Posts tonen met het label arbeidsgerechten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label arbeidsgerechten. Alle posts tonen

22 september 2011

Grondwettelijk Hof vindt arbeidsrechtbanken de natuurlijke rechter inzake arbeidsongevallenverzekeringen, ook deze van gemeenrechtelijke aard

GwH, nr. 144/2011, 22 september 2011

Prejudiciële vraag

Schendt artikel 579, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, in die interpretatie dat de arbeidsgerechten geen kennis kunnen nemen van geschillen met betrekking tot de toepassing van de arbeidsongevallenwetgeving (in het kader waarvan moet worden begrepen alle wettelijke reglementeringen krachtens welke vergoedingen voor arbeidsongevallen moeten worden toegekend) en geen kennis kunnen nemen van geschillen met betrekking tot de toepassing van een gemeenrechtelijke verzekeringsovereenkomst die, op grond van artikel 55 van bijlage 3 van het koninklijk besluit van 6 mei 1971, moet worden gesloten door de gemeentelijke overheid die vrijwillige brandweerlieden in haar dienst tewerkstelt en dezelfde waarborgen moet bieden als die waarin de wet van 3 juli 1967 voor de beroepsbrandweerlieden voorziet, de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, met dien verstande dat beide groepen van brandweerlieden (de vrijwilligers en het beroepspersoneel) zich onbetwistbaar bevinden in een vergelijkbare situatie, aangezien zij zijn blootgesteld aan dezelfde risico's op ongevallen, zelfs indien een belangrijk verschil bestaat tussen beide groepen in zoverre de vrijwillige brandweerlieden zijn onttrokken aan de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wanneer hun trimestriële bezoldiging niet meer bedraagt dan 785,95 euro (geïndexeerd bedrag) (situatie waarin de heer Dupont zich bevindt), terwijl de beroepsbrandweerlieden van hun kant zonder enige uitzondering zijn onderworpen aan het socialezekerheidsstelsel dat op de werknemers van de overheidssector van toepassing is ?

Het antwoord van het Hof

In zijn arrest nr. 94/2009 van 4 juni 2009 heeft het Hof geoordeeld : "In de interpretatie dat de arbeidsrechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen betreffende de vergoeding van schade voortkomende uit ongevallen die worden gedekt door een gemeenrechtelijke ongevallenverzekering voor cursisten in beroepsopleiding, schendt artikel 579, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet".

Te dezen gaat het echter niet meer erom de situatie van de werknemers en leerjongens van een onderneming, enerzijds, en die van cursisten in beroepsopleiding, anderzijds, met elkaar te vergelijken wat betreft de rechtbank die bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen tot vergoeding van schade wegens een arbeidsongeval, maar wel vast te stellen of hetzelfde verschil in behandeling dat bestaat tussen de beroepsbrandweerlieden, enerzijds, en de vrijwillige brandweerlieden die niet aan de sociale zekerheid zijn onderworpen, anderzijds, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de wijze waarop de schade wordt verzekerd, op basis respectievelijk van een gemeenrechtelijke ongevallenverzekering of van de voormelde wet van 3 juli 1967.

De aard van de ongevallen die aanleiding geven tot de vorderingen tot vergoeding van de daaruit voortvloeiende schade en de omvang van de waarborgen die door de verzekeraars moeten worden verstrekt, zijn identiek of soortgelijk. De loutere omstandigheid dat die waarborgen onderscheidenlijk door de overheid overeenkomstig artikel 16 van de voormelde wet van 3 juli 1967 dan wel in een gemeenrechtelijke verzekering zijn verstrekt, kan niet verantwoorden dat verschillende rechtbanken bevoegd zouden zijn om uitspraak te doen over die vorderingen.

De vertrouwdheid van de arbeidsrechtbanken met de geschillen inzake arbeidsongevallen, de specifieke samenstelling van die rechtscolleges en de procedurele bijzonderheden, waaronder de wijze waarop de zaak bij de rechtbank wordt ingeleid (artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek), de bijstand van en de vertegenwoordiging door een afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie (artikel 728, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek) en de mogelijkheid van advies van het arbeidsauditoraat (artikel 766 van het Gerechtelijk Wetboek), bieden bijkomende waarborgen, die niet mogen worden onthouden aan personen die zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden.

