoeden onweerlegbaar is en de wet op grond van dit vermoeden geen bepaalde handeling nietig verklaart of een rechtsvordering ontzegt, dit wettelijk vermoeden als weerlegbaar moet worden beschouwd, ongeacht de bewoordingen van de memorie van toelichting bij het wetsontwerp, die aan deze wetsbepaling geen draagwijdte kan geven die met de wettekst zelf niet overeenstemt.

Cass., C.10.0520.N, 21 februari 2011

arbeidsongeval – subrogatie verzekeraar t.a.v derde aansprakelijke - omvang

Op grond van artikel 47 Arbeidsongevallenwet treedt de arbeidsongevallenverzekeraar die aan de getroffene of zijn rechthebbenden de wettelijk bepaalde vergoedingen heeft betaald, tot beloop van het betaalde bedrag in de rechten die de getroffene of zijn rechthebbenden hadden kunnen laten gelden tegen de aansprakelijke op grond van het gemene recht.

Dit houdt in dat de arbeidsongevallenverzekeraar die aan de getroffene de wettelijke vergoedingen heeft betaald wegens tijdelijke of blijvende, gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, van de aansprakelijke de betaling kan vorderen van het bedrag van die vergoedingen, met inbegrip van de daarop rustende lasten, tot beloop van de gemeenrechtelijke vergoeding die de getroffene had kunnen verkrijgen voor dezelfde schade. Die gemeenrechtelijke vergoeding mag alleen op basis van het brutoloon berekend worden indien de rechter vaststelt dat de lasten die erop zouden rusten, overeenstemmen met de lasten op het loon dat het slachtoffer ingevolge het ongeval heeft moeten derven.

Door op deze gronden aan de verweerster een vergoeding toe te kennen berekend op basis van het brutoloon, zonder vast te stellen dat de fiscale en sociale lasten op de gemeenrechtelijke vergoeding overeenstemmen met de lasten, niet op de arbeidsongevallenvergoeding, maar op het loon dat het slachtoffer ingevolge het ongeval heeft moeten derven, schenden de appelrechters de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen.

Cass., S.09.0089.F, 14 maart 2011

Werkloosheid – verboden arbeid – terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkeringen

Aux termes de l’article 169, alinéa 1er, de l’arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, toute somme perçue indûment doit être remboursée.

En vertu de l’article 7, § 13, alinéa 2, de l’arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, le droit de l’Office national de l’Emploi, en l’espèce le défendeur, d’ordonner la répétition des allocations de chômage payées indûment se prescrit par trois ans. Suivant l’article 7, § 13, alinéa 3, ce délai de prescription prend cours, en règle, le premier jour du trimestre civil suivant celui au cours duquel le paiement a été effectué.

Il résulte des articles 44 et 45, alinéa 1er, 1°, de l’arrêté royal, que, pour bénéficier des allocations de chômage, l’assuré social ne peut exercer pour son propre compte une activité qui peut être intégrée dans le courant des échanges économiques de biens et de services et qui n’est pas limitée à la gestion normale des biens propres.

Lorsque l’indu découle d’une activité exercée par l’assuré social en violation des articles 44 et 45, alinéa 1er, 1°, le droit du défendeur d’ordonner la répétition des allocations de chômage payées indûment n’est pas soumis à la condition que le défendeur constate les revenus produits par cette activité.

L’arrêt attaqué constate que, par un arrêt du 8 février 2006, la cour du travail a décidé que, du 1er septembre 2001 au 1er septembre 2002, le demandeur ne satisfaisait pas au prescrit des articles 44 et 45, alinéa 1er, 1°, et qu’il ne pouvait, dès lors, pas prétendre aux allocations de chômage pour cette période.

En considérant que la détention par le défendeur des avertissementsextraits de rôle relatifs aux revenus du demandeur pour les périodes concernées est une condition pour que la prescription commence à courir, l’arrêt ne justifie pas légalement sa décision que le droit du défendeur d’ordonner la répétition des allocations de chômage payées indûment n’était pas prescrit à la date du 27 juin 2006.

Cass., S.10.0067.F, 28 maart 2011

arbeidsongeval – plotselinge gebeurtenis – gewone dagtaak (uitvoering arbeidsovereenkomst)

Un accident du travail requiert notamment l'existence d'un événement soudain causant une lésion.

L'exercice habituel et normal de la tâche journalière peut être un événement soudain, à la condition que, dans cet exercice, puisse être décelé un élément qui a pu produire la lésion ; il n'est toutefois pas exigé que cet élément se distingue de l'exécution du contrat de travail.

Après avoir constaté que l’auteur des demanderesses a ressenti un malaise cardiaque après s’être fait intercepter fermement, menotter et mettre à genoux par les élèves de l’académie de police lors d’un exercice d’entraînement, l'arrêt attaqué décide que ce geste ne constitue pas un événement soudain aux motifs qu’ « il est acquis qu’il n’a été soumis à aucun stress particulier engendré par l’exécution du travail ni n’a fourni aucun effort particulier de nature professionnelle pouvant constituer le facteur déterminant ou un facteur co-déterminant de la lésion diagnostiquée ».

En refusant d'admettre que l'action de s’être fait intercepter fermement, menotter et mettre à genoux par les élèves de l’académie de police lors d’un exercice d’entraînement pouvait, à elle seule, constituer l'élément qui a pu produire la lésion, l'arrêt viole la disposition visée au moyen.

