Posts tonen met het label sociale grondrechten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sociale grondrechten. Alle posts tonen

07 juli 2011

Advocaat-generaal bij het Hof van Justitie spreekt zich uit over overdraagbaarheid van het recht op jaarlijkse vakantie

concl. adv.-gen. Trstenjak bij HvJ, C-214/10

De richtlijn betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd verleent elke werknemer een recht op jaarlijkse vakantie. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat dit recht op jaarlijkse vakantie ook in het geval van langdurige ziekte onaantastbaar is.

De heer Schulte was vanaf april 1964 als bankwerker in dienst bij KHS respectievelijk haar rechtsvoorgangster. Op grond van de op zijn arbeidsovereenkomst toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst bedroeg zijn recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon 30 werkdagen per jaar. Op 23 januari 2002 had Schulte een infarct. Daarna was hij in revalidatie, waarna hij arbeidsongeschikt werd verklaard. Vanaf 1 oktober 2003 ontving de heer Schulte voor onbepaalde tijd een uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid, alsmede een invaliditeitspensioen, aangezien hij sinds 2002 zwaar gehandicapt is. Op 25 augustus 2008 kwamen KHS en Schulte uiteindelijk overeen de arbeidsverhouding te beëindigen met ingang van 31 augustus 2008.

Op 18 maart 2009 stelde Schulte bij het Arbeitsgericht Dortmund een vordering in tot uitbetaling van de vakantie voor 2006 tot en met 2008 voor telkens 35 werkdagen, zijnde in totaal 9 162,30 EUR. Het Arbeitsgericht heeft in zijn vonnis van 20 augustus 2009 de uitbetaling van het wettelijke recht op een minimumaantal van 20 vakantiedagen en 5 verlofdagen als zwaar gehandicapte voor de periode van 2006 tot en met 2008, dus 6 544,50 EUR toegekend en het beroep voor het overige verworpen. Tegen deze veroordeling heeft KHS hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, het Landesarbeitsgericht Hamm. Het constateerde dat het recht van Schulte op vakantie voor 2006 op basis van de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst per 3 maart 2008 was vervallen.

Aangezien Schulte voor een periode langer dan het tijdvak van overdracht en tot het einde van zijn arbeidsverhouding om gezondheidsredenen niet alleen volledig arbeidsongeschikt, maar ook volledig invalide was, heeft hij dus, zoals het Hof van Justitie in de zaak Schultz-Hoff e.a. heeft geoordeeld, tot het einde van zijn arbeidsverhouding geen gebruik kunnen maken van zijn recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon. Bijgevolg wenst de verwijzende rechter van het Hof van Justitie te vernemen of het Unierecht, zoals door het Hof van Justitie in zijn rechtspraak uitgelegd, het cumuleren van het recht van de werknemer op vakantie met behoud van loon over meerdere jaren voorschrijft, en zulks ook wanneer deze – vanwege langer durende arbeidsongeschiktheid – niet in staat was gebruik te maken van zijn recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon, en of de lidstaten in een beperking in de tijd van 18 maanden voor deze rechten mogen voorzien.

In haar conclusie verduidelijkt advocaat-generaal Verica Trstenjak om te beginnen, dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat dit recht op jaarlijkse vakantie ook in het geval van langdurige ziekte onaantastbaar is. Zij stelt dat dit ook geldt voor het recht op financiële vergoeding van de niet opgenomen jaarlijkse vakantie, dat niet mag worden geweigerd met het argument dat op grond van een lange periode van ziekteverlof geen gebruik kan worden gemaakt van het recht. Dat recht, waarin het recht op vakantie met de beëindiging van de arbeidsverhouding wordt omgezet, beoogt uiteindelijk de werknemer financieel in staat te stellen zijn jaarlijkse vakantie alsnog op te nemen en zulks onder vergelijkbare voorwaarden als die welke zouden gelden wanneer hij gewoon in dienst zou zijn en vakantiegeld zou krijgen. Een in de tijd onbegrensde cumulering van het recht op vakantie respectievelijk de financiële vergoeding van die rechten is volgens advocaat-generaal Trstenjak Unierechtelijk niet vereist om het met de richtlijn in wezen nagestreefde doel van vakantie te bereiken.

In die context benadrukt de advocaat-generaal dat het doel van de jaarlijkse vakantie, te weten uitrusten van de inspanningen en de stress van het werkjaar en uit de ontspanning en de vrije tijd tijdens de vakantie nieuwe kracht putten voor de rest van het werkjaar, niet wordt bereikt door deze vakantie pas jaren later op te nemen. Een cumulering van recht op vakantie over meerdere jaren in de zin van een verdubbeling of zelfs verdrievoudiging van de minimale vakantieperiode versterkt de ontspannende werking ervan niet. Bovendien zijn de nadelen die voor de werkgever ontstaan zowel uit een lange afwezigheid van de werknemer alsmede uit een financiële belasting door een cumulering van vakantierechten respectievelijk de financiële vergoeding van die rechten in aanleg geëigend zijn om de werkgever onder omstandigheden ertoe aan te zetten om bij voorkeur in een vroeg stadium de arbeidsverhouding met langdurig zieke werknemers te beëindigen, teneinde deze nadelen te voorkomen. Wat betreft het recht op de financiële vergoeding voert de advocaat-generaal aan dat een onbeperkte cumulering bij de werknemer de onjuiste verwachting kunnen doen postvatten dat hij in plaats van een vervanging van vakantierechten recht heeft op een afkoopregeling naar aanleiding van de beëindiging van zijn arbeidsverhouding.

In verband met de beperking in de tijd van de mogelijkheid om aanspraak te maken op reeds verworven vakantierechten respectievelijk de financiële vergoeding ervan wijst advocaat-generaal Trstenjak allereerst een volledig verval van deze rechten af. In het bijzonder in een situatie van langdurige ziekte van de werknemer kan hij het automatische, volledige verval van het recht op vakantie door het verstrijken van de tijd niet voorkomen. Wat betreft de door de verwijzende rechter genoemde termijn van 18 maanden na afloop waarvan recht op vakantie respectievelijk de financiële vergoeding van die rechten vervallen, wijst de advocaat-generaal erop dat een dergelijke termijn recht doet aan de beschermingsdoelstelling van de richtlijn betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd aangezien de werknemer hiermee tot tweeënhalf jaar de tijd zou hebben om zijn minimumaantal vakantiedagen over een bepaald vakantiejaar op te nemen. Tegelijkertijd zou de werkgever de zekerheid hebben dat geen sprake zal zijn van een onbeperkte cumulering van het recht op vakantie en de hiermee verbonden problemen bij de werkplanning, of van zware financiële lasten die gepaard gaan met de over langere periodes gecumuleerde vergoedingsrechten.

Advocaat-generaal Trstenjak komt dus tot de slotsom dat een begrenzing van het tijdvak van overdracht tot achttien maanden, waarna de vakantierechten van de werknemer vervallen, lang genoeg en daarmee uiteindelijk geschikt lijkt om de werknemer de mogelijkheid te bieden om daadwerkelijk gebruik te kunnen maken van het recht op jaarlijkse vakantie. De advocaat-generaal benadrukt echter dat de periode van 18 maanden een richtwaarde is, die voor de lidstaten bij de omzetting in het nationale recht zo veel mogelijk als uitgangspunt moet dienen. Bij gebreke van een in de gehele Unie geldende regeling hebben de lidstaten de bevoegdheid om rekening houdend met de grenzen van de richtlijn, ook andere regelingen vast te stellen. Een overdrachtsmogelijkheid van slechts zes maanden5 acht de advocaat-generaal echter onvoldoende.

16 juni 2011

Domestic workers worldwide under the realm of labour standards

GENEVA, (ILO News) – The government, worker and employer delegates at the 100th annual Conference of the International Labour Organization (ILO) on Thursday, 16 June adopted a historic set of international standards aimed at improving the working conditions of tens of millions of domestic workers worldwide.

“We are moving the standards system of the ILO into the informal economy for the first time, and this is a breakthrough of great significance,” said Juan Somavia, ILO Director-General. “History is being made.”

Conference delegates adopted the Convention on Domestic Workers (2011) by a vote of 396 to 16, with 63 abstentions and the accompanying Recommendation by a vote of 434 to 8, with 42 abstentions. The ILO is the only tripartite organization of the UN, and each of its 183 Member States is represented by two government delegates, and one employer and one worker delegate, with an independent vote.

The two standards will be the 189th Convention and the supplementing 201st Recommendation adopted by the Labour Organization since its creation in 1919. The Convention is an international treaty that is binding on Member States that ratify it, while the Recommendation provides more detailed guidance on how to apply the Convention.

The new ILO standards set out that domestic workers around the world who care for families and households, must have the same basic labour rights as those available to other workers: reasonable hours of work, weekly rest of at least 24 consecutive hours, a limit on in-kind payment, clear information on terms and conditions of employment, as well as respect for fundamental principles and rights at work including freedom of association and the right to collective bargaining.