Bovendien zou de onderscheiden bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg en van de arbeidsrechtbank ertoe kunnen leiden dat eenzelfde arbeidsongeval waarbij zowel een vrijwillige brandweerman als een beroepsbrandweerman zijn betrokken, door onderscheiden rechtbanken zou moeten worden beoordeeld. Daaruit volgt dat de onderscheiden bevoegdheid van de arbeidsrechtbank en de rechtbank van eerste aanleg ter zake niet redelijk is verantwoord.

De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

24 maart 2010

Ook Belgische Vereniging voor Arbeidsverhoudingen neemt standpunt in over hervorming Justitie

De Belgische Vereniging voor Arbeidsverhoudingen (vzw BVVA) bestaat uit academici, vertegenwoordigers van de sociale partners, ambtenaren van de departementen van arbeid, sociaal overleg en sociale zaken, advocaten en magistraten. Ze vraagt dat men een consequente lijn zou aanhouden bij de hertekening van het gerechtelijk landschap. De enige weg om justitie goed te hervormen vertrekt vanuit de rechtzoekende.

Minister van Justitie De Clerck werkt reeds enkele maanden aan de reorganisatie van het gerechtelijk landschap. Hij wil de rechtbanken een eigen beheer geven. Daardoor zouden de rechtbanken ter plaatse kunnen beslissen over de materiële organisatie en moet dit niet meer volledig vanuit Brussel gebeuren. Om dit efficiënt te kunnen managen zijn er minder rechtbanken nodig. Schaalvergroting, zeg maar: de huidige arrondissementen worden in het voorstel herleid van 27 tot 16.

Om het beheer in die grotere arrondissementen vlot te laten verlopen, wil de minister daar telkens een magistraat-manager benoemen. We steunen de minister in deze opties. Indien nodig, mag hij nog ruimer territoriaal vergroten; maar rechtbanken die door hun grootte nu al moeilijk beheersbaar zijn, zoals in Brussel, kunnen beter verkleind worden. Justitie op maat.

Welke maat? Dat is gemakkelijk te beantwoorden: op maat van de rechtzoekende, die een plaats zoekt binnen nieuwe maatschappelijke uitdagingen.

De emancipatie van de hedendaagse­ mens noodzaakt hem meer en meer individuele keuzes te maken, terwijl de samenleving anderzijds globaliseert. De bevolking ervaart en ondergaat de spanningen in onze maatschappij aan en vraagt om juiste beslissingen.

Slachtoffers eisen hun rechten. Een juist strafrecht kan evenwel niet zonder eerbied voor de rechten van verdediging en een eerlijk onderzoek ten laste, maar ook ten ontlaste. Nadien moet de uitvoering van de straf volgen en daar kraakt het de laatste maanden. Een goede justitie moet de spanningen die daardoor ontstaan, opvangen.

Op alle maatschappelijke terreinen vraagt de burger een juiste oplossing, die alleen door deskundige personen kan worden bijgebracht. Ook binnen de rechtswereld voelt men meer en meer de nood aan specialisatie aan. Er is dan ook behoefte aan onafhankelijke gespecialiseerde rechtbanken. Dat vraagt een goede organisatie: de juiste rechter op de juiste plaats. Dat is niet zo eenvoudig. Hierbij spreken we niet meer over het beheer en het management van de materiële middelen, maar over de jurisdictionele organisatie.

Sommige rechtbanken zijn te klein, zodat rechters daar alles behoren te kennen en zich niet voldoende kunnen specialiseren. In een groter territoriaal geheel kan je specifieke materies toebedelen aan gespecialiseerde rechters, wat neerkomt op een specialisatie binnen het eigen rechtsdomein. Dit geldt zowel voor domeinen van burgerlijk recht als van strafrecht. Ook daarvoor is de territoriale schaalvergroting een goede zaak.

In de huidige structuur bestaat er reeds een stuk specialisatie volgens de rechtstakken. De rechtbanken van koophandel behandelen het handelsrecht, de arbeidsrechtbanken staan in voor het arbeidsrecht en het socialezekerheidsrecht. Lokale problemen worden behandeld door vrederechters en politierechters.