Cass., S.10.0147.F, 28 maart 2011

Arbeidsovereenkomst – verjaring

Publieke sector – bestuurshandeling met individuele strekking - ontslag

L’article 15, alinéa 1er, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail dispose que les actions naissant du contrat sont prescrites un an après la cessation de celui-ci ou cinq ans après le fait qui a donné naissance à l’action, sans que ce dernier délai puisse excéder un an après la cessation du contrat.

Aux termes de l’article L 1561-2, 4°, du Code wallon de la démocratie locale et de la décentralisation, afin de fournir au public une information claire et objective sur l’action de l’intercommunale, tout document par lequel une décision ou un acte de portée individuelle émanant d’un de ses services est notifié à un requérant indique les voies éventuelles de recours, les instances compétentes pour en connaître ainsi que les formes et délais à respecter, faute de quoi le délai de prescription pour introduire le recours ne prend pas cours.

Cette disposition, qui ne concerne que d’éventuelles voies de recours, n’impose pas, s’agissant d’une décision mettant fin à un contrat de travail, l’indication sur celle-ci de l’action ouverte au tribunal du travail et du délai de prescription de cette action.

L’arrêt constate, d’une part, que, par lettre du 9 mai 2006, la demanderesse a licencié le défendeur avec effet au 15 mai 2006, d’autre part, que celui-ci a introduit par une citation du 27 juillet 2007 une action en réintégration et, subsidiairement, en paiement d’une indemnité pour licenciement abusif et de dommages-intérêts réparant des fautes alléguées dans la procédure de licenciement.

En disant cette action non prescrite au motif que « la lettre de congé ne mentionne que les modalités relatives au recours interne devant le conseil d’administration » et non « l’existence d’un recours contre la décision de licenciement devant la juridiction du travail, la forme et le délai à respecter pour introduire ce recours », l’arrêt viole les dispositions légales précitées .

27 november 2009

GwH over de subrogatievordering van de arbeidsongevallenverzekeraar in de publieke sector tegen de derde aansprakelijke bij een verkeersongeval


GwH, nr. 190/09, 26 november 2009

De prejudiciële vraag

Schendt artikel 14bis, § 3, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het de arbeidsongevallenverzekeraars van de in artikel 1 van die wet bedoelde rechtspersonen of instellingen, alsook van diegenen die in artikel 1bis bedoelde personeelscategorieën tewerkstellen niet toelaat om op dezelfde wijze als het slachtoffer of zijn rechthebbende een rechtsvordering te kunnen instellen tegen de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de gebruiker van het motorvoertuig en tegen het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds (bedoeld in artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen) en deze arbeidsongevallenverzekeraars niet vervangen worden in de rechten die het slachtoffer of zijn rechthebbenden bij niet-vergoeding overeenkomstig artikel 14bis, § 1, van voormelde wet van 3 juli 1967]hadden kunnen uitoefenen krachtens artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, terwijl de arbeidsongevallenverzekeraar in de privésector krachtens artikel 48ter van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 wel een rechtsvordering kan stellen tegen de verzekeringsonderneming die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, bestuurder of van de houder van het motorvoertuig of tegen het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds (bedoeld in artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen) krachtens artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorvoertuigen ?

Het antwoord van het Hof

Uit artikel 48ter van de wet van 10 april 1971 volgt dat de arbeidsongevallenverzekeraar van een privéwerkgever wordt gesubrogeerd in de rechten die het slachtoffer van een arbeidsongeval of zijn rechthebbenden, bij niet-vergoeding overeenkomstig de arbeidsongevallenregeling, hadden kunnen uitoefenen krachtens artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, en dat hij de door hem gedane uitkeringen en de ermee overeenstemmende kapitalen kan verhalen op de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de gebruiker van het desbetreffende motorrijtuig.

Volgens de in het geding zijnde bepaling worden enkel « de in artikel 1 bedoelde rechtspersonen of instellingen alsook degenen die de in artikel 1bis bedoelde personeelscategorieën tewerkstellen » gesubrogeerd in de rechten die het slachtoffer van een arbeidsongeval of zijn rechthebbenden, bij niet-vergoeding overeenkomstig de arbeidsongevallenregeling, hadden kunnen uitoefenen krachtens artikel 29bis van de wet van 21 november 1989. De « in artikel 1 bedoelde rechtspersonen of instellingen alsook degenen die de in artikel 1bis bedoelde personeelscategorieën tewerkstellen » betreffen de tewerkstellende overheidsbesturen die onder de toepassing vallen van de wet van 3 juli 1967. Vermits de in het geding zijnde bepaling geen melding maakt van de arbeidsongevallenverzekeraar van de overheid, komt de desbetreffende subrogatoire vordering niet toe aan die verzekeraar. Aldus roept die bepaling een verschil in behandeling in het leven tussen arbeidsongevallenverzekeraars, naargelang zij een privéwerkgever dan wel een publieke werkgever verzekeren.

