Posts tonen met het label arbeidsmarkt. Alle posts tonen
Posts tonen met het label arbeidsmarkt. Alle posts tonen

25 augustus 2013

IJCLLIR, vol 29 (2013): 3de nummer uit

De inhoudstafel:

'Labour Trafficking in China: Analysis and Recommendations', Sophia Kagan, Issue 3, pp. 259–282

Despite the likely prevalence of trafficking for labour exploitation in China, law enforcement agencies focus narrowly on the two areas that the government regards as priorities for anti-trafficking activities: the elimination of the illegal adoption of babies and the sexual exploitation of women. Drawing on a review of Chinese legislation, analysis of reports and interviews with experts, this article examines the scale of trafficking for labour exploitation and the scope and effectiveness of the legislation drafted to combat this crime.

'The Principle of Effet Utile and Its Impact on National Methods for Enforcing the Rights of Posted Workers', Miriam Kullmann, Issue 3, pp. 283–303

Although Member States are largely free to decide how to monitor and enforce the rights of posted workers, they are nonetheless bound to comply with EU law. In doing so, Member States must adhere not only to the principle of effet utile, setting minimum requirements, but also to the limits imposed by the freedom to provide services, placing a ceiling on national methods. Member States adopt different enforcement methods, though generally the following three are to be found: the state-oriented, the judicial and the industrial relations enforcement methods. Starting from this distinction, the article analyses the relation between EU law and national law, examining cases in which national methods for enforcing the rights of posted workers have come under the scrutiny of the Court of Justice of the European Union. An attempt is then made to identify the Member States' room for manoeuvre.

'Mandatory Retirement in the EU and the US: The Scope of Protection against Age Discrimination in Employment', Anja Wiesbrock, Issue 3, pp. 305–324

This paper discusses the divergent approaches towards age discrimination in employment and mandatory retirement in the EU and the US. It challenges the perception that older workers seeking to work beyond the retirement age enjoy a significantly higher degree of protection from discrimination in the US. Even though US law strictly outlaws mandatory retirement, it does not adequately protect older employees form employer practices that are indirectly discriminatory and that may have the same effect as mandatory retirement provisions. When aiming for substantive equality, which not only prohibits mandatory retirement by law, but also prevents the practical effect of older employees being forced to retire against their will, it appears that US employees are in a similarly vulnerable position to their European counterparts.



'Integrative Employment and Social Security Rights', Lilach Lurie, Issue 3, pp. 325–347



Workers today face many labour market transitions (e.g., between work and caring for family members). This article is intended to make two main contributions to the ongoing debate on how the law should regulate labour market transitions. First, it aims to promote a better understanding of existing and theoretically possible employment and social security provisions by placing them on a spectrum of regulatory models, from individual to integrative regulation. Second, it examines the concept of Integrative Employment and Social Security Rights (IERs), as one of the models on the spectrum. IERs are legal rights that apply to workers in several or all labour market transitions (e.g., the right to request working reduced hours). The application of IERs has several justifications (e.g., promoting individual autonomy and fighting discrimination) tempered with considerations that would at times limit their usage (e.g., inefficiencies). By presenting the justifications for IERs as well as the limitations on their normative application, the article provides a possible roadmap for rethinking employment and social security law.



De volledige tekst van de artikelen is, tegen betaling, te vinden op de website van Kluwer Law Online.


10 juli 2013

Hoge Raad voor de Werkgelegenheid: verslag 2013

Het verslag behandelt de recente evoluties en vooruitzichten op de arbeidsmarkt.
De hoofdzaak van het rapport is dit jaar gewijd aan de situatie van de laaggeschoolden op de arbeidsmarkt. Het verslag kan worden geraadpleegd op de website van de FOD WASO.

Synthese van het rapport:

In 2012 was de cohorte die de arbeidsmarkt verliet, voor het eerst groter dan die welke toetrad. Zonder de bijdrage van het migratiesaldo zou de bevolking op arbeidsleeftijd in ons land gekrompen zijn. Het Federaal Planbureau heeft overigens recentelijk zijn groeivooruitzichten voor de bevolking neerwaarts bijgesteld. Oorzaak daarvan zijn twee belangrijke factoren : de nataliteit en de nettomigratiestroom. De herziening van deze beide factoren houdt met name verband met de verslechtering van de economische situatie, zowel in België als bij onze Europese partners. Mochten deze nieuwe hypothesen bewaarheid worden, dan zal de bevolking op arbeidsleeftijd in 2020 ongeveer 140 000 personen méér tellen dan in 2012, wat 40 000 personen minder is dan waar in de vorige projecties werd van uitgegaan. Zo zouden er in België in 2060 7 400 000 15- tot 64-jarigen zijn, dat is een half miljoen minder dan wat eerder werd voorspeld. Het groeipotentieel van de economie zal hierdoor worden aangetast, behalve indien de participatiegraad van deze bevolking, die de afgelopen jaren nog amper is gestegen, sterk omhooggaat. 

Ondanks het grotendeels onverwachte herstel van de werkgelegenheidsgroei aan het einde van 2012, is het aantal werkenden vorig jaar met slechts 0,2 % gestegen in een klimaat van licht negatieve groei. Zoals in dergelijke omstandigheden steeds het geval is, waren de arbeidsproductiviteit en het aantal per persoon gewerkte uren de eerste variabelen via welke de vertraging van de bedrijvigheid werd opgevangen. Eventuele correcties in termen van 'aantal werkenden' volgen, in voorkomend geval, pas later. Bij ontstentenis van een conjunctuuromslag, mag worden gevreesd dat in 2013 een aanzienlijk aantal banen zal worden vernietigd, temeer daar bepaalde crisismaatregelen zoals het 'Win-Win Activaplan' - waardoor het nettoverlies van arbeidsplaatsen kon worden beperkt - niet langer van kracht zijn. 

Vergelijkt men de situatie vandaag met die van vóór de grote recessie, dan blijkt dat België tot dusver merkelijk beter stand heeft weten te houden dan het Europese gemiddelde, aangezien ons land erin geslaagd is zijn werkgelegenheidsniveau te handhaven. Alleen Duitsland doet beter. In de zwaarst getroffen landen, namelijk Griekenland en Spanje, is tijdens deze periode nagenoeg één op vijf arbeidsplaatsen verloren gegaan. 

Tegen die achtergrond heeft de werkgelegenheidsgraad zich zogoed als gestabiliseerd op ongeveer 67 % van de bevolking tussen 20 en 64 jaar. Dat is 6 procentpunt onder de doelstelling die België wil bereiken in het kader van de 'Europa 2020'-strategie. Om dat doel te halen, moeten nog op z'n minst 400 000 extra banen worden gecreëerd, dat zijn er 50 000 per jaar vanaf nu tot 2020. Dat is bijzonder ambitieus aangezien dat er, sedert 2008, netto gemiddeld slechts 34 000 zijn; vóór de crisis waren er dat ongeveer 46 000.

Bovendien is de huidige conjuncturele zwakte in geen enkel opzicht bevorderlijk voor de werkgelegenheid. De Nationale Bank van België gaat er in haar laatste projecties zelfs van uit dat er in 2013 en 2014 respectievelijk zo'n 18 000 en 6 000 arbeidsplaatsen verloren zullen gaan. Het betreft daarbij jaargemiddelden, bij ongewijzigd beleid. Dankzij een geleidelijk herstel van de bedrijvigheid vanaf medio 2013 zullen er in de loop van 2014 netto opnieuw banen kunnen worden gecreëerd. In een dergelijke context hoeft het niet te verwonderen dat de werkloosheid toeneemt. In 2012 ging het reeds om 14 500 extra personen, van wie de meerderheid woonachtig was in Vlaanderen waar de werkgelegenheid conjunctuurgevoeliger is. Rekening houdend met de verwachte uitbreiding van de bevolking op arbeidsleeftijd en met een lichte stijging van de participatiegraad, zou het aantal werkzoekenden in 2013 en 2014 nog met 30 000 personen toenemen, waardoor de werkloosheidsgraad zou stijgen van 7,6 tot 8,7 % van de beroepsbevolking.

Verschillende specifieke ontwikkelingen dragen daaraan bij. Enerzijds groeit de bedrijvigheid onvoldoende opdat, rekening houdend met de structurele productiviteitswinsten, de marktsector nieuwe banen zou kunnen creëren. Anderzijds dreigt de groeidynamiek van het personeelsbestand in de overheidssector en in de niet-marktdiensten - die beide grotendeels door de overheid worden gesubsidieerd - te verzwakken tegen de achtergrond van een strakke begrotingsdiscipline. Tot slot is er onder invloed van zowel vraagfactoren (prijsstijging, het matuur worden van de markt) als aanbodfactoren (wervingsproblemen) een vertraging merkbaar in het elan van de banen die worden gecreëerd in het kader van de dienstencheques. Deze elementen zijn van doorslaggevend belang vermits, tussen 2007 en 2011, de meeste van de bijna 400 000 nieuwe banen in België te danken waren aan een al dan niet rechtstreekse ondersteuning door de overheid. Gelet op de budgettaire situatie van ons land, moeten de uitgaven beleidsmatig worden beheerst, ook die welke deze activiteiten hebben ondersteund.