Recent ILO estimates based on national surveys and/or censuses of 117 countries, place the number of domestic workers at around 53 million. However, experts say that due to the fact that this kind of work is often hidden and unregistered, the total number of domestic workers could be as high as 100 million. In developing countries, they make up at least 4 to 12 per cent of wage employment. Around 83 per cent of these workers are women or girls and many are migrant workers.

The Convention defines domestic work as work performed in or for a household or households. While the new instruments cover all domestic workers, they provide for special measures to protect those workers who, because of their young age or nationality or live-in status, may be exposed to additional risks relative to their peers, among others.

According to ILO proceedings, the new Convention will come into force after two countries have ratified it.

“Bringing the domestic workers into the fold of our values is a strong move, for them and for all workers who aspire to decent work, but it also has strong implications for migration and of course for gender equality,” Mr. Somavia said.

In its introductory text, the new Convention says that “domestic work continues to be undervalued and invisible and is mainly carried out by women and girls, many of whom are migrants or members of disadvantaged communities and who are particularly vulnerable to discrimination in respect of conditions of employment and work, and to other abuses of human rights.”

Michelle Bachelet, Executive Director of UN Women, in her address to the Conference Committee, said that the deficit of decent work among domestic workers “can no longer be tolerated,” adding that UN Women would support the process of ratification and application of the new ILO instruments.

“We need effective and binding standards to provide decent work to our domestic workers, a clear framework to guide governments, employers and workers,” said Halimah Yacob, the Workers Vice-Chair from Singapore. She noted that the collective responsibility was to provide domestic workers with what they lacked most: recognition as workers; and respect and dignity as human beings.

Paul MacKay from New Zealand, the Employers Vice-Chair declared: “We all agree on the importance of bringing domestic work into the mainstream and responding to serious human rights concerns. All employers agree there are opportunities to do better by domestic workers and the households and families for whom they work”.

“Social dialogue has found its reflection in the results achieved here,” concluded the Chair of the Committee, Mr. H.L. Cacdac, Government delegate from the Philippines, when he closed the discussion.

“This is a truly major achievement,” said Manuela Tomei, Director of the ILO’s Conditions of Work and Employment Programme, calling the new standards “robust, yet flexible.” Ms. Tomei added that the new standards make clear that “domestic workers are neither servants nor ‘members of the family’, but workers. And after today they can no longer be considered second-class workers.”

The adoption of the new standards is the result of a decision taken in March 2008 by the ILO Governing Body to place the elaboration of an instrument on the agenda of the Conference. In 2010, the Conference held its first discussion and decided to proceed with the drafting of a Convention supplemented by a Recommendation adopted today.

28 april 2010

Analyse van de Inbev-rechtspraak: collectieve actie, staking en kortgeding

door J. Buelens en M. Petre

De Inbev-rechtspraak, die begin 2010 totstandkwam luidt mogelijks een kentering in met betrekking tot het gebruik van eenzijdige verzoekschriften in collectieve conflicten. Voor de eerste keer werd het eenzijdig verzoekschrift van een werkgever drie van de vier keer afgewezen door de rechtbanken en hoven. Dit resultaat is te danken aan de procedures op derdenverzet die ingeleid werden in de zaak-Carrefour. Alle uitspraken kan u hier nalezen. (Onderaan bij bijhorende documenten: Beschikking Inbev Leuven - Luik, Arrest Inbev Brussel - Luik)

Interessante elementen uit de uitspraken

Zowel de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven als deze te Luik en het Hof van Beroep te Luik hebben het eenzijdig verzoekschrift afgewezen. Enkel het Hof van Beroep te Brussel ging in op het eenzijdig verzoekschrift, maar werd geconfronteerd met een dagvaarding in derdenverzet vanwege de stad Leuven, evenals van haar burgemeester. Na deze interventie kwam een akkoordarrest tot stand dat de modaliteiten van de tussenkomst van de openbare machten beperkte.

In wat hierna volgt overlopen we de interessante gegevens uit de diverse uitspraken:

a) De beschikking van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven

Met een beschikking van 11 januari 2010 werd het eenzijdig verzoekschrift ontvankelijk, doch ongegrond verklaard. Wat de ontvankelijkheid betreft, vermeldt de rechtbank dat het “recht op arbeid” van de eventueel werkwillige werknemers niet kan worden ingeroepen door de werkgever. Het is niet haar eigen belang. Wat de grond van de zaak betreft, wordt het stakingsrecht primair gekaderd in het Europees Sociaal Handvest waarin het erkend is in artikel 6 en de beperkingen in artikel 31 worden omschreven. De mogelijkheid tot rechterlijk optreden wordt evenwel ruimer gezien dan artikel 31, met name wanneer handelingen worden gesteld die de grenzen van uitoefening van het stakingsrecht kennelijk overschrijden, zodat deze als feitelijkheden kunnen worden beschouwd. Deze invulling correspondeert met het arrest van het Hof van Cassatie van 31 januari 1997, temeer daar in de beschikking als voorbeeld van dergelijke feitelijkheid het geweld op personen en/of goederen wordt aangehaald. Deze grens wordt door Laenens en Rigaux uit het cassatiearrest afgeleid in hun commentaar bij het arrest.

Alleszins expliciteert de rechtbank in een belangrijke passage dat het blokkeren van de aanlevering van grondstoffen aan en van de uitlevering van de afgewerkte produkten van het stakende bedrijf tot de normale uitoefening van het stakingsrecht hoort. Geweld wordt niet bewezen verklaard en blijkt niet uit de vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder. De overweging dat geen enkel element aantoont dat de overgrote meerderheid van werkwillige werknemers zich verzetten tegen deze blokkades, lijkt me weinig toe te voegen aan de beschikking. Een belangrijke toevoeging is wel dat het feit dat de actie op korte termijn schade berokkent aan het eigendomsrecht en de vrijheid van nijverheid van de werkgever evident en onvermijdelijk is.

Belangrijk is dat de rechter stelt dat de opportuniteit van de staking niet door hemzelf beoordeeld kan worden, aangezien hij zich in dat geval zou mengen in de beslissing van een collectief arbeidsgeschil dat in de huidige stand van de wetgeving essentieel via overleg dient opgelost te worden, wat stakingsakties echter niet uitsluit. Hierbij toont de rechter eerbied voor de principiële optie van de wetgever, zoals geconsacreerd in artikel 38.2 van de CAO-wet en artikel 578,3° van het Gerechtelijk Wetboek.

b) De beschikking van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Luik

Met een beschikking van 11 januari 2010 werd het eenzijdig verzoekschrift ontvankelijk, doch ongegrond verklaard. Wat de grond van de zaak betreft, stelt de voorzitter in eerste instantie dat het stakingsrecht noodzakelijkerwijze een inbreuk uitmaakt op de belangen en rechten van de werkgever en stelt algemeen dat de rechterlijke macht slechts kan tussenkomen wanneer men de sociaal aanvaardbare grenzen van de uitoefening van het stakingsrecht overschrijdt. Dit is het geval als het recht misbruikt wordt of als er geweld ten opzichte van personen of goederen gepleegd wordt. Hierbij wordt expliciet verwezen naar het cassatiearrest van 31 januari 1997 en de beslissing van de voorzitter van de Rechtbank van Brussel van 6 december 2001. Toegepast in de situatie in casu stelt de Rechtbank dat er geen feiteljkheid voorhanden is: het werkwillig personeel heeft toegang tot de site en er is geen enkele geweldpleging die wordt ingeroepen. De vordering wordt afgewezen.

c) De beschikking van het Hof van Beroep te Luik

Het Hof van Beroep te Luik bevestigde de beslissing bij arrest van 14 januari 2010.Inzake de ontvankelijkheid stelt het Hof dat het gaat om een perfect voorzienbare collectieve actie, georganiseerd door de representatieve werknemersorganisaties en de vakbondsafgevaardigden, waarvan de werkgever de identiteit kent. In die omstandigheden kon een tegensprekelijke procedure worden gevoerd, wat nog steeds de regel is. Het Hof verbindt hier echt niet onmiddellijk een gevolg aan. In plaats van het oorspronkelijk eenzijdig verzoekschrift als onontvankelijk af te wijzen, gaat ze toch in op de feitelijkheden zelf. Ze beslist daartoe omdat het voor haar onduidelijk is of de zogenaamde feitelijkheden beslist werden door de organisaties resp. afgevaardigden. Dit standpunt kan verbazen. Zelfs indien het relevant zou zijn van wie de beslissing kwam, komt het aan de werkgever toe om te bewijzen dat bepaalde zogenaamde feitelijkheden losstaan van de syndicale actie, temeer daar er in een eenzijdige procedure geen tegenpartij aanwezig is.