De regeling van de arbeidsongevallen in de overheidssector heeft eigen kenmerken. Zo heeft het slachtoffer van een arbeidsongeval in het stelsel van de wet van 3 juli 1967 als schuldenaar de overheid die hem tewerkstelde op het ogenblik van het ongeval. Die overheid kan zich verzekeren om dat risico te dekken, maar zelfs in dat geval heeft het slachtoffer geen rechtstreekse vordering op de arbeidsongevallenverzekeraar van de overheid waarvan hij afhangt. Dat de overheid de schuldenaar van de arbeidsongevallenvergoedingen is, blijkt niet alleen uit artikel 14bis, § 1, maar ook uit artikel 16 van de wet van 3 juli 1967, dat, sinds de vervanging ervan bij artikel 17 van de wet van 17 mei 2007 tot wijziging van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector en van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, bepaalt :
« De renten, bijslagen en vergoedingen toegekend aan de personeelsleden van de besturen, diensten of instellingen vermeld in artikel 1, 1°, 3° tot 7° en 10°, alsook aan de in artikel 1bis, 1° en 2°, bedoelde personen vallen ten laste van de Schatkist. Dit geldt eveneens voor de procedurekosten, behalve wanneer het gaat om een tergende en roekeloze eis.
De rechtspersonen vermeld in artikel 1, 2°, 8° en 9°, de korpsen van de lokale politie vermeld in artikel 1, 11°, alsook de instellingen vermeld in artikel 1bis, 3°, dragen de last van de renten, bijslagen en vergoedingen, toegekend aan hun personeelsleden met toepassing van deze wet. Dit geldt eveneens voor de procedurekosten, behalve wanneer het gaat om een tergende en roekeloze eis. De Koning legt daartoe, indien nodig, de verplichting op een verzekering aan te gaan. In dat geval kunnen zowel het slachtoffer als de herverzekeraar geen rechtsvordering tegen elkaar instellen ».

In tegenstelling tot de overheid is de arbeidsongevallenverzekeraar niet de schuldenaar van het slachtoffer van een arbeidsongeval in de overheidssector. Tussen het slachtoffer en de arbeidsongevallenverzekeraar bestaat geen rechtstreekse rechtsverhouding, terwijl zulks wel het geval is tussen het slachtoffer en de overheid die hem tewerkstelt.

In de voor de privésector geldende arbeidsongevallenregeling, vervat in de wet van 10 april 1971, is de werkgever verplicht een arbeidsongevallenverzekering aan te gaan bij een verzekeringsonderneming die aan bepaalde voorwaarden voldoet (artikel 49) en heeft het slachtoffer van een arbeidsongeval in beginsel die verzekeringsonderneming als schuldenaar (artikelen 46, § 2, en 73). In tegenstelling tot het in de overheidssector tewerkgesteld personeelslid, heeft het in de privésector tewerkgesteld personeelslid bijgevolg een rechtstreekse vordering op de arbeidsongevallenverzekeraar van zijn werkgever.

Een door de overheid gesloten arbeidsongevallenverzekering is een verzekering tot vergoeding van schade, in de zin van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst. Op grond van artikel 41 van die wet, wordt de verzekeraar door de betaling aan de verzekerde, te dezen het overheidsbestuur, gesubrogeerd in diens verhaalsrechten tegen de aansprakelijke derde, maar niet in diens verhaalsrechten tegen degene die gehouden is op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989.

Vermits het overheidsbestuur, op grond van artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967, wordt gesubrogeerd in de rechten van het slachtoffer ten aanzien van de verantwoordelijke voor het ongeval, wordt de arbeidsongevallenverzekeraar van het overheidsbestuur, ofschoon er tussen hem en het slachtoffer geen rechtstreekse rechtsverhouding bestaat, gesubrogeerd in de rechten van het slachtoffer of diens rechthebbenden ten aanzien van de derde die aansprakelijk is voor het ongeval.

Daaruit volgt dat het verschil in rechtspositie van beide categorieën van arbeidsongevallenverzekeraars het in het geding zijnde verschil in behandeling niet kan verantwoorden. Ermee rekening houdend dat de in artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 vervatte regeling is gebaseerd op de gedachte dat de erin bedoelde schade van zwakke weggebruikers moet worden toegerekend aan de collectiviteit van diegenen die, door het in het verkeer brengen van een motorrijtuig, bijdragen tot het verhoogde verkeersrisico, is het niet redelijk verantwoord dat de arbeidsongevallenverzekeraar van een publieke werkgever, in tegenstelling tot de arbeidsongevallenverzekeraar van een privéwerkgever, niet automatisch wordt gesubrogeerd in de rechten die het slachtoffer of zijn rechthebbenden hadden kunnen uitoefenen krachtens artikel 29bis van de wet van 21 november 1989.

In zoverre de in het geding zijnde bepaling niet erin voorziet dat de arbeidsongevallenverzekeraar van de in artikel 1 van de wet van 3 juli 1967 bedoelde rechtspersonen of instellingen, alsook van degenen die de in artikel 1bis bedoelde personeelscategorieën tewerkstellen, wordt gesubrogeerd in de rechten die het slachtoffer of zijn rechthebbenden bij niet-vergoeding overeenkomstig artikel 14bis, § 1, van de wet van 3 juli 1967 hadden kunnen uitoefenen krachtens artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 en evenmin dat die arbeidsongevallenverzekeraar wordt toegelaten om op dezelfde wijze als het slachtoffer of zijn rechthebbenden een rechtsvordering in te stellen tegen de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de houder van het motorrijtuig of tegen het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds, tot beloop van de gedane uitkeringen en de ermee overeenstemmende kapitalen, is zij niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Nu die leemte zich bevindt in de aan het Hof voorgelegde tekst, komt het de verwijzende rechter toe een einde te maken aan de door het Hof vastgestelde ongrondwettigheid, vermits die vaststelling is uitgedrukt in voldoende precieze en volledige bewoordingen om toe te laten dat de in het geding zijnde bepaling wordt toegepast met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