Het verloop van het personeelsbestand in de grote bedrijfstakken getuigt van de voortschrijdende hervorming van onze economie tijdens het afgelopen decennium. Zo gingen er vrijwel ononderbroken banen verloren in de primaire (landbouw en visvangst) en in de secundaire sector (nijverheid en bouw), terwijl de werkgelegenheid in de diensten constant is toegenomen. Het kan echter niet worden ontkend dat deze laatste ontwikkeling voor een deel direct of indirect verband houdt met de activiteit in de verwerkende nijverheid en met het outsourcen van taken die voorheen in de industriële bedrijfstakken zelf werden verricht. Vooral een groot aantal van de banen in de dienstenbranches, met name in de niet-marktdiensten, zijn sterk overheidsgesteund, hetzij rechtstreeks (administratie en onderwijs) hetzij indirect (dienstverlening aan personen). Deze ontwikkelingen zijn ook merkbaar op regionaal niveau, ook al hebben ze betrekking op uiteenlopende specialisatiestructuren, met bovendien een grotere conjunctuurgevoeligheid van de industrie in Vlaanderen. 

De werkgelegenheidsproblematiek geldt niet op dezelfde manier voor alle categorieën van de bevolking of voor alle Gewesten van het land. Zo bedraagt de werkgelegenheidsgraad van de mannen nu reeds 73 %; voor de hooggeschoolden (mannen en vrouwen samen genomen), beloopt hij zelfs 82 %, een cijfer dat amper uitstijgt boven het gemiddelde voor de 30- tot 55- jarigen. Het is de geringe participatie van sommige zogenoemde kansengroepen die in België op de werkgelegenheidsgraad weegt. Het gaat voornamelijk om laaggeschoolden (wier situatie meer gedetailleerd wordt bestudeerd in het thematisch gedeelte van dit verslag), 55-plussers (ook al is de situatie van deze laatsten sterk verbeterd dankzij een cohorte-effect voor de vrouwen, die overwegend minder conjunctuurgevoelige activiteiten uitoefenen en overigens beter opgeleid zijn, en door het beleid dat erop gericht is voortijdige uittreding uit de arbeidsmarkt te beperken) en staatsburgers van landen die niet tot de EU behoren en voor wie het verschil in werkgelegenheidsgraad ten opzichte van de personen met de eigen nationaliteit in België het op één na grootste is van alle landen van de Unie.
De arbeidsparticipatie verschilt ook volgens de Gewesten van het land. De werkgelegenheidsgraad is het laagst in Brussel (58 %) en het hoogst in Vlaanderen (72 %). In Wallonië bedraagt hij 62 %. Dergelijke verschillen beïnvloeden onvermijdelijk de relatieve resultaten op het vlak van de werkloosheid. Ofschoon, met 7,4 % van de werkzoekende beroepsbevolking, België tot de groep EU-landen behoort die het minst door de werkloosheid worden getroffen, beloopt het aandeel van de werkzoekenden toch 16,5 % in Brussel en 9,9 % in Wallonië. In Vlaanderen bedraagt de werkloosheidsgraad, die weliswaar in stijgende lijn gaat, 4,5 %.

Met uitzondering van de 55-plussers - die, als ze niet langer werken, voornamelijk inactief zijn - treft men in de werkloosheid dezelfde kansengroepen aan als in de werkgelegenheid. De werkloosheidsgraad van de niet-EU-burgers, die eveneens wordt beïnvloed door een groot aantal inactieven in deze bevolkingsgroep, beloopt aldus 30 %, die van de jongeren van minder dan 25 jaar 20 %, met een maximum van 32 % in Brussel. Heel wat kansengroepen hebben, op transversale wijze, een laag kwalificatieniveau gemeen. In het thematisch gedeelte van dit verslag, waar dit probleem meer in detail wordt behandeld, wordt aangetoond dat dit een rem zet op hun participatie aan de arbeidsmarkt. Hoewel de werkloosheidsgraad van de laaggeschoolden 14 % bedraagt - bijna het dubbele van het nationale gemiddelde - geeft deze slechts een onvolledig beeld van hun ondertewerkstelling vermits een aanzienlijk deel van de laaggeschoolden inactief is. De werkloosheidsgraad van de personen met een diploma hoger onderwijs - gemiddeld 3,8 % in België en 2,5 % in Vlaanderen -, getuigt daarentegen van een situatie die dicht in de buurt komt van volledige tewerkstelling. Deze situatie kan echter ook wijzen op de overkwalificatie van sommige arbeidskrachten ten opzichte van de vaardigheden die werkelijk nodig zijn om hun functies uit te oefenen.

Hoewel het aandeel langdurig werklozen in België nog steeds hoger ligt dan gemiddeld in Europa, heeft ook deze indicator, gemeten op basis van de resultaten van de EAK, in ons land een relatief gunstiger verloop laten optekenen. Het aandeel van de personen die reeds meer dan twee jaar werkzoekend zijn, is immers - ondanks de crisis - blijven krimpen. Het risico dat de structurele werkloosheid stijgt, lijkt aldus kleiner dan bij onze partners. Er moet evenwel op worden toegezien dat deze personen niet in de inactiviteit verzeild raken. Om die reden mag het beleid inzake begeleiding en activering dat voor hen is bestemd, niet losstaan van de noodzakelijke follow-up van hun zoekgedrag naar werk, inclusief voor de ouderen.

In dit opzicht verheugt de Raad er zich over dat verschillende van de grondige hervormingen waar hij geregeld had op aangedrongen, in 2012 ten uitvoer zijn gelegd. Zo is met name de leeftijdsgrens opgetrokken om gebruik te kunnen maken van de vervroegde-uitstapregelingen, wordt er voorzien in de follow-up van het zoekgedrag van jongeren zonder beroepservaring of van 50-plussers, is opnieuw gedefinieerd wat een passende baan is die door werkzoekenden niet mag worden geweigerd, is het verzekerings- en stimulerend karakter van de werkloosheidsuitkeringen versterkt, is er een grotere responsabilisering aangekondigd van de ondernemingen die gebruik maken van het stelsel van tijdelijke werkloosheid, enz. Deze maatregelen zullen er op termijn toe bijdragen dat de menselijke middelen worden vrijgemaakt die nodig zijn voor de ontwikkeling van onze economie. Niettemin blijven belangrijke en bijzonder gevoelige pistes open, zoals de harmonisatie van het arbeiders- en bediendenstatuut en verdere stappen in de hervorming van de pensioenen. Het is wenselijk dat ter zake snel resultaten worden geboekt, erop toeziend, in overleg met de sociale partners, dat de gevolgen ervan voor de arbeidskosten en, derhalve, voor de werkgelegenheid onder controle worden gehouden, met name voor de laagstgeschoolden. Ook de aan de gang zijnde bezinning over een eventuele aanpassing van de wet van 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen is erg belangrijk voor een dermate open economie als België.

Dankzij de verdere regionalisering van de bevoegdheden inzake werkgelegenheid zal een beleid kunnen worden uitgestippeld dat beter aangepast is aan de specifieke behoeften van ieder gewest en een aanvulling vormt op het economisch en industrieel beleid dat nu reeds tot de bevoegdheid van de Gewesten behoort. De samenwerking die er vandaag tussen de entiteiten bestaat, met name krachtens de akkoorden die de regionale diensten voor arbeidsbemiddeling hebben gesloten, moet worden voortgezet. In dit opzicht lijkt de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid, vanwege zijn samenstelling, een geschikt uitwisselingsplatform te zijn in het nieuwe institutionele kader.

16 september 2010

Discriminatie in de uitzendsector

door K. Nevens

In een reportage van het VRT-programma Volt (15/09/10) wordt discriminatie in de uitzendsector aan de kaak gesteld (zie http://www.deredactie.be/permalink/1.864255). De bevindingen van dit korte onderzoeksjournalistieke stuk staan haaks op de engagementen die in het recente Kwaliteitscharter van Federgon worden verkondigd. Zo staat er in dat Charter te lezen:

- "De leden [van Federgon] sensibiliseren hun medewerkers m.b.t. deze reglementeringen omdat ze daadwerkelijk willen deelnemen aan de inspanningen die worden geleverd met het oog op het uitbannen van elke vorm van discriminatie, de bevordering van gelijke kansen op werk, het verhogen van de arbeidsveiligheid, en het vrijwaren van de individuele privacy."

- "Als een opdracht, of de uitlatingen van een klant, strijdig blijken te zijn met de regelgeving of met de inhoud van onderhavig kwaliteitscharter, dan vragen de leden [van Federgon], zo nodig schriftelijk, deze te wijzigen. Gebeurt dit niet, dan weigeren ze de opdracht of zien ze af van alle verdere samenwerking met de betrokken klant in het kader van de betrokken opdracht."

Het hoeft geen betoog dat Jozef De Witte, voorzitter van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen & voor Racismebestrijding, "not amused" is (zie zijn opinie "Onze samenleving verdient een betere uitzendsector"). Hij pleit voor een strenger optreden van de sociale inspectiediensten, de gerechtelijke instanties en de politiek, want zelfregulering baat volgens hem niet.

27 april 2010

Flexicurity in België

door M. Van Putten

"Toen de regering in haar Regeringsverklaring [...] handelde over de problemen van de tewerkstelling, ging ze de voorverbintenis aan haar economische politiek aan te vullen door een meer doeltreffende politiek van tewerkstelling en arbeidskrachten, namelijk door de inspanningen op het gebied van de wedertewerkstelling en de wederaanpassing van de werknemers te verruimen. (...) Het is de Regering niet onbekend dat de beste waarborgen van vastheid van betrekking voor de werknemers te vinden zijn in een politiek van economische expansie en van volledige tewerkstelling. De juridische waarborgen van een wettelijk of conventioneel statuut van de verschillende categorieën van werknemers mogen evenwel niet over het hoofd worden gezien: zij bevestigen de waarde van de menselijke belangen, welke vervat zijn in het beheer van de onderneming."