In een eerste plan wilde de minister al die rechtbanken samensmelten in een zogenaamde eenheidsrechtbank. Vanuit de vrede- en politierechters werd hiertegen gereageerd. De nabijheid bij de concrete problemen van de burger was voor hen essentieel en dat kon in een samensmelting binnen grotere eenheden verloren gaan.

In een unaniem advies van de Nationale Arbeidsraad hebben werkgevers- en werknemersorganisaties erop gewezen dat er bij de voorgestelde samensmelting te weinig aandacht was voor de specialisatie en eigenheid van de arbeidsrechtbanken. Door de mogelijkheid om rechters te verplaatsen tussen de verschillende afdelingen van de zgn. eenheidsrechtbanken, dreigen de specialiteit en de eigenheid van de arbeidsgerechten te verwateren.

De arbeidsrechtbanken zorgen immers voor een soepele toegang voor de rechtzoekende tot de rechtbank; zijn socialezekerheidsdossier wordt voorbereid door het arbeidsauditoraat, dat tevens een deskundig en onafhankelijk advies aan de rechter verleent. De arbeidsrechtbanken zetelen in een paritaire samenstelling: naast de beroepsmagistraat zetelt een werkgevers- en een werknemersrechter. De sociale overlegstructuur geldt als model voor de samenstelling van de arbeidsgerechten. Er is geen gerechtelijke achterstand en de sociale conflicten worden vakkundig opgelost.

Het siert de minister dat hij voor deze opmerkingen oor heeft gehad.

In het tweede voorstel van de minister worden arbeidsrechtbanken, rechtbanken van koophandel, vredegerechten en politierechtbanken als gespecialiseerde rechtbanken behouden naast de rechtbank van eerste aanleg.

De voorzitters van deze rechtbanken zouden in dit voorstel samen met een magistraat-manager het beheer voeren. Samen zouden ze beslissen over de verdeling van de materiële middelen. Tot daar is er niets mis.

In dit tweede voorstel blijven echter nog een aantal dubbelzinnigheden schuilen:

1.Voor de organisatie van het Openbaar Ministerie en de arbeidsauditoraten volgt dit voorstel van de minister niet dezelfde structuur als voor de rechtbanken. Dat zou beter wel gebeuren, vooral omwille van de belangrijke ondersteunende functie van het arbeidsauditoraat in de socialezekerheidsdossiers.

2. De rechters zouden volgens dit voorstel niet meer worden benoemd per rechtbank maar tegelijkertijd in de drie rechtbanken (eerste aanleg, arbeid en koophandel) van het arrondissement. Het gezamenlijk beheersorgaan, bestaande uit de magistraat-manager en de voorzitters van de drie rechtbanken en een vertegenwoordiger van de vrede- en politierechters, zou dan de rechters verdelen over de drie rechtbanken (eerste aanleg, arbeid en koophandel).

Een aantal magistraten, verenigd in een zogeheten Centrale Werkgroep, gaan nog verder en willen een juridisch merkwaardige beslissingsprocedure voor dat beheersorgaan. In principe zou het beheersorgaan bij consensus beslissen, maar als er geen consensus is, zou de manager als arbiter het laatste woord hebben. Men moet geen juridische opleiding hebben om te weten dat een arbiter los hoort te staan van de partijen die geen consensus vinden. Management en de verdeling van de materiële middelen krijgen in dit voorstel de boventoon in de werking van justitie. Getallen worden belangrijker dan kwaliteit en goede rechtsbedeling.

Door deze dubbelzinnigheden ondergraaft men opnieuw de specialisatie en de eigenheid van de arbeidsrechtbanken. Men maakt in deze voorstellen de vergissing dat men het materiële beheer en de justitiële organisatie vermengt.

Het Bureau van de Nationale Arbeidsraad heeft hierop gewezen in een bijkomende toelichting. De benoeming van de rechters hoort bij de justitiële organisatie en deze heeft een andere finaliteit dan het beheer van de materiële middelen.

Wanneer men justitie wil hervormen, moet het belang van de rechtzoekenden centraal staan. Deze hervorming moet dan ook gericht zijn op kwaliteit en specialisatie. De justitiële organisatie moet daaraan aangepast zijn. De verdeling van de middelen is daarbij een noodzakelijk hulpmiddel; ze is niet het doel van een hervorming, maar staat ten dienste ervan.