07 augustus 2009

Hoge hakken op het werk

door Koen Nevens

1. Een merkwaardig bericht vandaag (7 augustus 2009) in De Standaard: de Britse vakvereniging TUC zou hoge hakken op het werk willen verbieden. Hoge hakken maken de vrouw blijkbaar tot een lustobject en zijn dus vernederend. Vrouwen zouden zich volgens De Standaard verplicht voelen dergelijke schoeisel te dragen. Meteen werden enkele reacties geserveerd. Kersvers minister van binnenlandse zaken Turtelboom bijvoorbeeld: "Waar bemoeien ze zich mee?". Ook in Groot-Brittannië zelf hebben verschillende vrouwen reeds te kennen gegeven dat ze met zo'n verbod niet kunnen leven, onder het motto "Wearing high heels is a personal choice". Het verhaal doet me terugdenken aan een opiniestuk van Ivan Van de Cloot, econoom verbonden aan het Itinera Institute, waarin hij zich de vraag stelde of de overheid uiterlijke schoonheid moet subsidiëren. Daarin haalt hij de volgende 'harde' feiten aan:

"Mooie mensen verdienen meer dan minder mooie mensen. Hoe we dat weten? Uit hard economisch onderzoek gepubliceerd in the American Economic Review: mooie mensen blijken vijf procent meer te verdienen dan mensen met een gemiddeld uiterlijk . Het verschil in verloning tussen de ‘gemiddelde’ en lelijke mens is nog groter namelijk negen procent. Indien deze Amerikaanse resultaten ook opgaan voor België bedraagt de premie voor schoonheid ongeveer 1.600 euro terwijl het inkomensverlies voor de minder mooie medemens tot 2.900 euro per jaar zou oplopen."

En ook:

"De helft van de mannelijke gedelegeerd bestuurders (CEO) van de top 500 bedrijven in de Verenigde Staten bleken meer dan 7,5 cm langer te zijn dan de gemiddelde Amerikaanse man. 30% van hen meet zelfs meer dan 1m88 (tegen 3% van de totale bevolking). Meer algemeen blijkt dat per centimeter die een blanke man meer meet, hij 1,5% meerverdient. Een andere studie toont dat blanke vrouwen die aan obesitas lijden 17% minder per maand mee naar huis brengen. Opvallend is dat dit verschil niet bestond voor mannen."

Nadine Dorries, een Brits parlementslid voor de Conservatieve partij, die nochtans niet zo tuk is op het voorstel van de TUC, bevestigt op haar blog dat ze de extra centimeters van haar hakken broodnodig heeft om haar 'mannetje' te kunnen staan: "I'm 5ft 3in and need every inch of my Christian Louboutin heels to look my male colleagues in the eye," she said. "If high heels were banned in Westminster, no one would be able to find me."

2. Nog los van de vraag of vrouwen een sociale druk ervaren om hoge hakken te dragen, of vrouwen daardoor carrièrematig meer succes boeken, of dit eigenlijk wel aanvaardbaar is, en zo nee, wat we daar dan aan kunnen doen, moet toch weer worden vastgesteld dat de pers en degene van wie een reactie werd uitgelokt, een te ongenuanceerd beeld hebben of schetsen van het standpunt van de TUC. Zo schrijft deze vakbond in één van haar foldertjes:

"In many occupations, in particular where staff deal with the public, employers enforce a dress code that includes footwear. Sometimes this code prevents staff from wearing comfortable and sensible shoes and instead insists they wear slip-ons or inappropriate heels. This can apply particularly to women. Apart from being extremely sexist, these policies can lead to long-term foot problems. Safety representatives should ensure that dress codes do not prevent people from wearing comfortable, healthy footwear."

De TUC stoort zich dus vooral aan door de werkgever opgelegde dress codes, die geen rekening houden met het welzijn van de werknemer: een standpunt dat reeds een jaar oud is (zie bijvoorbeeld het persartikel van 14 augustus 2008 in de Telegraph). Op de blog van de vakvereniging wordt dit trouwens in de verf gezet:

"our current policy, which is based on reducing long-term foot problems, is that employers shouldn’t require workers to wear uncomfortable or dangerous footwear. This includes a number of big city institutions and upmarket shops who insist female staff who deal with the public wear slip-on shoes or high heels as part of a dress code."

Het gaat er dus niet meteen om om hoge hakken te bannen van de werkvloer, maar om de werkgevers te verbieden om het dragen van hakken aan de vrouwelijke werknemers op te leggen, uit gezondheidsoverwegingen. Het voorstel van de TUC dat wordt gedragen door de Society of Chiropodists and Podiatrists werd als volgt toegelicht:

"Feet bear the brunt of daily life, and for many workers prolonged standing, badly fitted footwear, and in particular high heels can be a hazard. Around two million days a year are lost through sickness as a result of lower limb disorders. Wearing high heels can cause long term foot problems, such as blisters, corns and calluses, and also serious foot, knee and back pain and damaged joints. Many employers in the retail sector force women workers to wear high heels as part of their dress code. More must be done to raise awareness of this problem so that women workers and their feet are protected".