Sinds enkele jaren is onder impuls van Europa het portemonteau-woord flexicurity onontkoombaar geworden voor elkeen die betrokken is bij arbeidsmarktbeleid en discussies over de modernisering van het arbeidsrecht (zie over de oorsprong van het neologisme VANDEPUTTE, W, "Flexizekerheid: het beste van twee werelden?", TSR 2007, afl. 3, 312 e.v.). Flexicurity wordt daarbij gedefinieerd als een geïntegreerde beleidsstrategie om tegelijkertijd en doelbewust de flexibiliteit van arbeidsmarkten, arbeidsorganisaties en arbeidsverhoudingen enerzijds en de zekerheid van tewerkstelling en inkomen anderzijds te bevorderen (zie COM (2007) 359 final, 4).

Het citaat aan de inleiding van deze tekst ademt zeker de geest van flexicurity: De doelstelling de inspanningen op het gebied van de wedertewerkstelling en de wederaanpassing van de werknemers te verruimen, sluit aan bij het streven naar flexibiliteit van de arbeidsmarkten, -organisaties en -verhoudingen. En met de noodzaak van juridische waarbogen van een wettelijk of conventioneel statuut van de verschillende categorieën van werknemers wordt gerefereerd naar de zekerheid van tewerkstelling en inkomen.

Tussen de vierkante haken ontbreekt 18 november 1958. Het citaat komt uit het Kamerverslag bij het wetsontwerp en de wetsvoorstellen die tot de eerste Sluitingswet hebben geleid (Wetsontwerp betreffende de sluiting van ondernemingen - Wetsvoorstel tot regeling van de sluiting van bedrijven - Wetsontwerp ter voorkoming van willekeurige sluiting Verslag, Parl.St. Kamer 1958-1959, nr. 289/11, 2). Het citaat dateert dus van veertig jaar voor het neologisme flexicurity en een kleine eeuw van voor de Europese opmars van het begrip ...

Een recent onderzoek in opdracht van de FOD WASO gaat de impact van flexicurity op het Belgisch arbeidsrecht na. Dat er in het Belgisch arbeidsrecht al heel wat flexicurity aanwezig is, is één van de bevindingen waartoe het rapport komt. In het licht van bovenstaand citaat is dat weinig verwonderlijk. Het is maar één van de vele mogelijke illustraties.

Het rapport houdt bij de betreffende vaststelling evenwel niet op. Het probeert ook constructief met flexicurity aan de slag te gaan. Het ontwikkelt een methode die beleidsmakers en iedereen die betrokken is bij het arbeidsrecht moet helpen om ondanks de vele verschillende zekerheden en flexibiliteiten van flexicurity de blik scherp te stellen, opdat via het onvermijdbare flexicurity concept het arbeidsrecht verder zou kunnen verbeterd worden. Dat de methode bruikbare resultaten oplevert, wordt aangetoond via de analyse van enkele aspecten van het Belgisch arbeidsrecht. Behandelde thema's zijn onder meer: de bescherming van atypische werknemers, de verhouding tussen schorsing en beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de deelname aan opleiding.

Het integrale rapport, met methode en resulaten, kan geconsulteerd worden op http://www.belspo.be/belspo/home/publ/pub_ostc/AP/rAP35_nl.pdf

16 april 2010

Loononderhandelingen door de ogen van econoom Frank Knight

uit F. Knight, Risk, uncertainty and profit, Boston, Hart, Schaffner & Marx, 1921, http://www.econlib.org/library/Knight/knRUPCover.html

III.IX.17 - The production-distribution system is worked out through offers and counter-offers, made on the basis of anticipations, of two kinds. The laborer asks what he thinks the entrepreneur will be able to pay, and in any case will not accept less than he can get from some other entrepreneur, or by turning entrepreneur himself. In the same way the entrepreneur offers to any laborer what he thinks he must in order to secure his services, and in any case not more than he thinks the laborer will actually be worth to him, keeping in mind what he can get by turning laborer himself. The whole calculation is in the future; past and even present conditions operate only as grounds of prediction as to what may be anticipated.

III.IX.18 - Since in a free market there can be but one price on any commodity, a general wage rate must result from this competitive bidding. The rate established may be described as the socially or competitively anticipated value of the laborer's product, using the term "product" in the sense of specific contribution, as already explained. It is not the opinion of the future held by either party to an employment bargain which determines the rate; these opinions merely set maximum and minimum limits outside of which the agreement cannot take place. The mechanism of price adjustment is the same as in any other market. There is always an established uniform rate, which is kept constantly at the point which equates the supply and demand. If at any moment there are more bidders willing to employ at a higher rate than there are employees willing to accept the established rate, the rate will rise accordingly, and similarly if there is a balance of opinion in the opposite direction. The final decision by any individual as to what to do is based on a comparison of a momentarily existing price with a subjective judgment of significance of the commodity. The judgment in this case relates to the indirect significance derived from a twofold estimate of the future, involving both technological and price uncertainties. The employer in deciding whether to offer the current wage, and the employee in deciding whether to accept it, must estimate the technical or physically measured product (specific contribution) of the labor and the price to be expected for that product when it comes upon the market. The estimation may involve two sorts of calculation or estimate of probability. The venture itself may be of the nature of a gamble, involving a large proportion of inherently unpredictable factors. In such a case the decision depends upon an "estimate" of an "objective probability" of success, or of a series of such probabilities corresponding to various degrees of success or failure. And normally, in the case of intelligent men, account will be taken of the probable "true value" of the estimates in the case of all estimated factors.

III.IX.19 - The meaning of the term "social" or "competitive" anticipation will now be clear. The question in the mind of either party to an employment agreement relates simply to the fact of a difference between the current standard of remuneration for the services being bargained for and his own estimate of their worth, discounted by probability allowances. The magnitude of the difference is altogether immaterial. The prospective employer may know absolutely that the service has a value to him ever so much greater than the price he is paying, but he will have to pay only the competitively established rate, and his purchase will affect this rate no more than if he were ever so hesitant about the bargain, just so he makes it. It is the general estimate of the magnitudes involved, in the sense of a "marginal" demand price, which fixes the actual current rate.

10 april 2010

Europese Commissie stoort zich aan woonplaatsvereiste in Vlaamse regeling inzake opleidingscheques voor werknemers

door K. Nevens

Artikel 5 van het Besl. Vl. Reg. van 18 juli 2003 betreffende de opleidings- en begeleidingscheques voor werknemers, bepaalt dat een werknemer, binnen de perken van het daartoe bestemd begrotingskrediet, per kalenderjaar voor een maximaal volume van 250 euro aan opleidings- en begeleidingscheques kan aankopen. Het is genoegzaam geweten dat met die cheques op een financieel voordelige wijze een opleiding kan worden aangevat. De Vlaamse Gemeenschap levert in beginsel immers een bijdrage van 50 % in het totaalbedrag van de opleidings- en begeleidingscheque (art. 6). Onder een opleiding verstaat het Besluit trouwens "onderricht dat niet uitsluitend of hoofdzakelijk op de huidige of toekomstige functie van de werknemer gericht is, maar door middel waarvan bekwaamheden worden verkregen die in ruime mate naar andere ondernemingen of werkgebieden overdraagbaar zijn, zodat de brede inzetbaarheid van de werknemer op de arbeidsmarkt rechtstreeks of onrechtstreeks wordt verbeterd" (art. 1, 8°).

Niet onbelangrijk is echter ook dat de definitie van het begrip 'werknemer' in het Besluit een woonplaatsvereiste bevat, zodat personen die in Vlaanderen werken, maar in
Wallonnië of in het buitenland wonen geen opleidings- of begeleidingscheques kunnen aankopen. Artikel 1, 4° van het Besluit definieert het werknemersbegrip immers als volgt:"de persoon, die op het ogenblik van de aanvraag van de opleidings- en/of begeleidingscheque in de private en de publieke sector, tewerkgesteld is krachtens een arbeidsovereenkomst of die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verricht onder het gezag van een ander persoon, en die zijn/haar woonplaats heeft op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brussels Hoofdstedelijk Gewest."

Het Nederlandse europarlementslid Ria Oomen-Ruijten (CDA) vroeg aan de Europese Commissie of Nederlanders en andere buitenlandse die in België werken, ook aanspraak kunnen maken op deze cheques, en dit op grond van de Verordening 1612/68 inzake het vrij verkeer van werknemers. De Commissie antwoordde dat "deze opleidingscheques kunnen worden aangemerkt als een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1612/68(1). Met betrekking tot de woonplaatsvereiste kan worden gesteld dat een dergelijke voorwaarde, tenzij zij objectief gerechtvaardigd is, in eerste instantie migrerende werknemers benadeelt, ook als zij gelijkelijk van toepassing is op onderdanen en niet-onderdanen: binnenlandse werknemers kunnen er immers gemakkelijker aan voldoen dan werknemers uit andere lidstaten. In het bijzonder benadeeld zijn grensarbeiders, die per definitie niet wonen in de lidstaat waar zij werken. Deze woonplaatsvereiste kan derhalve een inbreuk vormen op het beginsel van het vrije verkeer van werknemers zoals neergelegd in artikel 45 VWEU en Verordening (EEG) nr. 1612/68."

Het ziet dus ernaar uit dat het Vlaams-Vlaamse beleid opnieuw tegen een Europese muur aanloopt, waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat ook een Waals werknemer die gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer tot de Europese "beschermden" behoort (cf.HvJ 1 april 2008, C-212/06, Vlaamse zorgverzekering). De vraag dringt zich toch op of de Belgische rechtsorde wat betreft met arbeid aanverwante aangelegenheden nog lang(er) kan vasthouden aan het woonplaatscriterium ter verdeling van de bevoegdheidssferen van de Gemeenschappen en Gewesten.