Voor de beoordeling van de grond van de zaak plaatst ze het conflict duidelijk in haar socio-economische context: ze stelt dat het stakingsrecht het enige economische drukkingsmiddel is dat geleid heeft tot de arbeidswetgeving en de erkenning van de menselijke waardigheid. Deze band met de grondrechten is belangrijk. Vervolgens haalt ze aan dat druk nodig is om te bereiken wat niet spontaan gegeven wordt en dat een multinationaal bedrijf alleen een economische en financiële berekening maakt. Het is in die context dan ook toegestaan om dezelfde of grotere schade te veroorzaken aan de werkgever dan de schade die de werknemers lijden. Dit wordt vervolgens toegepast door te stellen dat in casu de staking als gevolg heeft dat de werkgever geen winst maakt en dat hij tegelijkertijd loon moet betalen aan de werkwillige werknemers.
Het Hof stelt verder dat werknemers die tegen een collectief ontslag opkomen, dat doen ter bescherming van de werkgelegenheid, hetgeen een nationaal doel uitmaakt. Stakingsrecht moet op dezelfde hoogte worden geplaatst worden als andere rechten. Ten slotte stelt het Hof dat het zich niet in de markt mag mengen, tenzij wettelijke bepalingen daarin tussen komen. De rechterlijke interventie ingeval van staking is derhalve gelimiteerd tot inbreuken op het leven of de fysieke integriteit of een vitaal belang. Met deze laatste formulering verwijst ze impliciet naar de wet prestaties algemeen belang. Dit laatste aspect wordt overigens op grappige wijze toegepast door te stellen dat de bierconsumptie geen vitaal belang van de natie uitmaakt. De fysieke integriteit wordt echter op een vreemde wijze gelieerd aan het feit dat niet-stakers niet zouden kunnen werken. Aangezien ook dat niet bewezen is, wordt het beroep ongegrond verklaard.

d) De beschikking van het Hof van Beroep te Brussel

In het arrest van 12 januari 2010 heeft het Hof van Beroep het verzoekschrift van de werkgever wel ontvankelijk en gegrond verklaard op een manier die we kennen. In al haar voortvarendheid stelde het hof dat de werkgever beroep kon doen op de openbare macht “om het geheel dispositief, desnoods met fysieke dwang, te doen naleven”.
Deze formulering schoot in het verkeerde keelgat bij de burgemeester van de stad Leuven en de stad zelf, die prompt beslisten op 19 janauari derdenverzet in te stellen. Het derdeverzet was gericht tegen drie bepalingen uit het beschikkend gedeelte, namelijk 1/ dat de openbare macht gevorderd kon worden om elk voertuig dat toegang of ingang verhindert, te verwijderen 2/ dat de openbare macht de identiteit kon opnemen van aktievoerders die geen gevolg gaven aan vernoemde bevelen en 3/ dat de openbare macht het hele dispositief van het arrest indien nodig met fysieke dwang moest naleven. Uiteindelijk werd een akkoord tussen partijen geakteerd op 20 januari 2010, waarbij de modaliteiten slechts licht werden gewijzigd.
Het belang van deze zaak ligt echter vooral in de dagvaarding in derdenverzet, aangezien deze de interpretatie bijtreedt dat het optreden van de openbare macht beperkt is tot hetgeen vervat ligt in artikel 44 wet politieambt, namelijk het bijstaan van de deurwaarder en het helpen bij de uitvoering. De rechter kan niet aan de politiediensten bevelen dat zij zelf de materiële handelingen ter uitvoering van de gerechtelijke beslissing zouden moeten stellen, aangezien dit toekomt aan de gerechtsdeurwaarder. Ter informatie kan verwezen worden naar een recente beschikking in de zaak-Touring (Voorz. Rb. Brussel 9 december 2009), die weliswaar een beschikking afleverde, maar zich onbevoegd verklaarde met betrekking tot de opdrachten aan de openbare macht.

Samenvatting

Het kan niet ontkend worden dat er dankzij de procedures derdenverzet die ingeleid werden in de zaak Carrefour, een kentering in de rechtspraak zichtbaar is. Twee rechtbanken (Leuven, Luik) en één hof (Luik) waren van oordeel dat het stakingsrecht slechts kon worden beperkt in geval van geweld op personen en/of goederen. Hiermee wordt recht gedaan aan de juiste interpretatie van het cassatiearrest van 31 januari 1997 en de visies van de comités bij de IAO en het ESH. Tegelijk is er een opkomende tendens die de opdrachten aan de openbare macht terecht beperkt tot wat voorzien is in artikel 44 wet politieambt (dagvaarding in derdenverzet-Inbev, beschikking zaak-Touring).

14 april 2010

Naar een mildere dienstenrechtspraak rond detachering van werknemers?

door Filip Van Overmeiren[1]

Het is stil rond de tewerkstelling van buitenlandse werknemers op de Belgische arbeidsmarkt. Onze politici hebben tegenwoordig uiteraard wel andere noten te kraken, maar dat betekent niet dat de problematiek zelf zou afgezwakt zijn of minder aandacht zou vereisen. De laatste mediastorm in een glas water betrof de openstelling door België van het vrij verkeer van werknemers – lees de opheffing van de overgangsmaatregelen dienaangaande – overeenkomstig artikel 39 EG[2]. Om politiek-strategische redenen stelde federaal minister van Werk Milquet deze openstelling nog even in twijfel, om eind april 2009 dan toch geen verdere overgangsmaatregelen meer te handhaven[3]. Voor werknemers uit de in 2004 toegetreden Centraal- en Oost-Europese lidstaten moeten sindsdien geen arbeidskaarten meer worden aangevraagd en zij kunnen dus gemakkelijk rechtstreeks aangeworven worden. Deze ontwikkeling geeft echter nog geen garantie dat daarmee massaal zal worden teruggekeerd van “de andere manier” om Polen, e.a., hier bij ons in te schakelen, namelijk die van het vrij verkeer van diensten door de detachering van werknemers of het beroep op buitenlandse (schijn-)zelfstandigen.

Het is de detachering van werknemers die nog steeds voor de nodige vraagtekens zorgt bij inspectiediensten over het gehele grondgebied van de EU. Op dat vlak zijn er nog veel gaten in het informatie-, controle- en handhavingsbeleid van de meeste lidstaten en is het zeer moeilijk gebleken om de misbruiken uit te roeien. Dit niet in het minst omdat de manier waarop men in de lidstaten die misbruiken wil detecteren, controleren en bestraffen met Argus-ogen wordt gevolgd door de Europese Commissie. Zoals reeds uit een resem arresten van het Hof van Justitie is gebleken, balanceren dergelijke controle- en handhavingsmaatregelen steeds weer op de dunne koord tussen de sociale bescherming van werknemers en het vrij verkeer van diensten van hun werkgevers en deze laatsten hun opdrachtgevers. Het is de steeds sterker wordende dualiteit binnen een nog steeds voornamelijk economisch geïnspireerde Unie die zichzelf ook sociale doelstellingen heeft toegeëigend, maar het lastiger heeft om die laatste van vlees aan de botten te voorzien en te verzoenen met de eerste. We vinden een mooi voorbeeld in eigen land. Het LIMOSA-project[4], de in 2006 ingevoerde aanmeldingsplicht voor gedetacheerde zelfstandigen en werknemers om een beter zicht te krijgen op de aanwezigheid van die buitenlandse arbeidskrachten, werd in het begin nog bejubeld als een voorbeeld-handhavingsmaatregel die tot voorbeeld zou kunnen strekken voor andere lidstaten. Hij werd bovendien nog eens genomineerd voor de Europese e-Government-awards[5]. Anno 2010 mag het Koninkrijk België echter in een informeel overleg aan de Commissie de conformiteit van het systeem met het recht op vrij verkeer van diensten beargumenteren en dreigt het een inbreukprocedure aan zijn broek te hebben met betrekking tot datzelfde bejubelde LIMOSA-project. De twijfels zouden weliswaar vooral betrekking hebben op de aanmeldingsplicht voor zelfstandigen, maar het is ten zeerste de vraag of de werknemerscomponent van de maatregel heelhuids uit dergelijke inbreukprocedure kan komen.