3. Ook naar Belgisch recht zou men zich de vraag kunnen stellen of de werkgever het recht heeft een dress code op te leggen (en we hebben het dan niet over het verplicht dragen van werkkledij conform het KB van 6 juli 2004. De definitie die dit KB geeft aan werkkledij omvat trouwens niet het schoeisel. Veiligheidsschoenen zijn wel een persoonlijk beschermingsmiddel waarvan het gebruik opgelegd kan worden conform een KB van 13 juni 2005), en hoe ver hij daarin mag gaan zonder de privacy of de vrije meningsuiting van de werknemer te schenden. Men kan zich ook afvragen in welke mate de werkgever bezorgd moet zijn om het schoeisel, of minstens de voeten van zijn werknemers, gelet op de algemene werkgeversverplichting om maatregelen te treffen ter bevordering van het welzijn bij de uitvoering van het werk (art. 5 Welzijnswet). Bij de keuze van de werkkledij en persoonlijke beschermingsmiddelen moet alvast rekening worden gehouden met ergonomische aspecten.

Wanneer het dragen van hoge hakken op het werk, eventuele preventieve maatregelen ten spijt, toch aanleiding zou geven tot letsels kan worden gewaagd van een arbeidsongeval (bijvoorbeeld een plotse verzwikking van de enkel omdat een werkneemster een sprintje trekt in de gangen) of misschien zelfs een beroepsziekte (beschadigde gewrichten naar aanleiding van het langdurig dragen van hoge hakken). Het gaat hier dan natuurlijk niet om een erkende beroepsziekte, maar artikel 31 van de Beroepsziektewet laat wel toe schadeloosstelling te bekomen voor een ziekte die niet voorkomt op de lijst, en die op een determinerende en rechtstreekse wijze het gevolg is van de beroepsuitoefening. Het bewijs van het oorzakelijk verband tussen de ziekte en de blootstelling aan het beroepsrisico van deze ziekte valt echter ten laste van het slachtoffer: niet meteen een cadeau, wetende dat heel wat vrouwen ook buiten de werkuren hakken dragen.

31 juli 2009

Cassatierechtspraak in sociale zaken: juni 2009

Cass. S.08.0142.N, 8 juni 2009

Geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk – Ontslagverbod – Noodzaak van een voldoende gemotiveerde klacht

Krachtens artikel 32tredecies, §1, 1°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, mag de werkgever, behalve om redenen die vreemd zijn aan de klacht, de arbeidsverhouding niet beëindigen met de werknemer die op het vlak van de onderneming of instelling die hem tewerkstelt, overeenkomstig de vigerende procedures een met redenen omklede klacht heeft ingediend. Ook voor de inwerkingtreding van artikel 27 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 betreffende de voorkoming van de psychosociale belasting veroorzaakt door het werk, waaronder geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, diende de voormelde met redenen omklede klacht van de werknemer voldoende duidelijk de omschrijving te geven van de als geweld, pesterij of seksueel gedrag ingeroepen feiten, met vermelding van de identiteit van de aangeklaagde dader en van het ogenblik en de plaats waar deze feiten zich hebben voorgedaan.
Deze toen reeds bestaande verplichting tot duidelijke omschrijving van de ingeroepen feiten wordt verantwoord door de omstandigheid dat overeenkomstig artikel 32tredecies, §2, van de voormelde wet, de bewijslast van de in paragraaf 1 van dit artikel bedoelde redenen die vreemd zijn aan de klacht van de werknemer, bij de werkgever berust.

De appelrechters oordelen dat:
- de voormelde aangetekende brief bij gebreke van afdoende motivering niet kan worden aangezien als een met redenen omklede klacht, zoals bedoeld in voormeld artikel 32tredecies, §1, 1°, omdat in die brief zelf niet de elementen kunnen worden teruggevonden die het de preventieadviseur mogelijk moeten maken zich een beeld te vormen omtrent de feiten die door de klager als pestgedrag werden ervaren en die het hem ook mogelijk moet maken de werkgever in te lichten en hem passende maatregelen voor te stellen om hieraan te verhelpen;
- de verwijzing in de brief naar de niet bijgevoegde opmerkingen bij het evaluatieformulier hieraan niet kan verhelpen;
- ten overvloede, de zeer uitvoerige opmerkingen van de eiser op zijn evaluatieverslag evenmin verduidelijken wat hij precies als pestgedrag heeft ervaren en wenst aan te klagen.

Op grond hiervan vermochten de appelrechters te oordelen dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door verweerder, met opzegging op 25 juni 2003 en met onmiddellijke ingang op 30 juni 2003, met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding, niet in strijd was met voormeld artikel 32tredecies, §1, 1°, van de Wet Welzijn Werknemer en de vordering tot veroordeling tot betaling van de "forfaitaire vergoeding ontslagbescherming na klacht wegens pesten" af te wijzen.

Cass. C.08.0568.N, 8 juni 2009

Arbeidsovereenkomst – Aansprakelijkheid werknemer – Eigen fout van de werknemer

Krachtens artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet, is de werknemer in geval hij bij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst de werkgever of derden schade berokkent, enkel aansprakelijk voor zijn bedrog of zijn zware schuld. Voor lichte schuld is hij enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt. Deze bepaling beperkt de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de werknemer wanneer hij bij de uitvoering van zijn arbeid schade berokkent aan zijn werkgever of aan derden. Zij is niet van toepassing ingeval een werknemer zichzelf schade berokkent.