22 januari 2010

ECJ once again on the principle of non-discrimation on grounds of age

by Koen Nevens

1.
In the recent Kücükdeveci-case (C-555/07) the European Court of Justice reaffirmed the existence of the principle of non-discrimination on grounds of age as a general principle of European Union law, and ruled that article 622 of the German Civil code is not in conformity with that principle as given expression by Council Directive n°. 2000/78 establishing a general framework for equal treatment in employment and occupation. The aforementioned article of the German Civil code provides that the length of an employee's periode of notice varies upon the length of employment, and especially states that periods prior to the completion of the employee’s 25th year of age should not be taken into account in calculating the length of employment.

The decision of the ECJ comes as no surprise as Advocate General Bot had already advised the Court that it was difficult to identify a legitimate objective justifying periods of employment completed before the age of 25 not being taken into account. While the Advocate General doubted that the German legislators' aim to grant flexibility to employers (id est alleviating the burden on employers in respect of the dismissal of young workers) could constitute a legitimate objective in itself, the ECJ noted that the article in question is not appropriate for achieving that aim, since it applies to all employees who joined the undertaking before the age of 25, whatever their age at the time of dismissal. In other words, the measure spills over to other workers than young workers.

The Advocate General also disagreed with the German government's view that young workers react more easily and quickly than other workers to the loss of their job. However, the Advocate General acknowledged that "strengthened protection of dismissed workers on the basis of the time they have spent in the undertaking can (...) be regarded as seeking to achieve an employment policy and labour market objective within the meaning of Article 6(1) of Directive 2000/78." The ECJ doesn't express an opinion on the (un)truth of the German government's contention and seems to agree with the Advocate General, but highlights that the extension of the notice period for dismissal according to the employee’s seniority in service is delayed for employees who joined the undertaking before the age of 25, even if the person concerned has a long length of service in the undertaking at the time of dismissal, a lenght of service which might be comparable to that of another employee who joined the undertaking after the age of 25. The Court refuses to accept that two workers with the same lenght of service would be entitled to a different notice period, merely because one was recruited before a certain age and the other was not.

2. In its judgment the ECJ also reaffirms the much criticized Mangold-ruling. In Mangold the Court ruled that it is for the national court, hearing a dispute involving the principle of non-discrimination on grounds of age as given expression in Directive 2000/78, to provide, within the limits of its jurisdiction, the legal protection which individuals derive from European Union law and to ensure the full effectiveness of that law, disapplying if need be any provision of national legislation contrary to that principle. The particularity of the Mangold-case (C-144/04) was that the implementation period for the Directive had not yet lapsed for Germany (see J.H. Jans, "The Effect in National Legal Systems of the Prohibition of Discrimination on Grounds of Age as a General Principle of Community Law" and D. Wyatt, "Horizontal Effect of Fundamental Freedoms and the Right to Equality after Viking and Mangold, and the Implications for Community Competence", both downloadable from ssrn.com, for a discussion of this case) .

The Court adds to that that "(t)he need to ensure the full effectiveness of the principle of non-discrimination on grounds of age, as given expression in Directive 2000/78, means that the national court, faced with a national provision falling within the scope of European Union law which it considers to be incompatible with that principle, and which cannot be interpreted in conformity with that principle, must decline to apply that provision". The German national court had indeed wondered what to do as article 622 of the German civil code leaves no room for an interpretation in conformity with the Directive, while national law apparently does not allow a provision of law to be disapplied, unless that provision has first been declared unconstitutional by the Bundesverfassungsgericht (Federal Constitutional Court).

Finally, the ECJ reiterates the primacy of European Union law and clarifies that a national court does not necessarily need to ask the ECJ for a preliminary ruling before disapplying the national provision that is contrary to European Union law. As the Advocate General noted: "(i)t has been clear since the Simmenthal judgment of 9 March 1978 that national courts, as the courts of general jurisdiction in Community law, must apply Community law in its entirety and protect rights which the latter confers on individuals by setting aside any provision of national law which conflicts with Community law. That duty imposed on national courts to set aside national provisions which impede the full effectiveness of Community rules is in no way subject to making a prior reference to the Court for a preliminary ruling, since such a requirement would, in most cases, transform the possibility of making a reference available to national courts under the second paragraph of Article 234 EC into a general obligation to refer."


11 december 2009

De activering van werklozen met behulp van private actoren

Heel wat buurlanden schakelen publieke marktwerking in voor de begeleiding van werkzoekenden: Nederland, Groot-Brittannië, Duitsland, Denemarken. Afgelopen zomer heeft Frankrijk aangekondigd dat 320.000 werkzoekenden de komende twee jaar een aangepaste begeleiding zullen krijgen bij gecontracteerde private bedrijven en non-profit organisaties.
In ons land hebben de regionale publieke diensten VDAB, Forem en Actiris tijdens de voorbije legislatuur (2004-2009) dat voorbeeld gevolgd. Ze hebben verschillende marktspelers ingeschakeld bij de begeleiding van werkzoekenden.

Op 23 november 2009 heeft Federgon een studienamiddag georganiseerd met als thema "Marktwerking bij de begeleiding van werkzoekenden: tijd voor een evaluatie".

De papers van Ludo Struyven en Liesbeth Van Parys (KUL), die tijdens die namiddag werden voorgesteld, vindt u op de website van Federgon.

16 juli 2009

Het werkgelegenheids- en sociaal beleid van een "daadkrachtig Vlaanderen"

Het Vlaams regeerakkoord 2009-2014 met als titel "Een daadkrachtig Vlaanderen in beslissende tijden" kan worden geraadpleegd door hier te klikken.

Naast het hoofdstuk over het werkgelegenheidsbeleid (pp. 12-19), springt volgende passage in het oog (p.65):

"Een vernieuwd sociaal beleid

Om een krachtig en vernieuwd sociaal beleid gestalte te geven zal een basisdecreet met betrekking tot de Vlaamse sociale bescherming worden gerealiseerd.Dit basisdecreet bevat alvast volgende onderdelen:
• de bestaande zorgverzekering;
• een systeem van maximumfactuur in de thuiszorg;
• een Vlaamse hospitalisatieverzekering;
• een nieuwe regeling voor de financiële ondersteuning van kinderen;
• een nieuw systeem van begrenzing van de kosten in de residentiële ouderenzorg.

De financiële toegankelijkheid van de zorg wordt gevrijwaard door een consolidatie van de Vlaamse zorgverzekering. De langetermijnprognoses voor de financiële leefbaarheid van de zorgverzekering worden jaarlijks geactualiseerd en opgevolgd, met bijzondere aandacht voor de toestand van het reservefonds. Het systeem van maximumfactuur in de thuiszorg, zoals voorzien in het Woonzorgdecreet wordt uitgevoerd. Er wordt onmiddellijk werk gemaakt van het inkomensgerelateerd maken van de bijdrage voor een aantal thuiszorgdiensten.

Elke Vlaming heeft recht op een Vlaamse basishospitalisatieverzekering. Deze verzekering gaat uit van een hospitalisatie in een tweepersoonskamer en moet voor iedereen betaalbaar zijn. Met het oog op het beheersen van de kosten zullen met de betrokken actoren - waaronder ziekenhuizen, ziekenfondsen, verzekeraars, artsen - concrete afspraken gemaakt worden.

De nieuwe Vlaamse regeling van financiële ondersteuning van kinderen zal bestaan uit:
a) een nieuwe, in te voeren financiële tegemoetkoming voor kinderen bij geboorte en naar aanleiding van hun eerste en tweede jaar. Dit recht wordt geëffectueerd bij inschrijving bij Kind en Gezin;
b) de verhoogde schooltoelage vanaf 3 jaar, die geëffectueerd wordt door de inschrijving in het kleuter-, lager of secundair onderwijs.

Een nieuw systeem van begrenzing van de kosten voor residentiële ouderenvoorzieningen moet ertoe leiden dat de kostprijs van deze voorzieningen gereglementeerd wordt en heeft op termijn tot gevolg dat de kostprijs voor de resident het inkomen niet overschrijdt."

15 december 2008

Vlaanderen bouwt scholen en hoopt op jobs in bouwsector


door Koen Nevens

1. Vlaams minister van Werk en Onderwijs, Frank Vandenbroucke, haalde enkele dagen geleden het nieuws met de aankondiging dat het PPS-project "Inhaalbeweging Schoolinfrastructuur". Deze investering van 1 miljard euro zou, volgens een persbericht van de minister dat in de media werd gerecycleerd 5.000 jobs creëren in de bouw- en daarmee verwante sectoren.

Ik citeer even uit de persmededeling: “Naast het Vlaamse relanceplan, dat 842 miljoen euro in onze economie pompt, is ook deze investering van 1 miljard belangrijk in de strijd tegen de dreigende recessie. Met de versnelde oprichting van School Invest zorgen we dat de effecten zo gauw mogelijk voelbaar zullen zijn. De Vlaamse Confederatie Bouw becijferde al dat deze operatie qua extra tewerkstelling overeenstemt met de oprichting van een bedrijf met 5000 werknemers.”

Kortom, een moderne versie van het "Plan van De Man" dat uitstekend zijn plaats vindt in deze tijden van economische crisis. Er kunnen nochtans vraagtekens worden geplaatst bij de nauwkeurigheid van dit persbericht. Het lijkt wel of de verkiezingskoorts reeds is toegeslagen bij de minister en alles wat rooskleuriger wordt voorgesteld dan het is.