De interne tweestrijd tussen de economische Unie – met een interne markt die nog op de echte voltooiing van het vrij verkeer van diensten zit te wachten – en de sociale Unie, waarvan de laatste zich met veel vallen en weinig opstaan toch op een geheel particuliere wijze in het beleid heeft weten te vervlechten, kwam nog eens nadrukkelijk naar voor in de (detacherings-)arresten Laval[6] en Viking[7]. Deze arresten werden reeds uitvoerig toegelicht dus voor een bespreking ervan kan ik naar andere auteurs verwijzen, maar de essentie ervan is als volgt. In deze zaken werd het Hof een conflict voorgelegd tussen het vrij verkeer van diensten en het recht op collectieve actie. Het “vrij verkeer van diensten” werd verpersoonlijkt door een Letse bouwonderneming die voor een bepaalde periode werknemers naar een Zweedse werf had gedetacheerd en zich niet kon vinden in de werf-CAO die door de Zweedse vakbond werd voorgelegd. Het “recht op collectieve actie” was dat van die Zweedse vakbonden die de werf blokkeerden omdat er geen akkoord kwam met de Letse onderneming. Het eindresultaat was het faillissement van de Letse onderneming, maar deze zag in het optreden van de vakbonden vooral een schending van haar door het EG-Verdrag gewaarborgd vrij verkeer van diensten. Het Hof gaf eerst te kennen dat het het belang van deze zaak juist inschatte, want het begon zijn argumentatie met de vaststelling dat het om een sociaal grondrecht ging dat tot de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht behoorde (en dus een constitutionele status had), met verwijzing naar het ILO-Verdrag nr. 87[8], het Europees Sociaal Handvest[9], het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden[10] en het Handvest van de Grondrechten van de EU[11]. Iedereen die wat vertrouwd is met de dienstenrechtspraak van het Hof, kon echter verwachten dat de bijzondere status van deze belemmering van het vrij verkeer van diensten nooit zou betekenen dat het Hof niet tot een evenredigheidstoets zou overgaan. Iedereen die dat laatste toch hoopte, is de laatste 30 jaar ingedommeld of moet er dringend nog eens de dienstenrechtspraak bijhalen. Wat wel binnen de mogelijkheden lag, was dat het Hof een mildere proportionaliteitstoets zou toepassen, zoals het dat eerder al in andere zaken had gedaan die een clash tussen grondrechten en fundamentele vrijheden betroffen.

Maar het grondrecht op collectieve actie werd door de gekende rigide art. 49-scan[12] gehaald en het sociaal grondrecht op collectieve actie werd opgeslorpt door de vaak gebruikte rechtvaardigingsgrond van de “bescherming van werknemers”, net zoals de andere gewone[13] arbeidsrechtelijke regelingen die in eerdere detacheringszaken werden gescreend. Waar de verwerende partijen zich in Laval en Viking hadden beroepen op de waarborging van de bescherming van het betrokken grondrecht aan de ene kant en de bescherming van werknemers aan de andere kant, koos het Hof immers voor een samengesmolten benadering. Het vrij verkeer van diensten werd op die manier niet expliciet tegenover de bescherming van het grondrecht an sich geplaatst, maar tegenover “het recht om collectieve actie te voeren met het oog op de bescherming van werknemers in de staat van ontvangst tegen eventuele praktijken van sociale dumping” als dwingende reden van algemeen belang. De argumentatie daarna werd verdergezet onder de bekende rechtvaardigingsgrond van de ‘bescherming van werknemers’, waarmee het grondrecht als één van de instrumenten ter bescherming van de rechten van werknemers werd behandeld en op een subtiele manier in het gebruikelijke stramien van de normale belemmeringsrechtvaardigingen werd gebracht. Dit in tegenstelling tot de in Laval aangehaalde arresten Schmidberger[14] en Omega[15], waarin de bescherming van de grondrechten op zich als een rechtmatig belang werd beschouwd en afgewogen. Daarin moest het vrij verkeer de duimen leggen voor het grondrecht in kwestie. Als men dan in acht neemt dat één van deze zaken een door een gemeentebestuur opgelegd verbod op lasershooting (sic) betrof op basis van het grondrecht van de ‘eerbied voor de menselijke waardigheid’, kan men er niet omheen dat de logica wat zoek is indien men deze gevallen naast elkaar legt.

Beide zaken werden reeds “grijsgeschreven” en niet in het minst door auteurs die hun eigen ideologische voorkeur niet konden of wilden verbergen. Hoe men deze zaken ook bekijkt, het Hof van Justitie is vooralsnog geen “neo-liberale denktank” noch een “rood bastion”, maar de plaats waar een rechterlijke invulling wordt gegeven aan het primair en secundair Gemeenschapsrecht “zoals dat steeds had moeten geïnterpreteerd worden”. Indien men de kiem voor een kentering van de behandeling van dergelijke zaken wil navorsen, zal men deze in het recht moeten zoeken en niet in politieke slogans. En misschien is deze dan wel te ontwaren in de combinatie van de houding van de na het Verdrag van Lissabon nieuwboren Unie ten aanzien van fundamentele rechten en vrijheden enerzijds en de ontwikkelingen van deze laatste anderzijds. Met de tegen Turkije gerichte zaken ‘Demir en Bakayra’[16] en ‘Enerji Yapi-Yol Sen’[17] erkende het Europees Hof voor de Rechten van de Mens immers expliciet het recht op collectieve actie als een essentieel element van de vrijheid van vergadering en vereniging van artikel 11 EVRM[18]. Het hoeft geen betoog dat dit een uiterst belangrijke zaak is voor de vakverenigingsvrijheid en voor het stakingsrecht, die mogelijks een doorwerking kan vinden in de rechtspraak van het Hof van Justitie. Die mogelijkheid lijkt groter te worden nu het Handvest van de Grondrechten van de EU een juridisch bindend onderdeel is geworden van het Verdrag. Maar vooral de op 17 maart 2010 gestarte onderhandelingen van de EU voor de toetreding van de Unie tot het EVRM[19] zijn onmiskenbaar van historisch belang voor de bescherming van de grondrechten binnen de Europese Unie. Daardoor komt immers een extra rechterlijke controle op de bescherming ervan en dit niet alleen ten aanzien van de wetgevende handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie, maar ook ten aanzien van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Met andere woorden zal in de toekomst een zaak zoals Laval of Viking aan het EHRM kunnen worden voorgelegd ter toetsing van de conformiteit met de verenigingsvrijheid van artikel 11 EVRM.

Een zaak als Laval zou echter niet de juiste zaak zijn om het sociaal grondrecht op collectieve actie onder het versterkte grondrechtelijke kader te meten met de economische vrijheden van het EG-verdrag. Deze zaak had inderdaad betrekking op de uitoefening van een belangrijk sociaal grondrecht en men kan zich afvragen of het Hof zich daarvan voldoende rekenschap heeft gegeven. De rest is echter “Zweeds geneuzel”, om een ambtenaar van de Europese Commissie in een presentatie over deze zaak te citeren. En gelijk had hij. Men kan lang doorgaan over de eigenheid van het Scandinavisch systeem van collectieve onderhandelingen en de rol van de vakbonden in het controle- en handhavingsbeleid, maar de essentie van de zaak Laval blijft dat het Zweedse systeem zich niet leent tot een degelijke implementatie van de Detacheringsrichtlijn 96/71. Daarvoor moet men nu eenmaal een transparante minimumgrens van arbeidsrechtelijke bescherming aanduiden die van toepassing zal zijn op gedetacheerde werknemers. Eenmaal goed aangeduid, mag men niet buiten noch boven deze kern gaan. Indien dat niet lukt, moet men zijn systeem aanpassen. Hier passen de woorden van Davies die voor eender welke EU-wetgeving gelden, zolang er niets fundamenteels verandert aan de primauteit van EU-recht ten aanzien van nationaal recht: “There is no principle that EU law should only have limited effects. If a system is so little compatible with EU law that bringing it into line entails fundamental changes, so be it”[20]. Voor wie vertrouwd is met de impact van Europees recht van de interne markt op de nationale stelsels van sociale bescherming, kan worden verwezen naar de rechtspraak over patiëntenmobiliteit. Na lang “Brits geneuzel” over, onder andere, het feit dat hun systeem nooit kon geaffecteerd worden door deze rechtspraak omdat het Britse NHS-stelsel geen terugbetalingstarieven kent zoals het Belgische of het Luxemburgse gezondheidszorgsysteem (die in 1998 het eerst onder vuur kwamen met de zaken Kohl[21] en Decker[22]), besliste het Hof uiteraard anders. In de zaak Watts werd duidelijk dat ook patiënten uit een NHS-stelsel onder bepaalde omstandigheden[23] zorg konden genieten in andere EU-lidstaten die in het Verenigd Koninkrijk moet worden vergoed. Moeilijk of niet, het Verenigd Koninkrijk moet ervoor zorgen dat het zijn stelsel daaraan aanpast en het moet dus gaan “tariferen” in een stelsel zonder tarieven. Zo zou dat dus ook moeten gaan voor het Zweedse systeem en de moeilijke verhouding ervan met de Detacheringsrichtlijn.