Daarom sluit de Belgische Vereniging voor Arbeidsverhoudingen vzw zich aan bij de analyse van de sociale partners in de Nationale Arbeidsraad, die pleiten voor een versterking van de arbeidsgerechten en van de andere bestaande gespecialiseerde rechtsinstanties.

Justitie moet als openbare dienstverlener een absolute prioriteit krijgen. Het is essentieel dat de minister hiervoor ook de nodige middelen ter beschikking stelt.

De Belgische Vereniging voor Arbeidsverhoudingen vzw roept de Minister op om in die geest de hervormingsvoorstellen verder uit te werken.

28 december 2009

F. Kéfer, Précis de droit pénal social (Louvain-la-Neuve, Anthemis, 2008): boekbespreking

door K. Nevens

1. Niemand zal betwisten dat Fabienne Kéfer op dit ogenblik veruit de meest geschikte persoon is om een handboek over het Belgisch sociaal strafrecht te schrijven. Met haar doctoraal proefschrift (Le droit pénal du travail: réponses originales à la délinquance d’entreprise, Brugge, Die Keure, 1997) verdiende zij reeds haar strepen in deze materie en als voorzitter van de Commissie voor de hervorming van het sociaal strafrecht (cf. KB 19 juli 2001, BS 28 juli 2001) diepte zij haar expertise in de loop der jaren zonder meer uit. Qua structuur doet het werk van Kéfer onmiddellijk denken aan één van de werken van Micheline Jamoulle, met name Seize leçons sur le droit du travail (Luik, 1994). Kéfer heeft haar handboek immers ook opgedeeld in verschillende lessen, weliswaar dertien in plaats van zestien. We zouden de auteur echter oneer aandoen, mochten we beweren dat de verschillende hoofdstukken van haar werk slechts “veredelde” lesnota’s zijn. Zo biedt het boek van Kéfer niet alleen een overzicht van het positief recht, maar bulkt het ook van interessante en goed onderbouwde kritische beschouwingen.

In de eerste drie lessen gaat de auteur in op de betekenis van het grondwettelijk legaliteitsbeginsel in strafzaken. Na een schets van de vele tekortkomingen die het sociaal strafrecht op dit vlak kenmerken (vb. incriminaties met verwijzing naar een andere wetsbepaling, vage incriminaties en in het algemeen een ‘overcriminalisering’ van het sociaal recht), gaat Kéfer in op artikel 56 van de CAO-wet. Dit artikel legt – in algemene bewoordingen – straffen op aan de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die zich schuldig hebben gemaakt aan de overtreding van een algemeen verbindend verklaarde CAO. De auteur is – terecht – bijzonder kritisch voor deze blanco-strafbaarstelling en betoogt ook dat deze bepaling niet ertoe mag leiden dat de niet-naleving van CAO-verplichtingen die retroactief worden opgelegd, strafrechtelijk zouden worden beteugeld. Zij keert zich tegen de in sommige rechtspraak en rechtsleer gehuldigde leer dat de werkgever in dergelijk geval de verplichting heeft te “regulariseren” (zeker wanneer het gaat om een verbintenis om te geven) en bij gebrek aan dergelijke operatie, gestraft kan worden. Volgens Kéfer wijkt deze interpretatie af van het gemeen strafrecht en is dit daarenboven in strijd met het legaliteitsbeginsel.

2. In de daaropvolgende drie lessen behandelt Kéfer het daderschap. Zij wijdt de nodige aandacht aan het onderscheid ‘toerekenbaarheid’ versus ‘moreel element van het misdrijf’, een element dat meestal ontbreekt bij sociaalrechtelijke misdrijven. Vervolgens bespreekt zij de verschillende objectieve en subjectieve rechtvaardigingsgronden. Een analyse van de draagwijdte van de voor het arbeidsstrafrecht kenmerkende wettelijke toerekening aan “de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers” ontbreekt uiteraard niet, hoewel de recente vraagstelling welke de betekenis van deze wettelijke toerekening is ingeval van mededaderschap (cf. Cass., P. 08.0650.N, 20 januari 2009) niet echt aandacht krijgt. De auteur schaart zich in het algemeen overigens achter de algemeen aanvaarde opvatting dat deze begrippen op een autonome wijze moeten worden ingevuld. Zij wijst nochtans ook op “une absence d’autonomie quasi totale” van het arbeidsstrafrecht. Ook de figuur van de delegatie van strafrechtelijke verantwoordelijkheid komt aan bod. Zo keert de auteur zich bijvoorbeeld tegen die rechtspraak die oordeelt dat de preventieadviseur van een interne dienst voor preventie en bescherming op het werk, geen aangestelde van de werkgever kan zijn. Tenslotte gaat Kéfer ook in op de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen en de daarmee verband houdende wetsbepalingen (artt. 5, 7bis, 41bis en 50bis Sw.)