2. Vooreerst is het project in kwestie allesbehalve nieuw. Het lijkt me dus nogal misleidend dit project voor te stellen als een nieuwe maatregel in tijden van recessie. De vergelijking door de minister met de bouwplannen van Barack Obama is nogal 'gratuit'. Voor alle duidelijkheid, de krachtlijnen van het Vlaamse project werden in november 2005 vastgelegd door de Vlaamse regering. In 2006 volgde het decreet betreffende de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur en sedertdien loopt de procedure tot selectie van een privé-partner. De informatie op de website van het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs lat daar geen twijfel over bestaan. Het enige dat op 12 december 2008 dus werkelijk te melden viel, was dat de Vlaamse regering eindelijk had gekozen voor één van de vier kandidaten die zich hadden aangeboden voor het project en dat de oprichting van de PPS-vennootschap nu 'versneld' zal geschieden. In februari 2008 berichtte de media overigens nog over het feit dat de bewuste selectieprocedure vertraging had opgelopen.

3. Ook het cijfer van 5.000 jobs 'in de bouw' lijkt niet te kloppen. Op 14 januari 2008 deelde de Vlaamse Confederatie Bouw het volgende mee:

"De vijf miljard euro aan PPS-projecten die de Vlaamse overheid momenteel voorbereidt, leveren in totaal maar liefst 5.000 jobs op, waarvan ongeveer 2.500 direct bij de bouwbedrijven zelf en circa 2.500 indirect bij ontwerpers, leveranciers, materialenproducenten enz. De projecten hebben voor 45% betrekking op infrastructuurwerken, voor 54% op niet-woongebouwen (vooral dan op schoolgebouwen, rust- en ziekenhuizen) en voor 1% op woongebouwen."

De creatie van werkgelegenheid, die ook in de memorie van toelichting bij het reeds geciteerde decreet uit 2006 werd aangehaald (meer bepaald p.3), wordt door de VCB dus geenszins gerelateerd aan het ene project "inhaalbeweging schoolinfrastructuur". De confederatie lijkt eerder uit te van van 1.000 jobs per miljard euro, wat natuurlijk ook al kan tellen.

4. De gunstige berekeningen van het VCB moeten waarschijnlijk echter met een korreltje zout worden genomen. Toegegeven, de PPS-projecten zwengelen ongetwijfeld het aantal potentiële opdrachten aan in de bouwsector, maar de vraag rijst of dit ook werkelijk in nieuwe jobs zal resulteren.

Hierbij mag niet worden vergeten dat het VCB nu al enkele jaren steen en been klaagt over openstaande vacatures in de sector. Wat Vlaanderen moet met een duizendtal extra jobs die niet ingevuld zullen geraken, is een raadsel, tenminste als daar geen massale heroriëntering en herscholing van werkzoekenden tegenover staat. Integendeel, als het VCB mag worden geloofd, dan leiden deze niet-ingevulde jobs tot problemen voor vele aannemers. "Momenteel kunnen heel wat aannemers hun orderboek niet tijdig uitvoeren omdat ze voor de uitvoering onvoldoende arbeidskrachten of onderaannemers vinden", schreef de confederatie in haar persbericht van 22 januari 2007. In 2005 bepleitte zij daarom een ruimere instroom van nieuwe en regularisatie van illegale arbeiders. De Vlaamse regering mag dan wel de versnelling van de constructie van scholen beogen, het valt nog af te wachten of er zich voldoende aannemers aandienen die de verschillende, mogelijk gelijktijdig geplande bouwprojecten aankunnen.

5. Nog een factor waarover wordt gezwegen is het fenomeen van detachering, wel gekend bij juristen sociaal recht die ook vertrouwd zijn met de Europese regelgeving inzake grensoverschrijdende tewerkstelling. De PPS-projecten die de Vlaamse overheid opzet mogen dan wel werk genereren, maar in een Europese context is het niet gezegd dat de bouwprojecten ook door Vlaamse of Belgische aannemers zullen worden binnengehaald en dat eigen onderdanen hierdoor tewerkgesteld zullen worden.

De recente zaak Rüffert die voor het Hof van Justitie werd beslecht, geeft hiervan een mooie illustratie en toont meteen ook aan dat de Vlaamse regering of de PPS-vennootschap het best ook niet in hun hoofd halen aanbestedingscriteria te bepalen die de tewerkstelling 'door en voor Vlamingen' wil bewerkstelligen. In casu ging het om een Duitse regionale (aanbestedende) overheid die aan een Poolse onderneming de voorwaarde had opgelegd de 'Duitse' lonen uit een niet-bindend verklaarde CAO uit de bouwsector na te leven.

De minister lijkt - zich baserend op de euforie van de VCB - aan de gemiddelde Vlaming dus een fata morgana op het vlak van werkgelegenheid voor te spiegelen. dat doet toch de wenkbrauwen fronsen. Het belangrijkste van het project "Inhaalbeweging schoolinfrastructuur" is natuurlijk wel dat er nieuwe en/of degelijk gerenoveerde scholen komen, ongeacht door wie deze zijn gebouwd. Als arbeidsjurist hoop ik alleen maar dat dit binnen de grenzen van het wettelijke toelaatbare gebeurt, onder andere wat betreft de naleving van de arbeidsvoorwaarden. Zowaar, een nieuwjaarswens...

26 september 2008

Europeanisation and globalisation vs. labour law: curse or blessing?

1. At the end of the 19th century, Belgian labour law was developed to mitigate the negative effects of the free market. The rules of supply and demand between unequal parties had led to exploitation, thus making social protection necessary. Elsewhere in Europe, social models were also created for national labour markets. However, during the past decades, these national social models have come under pressure, partly due to economic and financial globalisation, but also to Europeanisation, which has resulted in larger markets. This phenomenon is leading to international social competition and new forms of exploitation and exclusion. Closely associated with this phenomenon are trends to liberalise the labour market, flexibility, flexicurity and individualisation. Consequently, there is a need to reconcile a global labour market with the fundamental principle of ‘decent work’.

2. Convinced of the importance of these new trends for PhD research in different EU Member States, the Social Law Unit and the Centre For Law and Cosmopolitan Values are organising an international PhD seminar on the topic of “Globalisation, Europeanisation and labour law”. The aim of the seminar is to discuss and reflect on the difficulties and challenges of employment in a more global labour market.

More information can be gathered here.

28 juli 2008

Cassatierechtspraak in sociale zaken: arresten van 9 juni 2008


Cass., S.06.0076.F, 9 juni 2008 (Winterthur t./ FAO)

Arbeidsongeval – Rentekapitaal – Bijdrage aan Fonds voor Arbeidsongevallen

Overeenkomstig artikel 51, eerste lid, 2° van de Arbeidsongevallenwet (thans opgeheven doch nog van toepassing op het geschil) vestigt de verzekeraar, ingeval van blijvende arbeidongeschiktheid, het rentekapitaal bij een daartoe gemachtigde instelling en namelijk het Fonds voor arbeidsongevallen, binnen de maand van het verstrijken van de herzieningstermijn. Artikel 52, 5° van die wet bepaalt dat de gemachtigde verzekeraars verplicht zijn voldoende reservefondsen en waarborgsommen te vestigen in de gevallen en volgens de nadere regels bepaald door de Koning, en dit voor de betaling van de renten of de uitkering van het kapitaal. Overeenkomstig artikel 59bis, 2° en 59quater van de wet wordt het Fonds voor Arbeidsongevallen gestijfd door een bijdrage waarvan het bedrag door de Koning wordt vastgesteld, ten laste van de gemachtigde verzekeringsinstellingen.

Artikel 7, §§1 en 4 van het KB van 30 december 1976 houdende uitvoering van zekere bepalingen van artikel 59quater van de Arbeidsongevallenwet bepaalt dat de gemachtigde verzekeringsinstellingen een jaarlijkse bijdrage aan het FAO verschuldigd zijn, die berekend wordt op basis van de wiskundige reservefondsen, bedoeld in artikel 52, 5° van de wet, zoals gevestigd op 31 december van het voorgaande jaar. Overeenkomstig artikel 8 van dit KB moeten de gemachtigde verzekeringsinstellingen de som van deze gevestigde reserves binnen de twee maanden na het einde van het jaar aan het FAO ter kennis brengen en moeten zij de bijdrage ten laatste op 31 maart betalen.

Wanneer in een dossier de herzieningstermijn in december verstrijkt en de verzekeraar het kapitaal vestigt in januari van het volgende jaar, dan wordt de wiskundige reserve pas gevestigd in de loop van dit jaar. De gemachtigde verzekeringsinstelling moet dit bedrag niet opnemen in de reservefondsen die aan het FAO moeten worden ter kennis gebracht en moet hierop geen bijdrage worden betaald vòòr 31 maart van dat jaar.


Cass. S.07.0051.F, 9 juni 2008 (Nationale Loterij t./ N.A., RSZ en RSVZ)

Aard arbeidsrelatie – Arbeidsovereenkomst – Gezag - Partijenkwalificatie

Wanneer de gegeven s die aan de beoordeling van de feitenrechter worden voorgelegd toelaten de kwalificatie die de partijen aan hun overeenkomst hebben gegeven, uit te sluiten, dan mag deze een andere kwalificatie in de plaats stellen.

Om de partijenkwalificatie van aannemingsovereenkomst te weerleggen en het bestaan van een gezagsverhouding aan te nemen, baseert de feitenrechter zich op een geheel van feitelijke elementen, waaronder:
1°) de uitoefening door de eiseres van de bevoegdheid om instrcuties te geven met betrekking tot de arbeidsplaats, permanenties op zaterdag, de redactie van een gedetailleerd rapport omtrent de taken en de hiervoor dagelijks benodigde werktijd, de verplichte bijwoning van opleidingen en de noodzaak om een akkoord te bekomen indien een opleiding niet kan worden bijgewoond
2°) de uitoefening door de eisereis van haar bevoegdheid om toezicht uit te oefenen op de activiteiten van de tegenpartij door deze te verplichten een aanwezigheidsregister in te vullen, die de prestatieuren vermeldt en door deze te verplichten in haar kantoor te “prikken” aan het begin en het einde van elke dag
3°) de toekenning van een vaste maandelijkse vergoeding
Het arrest beslist wettig dat de partijen zijn verbonden door een arbeidsovereenkomst.