Het bijzondere hier is dat de Scandinavische banbliksems naar Brussel toch een impact hebben gehad. Er wordt immers opnieuw nagedacht over de noodzaak van een aanpassing van de richtlijn. Te dien einde heeft de Europese Commissie een aantal onderzoeken bevolen naar verschillende deelaspecten: de juridische aspecten van de detachering van werknemers, de arbeids- en levensomstandigheden van gedetacheerde werknemers, de economische en sociale aspecten van de detachering van werknemers zullen worden onderzocht en een haalbaarheidsstudie voor de instelling van een Europees platform voor samenwerking tussen de arbeidsinspecties van de lidstaten, werd gelast. Deze brede waaier van onderzoeken zou dus de marges voor verbetering moeten blootleggen. Toch voelt deze ontwikkeling aan als Europees recht op zijn kop, want de normale gang van zaken is dat nationaal recht zich moet conformeren aan Europees recht dat door de lidstaten werd aangenomen. Zoniet gaan we naar een Unie waarin elke volgens de rechtmatige procedures aangenomen wetgeving kan aangevallen worden vanuit een zekere eigenheid van één of ander nationaal stelsel. Anders wordt het uiteraard indien vast komt te staan dat Europese wetgeving haaks staat op de (sociale) rechtsstelsels van alle lidstaten en zo eigenlijk zijn doel ver voorbij schiet. Uiteraard moet men ook steeds open blijven staan voor verbeteringen van het Europese kader, maar met Laval en Viking lag het probleem toch vooral bij de onaangepastheid van het betrokken nationale stelsel en niet bij een fundamentele “programmeerfout” in de Europese wetgeving. Misschien hadden de Scandinavische landen nu net dat streepje voor omdat zij in het sociaalrechtelijke domein nog steeds hofleverancier van het “flexizekerheidsconcept” zijn. Of mag “België” straks ook zijn zegje doen in “Brussel” als onze wel zeer breed opgevatte omzetting van de harde kern van arbeidsvoorwaarden – zowat ons gehele arbeidsrecht, aangezien het gaat om alle strafrechtelijk beteugelde bepalingen – een belletje doet rinkelen bij een multinational of de Europese Commissie.

Het blijft in elk geval afwachten naar “de juiste zaak” om te zien of het Hof van Justitie zich zal laten beïnvloeden door de nieuwe Europese wind in de bescherming van de grondrechten. En misschien wegen de sociale grondrechten niet alleen door in zaken waarin zij rechtstreeks in het geding zijn, maar kunnen zij een milderend effect hebben bij de behandeling van andere detacheringszaken indien een voldoende nauwkeurig verband kan worden gelegd tussen een betrokken arbeidsrechtelijke regeling en een sociaal grondrecht. Daarmee is echter ook voorzichtigheid geboden, want (sociale) grondrechten blijven in vele gevallen gekenmerkt door veel symboliek en weinig echte juridische houvast in zeer concrete zaken.

-
[1] Filip Van Overmeiren is wetenschappelijk medewerker aan de Vakgroep Sociaal Recht van de Universiteit Gent, waar hij zich voornamelijk concentreert op de impact van het recht van de interne markt op de nationale stelsels van sociale bescherming. Hij werkt aan een proefschrift over de invloed van het Europees burgerschap op de toegang tot sociale bescherming. Hij is auteur van het boek F. VAN OVERMEIREN, Buitenlandse arbeidskrachten op de Belgische arbeidsmarkt, in Bibliotheek Sociaal Recht, Larcier, 2009, 346.
Zie http://uitgeverij.larcier.com/titres?id=40955_1
[2] Huidig artikel 45 VWEU.
[3] F. VAN OVERMEIREN, “Een Pool? Doe de deur maar open”, Opinie, De Standaard, 20 maart 2009.
[4] De verplichte aanmelding bij detachering van werknemers, zelfstandigen en stagiairs is één onderdeel van het grotere LIMOSA-project voor een beter zicht op en administratief eenvoudigere behandeling van grensoverschrijdende tewerkstelling naar België. Zie http://www.limosa.be/
[5] European e-Government Awards, Exhibition Catalogue 2007, 52, zie http://www.epractice.eu/files/download/awards/ExhibitionCatalogue2007.pdf/
[6] HvJ 18 december 2007, nr. C-341/05, Laval, Jur. 2007, I, 11767.
[7] HvJ 11 december 2007, nr. C-438/05, Viking, Jur. 2007, I, 10779
[8] http://www.ilo.org/ilolex/english/convdisp1.htm
[9] http://conventions.coe.int/Treaty/EN/Treaties/PDF/Dutch/163-Dutch.pdf
[10] http://www.europarl.europa.eu/transl_nl/home/nlsite.htm?nlmarge.htm&nlkop.htm&g30.htm
[11] http://www.europarl.europa.eu/charter/pdf/text_nl.pdf
[12] Huidig artikel 56 VWEU.
[13] ‘Gewone’ in die zin dat het in eerdere zaken om nationale wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen ging, terwijl hier een grondrecht in het geding was, wat de zaak eerder ‘buitengewoon’ maakt.
[14] HvJ 12 juni 2003, nr. C-112/00, Schmidberger, Jur. 2003, I, 5659.
[15] HvJ 14 oktober 2004, nr. C-36/02, Omega, Jur. 2004, I, 9609.
[16] EHRM, DEMİR en BAYKARA t. TURKIJE (nr. 34503/97), 12 November 2008.
[17] EHRM, ENERJİ YAPI-YOL SEN t. TURKIJE (nr. 68959/01), 21 april 2009.
[18] Artikel 11, lid 1, EVRM luidt: “Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen”.
[19] De grondslag voor deze toetreding is terug te vinden in artikel 6, lid 2, VWEU. De EU wordt de 48e partij bij het EVRM, zonder dat zij lid zal worden van de Raad van Europa.
[20] G. T. DAVIES, "The process and side-effects of harmonisation of European welfare states", Jean Monnet Working Paper 2006, 02/06, (1), 36.
[21] HvJ 28 april 1998, nr. C-158/96, Kohll, Jur. 1998, I, 1931.
[22] HvJ 28 april 1998, nr. C-120/95, Decker, Jur. 1998, I, 1831.
[23] Voor ziekenhuiszorg is dit beperkt, maar voor ambulante zorg geldt in principe een ongebreideld patiëntenverkeer: elke verzekerde EU-onderdaan kan in een andere lidstaat zorg genieten en in zijn lidstaat van oorsprong daarvoor terugbetaling ontvangen.

20 februari 2010

Petitie naar aanleiding van 20ste verjaardag Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden

Naar aanleiding van de 20ste verjaardag van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden (1989), lanceert het ECOSOC-Comité van de Europese Unie een petitie die tot doel heeft de volgende boodschap te dragen:

"Om de globalisering in goede banen te leiden, de burgers van de Europese Unie weer vertrouwen te geven in het Europese project, en lering te trekken uit de huidige financiële, economische en sociale crisis, verzoeken wij de Europese Commissie een sociaal actieprogramma voor te stellen om te waarborgen dat aan de sociale grondrechten evenveel belang wordt gehecht als aan de regels voor eerlijke concurrentie en de economische vrijheden. Het Europees Parlement en de Raad verzoeken wij in te stemmen met zo'n sociaal actieprogramma.
Wij roepen alle maatschappelijke organisaties op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau op deze verklaring te ondertekenen."


De petitie kan u ondertekenen door hier te klikken.

29 december 2009

Werkgever beledigen kent volgens EHRM dan toch zijn grenzen

EHRM, Aguilera Jimenéz t./ Spanje, 8 december 2009

1.
In het gevierde 200ste nummer van De Juristenkrant bespreekt professor Dirk Voorhoof het voornoemde arrest van het Europees Hof voor de Mensenrechten (cf. "Ontslag wegens karikatuur", De Juristenkrant 23 december 2009, nr. 200, p. 4-5) . Dit arrest werd ook becommentarieerd door de Franse professor Nicolas Hervieu.

De feiten eigen aan de zaak werden door het Hof als volgt samengevat: "Dans la couverture du bulletin du mois d'avril 2002, un dessin avec bulles de dialogue montrait une caricature du directeur des ressources humaines, G., assis derrière un bureau sous lequel se trouvait une personne à quatre pattes, dos tourné et, à coté, deux autres personnes, A. et B., également employés de la société P., qui contemplaient la scène et attendaient pour occuper la place du premier et satisfaire à leur tour le directeur. A l'intérieur du bulletin, deux articles dénonçaient avec des termes rudes et grossiers que ces deux personnes avaient témoigné en faveur de la société P. lors d'une procédure entamée par les requérants à l'encontre de cette dernière. Le bulletin fut distribué parmi les travailleurs et affiché sur le tableau d'affichage du syndicat N.A.A. situé au sein de la société." De gebruskeerde werkgever aarzelde niet en ontsloeg zes werknemers die lid waren van de vakvereniging van wie het bladje uitging. De Spaanse hoven en rechtbanken zagen daar in eerste aanleg en in beroep geen graten in.