De zevende les over het onderscheid tussen strafrechtelijke verantwoordelijkheid en civielrechtelijke aansprakelijkheid, dient als overgang naar de daaropvolgende les inzake de verjaring ex contractu (cf. art. 15 Arbeidsovereenkomstenwet) versus de verjaring ex delicto (cf. art. 26 VT Sv.). De auteur werpt ter zake een blik op de gewijzigde rechtspraak en in het bijzonder op de cassatiearresten van 22 januari 2007. Sedert die arresten aanvaardt het Hof immers dat ook bij een misdrijf de betaling van het loon kan worden gevorderd als herstel in natura. Deze rechtspraak, die het begrip ‘oorzaak van de vordering’ een feitelijke en geen juridische invulling geeft, houdt volgens Kéfer echter niet in dat de rechter loon zou mogen toekennen wanneer door de eiser slechts een schadevergoeding wordt gevorderd. Dit zou volgens haar een wijziging van het voorwerp van de vordering inhouden.

3. De lessen negen en tien zijn gewijd aan de pecuniaire sancties die niet weg te denken zijn uit het sociaal strafrecht. Die nemen ofwel de vorm van een strafrechtelijke geldboete aan, of worden anders opgelegd in de gedaante van een administratieve geldboete. Kéfer wijst enerzijds erop dat de strafrechtelijke geldboete “la pièce maîtresse” van het sociaal strafrecht is, en verduidelijkt anderzijds ook dat de administratieve geldboete “une nette coloration pénale” heeft. Zij wijdt dan ook de nodige pagina’s aan de toepassing van de strafrechtelijke waarborgen in de procedure tot het opleggen van een administratieve geldboete. Zij gaat tevens in op de figuur van de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de werkgever voor de betaling van geldboeten waartoe zijn aangestelden of zijn lasthebbers zijn veroordeeld. Zij ziet hierin niet meer dan een vermomde strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de werkgever.

De rol en de taak van de actoren die betrokken zijn bij de handhaving van het sociaal recht, komen in de daaropvolgende twee lessen aan bod. Kéfer gaat in op enkele nieuwigheden die door de wetten van 3 december 2006 (BS 18 december 2006) werden geïntroduceerd, met name de oprichting van in het sociaal recht gespecialiseerde kamers bij de hoven van beroep en de correctionele rechtbanken (artt. 76 en 101 Ger.W.) en de mogelijkheid voor het arbeidsauditoraat om een burgerlijke rechtsvordering in te stellen ten einde inbreuken op de sociale wetgeving vast te stellen (art. 138 bis Ger.W.) Kéfer gaat onder andere in op de aard van deze laatste vordering, die aanleiding geeft tot een declaratoir vonnis dat volgens haar trouwens absoluut gezag van gewijsde heeft, niettegenstaande de mogelijkheid tot derdenverzet. Na kort te zijn ingegaan op de bevoegdheden van de gerechtelijke politie, besteedt de auteur tenslotte ook de nodige aandacht aan de soms ruime bevoegdheden van de arbeidsinspectie. Het recente arrest nr. 2008/171 (3 december 2008) van het Grondwettelijk Hof inzake artikel 4, §1, 1° Arbeidsinspectiewet (betreding van bewoonde lokalen met toestemming van de politierechtbank) komt echter nog niet ter sprake, aangezien het boek vòòr de datum van die uitspraak werd afgerond en op de markt verscheen.

Als uitsmijter bespreekt Kéfer het misdrijf van ‘verhindering van toezicht’ dat onder andere voorkomt in artikel 15, §1, 2° van de Arbeidsinspectiewet. Zij toetst deze wetsbepaling aan de beginselen uit het gemeen strafrecht en in het bijzonder aan de rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens betreffende het verbod op zelf-incriminatie. Zij concludeert in vrij algemene bewoordingen dat “les nécessités d’un controle efficace de la réglementation sociale sont difficiles à concilier avec le respect des droits fondamentaux”.