Uit de vaststelling dat de eiseres aan haar tegenpartij éénzijdig heeft opgelegd om een aanwezigheidsregister in te vullen vanaf maart 1997, vermag de feitenrechter af te leiden dat de partijenkwalificatie niet meer overeenstemt met de uitvoering die aan de overeenkomst werd gegeven op dat ogenblik.


Cass., S.07.0082.F, 9 juni 2008 (RVA t. L.G.)

Werkloosheid – Beschikbaarheid voor arbeidsmarkt – Te leveren inspanningen – Controlebevoegdheid van de rechter

Overeenkomstig artikel 59quater, §5, eerste lid van het Werkloosheidsbesluit (ingevoegd bij KB van 4 juli 2004) licht de directeur die vaststelt dat een werkloze niet voldoende inspanningen heeft geleverd om zicht te integreren op de arbeidsmarkt, deze in van de negatieve evaluatie. De werkloze wordt onder andere uitgenodigd een geschreven overeenkomst te sluiten waarin hij zich ertoe verbindt concrete acties te ondernemen in de loop van de daaropvolgende maanden. Overeenkomstig het twee lid wordt deze concrete acties bepaald door de directeur rekening houdende met de specifieke situatie van de werkloze en de bestaande passende tewerkstellingscriteria die verplichtend of vrijblijvend worden vastgelegd door de minister na advies van het beheerscomité.

De feitenrechter mag het adequate of passende karakter van de door de overeenkomst opgelegde voorwaarden niet meer toetsen, maar heeft de bevoegdheid om na te gaan of de werkloze deze heeft nageleefd.


Cass., S.07.0099.F, 9 juni 2008 (RSZ t./ Techni-pack)

Maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling – Overdracht van personeel – Terugbetaling genoten voordelen

Wanneer wordt vastgesteld dat de netto-toename van het aantal werknemers het gevolg is van een overdracht van personeel die in hoofde van de werkgever in vergelijking met het trimester voorafgaand aan de overdracht, aanleiding heeft gegeven tot een vermindering van het arbeidsvolume, dan moet de werkgever overeenkomstig artikel 6 van de wet van 3 april 1995 de onterecht ontvangen voordelen geheel of gedeeltelijk terugbetalen.

Deze bepaling vereist niet dat er sprake zou zijn van een overdracht van personeel in de zin van Richtlijn 2001/23/EG en van CAO nr. 32bis betreffende de overdracht van onderneming


Cass., S.07.0113.F, 9 juni 2008 (HVW t./ V.V.)

Hanvest van de Sociaal Verzekerde – Rechtzetting eerder beslissing – Inwerkingtreding
Werkloosheid – Verwerping uitgave uitbetalinginstelling – Terugvordering onterecht betaalde prestatie

Wanneer blijkt dat een beslissing behept is met een materiële of juridische vergissing, neemt de sociale verzekeringsinstelling overeenkomstig artikel 17, eerste lid van het Handvest van de Sociaal Verzekerde het initiatief om een nieuwe beslissing te nemen die in werking treedt op datum waarop de rechtgezette beslissing in werking had moeten treden en dit zonder afbreuk te doen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake de verjaring. Dit artikel bepaalt in haar tweede lid ook dat, zonder afbreuk te doen aan artikel 18, wanneer de fout te wijten is aan de instelling van sociale zekerheid, de nieuwe beslissing in werking treedt op de eerste dag van de maand die volgt op de kennisgeving, wanneer het recht op de prestatie kleiner is dan deze die eerste werd erkend.

De Koning bepaalt krachtens artikel 18bis van de wet voor welke sociale zekerheidsregelingen of onderdelen hiervan een beslissing omtrent dezelfde rechten die werd genomen na een onderzeok van de wettigheid van de betaalde prestaties, voor de toepassing van artikel 17 en 18 van de wet niet wordt beschouwd als een nieuwe beslissing. De beslissingen bedoeld in artikel 164 van het Werkloosheidsbesluit worden krachtens artikel 166 van dit besluit voor de toepassing van artikel 17 en 18 van het Handvest niet beschouwd als nieuwe beslissingen. Het betreft de beslissingen van de RVA waarbij, na controle, de uitgaven van uitbetalingsinstellingen geheel of gedeeltelijk verwerpt.

De feitenrechter stelt vast dat de HVW onterecht prestaties heeft uitbetaald nadat een nieuwe beslissing reeds in werking was getreden en dat deze prestaties door de RVA als kosten van de uitbetalingsinstelling werden verworpen. De HVW vordert om die reden de onterecht betaalde prestaties terug van de sociaal verzekerde. Door artikel 17 van het Handvest toe te passen om de terugvordering van de onterecht betaalde prestaties te weigeren, schendt de feitenrechter de wet.

Overeenkomstig artikel 167, eerste lid, 4° van het Werkloosheidsbesluit is de uitbetalingsinstelling aansprakelijk voor voor de betalingen die zij heeft verricht en die het werkloosheidsbureau heeft verworpen of uitgeschakeld uitsluitend wegens een fout of nalatigheid die aan de uitbetalingsinstelling is te wijten, inzonderheid wanneer de stukken buiten de reglementaire termijn aan het werkloosheidsbureau zijn overgemaakt. De verwerping van een uitgave is exclusief te wijten aan een fout of een nalatigheid van de uitbetalingsinstelling wanneer het recht van de werknemer waarmee deze uitgave overeenstemt, bestaat onafhankelijk van deze fout of nalatigheid.


Cass., S.07.0022.F, 9 juni 2008 (RSZ t./ Pharmacie Liegeois)

Aard arbeidsrelatie – Arbeidsovereenkomst – Weerlegbaar vermoeden - Apotheker

Overeenkomstig artikel 3bis (nu quater) van de Arbeidsovereenkomstenwet wordt iedere apotheker die beroepsarbeid verricht in een voor het publiek opengestelde apotheek, geacht verbonden te zijn door een arbeidsovereenkomst voor bedienden ten aanzien van de natuurlijke of rechtspersoon die eigenaar of huurder is van de apotheek, tenzij het tegendeel wordt bewezen.

Het arrest van de feitenrechter stelt vast dat een apotheker die in zodanige apotheek prestaties levert, maandelijkse facturen opstelde met betrekking tot de variabele prestatie die hij leverde, dat hij afwezig kon blijven wanneer hij dat wenste, dat zijn afwezigheden niet onderhevig waren aan de toestemming van de tegenpartij doch enkel moesten meegedeeld worden met het oog op “een goede verstandhouding” en dat hij de enige verantwoordelijke was in de apotheek en aan niemand verantwoording moest afleggen.
Op grond van deze gegevens, die niet verenigbaar zijn met een gezagsverhouding, kon de feitenrechter wettig beslissen dat het vermoeden is weerlegd en dat de apotheker de hoedanigheid van zelfstandige heeft.

02 mei 2008

Mijn Restaurant! Knelpuntberoepen en ontslagmacht geïllustreerd op tv

door Koen Nevens

1. Een tv-programma zoals 'Mijn Restaurant!' dat op VTM wordt uitgezonden, kan de Europese Commissie, de Belgische federale regering en de Vlaamse regering allicht bekoren. Het past in het huidig beleid ter stimulering van "het ondernemerschap" (zie bijvoorbeeld het Groenboek over ondernemerschap in Europa) . Het programma biedt evenwel ook een kijk op het aanwerven, tewerkstellen en (vooral) ontslaan van personeel.

2. Zo daagden op 15 maart - naar aanleiding van een televisieoproep en allicht ook via andere kanalen (VDAB? uitzendkantoren?) - tal van sollicitanten op aan de deuren van de verschillende restaurants. Het beeld dat door VTM aan de kijker werd meegegeven, was dat van een relatieve overvloed aan ongeschoolde en te weinig of zelfs niet bekwame kandidaten (klik hier voor een impressie van een kijkster). Sommigen grepen allicht te hoog door te solliciteren voor sous-chef, maar vele kandidaten bleken zich bewust van hun "beperkingen" en solliciteerden zonder morren voor afwasser.

Door de "moordende" concurrentie onder de afwassers werden er waarschijnlijk tal van hen afgewezen, zij die dan vanuit sommige politieke hoek moeten horen werkonwillig te zijn en met argwaan de dagen tegemoet kijken waarin werkloosheidsuitkeringen in de tijd zullen worden beperkt. De opleidingsinspanningen die de horeca-sector in samenspraak met de VDAB levert, zijn dan ook meer dan aangewezen en moeten misschien op hun effectiviteit worden geëvalueerd. De vacatures voor chef-kok, sous-chef en maître d'hôtel geraakten immers minder gemakkelijk ingevuld. Het gaat duidelijk om "knelpuntberoepen".

In een rapport van 2006 zegt de VDAB het volgende over het knelpuntberoep van kok: "Specifiek voor chef-koks en sous-chefs is dat bijna altijd ervaring gevraagd wordt. Een geschoolde hulpkok (chef de partie) moet occasioneel de kok kunnen vervangen en dus ook een zeker niveau halen." Met betrekking tot zaalpersoneel leest men in het rapport: "Het beroep eis verder een goede fysieke geschiktheid, een goed voorkomen, sociale vaardigheden, vlotte communicatie en in toeristische centra ook meertaligheid. Deze elementen bemoeilijken de zoektocht naar personeel."