2. Het Hof was het eens met die analyse: "La Cour n'aperçoit aucune raison de remettre en cause les constatations des juridictions internes d'après lesquelles le dessin et les deux articles litigieux inclus dans le bulletin publié et affiché par les requérants au sein de la société étaient offensifs et de nature à nuire à la réputation d'autrui. Les motifs retenus par les juridictions nationales se conciliaient avec le but légitime consistant à protéger la réputation des personnes physiques visées dans les dessin et textes en cause. A cet égard, la Cour rappelle que l'article 10 de la Convention ne garantit pas une liberté d'expression sans aucune restriction. "

In een dissenting opinion vond de Ierse rechter nochtans niet zozeer dat de uitlatingen van de syndicalisten de grenzen van het toelaatbare hadden overschreden, maar wel dat de sanctie die door de werkgever werd toegepast, disproportioneel was: "Aussi grossier soit-il, l'« acte » dont il est question en l'espèce ne saurait à mes yeux être regardé comme répréhensible au point de justifier la sanction disciplinaire ultime, c'est-à-dire le licenciement sommaire et définitif. Pour moi, cette sanction ne cadrait pas avec l'exigence stricte d'un « besoin social impérieux » et ne pouvait donc passer pour « nécessaire dans une société démocratique »".

10 september 2009

Een minimuloonwet voor België? De misplaatste anti-armoedefunctie van minimumlonen

door Koen Nevens

1. Volgens de cijfers van Eurostat behoort ons land wat betreft minimumlonen tot de top-vijf in Europa. Met een gemiddeld minimum-maandinkomen (GMMI) van 1387,5 euro laat België zich enkel voorbijsteken door buurland Luxemburg en door Ierland, een land dat pakweg dertig jaar geleden nog werd vergeleken met een derdewereldland (zie Trends 4 augustus 2009).

Een pikant detail is dat België - in tegenstelling tot sommige andere Europese landen - geen algemene minimumloonwet kent. De loonbarema's worden hier vastgesteld door de sociale partners bij wege van sectorale CAO's. De CAO's nr. 43 en 50 inzake het GMMI van de Nationale Arbeidsraad gelden als ultieme sleutel op deur. De vraag kan dus worden gesteld: heeft ons land baat bij een (per hypothese vooralsnog federale) minimumloonwet en zo ja, hoe hoog moet dat minimumloon dan wel zijn?

2. Zowel op politiek als op academisch vlak wordt er wel wat gedebatteerd over de zin en onzin van minimumloonwetgeving. Naar aanleiding van de Europese verkiezingen bepleitte de sp.a. bij monde van Kathleen Van Brempt bijvoorbeeld nog de invoering van een europees minimumloon, wat bij sommigen op hoongelach werd onthaald. Een blik op het kaartje hierboven zegt genoeg: Oost-Europa kleurt zowat integraal in het geel. De loonstandaarden liggen er toch wel ver van hetgeen West-Europeanen gewend zijn. Hoe krijg je daar lijn in? Eerlijkheidshalve moet wel worden gezegd dat de Europese socialistische fractie veeleer voor "a European pact on wages" ijvert (PES Manifesto 2009, p. 31), blijkbaar te begrijpen als een soort richtsnoeren vergelijkbaar met deze eigen aan de Lissabon-strategie (de zogeheten open methode van coördinatie).

In Duitsland pleit de SPD dan weer voor de invoering van een nationaal minimumloon. Het debat werd er 'getriggerd' door het zogeheten fenomeen van de "working poor", een fenomeen dat volgens de ABVV ook in ons land voorkomt en hen bijgevolg naar aanloop van de interprofessionele onderhandelingen van 2008 ook aanzette een hoger minimumloon te eisen. Traditioneel wordt dit fenomeen, dat inhoudt dat een (groeiend) segment van de (werkende) bevolking aan een laag tot zeer laag loon is tewerkgesteld en bijgevolg zelfs is aangewezen op meer dan één job, nochtans opgevat als een 'Amerikaanse' toestand. Een weliswaar ietwat gedateerd onderzoek van Bea Cantillon (De welvaartsstaat in de kering, Kappellen, Pelckmans, 1999) geeft zelfs aan dat armoede onder werkenden in ons land zich op een laag niveau bevindt. "De arbeidsmarktinstituten zoals hoge minimumlonen, collectieve loononderhandelingen, arbeidsbescherming en de combinatie van arbeids- en vervangingsinkomens op gezinsniveau" worden als verklaring aangereikt (p. 133).


3. Enkele jaren geleden, in 2006, deed prof.dr. Marc De Vos in een nota het relaas van het minimumloon-debat in de Verenigde Staten, dat hij ook in ons land zag opdoemen. Hij waarschuwde: "Al bij al dreigen hogere minimumlonen dus langs diverse wegen een pijnlijk neveneffect te generen: minder werk voor de minder productieve werknemers in de kwetsbare sectoren." De argumentatie van De Vos ligt volledig in de lijn van Amerikaanse studies van (neo-klassieke) economisten die zich keren tegen het opleggen van minimumlonen (zie hieromtrent S. Deakin & F. Wilkinson, "Minimum wage legislation", in Encyclopediae of Law & Economics).

Er moet echter worden vastgesteld dat de opvatting dat minimumlonen een negatief effect heeft op de tewerkstellingsgraad betwistbaar is en zeker niet altijd bevestigd wordt door economische studies (Zie S. Deakin & F. Wilkinson, supra; G. Davidov, "A purposive interpretation of the national Minimum Wage Act", (2009) 72 MLR 581-606). Uiteindelijk kan trouwens worden aangesloten bij de conclusie van Deakin en Wilkinson:
"There are trade-offs between short-run adjustment costs and long-run improvements to productivity and performance which are, however, difficult to assess. This may lead us to conclude that while the economic analysis of labour standards may help improve our understanding of how such laws operate, in and of itself it does not provide clear normative guidance to policy makers. At the end of the day, the case for social policy interventions will continue to be made on broader, ethical grounds."

4. De ethische grondslag van minimumloonwetgeving is volgens Davidov te vinden in 'redistributive justice' en 'human dignity of workers'. Vooral die eerste zienswijze wordt bekritiseerd door Noah Zatz ("The minimum wage as a civil rights protection: an alternative to antipoverty arguments?", http://www.ssrn.com/) die erop wijst dat minimumloonwetgeving niets van doen heeft met het bestrijden van armoede en het herverdelen van welvaart. Hij wijst terecht erop dat een laag loon niet gelijk staat aan armoede en omgekeerd. Armoede is trouwens iets waar niet-werkenden ook door getroffen kunnen worden, een fenomeen waaraan een opgelegd minimumloon niets verhelpt.

In de reeds aangehaalde studie van Cantillon wordt in de verf gezet dat er maar een gedeeltelijke overlapping is tussen lage lonen en armoede en dat sommige lageloonwerkers deel uitmaken van een meerverdienershuishouden, dat dient als buffer tegen armoede (pp. 84 en 128). Hetzelfde fenomeen houdt tal van werklozen uit de armoede. Het probleem blijft echter dat "tweeverdienerschap" de norm is geworden. Dat maakt solo-verdieners, zelfs al genieten zij een behoorlijk inkomen, vanuit armoede-perspectief een kwetsbare groep, om nog maar te zwijgen van alleenstaanden zonder werk of koppels waarvan beide partners geen arbeidsinkomen genieten. De scheidingslijn ligt dus tussen meerinkomensgezinnen en de rest (p. 141-143). Een opgelegd (individueel) minimumloon kan hieraan niet verhelpen, integendeel.

5. Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat het opleggen of vaststellen van een minimumloon geen zin heeft of niet te rechtvaardigen valt, zonder uit het oog te verliezen dat het minimumloon slechts een minimum is en dus niet bedoeld is te gelden als loonstandaard. Voor Davidov is het duidelijk dat met zodanige maatregel gevolg wordt gegeven aan het principe waarop de Internationale Arbeidsorganisatie: "Work is not a commodity". De Amerikaanse auteur Zatz vraagt zich echter af wat dan wel de eerlijke prijs is voor arbeid. Hoe moet arbeid worden gewaardeerd? En wanneer is die waardering manifest ontoereikend?

Artikel 23 GW inroepen brengt niet veel zoden aan de dijk: de beloning moet volgens dit grondwetsartikel "billijk" zijn. Het herziene Europees Sociaal Handvest (art. 4) is al heel wat concreter. Het loon moet van het niveau zijn om "a decent standard of living for [the workers] and their families" te garanderen. Daarmee sluipt het anti-armoedefunctie toch weer binnen, want het loon moet blijkbaar ook instaan voor het onderhoud van de partner en van de andere leden van het gezin, in het bijzonder de kinderen. Het minimumloon streeft blijkbaar niet enkel de handhaving van de menselijke waardigheid van de werknemer na, maar ook deze van zijn gezinsleden. Nochtans is het goed mogelijk dat deze gezinsleden zelf een (arbeids)inkomen genieten. De visie dat het loon een gezinsinkomen moet verstrekken is eigenlijk ietwat gedateerd en leunt zeer nauw aan bij het in de praktijk vaak voorbijgestreefde "male breadwinner"-model. Het gevolg daarvan is dat er op macroniveau een zekere overcompensatie plaatsvindt van de arbeid die wordt gepresteerd door tweeverdieners.