Wanneer de schade veroorzaakt is door samenlopende fouten, waaronder deze van de getroffene, mag degene die de schade heeft veroorzaakt niet tot de volledige vergoeding van de schade ten aanzien van de getroffene worden veroordeeld. Voor het bepalen van de desgevallend gedeelde aansprakelijkheid van een derde voor de schade geleden door een werknemer, dient derhalve de fout van die werknemer in aanmerking te worden genomen.

Cass. S.08.0130.F, 15 juni 2009

Conventioneel brugpensioen - Inhouding

L'article 1er, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal n° 33 du 30 mars 1982 relatif à une retenue sur des indemnités d'invalidité et des prépensions dispose qu'une retenue de 3,5 p.c. est effectuée sur la prépension conventionnelle, dont la première partie vaut allocation de chômage et dont l'indemnité complémentaire est payée soit par l'employeur, soit par le fonds de sécurité d'existence dont relève l'employeur, soit par le Fonds d'indemnisation des travailleurs licenciés en cas de fermeture d'entreprises.
Cette indemnité complémentaire est l'indemnité visée par la convention collective de travail n° 17 conclue le 19 décembre 1974 au sein du Conseil national du travail instituant un régime d'indemnité complémentaire pour certains travailleurs âgés, en cas de licenciement, rendue obligatoire par l'arrêté royal du 16 janvier 1975, ou l'indemnité visée soit dans une convention collective de travail, soit dans un accord collectif approuvé par le ministre de l'Emploi et du Travail, pour autant qu'ils accordent des avantages au moins équivalents à ceux prévus par la convention collective de travail n° 17.
Après avoir constaté que l'indemnité complémentaire allouée au défendeur a été déterminée sur la base de la convention collective n°17, d'une convention collective de travail d'entreprise plus avantageuse, ainsi que d'une convention individuelle encore plus avantageuse pour le défendeur que les deux premières conventions, l'arrêt considère que les avantages octroyés par la convention collective d'entreprise, qui devraient en principe être inclus dans l'assiette servant de calcul pour les retenues, sont « aspirés » par l'accord individuel encore plus avantageux conclu entre le défendeur et son employeur.
En décidant, par ces motifs, que les avantages octroyés au défendeur par cette convention collective d'entreprise ne sont pas soumis à la retenue visée par l'article 1er, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal n° 33 du 30 mars 1982 précité, l'arrêt viole cette disposition.

Cass. P.08.1773.N, 30 juni 2009

Arbeidsongevallen – Publieke sector – Uitbetaling rente door (overheids)werkgever – Terugvordering van aansprakelijke derde

Het middel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, artikel 14, § 3, eerste lid, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel en artikel 41 Wet Landverzekeringsovereenkomst: de arbeidsongevallenrenten die de overheidswerkgever wegens de blijvende arbeidsongeschiktheid van een personeelslid moet betalen, kunnen als een eigen schade van die werkgever verhaald worden op de aansprakelijke derde op grond van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, daar uit geen enkele bepaling van de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel volgt dat die arbeidsongevallenrenten definitief ten laste moeten blijven van de overheidswerkgever in wiens rechten de eiseres is getreden.
Krachtens de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, is degene die door zijn schuld aan een ander schade berokkent, verplicht deze schade integraal te vergoeden. Dit impliceert dat de benadeelde teruggeplaatst wordt in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien die daad waarover hij zich beklaagt, niet was gesteld.
Krachtens artikel 14, § 2, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel, zijn de in artikel 1 bedoelde personen of instellingen verplicht de vergoedingen en renten die voortvloeien uit deze wet, te betalen. Krachtens artikel 14, § 3, eerste lid, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel, brengt de toepassing van het bepaalde in deze wet van rechtswege mee dat de hierboven bedoelde rechtspersonen of instellingen die de last van de rente dragen, in alle rechten, vorderingen en rechtsmiddelen treden welke het slachtoffer of zijn rechthebbenden overeenkomstig § 1 konden doen gelden tegen de persoon die verantwoordelijk is voor het arbeidsongeval of de beroepsziekte, en dit tot het bedrag van de renten en vergoedingen door deze wet bepaald en van het bedrag gelijk aan het kapitaal dat die renten vertegenwoordigt. Wanneer de overheid als werkgever wettelijk of reglementair verplicht is om zijn personeelslid een rente uit te keren wegens een blijvende arbeidsongeschiktheid te wijten aan de fout van een derde, dan is de betaling van die rente of het kapitaal dat daartoe is gevestigd, voor de schuldenaar van de rente geen scha-de in de zin van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek.

Cassatierechtspraak in sociale zaken: april en mei 2009

Cass. S.08.0002.F, 6 april 2009

Arbeidsongevallen – Publieke sector - Toepassingsgebied

Aux termes de l'article 2bis, alinéa 1er, de la loi du 3 juillet 1967 sur la prévention ou la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public, lorsque l'autorité désignée par le Roi pour recevoir les déclarations d'accident refuse de prendre en charge le cas d'un membre du personnel qui n'a pas la qualité d'agent définitif, ou qu'elle estime qu'il existe un doute quant à l'application de la loi à l'accident de ce membre du personnel, elle prévient, dans les trente jours de la réception de la déclaration, la victime ou son ayant droit et l'organisme assureur auquel la victime est affiliée ou auprès duquel elle est inscrite conformément à la législation sur l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité.