Opmerkelijk is dat verschillende van de deelnemers aan het tv-programma zich gelukkig mogen prijzen te mogen optreden als werkgever. Zowel de Oostendse als de Antwerpse deelnemers weten zelf niet meteen "een zeker niveau" te halen in de keuken en moeten vertrouwen op een aangeworven kok. Af en toe werd door de deelnemers zelf gealludeerd op het gebrek aan fysieke geschiktheid (wegens haar hogere leeftijd) en communicatievaardigheden van de Leuvense deelneemster. Tenslotte liet ook het "Fransjch" van de Oostendse deelneemster duidelijk te wensen over.

3. In de geschreven pers bleven ook de verschillende ontslagen die reeds na enkele weken werden doorgevoerd, niet onopgemerkt. Zo ontsloeg 'Oostende' de maître d'hôtel. Diens extreme vorm van arbeidsmobiliteit (van Antwerpen naar de kust en terug) liet hem helaas niet altijd toe zijn shift af te ronden... Ook 'Antwerpen' zette de maître op de keien, terwijl 'Leuven' een onhandige zaalmedewerker afdankte. Tenslotte beëindigde 'Oostende' ook de samenwerking met de chef-kok.

Het is geweten dat de horeca een hoog personeelsverloop kent, maar wat opvalt is hoe ongedwongen wordt omgegaan met het ontslag van een personeelslid, althans als we mogen voortgaan op de tv-beelden. Zo wordt het ontslag altijd meegedeeld in een onderling gesprek en ziet het niet ernaar uit dat een ontslagbrief wordt overhandigd (klik hier voor een voorbeeld). Die zou volgens artikel 37 Arbeidsovereenkomstenwet trouwens aangetekend moeten worden verstuurd, op straffe van absolute nietigheid. Eén ontslag werd zelfs telefonisch meegedeeld. De rechtsfiguur van de ontslagmacht vrijwaart "gelukkig" de doelmatigheid van het ontslag bij miskenning van de ontslagregels.

Af en toe wordt ook geredetwist over wie nu wie heeft ontslagen. De maître die in Oostende had gewerkt, kon zich op sollicitatiegesprek in Antwerpen niet meer herinneren dat hij een telefoontje had ontvangen en liet uitschijnen zelf ontslag te hebben genomen. De afgedankte Antwerpse maître oppert in de geschreven pers evenzeer zelf ontslag te hebben genomen. Hopelijk voor hen keren deze uitlatingen niet terug als een boomerang: hij die ontslag geeft zonder de vereiste termijn te respecteren, moet aan de tegenpartij immers een opzegvergoeding betalen gelijk aan het loon voor die termijn. Ook de RVA kan een ontslagname door de werknemer sanctioneren in het kader van de werkloosheidsverzekering.

Tenslotte lokte het ontslag door 'Oostende' van hun chef-kok ook wel wat twijfels uit met betrekking tot wie het aanwerven en ontslaan van personeel stuurt: de werkgevende koppels of het productiehuis van 'Mijn Restaurant!' en VTM? Zo berichtte de geschreven pers vrij uitgebreid over het feit dat het gerechtelijk verleden van de chef-kok door het productiehuis en/of VTM niet echt werd geapprecieerd en dan ook de reden tot ontslag zou zijn. In het tv-programma liet men evenwel uitschijnen dat de povere prestaties van de chef-kok de doorslag hadden gegeven. Hoe dan ook, tenzij het zou gaan om een ontslag om dringende redenen, en daar lijkt het niet op, is de reden tot ontslag van weinig tot geen belang. Naar Belgisch arbeidsrecht dient het ontslag in beginsel niet te worden gemotiveerd door de werkgever.

14 maart 2008

Tewerkstelling van asielzoekers

door Koen Nevens

1. De toegang tot de arbeidsmarkt van asielzoekers is zowel op juridisch als op maatschappelijk vlak een netelig probleem.

De tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten wordt geregeld door de wet van 30 april 1999 (BS 21 mei 1999) en het KB van 9 juni 1999 (BS 26 juni 1999), dat werd aangepast door het KB van 6 februari 2003 (BS 27 februari 2003).

Dit laatste besluit had vanuit een oogmerk van administratieve vereenvoudiging tot doel elke vorm van bureaucratie op het gebied van de toegang tot de arbeidsmarkt van vreemdelingen te bannen door de reglementering op te bouwen rond het principe van samenhang tussen het recht op verblijf en het recht op werk (Verslag aan de Koning bij het K.B.) Voor een reeks tussensituaties, waaronder expressis verbis de ontvankelijk verklaarde kandidaat-vluchtelingen moeten worden begrepen, werd daarom voorzien in een nieuw en soepel regime van de arbeidskaart C (zie voor een bespreking J. Barbé en B. Lietaert, “Toegang tot de belgische arbeidsmarkt”, TSR 2004, 534-541). Erkende vluchtelingen zijn vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart (art. 2, 3° KB 9 juni 1999).

2. Hoewel nog steeds in voege, is de regeling inzake de arbeidskaart C eigenlijk achterhaald. De wetten van 15 september 2006 (BS 6 oktober 2006) hebben de asielprocedure sedert 1 juni 2007 op een niet onbelangrijke wijze aangepast. Het onderscheid tussen ontvankelijk en niet-ontvankelijk verklaarde asielzoeker verdwijnt immers.

In een zoveelste omzendbrief (BS 18 juni 2007) bepaalde de voormalige minister van werk dat vanaf 1 juni 2007 de arbeidskaart C niet kan worden toegekend aan asielzoekers die niet vòòr die datum ontvankelijk werden verklaard. Zij die na die datum een asielvraag hebben ingediend, zijn van de arbeidsmarkt uitgesloten tot dat er in hun dossier een beslissing is genomen.

Dit lijkt mogelijk een stap achteruit, omdat ons land nog steeds geen omzetting heeft gegeven aan artikel 11 van de zogenaamde Opvangrichtlijn (2003/9/EG). Dit artikel bepaalt:

  • De lidstaten stellen een tijdsspanne vast, te rekenen vanaf de datum van indiening van het asielverzoek, gedurende welke een asielzoeker geen toegang heeft tot de arbeidsmarkt.
  • Indien één jaar na de indiening van het asielverzoek in eerste aanleg geen beslissing is genomen en deze vertraging niet aan de asielzoeker te wijten is, bepalen de lidstaten onder welke voorwaarden asielzoekers toegang tot de arbeidsmarkt krijgen.
  • De toegang tot de arbeidsmarkt wordt niet ongedaan gemaakt tijdens een beroepsprocedure, indien beroep tegen een negatieve beslissing in een normale procedure schorsende werking heeft, en wel tot het tijdstip van de kennisgeving van een negatieve beslissing over het beroep.
  • Om redenen van arbeidsmarktbeleid kunnen de lidstaten voorrang geven aan EU-onderdanen en onderdanen van staten die gebonden zijn door de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, alsook aan onderdanen van derde landen die legaal op hun grondgebied verblijven

Het valt af te wachten welke termijn en welke voorwaarden de Belgische overheid zal vastleggen met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkt. Artikel 11 van de richtlijn lijkt in elk geval geen directe werking te hebben en is eerder asielzoeker-onvriendelijk (zie ook de Nota van Vluchtelingenwerk Vlaanderen).

Men kan alleen maar hopen dat niet wordt hervallen in een op een omzendbrief gesteunde administratieve praktijk, zoals die gangbaar was tot het KB van 6 februari 2003 (zie hieromtrent Omz. 26 april 1994 betreffende de voorlopige toelating van tewerkstelling voor kandidaat-vluchtelingen (asielzoekers), BS 30 april 1994; M.-C. Foblets, S. D’Hondt en S. Boeckaert, “De wankele regeling inzake het recht op werkloosheidsuitkeringen van vreemdelingen met precair verblijf. Met grondrechten en fundamentele rechtsbeginselen op zoek naar houvast”, T. Vreemd. 2000, 258).


3. Het enige wat men op politiek niveau van asielzoekers lijkt te tolereren is vrijwilligerswerk. Om die reden werd in artikel 9 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers (BS 29 augustus 2005) bepaalt dat deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, onder de door de Koning te bepalen voorwaarden, niet van toepassing is op het vrijwilligerswerk. Terzake is er nog geen K.B. uitgevaardigd, zodat de vraag rijst of deze wet op dit ogenblik wel effectief buitenspel is gezet. Zo niet, dan zijn asielzoekers zelfs van dit soort werk uitgesloten, tenzij hun aanvraag vòòr 1 juni 2007 ontvankelijk werd verklaard.


Hoe dan ook, dit artikel werd ingevoerd op voorstel van volksvertegenwoordigster Van Gool (amendement nr. 8, Parl. St. Kamer 2004-2005, nr. 455/3 en amendement nr. 47, Parl. St. Kamer 2004-2005, nr. 455/4, 14). Zij wou een einde maken aan de bestaande praktijk die enkel vreemdelingen met onbeperkt verblijfsrecht in België en gezinsvormers die huwen met een Belg of een EU-onderdaan vrijstelt van een arbeidskaart en dus enkele deze toelaat op legale basis vrijwilligerswerk te verrichten. De bedoeling was vooral asielzoekers, met het oog op hun integratie, de gelegenheid te bieden vrijwilligerswerk te verrichten.