Uiteindelijk zou de vraag kunnen worden gesteld of bij de bepaling van het minimumloon er geen rekening moet worden gehouden met de gezinstoestand van de betrokken werknemer. Deze gezinsmodalisering is zeer gebruikelijk in het socialezekerheidswetgeving, maar lijkt ondenkbaar in een arbeidsrechtelijke context, die zoals het gehele recht vandaag sterk doordrenkt is door het gelijkheidsdenken. Waarom dan zou een werknemer met gezinslast recht hebben op een hoger minimumloon ten laste van de werkgever in vergelijking met de collega-werknemer zonder gezinslast? Tenslotte presteren zij immers dezelfde arbeid. En zo zijn we weer naar af: wat is dan de intrinsieke waarde van die arbeid?

24 april 2009

Europees Hof voor de Rechten van de Mens doet uitspraak over stakingsrecht

Op de Franse juridische blog Droit et libertés verscheen het volgende bericht van Nicolas Hervieu. Het betreft een bespreking van het arrest Enerji Yapi-Yol Sen t./ Turkije van 21 april 2009 uitgaande van het EHRM. Gemakshalve wordt het blogbericht hieronder integraal overgenomen.

"LIBERTE SYNDICALE (Art. 11 CEDH) : Nouvelle progression du droit de grève devant la Cour européenne des droits de l’homme

Dans la lignée de son important arrêt de Grande Chambre du 12 novembre 2008 (Demir et Baykara c. Turquie, req. no 34503/97. V. lettre d’actualité du 14 novembre 2008), la Cour européenne des droits de l’homme a fait un nouveau pas vers la reconnaissance du droit de grève comme droit protégé en tant que tel par la Convention. Elle condamne ici la Turquie pour violation du droit à la liberté syndicale (Art. 11) du fait de l’interdiction générale du droit de grève qui était opposée, à l’époque des faits, à tous les fonctionnaires turcs.

Une circulaire rédigée par les services du Premier ministre turc fut publiée en 1996 pour menacer de sanctions les fonctionnaires qui participeraient aux actions de grèves prévues quelques jours plus tard en faveur de la reconnaissance du droit à une convention collective dans le secteur public. Et, de fait, des membres d’un syndicat de fonctionnaires (« Enerji Yapı-Yol Sen ») furent sanctionnés, d’où le recours en annulation de ladite circulaire formé, sans succès, devant le Conseil d’Etat turc par ce syndicat.

Saisie d’une allégation de violation du « droit à la liberté syndicale » (Art. 11), la Cour va trouver ici l’opportunité de préciser d’importants éléments au sujet du droit de grève. Elle considère en effet, au sujet de l’existence d’une ingérence au sein du droit précité, que « le syndicat requérant a subi directement les effets de la circulaire litigieuse et qu’il peut en conséquence se prétendre victime d’une ingérence dans l’exercice de son droit à la liberté syndicale » (§ 34). A l’appui de ce constat, la juridiction strasbourgeoise relève différents éléments relativement classique dans sa jurisprudence (« La grève, qui permet à un syndicat de faire entendre sa voix, constitue un aspect important pour les membres d’un syndicat dans la protection de leurs intérêts »). Mais surtout, elle souligne que « le droit de grève est reconnu par les organes de contrôle de l’Organisation internationale du travail (OIT) comme le corollaire indissociable du droit d’association syndicale protégé par la Convention C87 de l’OIT sur la liberté syndicale et la protection du droit syndical » et « rappelle que la Charte sociale européenne reconnaît aussi le droit de grève comme un moyen d’assurer l’exercice effectif du droit de négociation collective » (§ 34).

Poursuivant leur examen, les juges européens constatent rapidement que cette ingérence au sein du droit à la liberté syndicale était « prévue par la loi » (§ 27) et émet un doute sur la poursuite ici d’un but légitime (§ 28) afin de se concentrer sur la nécessité de cette ingérence. Or, après avoir rappelé le contexte de l’époque, très incertain quant au droit du travail turc (§ 32), les juges précise que « le droit de grève n’a pas de caractère absolu » et qu’en particulier, « le principe de la liberté syndicale peut être compatible avec l’interdiction du droit de grève des fonctionnaires exerçant des fonctions d’autorité au nom de l’Etat » (§ 32). Des bornes à ces restrictions du droit de grève sont cependant vite tracées par la Cour qui indique que cette interdiction « ne peut pas s’étendre aux fonctionnaires en général, comme en l’espèce, ou aux travailleurs publics des entreprises commerciales ou industrielles de l’Etat » et que « les restrictions légales au droit de grève devraient définir aussi clairement et étroitement que possible les catégories de fonctionnaires concernées » (§ 32). Deux conditions que la circulaire litigieuse, « rédigée en des termes généraux qui interdisaient de manière absolue à tous les fonctionnaires le droit de grève » viole nettement. Au surplus, la Cour estime que les fonctionnaires en question « n’ont fait qu’user de leur liberté de réunion pacifique » et que les sanctions infligée « sont de nature à dissuader » la participation « légitime[...] à de telles actions » (§ 32). Partant, la Turquie est condamnée pour violation de l‘article 11.

La Cour formule dans cet arrêt l’exigence conventionnelle de respect du droit de grève avec une netteté inédite (V. les arrêts plus alambiqués à ce propos - Cour EDH, 2e sect. 27 mars 2007, Karaçay c. Turquie, req. n° 6615/03 et Cour EDH, 2e sect. 17 juillet 2007, Satilmis et autres c. Turquie, req. n° 74611/01). Le chemin ouvert par l’arrêt Demir et Baykara est d’ailleurs ici expressément suivi par la formation de Chambre, notamment par le recours à de sources textuelles extra-conventionnelles (une convention de l’Organisation Internationale du Travail et la Charte Sociale Européenne). Mais, précisément, on peut regretter qu’elle n’ait pas poursuivi son effort en qualifiant, enfin et clairement, le droit de grève d’« élément essentiel de la liberté syndicale », comme l’avait fait la Grande Chambre au sujet du droit de mener des négociations collectives."

16 januari 2009

Grondwettelijk Hof ontmijnt bom onder sociale verkiezingen

door W. Vandeputte

1. Op 15 januari 2009 deed het Grondwettelijk Hof uitspraak over het beroep tot nietigverklaring van een aantal artikelen van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen. Het betrof meer bepaald de artikelen art. 4-6°, 33 §1 eerste lid, 34 en 78 van deze wet. Het beroep werd ingesteld door Vlaams volksvertegenwoordiger Marie-Rose Morel (Vlaams Belang) en anderen, en was in de eerste plaats gericht tegen het zogenaamde wettelijk monopolie van de representatieve werknemersorganisaties bij het voordragen van kandidaten bij de sociale verkiezingen. In totaal werden zeven middelen ingeroepen die de bestaande regeling onderuit moest halen. Het Grondwettelijk Hof aanvaardde geen van de ingeroepen middelen. Hierna wordt een beknopte selectie gemaakt van de meest belangwekkende overwegingen van het hof.

2. Het derde middel heeft betrekking op de aparte vertegenwoordiging binnen de onderneming van de categorie van de kaderleden. Volgens de indieners van het beroep tot nietigverklaring, houdt het onderscheid tussen de categorie van werknemers en deze van de kaderleden een discriminatie in ten nadele van de werknemers. Het hof stelt evenwel vast het de wil van de wetgever was om een aparte vertegenwoordiging in te stellen voor de categorie van kaderleden omdat deze gezien moet worden als een socioprofessionele groep die een specifieke plaats inneemt in de onderneming, en die ook naar organisatie en belangen duidelijk onderscheiden is van de overige categorieën werknemers. De vaststelling dat kaderleden vaak tot geen enkele representatieve organisatie behoren en dat de representatieve werknemersorganisaties minder representatief zijn voor de kaderleden dan voor de overige werknemers, rechtvaardigt volgens het hof de bestreden maatregel.

3. De schending van de vrijheid van vereniging en van de vrijheid van vakvereniging maakte het voorwerp uit van het vierde middel. De verzoekende partijen waren van mening dat de bestreden artikelen de kandidaatstelling bij de sociale verkiezingen onmogelijk zouden maken voor wie niet is aangesloten bij een representatieve vakvereniging. Het hof doorprikt deze redenering door op te merken dat de bestreden bepalingen het lidmaatschap van een representatieve werknemersorganisatie op zich niet als voorwaarde stellen om kandidaat te kunnen zijn bij de sociale verkiezingen. Daarenboven verwerpt het hof het argument dat deze bepalingen aan de bestaande representatieve organisaties een vetorecht zouden verlenen bij de eventuele oprichting van een nieuwe representatieve werknemersorganisatie.

4. De praktijk waarbij de bestaande representatieve werknemersorganisaties hun ledenbestand actief zouden doorlichten met het oog op het uitsluiten van leden met een “Vlaams-nationalistische” stempel (lees: leden van het Vlaams Belang), wordt op de korrel genomen in een vijfde middel. Volgens de verzoekende partijen impliceert deze praktijk dat leden van de “Vlaams-nationalistische minderheid” zich onmogelijk kandidaat kunnen stellen voor de sociale verkiezingen, gelet op het feit dat de kandidatenlijsten voor de sociale verkiezingen uitsluitend kunnen worden ingediend door representatieve werknemersorganisaties.