4. Met het thans besproken werk brengt de jonge uitgeverij Anthemis een waardige opvolger op de markt voor het ondertussen toch wel gedateerde werk van Henri Bosly (Les sanctions en droit pénal social belge, Gent, Story-Scientia, 1979). Dit werk is, zelfs met het in aantocht zijnde Sociaal Strafwetboek, zonder meer een standaardwerk dat ik met veel plezier, en met evenveel dank aan de redactie van het RW, in mijn persoonlijke boekenkast plaats. Ik raad elke geïnteresseerde in het sociaal recht of in het strafrecht aan hetzelfde te doen.

19 december 2009

NAR kant zich tegen oriëntatienota De Clerck en pleit voor behoud arbeidsgerechten

door K. Nevens

In advies nr. 1716 (15 december 2009) roept de Nationale Arbeidsraad de politieke wereld op om niet te raken aan de onafhankelijkheid van de arbeidsgerechten en arbeidsauditoraten, zodat niet in gevaar zou worden gebracht wat volgens de NAR in het verleden zijn deugdelijkheid heeft bewezen.

De NAR vreest immers dat het niet mogelijk zal zijn om binnen de door de Minister van Justitie voorgestelde structuur, zijnde een eenheidsrechtbank met een arbeidsafdeling, de kwaliteiten van de arbeidsgerechten te behouden. De waarborgen die de Minister wil geven, zoals een specifieke samenstelling van de arbeidsafdeling met gespecialiseerde rechters en met lekenrechters, en specifieke vormen van inleiding en rechtspleging onverkort, brengen volgens de NAR ook weinig zoden aan de dijk.

De NAR is ook ongerust over het voorstel van de Minister om te zorgen voor mobiliteit van magistraten tussen verschillende afdelingen van de eenheidsrechtbank. De Raad meent dat de specialisatie en eigenheid van de arbeidsgerechten daarmee dreigt te verwateren, en is daarom veeleer voorstander van een vorm van geografische mobiliteit tussen de magistraten van de arbeidsgerechten en auditoraten. In een vorig blogbericht werd reeds erop gewezen dat Lieven Lenaerts, raadsheer bij het Arbeidshof te Brussel, dat ook een beter idee vind dat "het poolen van rechters".

17 mei 2009

De eerstelijns- of eenheidsrechtbank en de toekomst van de arbeidsgerechten


door Koen Nevens

1. Minister van Justitie Stefaan De Clerck ijvert voor een "justitieel éénheidsloket" dat deel zal uitmaken van nog op te richten eerstelijnsrechtbanken. Deze laatsten zouden per arrondissement de rechtbank van eerste aanleg, de rechtbank van koophandel en de arbeidsrechtbank groeperen. Niet alleen de magistratuur zou de oprichting van dergelijke eerstelijnsrechtbanken genegen zijn, maar ook vele politieke partijen zijn daarvoor gewonnen. Het regeerakkoord van de huidige regering bewijst dit: "Deze reflectie zou kunnen leiden tot het oprichten van een grote eerstelijnsrechtbank die, met uitzondering van de vredegerechten en de politierechtbanken, de gespecialiseerde rechtbanken groepeert met respect voor hun eigenheden (milieurecht, sociaal recht, handelsrecht, burgerlijk recht, strafrecht, … ), inclusief een nog op te richten familierechtbank en eventueel een administratieve rechtbank. De specificiteit van de arbeidsrechtbanken en de rechtbanken van koophandel zal worden verzekerd door het behoud van de sociale rechters en de rechters in handelszaken."

In 2005 diende volksvertegenwoordiger Frans Borginon (VLD) trouwens reeds een wetsvoorstel in dat de horizontale integratie van de rechtbanken op het niveau van eerste aanleg (arbeidsrechtbank, rechtbank van eerste aanleg, rechtbank van koophandel, vredegerecht, politierechtbank), in een overkoepelende éénheidsrechtbank of arrondissementsrechtbank, beoogde, evenwel met behoud van specialisatie. Op het niveau van tweede aanleg, zouden de arbeidshoven dan geïntegreerd worden in de hoven van beroep. Het was uitdrukkelijk niet de bedoeling de bestaande structuren af te schaffen, maar te laten voortbestaan als onderafdelingen van de overkoepelende éénheidsrechtbank. De voordelen die in het vooruitzicht werden gesteld, werden als volgt samengevat: meer flexibiliteit en mobiliteit van magistraten, meer specialisatie en minder bevoegdheidsconflicten (cf. Parl. St. Kamer 2004-2005, nr. 1571/1).