De uitsluiting van vrijwilligerswerk uit de Wet Buitenlandse Arbeidskrachten getuigt niet meteen van wetgevingstechnische coherentie. Zo kan eraan worden herinnerd dat de wetgever in 1999 resoluut heeft geopteerd om inzake het personele toepassingsgebied van deze wet geen uitsluitingen te voorzien, maar de voorkeur te geven aan een regime van vrijstellingen. “Op die manier blijven deze personen in principe wél onderworpen aan de nieuwe wet. Dit is van belang wanneer deze personen betrokken zouden zijn bij één van de misdrijven die strafbaar worden gesteld in artikel 12 van het wetsontwerp.”(Parl. St. Kamer 1998-1999, nr. 2072/3, 7. Zie H. VERSCHUEREN, Grensoverschrijdende arbeid, Brugge, Die Keure, 2001, 14-15). Art.9 van de Vrijwilligerswet doorbreekt dus de coherentie van het systeem inzake arbeidsvergunningen en –kaarten.


Sedert de wet van 12 januari 2007 (BS 7 mei 2007) kan de opgevangen asielzoeker ook "gemeenschapsdienst" in het opvangcentrum. Deze activiteit geschiedt overeenkomstig de wet niet in het kader van een arbeidsovereenkomst en de uitbetaalde (verhoogde) dagvergoeding wordt niet gezien als zijnde een bezoldiging. Of dit voldoende is om deze personen pakweg uit de Welzijnswet uit te sluiten, kan worden betwijfeld aangezien deze wetten zelfs van toepassing zijn op personen die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verricht onder gezag van een andere persoon.

Het vonnis van de correctionele rechtbank te Brugge (4 juni 1992, TBR 1993, 88) waarbij werd geoordeeld dat de bepalingen van de Sociale Documentenwet niet van toepassing zijn op het aanleren van het beroep van kaasmaker op een geiten- en schapenbedrijf aan een asielaanvrager, omdat deze activiteit niet kadert binnen de normale arbeidsverhoudingen, kan niet meteen worden bijgetreden. Op de relevante vraag of het hier om arbeid onder gezag ging die al dan niet in het kader van een arbeidsovereenkomst werd gepresteerd, ging de correctionele rechter immers niet in. Kortom, het was een juridisch weinig onderbouwd billijkheidsoordeel.


4. Asielzoekers toelaten vrijwilligerswerk te verrichten met het oog op hun integratie is lovenswaardig, maar het valt niet in te zien waarom men vanuit eenzelfde optiek aan deze personen dan op het Belgische grondgebied arbeid in loondienst zou ontzeggen. Het aanhoudende heen-en-weer van de wetgever en de regering is vermoeiend en op juridisch vlak rijdt men zich soms wel eens vast, al is men zich daar allicht niet van bewust.

Ter illustratie, geef ik (onder het nodige voorbehoud) het volgende syllogisme mee:

  • De wet Buitenlandse Arbeidskrachten is in beginsel van toepassing op iedere buitenlander die onder gezag arbeid verricht voor een andere persoon, ongeacht of dit geschiedt in het kader van een arbeidsovereenkomst (art. 3, 1°);
  • Asielzoekers die vrijwilligerswerk of gemeenschapsdienst verrichten kunnen worden beschouwd als met werknemers gelijkgestelden (contra Corr. Brugge);
  • De uitsluiting van vrijwilligers uit de wet Buitenlandse Arbeidskrachten wacht nog steeds op uitvoering en is daarom mijns inziens nog niet in voege;
  • Kortom, asielzoekers die vrijwilligerswerk of gemeenschapsdienst willen verrichten (!), moeten een arbeidskaart C aanvragen, ook al gaat het niet om arbeid in loondienst krachtens een arbeidsovereenkomst (!!).

Zodanige arbeidskaart C kan een asielzoeker sedert 1 juni 2007 echter niet krijgen, tenzij hun aanvraag ontvankelijk werd verklaard vòòr die datum (!!!).

Volgende keer: werkloosheidsuitkeringen voor asielzoekers die arbeid in loondienst hebben verricht...

13 februari 2008

VDAB beschouwt uitzendarbeid als volwaardig werk

door Wim Vandeputte

1. Uitzendarbeid blijft voor velen een gevoelig thema. Dat blijkt nog maar eens uit de recente berichtgeving over de sociale en de politieke actualiteit.

Op 12 februari 2008 pakte De Standaard uit met de mededeling dat de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) voortaan uitzendjobs als volwaardige jobs zal beschouwen in het kader van het Jeugdwerkplan. Vlaamse jongeren die een uitzendbaan weigeren zullen als werkonwillig bestempeld worden, met mogelijk een verlies aan werkloosheidsuitkeringen tot gevolg.

Amper een week eerder kondigde de voorzitter van ABVV-Metaal, Herwig Jorissen, nog aan een grootscheepse campagne te zullen beginnen tegen “de uitbuiting van uitzendkrachten”. Ongeveer tegelijkertijd lieten de parlementsleden Hans Bonte en Meryame Kitir (SP.A) weten een wetsvoorstel in de Kamer te zullen indienen ter verbetering van het statuut van de uitzendkracht.

2. Het standpunt van de VDAB is opmerkelijk omdat het ingaat tegen een aantal fundamentele bezwaren en beperkingen die in het Belgische sociale bestel onmiddellijk de kop opsteken als het gaat over uitzendarbeid.

De meest fundamentele bezwaren tegen het gebruik van uitzendarbeid gaan terug op de opvatting dat uitzendarbeid in se een minderwaardige vorm van arbeid is. Het precaire statuut van werknemers tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid is volgens sommigen onlosmakelijk verbonden met het bestaan van deze vorm van tewerkstelling. In bepaalde vakbondskringen is deze opvatting nooit veraf (zie bijvoorbeeld: http://www.vlaamsabvv.be/online/artikel.asp?pid=6696&artikel=4419&rubriek=1).

Deze opvatting ligt ook aan de basis van een aantal beperkingen die in het Belgische recht zijn ingebouwd in verband met het gebruik van uitzendarbeid. Volgens artikel 21 van de Wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, is uitzendarbeid enkel mogelijk in de gevallen van toegelaten tijdelijke arbeid: tijdelijke vervanging van een vaste werknemer, tijdelijke vermeerdering van werk en uitvoering van een uitzonderlijk werk. Daarmee wordt als principe vooropgesteld dat uitzendarbeid slechts in uitzonderlijke omstandigheden toelaatbaar is en dat het moet gaan om een tijdelijke vorm van arbeid. Maar in de praktijk wordt door bedrijven ook op een oneigenlijke manier gebruik gemaakt van uitzendarbeid als rekruteringskanaal. Uitzendarbeid bekleedt zelfs de derde plaats in de ranglijst van de meest gebruikte rekruteringskanalen, na de informele kanalen en de werkaanbiedingen in de pers (C. Delbar en E. Léonard, Le travail intérimaire – rapport national: Belgique, European Foundation for the Improvement of Living and Working Conditions, 2002). Gelet op de beperkingen ingeschreven in de Wet van 24 juli 1987, kan het rekruteren van werknemers met het oog op een vaste betrekking echter niet als motief ingeroepen worden om uitzendkrachten tewerk te stellen.

In het licht van de huidige regelgeving is het standpunt van de VDAB bijgevolg meer dan een fait divers. Niet alleen bevestigt de VDAB op deze manier de principiële gelijkwaardigheid van uitzendarbeid en meer stabiele vormen van tewerkstelling, maar daarenboven houdt het ingenomen standpunt ook onrechtstreeks een erkenning in van de functie van uitzendarbeid als opstap naar vast werk.

3. Principieel verzet tegen uitzendarbeid is niet meer dan een achterhoedegevecht. In plaats van elke intrinsieke waarde aan het fenomeen uitzendarbeid te ontzeggen en de klemtoon te leggen op een al te restrictieve benadering, is het beter om de ongewenste gevolgen van het statuut van uitzendkracht zoveel mogelijk weg te werken. Een verbetering van de rechtspositie van de individuele uitzendkrachten en een adequate handhaving van de bestaande regels moeten daarom de belangrijkste prioriteiten zijn. De houding van Nederland, dat ernaar streeft om een liberale visie op uitzendarbeid te combineren met een versterking van de rechten van uitzendkrachten, kan daarbij als inspiratiebron dienen.

4. Het aangekondigde wetsvoorstel van Hans Bonte en Meryame Kitir komt voor een stuk aan deze verzuchting tegemoet (voor een eerste draft, zie: http://www.abvvmetaal.be/files/files/Actualiteit/wetsvoorstel_241007_zonder_verhaal_dagcontracten.pdf).

Belangrijke krachtlijnen van het voorstel zijn: (a) het remediëren van de onbillijke gevolgen van het overmatig gebruik van dagcontracten in de uitzendsector bij ziekte en voor feestdagen; (b) het meetellen van de als uitzendkracht gepresteerde dagen bij de berekening van de proefperiode en de anciënniteit in de onderneming; (c) een verhoogde responsabilisering van de gebruiker op het vlak van de arbeidsveiligheid door deze verantwoordelijk te stellen voor de gevolgen van een arbeidsongeval voor de in zijn onderneming tewerkgestelde uitzendkrachten.

Daarnaast willen de opstellers van het voorstel ook bekomen dat uitzendkrachten die gedurende een periode van dertien weken minstens zestig arbeidsdagen als uitzendkracht bij dezelfde gebruiker hebben gewerkt, automatisch met die gebruiker verbonden worden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Met deze laatste maatregel grijpt men terug naar een engere benadering van de mogelijkheidsvoorwaarden van uitzendarbeid. Het risico dat velen het voorstel in zijn huidige vorm als onbespreekbaar zullen afdoen, is daarom zeker niet denkbeeldig.