Cette disposition, qui impose à l'autorité d'avertir l'organisme assureur notamment en cas de refus, quel qu'en soit le motif, de prendre un cas en charge, est applicable aussi bien lorsque l'autorité est avertie de la survenance de l'accident que lorsqu'elle est informée de l'existence, après la reprise du travail, d'une nouvelle incapacité de travail que le travailleur attribue à l'accident. Partant, l'arrêt, qui décide que la demande de la demanderesse d'obtenir de la défenderesse le remboursement des indemnités versées au membre du personnel n'est pas fondée, au motif que la défenderesse n'a l'obligation d'avertir l'organisme assureur que dans « l'hypothèse où elle reçoit la déclaration d'accident du travail », viole l'article 2bis précité.

Cass. S.08.0080.N, 4 mei 2009

Kinderbijslag werknemers – Bijslagtrekkende – Aanduiding door arbeidsrechtbank

Krachtens artikel 69, §1, derde lid, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, hierna Kinderbijslagwet Werknemers, wordt de kinderbijslag integraal aan de moeder uitbetaald, wanneer de twee ouders die niet samenwonen het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen in de zin van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek en het kind niet uitsluitend of hoofdzakelijk door een andere bijslagtrekkende wordt opgevoed. Toch wordt de kinderbijslag op zijn vraag integraal aan de vader uitbetaald, wanneer het kind en hijzelf dezelfde hoofdverblijfplaats hebben in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. Op verzoek van de beide ouders kan de uitbetaling gebeuren op een rekening waartoe zij beide toegang hebben. Wanneer de ouders niet overeenkomen over de toekenning van de kinderbijslag, kunnen zij de arbeidsrechtbank vragen om de bijslagtrekkende aan te duiden en dit in het belang van het kind.
Hieruit volgt dat elk van de beide ouders, wanneer zij niet overeenkomen met betrekking tot de verschillende hypothesen van het derde lid van voormeld artikel 69, §1, zich tot de arbeidsrechtbank kunnen wenden om de bijslagtrekkende te doen aanduiden in het belang van het kind. De arbeidsrechtbank beschikt bij deze aanduiding van de bijslagtrekkende over een beoordelingsbevoegdheid die haar toelaat, in het belang van het kind, de andere ouder aan te duiden dan diegene die uit de loutere toepassing van de voormelde wetsbepaling zou volgen.

Cass. S.07.0112.F, 11 mei 2009

Beroepsziekte – Tijdelijke of definitieve stopzetting van het werk – Recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering –Zwangerschap

Aux termes de l'article 37, § 1er, alinéa 1er, des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, sur avis du médecin désigné par le Roi, le Fonds peut, s'il le juge nécessaire, proposer à toute personne atteinte ou menacée par une maladie professionnelle de s'abstenir soit temporairement, soit définitivement, de toute activité qui puisse l'exposer encore aux risques de cette maladie et de cesser soit temporairement, soit définitivement, l'activité qu'elle exerce.
L'article 37, § 2, dans sa version applicable au litige, dispose, à l'alinéa 1er, que la personne qui accepte la proposition de cessation temporaire a droit aux indemnités d'incapacité temporaire totale de travail pendant la période de cessation temporaire qui peut débuter au plus tôt trois cent soixante-cinq jours avant la date de la demande ; il précise, à l'alinéa 2, que lorsqu'il s'agit de travailleuses enceintes, le droit aux allocations est limité à la période s'écoulant entre le début de la grossesse et le début des sept semaines préalables à la date présumée de l'accouchement.
Suivant l'article 1er de l'arrêté royal du 9 mars 1965 fixant les règles à suivre lors de la proposition de cessation du travail à faire aux personnes atteintes ou menacées par une maladie professionnelle, toute personne atteinte ou menacée par une maladie professionnelle, ou son mandataire, peut demander au Fonds des maladies professionnelles le bénéfice de l'article 37 précité ; après consultation de l'intéressé, la requête peut être introduite par les médecins-inspecteurs du travail chargés de la surveillance de l'application des dispositions légales et réglementaires relatives à la sécurité et à l'hygiène du travail ; les requêtes sont introduites par écrit et accompagnées d'un certificat médical.

En vertu de ces dispositions, lorsqu'une demande de cessation temporaire des activités est introduite alors que la travailleuse est enceinte, la grossesse a pour conséquence de limiter le droit aux allocations durant celle-ci à la période s'écoulant entre son début et le début des sept semaines qui précèdent la date présumée de l'accouchement. Par contre, il ne se déduit d'aucune des dispositions invoquées par le moyen que cette demande ne peut, à défaut d'avoir été renouvelée après l'accouchement, entraîner le paiement des indemnités d'incapacité temporaire totale de travail au-delà de la période précitée.