Ook in een resolutie van 26 mei 1998 van Kamer en Senaat werd "het bestuderen van de horizontale integratie van de rechtbanken op het niveau van de eerste aanleg" reeds vooropgesteld (Parl. St. Kamer 1997-1998, nr. 1568/2, p. 37). Deze resolutie werd aangenomen ingevolge het zogenaamde Octopus-akkoord, een voortvloeisel van de affaire-Dutroux.

2. De oprichting van een eerstelijns- of eenheidsrechtbank doet, ondanks alle nuances die de voorstellen in zich dragen (vb. behoud van lekenrechters in sociale zaken, behoud van specialisatie door het inrichten van verschillende kamers per eenheidsrechtbank), zonder meer de zelfstandigheid van de arbeidsrechtbanken teniet. Daarmee wordt afgerekend met wat door sommigen wordt beschouwd als een instituut of een onderdeel van de sociale overlegeconomie, of minstens als een factor van autonomie van het arbeids- en sociaal recht.

De arbeidsrechtbanken vormen daarenboven ook een stukje traditie. Zij stammen immers af van de werkrechtersraden (conseil de prud'hommes), die door Napoleon werden opgericht omdat de éénheidsrechtbank die was ingesteld bij de Franse GW van 1791, net niet bij machte bleek arbeidszaken met kennis van zaken te beslechten (cf. J. Petit, Arbeidsgerechten en sociaal procesrecht, in APR, Gent, Story-Scientia, 1980, p. 8-9). In onze streken werd de eerste werkrechtersraad opgericht in Gent (1810). Het is echter pas in 1859 zou de instelling van werkrechtersraden in ons land veralgemeend zou worden (Wet 7 februari 1859, BS 12 februari 1859) .

3. In de laatste editie van de Juristenkrant (13 mei 2009, nr. 189, p. 14) spreekt Lieven Lenaerts, raadsheer bij het Arbeidshof te Brussel, zich uit over het "opgewarmd" voorstel van minister De Clerck. Zo waarschuwt hij ervoor dat de arbeidsgerechten hun maatschappelijke taak waarmaken en dat men dit niet mag laten verwateren door een structuurverandering die niet tot een inhoudelijke versterking leidt.

Lieven Lenaerts pleit voor een verdieping van de specialisatie en een grotere mobiliteit van rechters over de grenzen van de hoven of rechtbanken heen, wat dus iets anders is dan het "poolen" van rechters bij één en dezelfde rechtbank, ongeacht hun expertise. "Wanneer ik weinig vertrouwen heb in een familierechter die een sociaal conflict moet oplossen , wil ik daar even ootmoetig aan toevoegen dat ik als sociale magistraat evenmin vertrouwen heb in mezelf om op een moderne manier de juiste beslissing te nemen in zeg maar de plaatsing van een deliquente jongere met een psychiatrische problematiek", schrijft hij heel eerlijk en ook zeer terecht. Samen met hem vind ik het heel wat zinvoller dat een rechter in de arbeidsrechtbank te Brugge ook zonder probleem zou kunnen zetelen in pakweg Veurne of Ieper, wanneer de nood daartoe zich doet voelen.

Daarenboven rijst de vraag of het oprichten van eenheids- of eerstelijnsrechtbanken, met aan de voorgevel een "loket" dat de burger te woord moet staan, niet veel weg heeft van 'window-dressing', als achter die voorgevel toch weer verschillende kamertjes verscholen zitten. Ik deel trouwens ook de mening van Lenaerts dat "bevoegdheidsdiscussies marginaal zijn en niet het reële probleem van Justitie vormen". De minister en de pers laten nochtans uitschijnen dat de burger, of diens raadsman, op procedureel vlak te pas en te onpas de exceptie van onbevoegdheid (cf. art. 639-644 Ger.W.) in hun gezicht geworpen krijgen...