Cass. S.08.0095.F, 11 mei 2009

Zelfstandige – Ziekte en invaliditeit – Beoordeling invaliditeit – Tijdstip – Geen retroactieve werking

En vertu de l'article 7, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants, la période d'invalidité prend cours lorsque la période d'incapacité primaire indemnisable est révolue.
L'article 62 du même arrêté prévoit que les décisions au sujet de l'incapacité de travail au cours de la période d'invalidité sont régies par les dispositions qui concernent la même matière dans le régime des indemnités organisé par la loi du 9 août 1963 et notamment par les articles 51 et 52 de ladite loi et par le chapitre III de l'arrêté royal du 4 novembre 1963.
En vertu de l'article 94, alinéa 1er, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, le conseil médical de l'invalidité constate, sur la base d'un rapport établi par le médecin-conseil de l'organisme assureur, l'état d'invalidité et en fixe la durée.
Aux termes de l'article 95, alinéa 1er, de cette loi, le Roi fixe des indemnités relatives à la reconnaissance et à la prolongation de l'état d'invalidité.
En exécution de cette disposition légale, l'article 177, § 1er, 1°, alinéa 2, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 prévoit que les décisions du conseil médical de l'invalidité sur la reconnaissance d'invalidité sont prises, au vu du rapport du médecin-conseil, dans les quatre dernières semaines de la période d'incapacité primaire.
En son paragraphe 2, alinéa 2, cet article dispose que les rapports visés notamment au paragraphe 1er, 1°, doivent parvenir à la commission supérieure du conseil médical au plus tard quatre semaines avant la date limite à laquelle la décision, sur la base de ces rapports, doit intervenir.
La décision sur la reconnaissance de l'état d'invalidité devant être prise avant le début de la période de l'invalidité, il est inconciliable avec ladite réglementation que la reconnaissance soit refusée avec effet rétroactif après l'expiration de la période d'incapacité de travail primaire.
La décision du conseil médical de l'invalidité prise en violation desdites dispositions ne peut, dès lors, avoir pour effet que l'état d'invalidité ne soit pas reconnu pour la période précédant la décision.

Cass. S.08.0216.F, 11 mei 2009

Gehandicapten – Integratie-uitkering –Tussenkomst in kosten – Gedekte kosten

L'article 29 de l'arrêté du collège de la Commission communautaire française du 25 février 2000 relatif aux dispositions individuelles d'intégration sociale et professionnelle des personnes handicapées mises en œuvre par le service bruxellois francophone des personnes handicapées dispose que, dans les limites budgétaires, une intervention peut être accordée aux personnes handicapées dans le coût d'aides individuelles à l'intégration dans les cas et aux conditions prévues à l'annexe 1. L'article 5.1, g), de cette annexe prévoit que les accessoires de voiturette ne sont accordés que s'ils ne sont pas codifiés et qu'ils consistent à servir soit en tant qu'éclairage, porte-appareil indispensable à la personne (canne, respirateur, ...), fixation-taxi ou en tant que chauffage pour les mains. En vertu de l'article 29bis, alinéa 1er, du même arrêté, pour les cas non prévus à l'annexe 1 et dans les limites budgétaires, l'équipe pluridisciplinaire est compétente pour déterminer si l'intervention demandée répond aux conditions générales du décret du 4 mars 1999 de l'assemblée de la Commission communautaire française et de l'arrêté et si elle est nécessaire et indispensable à l'intégration sociale et professionnelle. Contrairement à ce que soutient la demanderesse, les cas non prévus à l'annexe 1, visés à l'article 29bis, alinéa 1er, de l'arrêté précité, ne se limitent pas à ceux où l'intervention n'a pas été envisagée au moment de l'élaboration de cette annexe parce que l'équipement concerné n'était pas connu de l'administration mais ils comprennent tous les accessoires de voiturette qui ne sont pas énumérés à l'article 5.1, g), de ladite annexe 1.
L'arrêt, qui constate que les accessoires litigieux ne sont pas repris à l'article 5.1, g), de l'annexe 1 de l'arrêté du 25 février 2000, ne viole aucune des dispositions légales visées au moyen en appliquant, pour dire la demande fondée, l'article 29bis de cet arrêté.

Cass. S.08.0082.F, 25 mei 2009

Arbeidsrelatie – Kwalificatie – Elementen die wijzen op een arbeidsovereenkomst

Lorsque les éléments soumis à son appréciation permettent d'exclure la qualification donnée par les parties à la convention qu'elles ont conclue, le juge du fond peut y substituer une qualification différente. Pour écarter la qualification de contrat d'entreprise que la demanderesse et la défenderesse ont donnée à leur convention et retenir l'existence d'un lien de subordination, l'arrêt se fonde sur la manière dont le contrat a été exécuté et, en particulier, sur les éléments de fait suivants : 1°) l'exercice par la demanderesse du pouvoir de donner des ordres à la défenderesse en ce qui concerne les horaires des prestations, spécialement celles du samedi en vue d'assurer les permanences, la rédaction d'un compte rendu précis des tâches et du temps imparti quotidiennement à leur réalisation, la production d'un certificat médical lors d'une incapacité de travail, l'assistance obligatoire à des formations et, en cas d'impossibilité d'y être présente, l'obtention de l'accord du responsable du service ; 2°) l'exercice par la demanderesse de son pouvoir de surveillance de l'activité de la défenderesse en obligeant celle-ci à compléter un « registre de présence » détaillé mentionnant l'heure d'arrivée et de fin des prestations, la durée de la pause à midi, le nombre d'heures prestées et le temps presté en plus ou en moins, et à remplir des « feuilles d'emploi du temps ».
L'arrêt décide ainsi légalement que ces parties étaient liées par un contrat de travail.

Sur la base de la constatation que la demanderesse a imposé unilatéralement à la défenderesse de compléter des feuilles de contrôle de son temps de travail à partir du mois de mars 1997, l'arrêt a pu légalement décider que la qualification donnée par les parties à leur convention ne correspondait plus à l'exécution qui en était faite depuis ce moment.