Het hof weerlegt opnieuw de stelling van de verzoekers. Het hof valt daarvoor terug op een standpunt dat het reeds bij eerdere gelegenheden innam: het is niet onredelijk om enkel werknemersorganisaties toe te laten tot het sociaal overleg die aan bepaalde representativiteitsvoorwaarden voldoen, met het oog op het verzekeren van de continuïteit en de doeltreffendheid van het sociaal overleg en het bewaren van de sociale vrede. Het feit dat de wetgever het grotendeels aan de Koning overgelaten heeft om de notie representativiteit een verdere invulling te geven, betekent op zich echter geen schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Het hof voegt daaraan toe dat het de taak is van de administratieve rechter om na te gaan of de Koning de kandidatuur van een vakorganisatie niet heeft aangenomen of verworpen op basis van een “onwettige of discriminerende opvatting van het begrip representativiteit”.

Met betrekking tot de mogelijkheid voor vakorganisaties om leden uit te sluiten op basis van bepaalde politieke of levensbeschouwelijke overtuigingen, verwijst het hof uitdrukkelijk naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Associated Society of Locomotive Engineers & Firemen t. Verenigd Koninkrijk (27 februari 2007). Vakorganisaties hebben het recht om vrij hun leden te kiezen, en kunnen in beginsel niet verplicht worden om elkeen die wil toetreden ook toe te laten. Artikel 11 van het EVRM staat er dan ook niet aan in de weg dat leden worden uitgesloten met toepassing van de regels die door de vakorganisatie zijn vastgesteld.

5. Het arrest van het Grondwettelijk Hof heeft een aantal gevoelige punten in de aanslepende ruzie tussen de bestaande vakorganisaties en het Vlaams Belang beslecht, en doet in de nasleep van de sociale verkiezingen van 2008 de rust (tijdelijk?) wederkeren. Het arrest wordt door de Belgische sociale partners enthousiast onthaald. Nochtans betekent dit niet dat de discussie omtrent de representativiteit van de vakbonden in België nu volledig van de baan is. De conclusies en aanbevelingen van Commissie voor de vakbondsvrijheid, uitgebracht in het raam van de Internationale Arbeidsorganisatie, laten er geen twijfel over bestaan dat België er goed aan zou doen om de geldende opvattingen over representativiteit kritisch te (her)bekijken.

31 december 2008

Niemand is in het paradijs: over het stakingsrecht en de grenzen daarvan

door Koen Nevens

1. Nu iets meer dan een eeuw geleden noemde socialistisch voorman Louis BERTRAND het negentiende eeuwse België ‘le Paradis des capitalistes’ (Histoire de la démocratie et du socialisme en Belgique depuis 1830, Brussel, 1906, p. 240). Vandaag is ons land ‘een paradijs voor stakers’, althans dat beweert prof.dr. Roger BLANPAIN (Juristenkrant 2008, nr. 180).
Het hedendaags onderzoek naar de negentiende eeuwse wereld van de arbeid (zie bijvoorbeeld het werk van de Belgische historica PatriciaVan DEN EECKHOUT, en van de Franse historicus Alain COTTEREAU), toont nochtans aan dat de analyse van Louis BERTRAND met een korreltje zout moet worden genomen. Dit betekent natuurlijk niet dat we plots ook geen geloof moeten hechten aan de negentiende eeuwse ‘sociale kwestie’ die vanaf 1886 – na de stakingen in het Waalse industriebekken – het middelpunt van de politieke agenda zouden gaan vormen (zie hieromtrent het doctoraal proefschrift van Jo DEFERME, Uit de ketens van de vrijheid, Leuven, 2007). Dit onderzoek toont wel aan dat in het heetst van het debat de werkelijkheid al te vaak unidimensionaal wordt benaderd.

Ook de opinie van prof.dr. BLANPAIN moet worden genuanceerd en mist volgens mij het nodige breedbeeldperspectief. Vooreerst is het opvallend hoe sterk hij de nadruk legt op het feit dat de werkstaking een sociaal grondrecht is, maar over stakingsposten plots stelt dat het ‘maar’ collectieve acties zijn, die niet als een staking kunnen worden beschouwd. Daarmee lijkt hij haast te willen insinueren dat het recht op collectieve actie geen grondrechtelijke waarborging kent en, zoals hij trouwens nadrukkelijk aangeeft, ‘slechts’ een uiting is van het recht van (vreedzaam) vergaderen en het recht van vrije meningsuiting. Artikel 6.4 van het (herziene) Europees Sociaal Handvest en 28 van het Handvest van de grondrechten van de EU garanderen nochtans het recht op collectieve actie en niet enkel het stakingsrecht dat daar deel van uitmaakt. Vreedzaam posten maakt volgens het European Comittee on Social Rights, dat toeziet op de naleving van het ESH, wel degelijk deel uit van het grondrecht op collectieve actie. Net daarom werd de tussenkomst van de Belgische kortgedingrechter reeds negatief beoordeeld. (Conclusie ECSR XVI, 2002 (Belgium)).

2. Sancties opleggen aan piketten die niet gepaard gaan met geweldplegingen, bedreigingen of intimidatie is helemaal niet zo vanzelfsprekend. Prof.dr. BLANPAIN kiest resoluut voor het belangenafwegingmodel dat door het Hof van Justitie werd gepropageerd in de zaken Schmidberger, Viking en Laval en haakt de beperkingen van het zelfs vreedzaam posten vast aan andere grondrechten: de vrijheid van arbeid, de vrijheid van ondernemen van de werkgever en zo waar, het recht van klanten om een winkel te bezoeken. Wat betreft de aangehaalde vrijheden laat hij zich onder andere inspireren door het Handvest van de grondrechten van de EU, dat onder andere het recht om te werken en de vrijheid van ondernemerschap erkent (artt. 15 en 16). In de Belgische rechtsorde kan men zich ter zake ook beroepen op het Decreet d’Allarde, een fiscale wet die kort na de Franse revolutie werd uitgevaardigd. Het is echter een raadsel met welk grondrecht het ‘bezoekrecht’ van consumenten in verband moet worden gebracht.

In een vrije markteconomie, dat zowel op supranationaal als op nationaal niveau wordt gekenmerkt door de verzuchting de mededinging te bewerkstelligen en waar consumenten ten allen tijde zouden moeten kunnen kiezen voor de ‘concurrentie’, lijkt het logisch dat een collectieve actie – die de bedoeling heeft enige indruk te willen maken op de werkgever – ertoe strekt consumenten af te leiden naar de concurrenten van de werkgever. Zelfs het louter neerleggen van het werk, met als gevolg dat de onderneming de productie moet stil leggen of de verkoopsactiviteiten moeten worden gestaakt, kent dit onvermijdelijke, maar niet noodzakelijk permanente gevolg. Een collectieve actie van werknemers die is gericht tegen een werkgever, tast met andere woorden steeds de vrijheid van ondernemerschap van die laatste aan: dat is de essentie van dit grondrecht en van dergelijke actie. Een collectieve actie moet dus zeker niet in absolute termen de vrijheid van ondernemerschap ‘eerbiedigen’, zoals prof.dr. BLANPAIN laat uitschijnen. Het recht om te werken komt daarenboven amper in gedrang door een vreedzaam stakingspikket, dat werkwilligen niet verhindert zich aan te melden bij hun werkgever.

Vanuit historisch perspectief blijkt trouwens ook dat protestvormen variëren en vooral evolueren (zie het doctoraal proefschrift van G. DENECKERE, Sire het volk mort, Gent, 1997). De tijd van het klompen gooien in de weefmachines (letterlijk ‘sabot’age) is vandaag duidelijk voorbij. Volgens Kurt VANDAELE ligt het aantal stakingen vandaag zelfs historisch laag, telt een staking gemiddeld minder stakers dan vroeger en duren de stakingen ook korter (“Disciplinering, decentralisatie, staatsinmening…en tertialisering. De stakingsevolutie in België na 1970”, in C. DEVOS en P. HUMBLET (red.), Arbeid versus Kapitaal, Gent, 2007, p. 69-70). Het recht mag zich dan ook niet vastpinnen op die ene actievorm die ooit heeft gedomineerd en de ongezonde wil hebben elke andere actievorm te bestrijden. Dit zou immers betekenen dat van het recht een instrument wordt gemaakt dat blind is voor gewijzigde krachtverhoudingen en voor de nieuwe maatschappelijke context waarin collectieve acties (moeten) plaatsvinden.

3. Tenslotte heeft prof.dr. BLANPAIN als man van ‘de rechtstaat’ geen enkel bezwaar tegen het gebruik van een niet-tegensprekelijke gerechtelijke procedure. De stakers die gedagvaard worden, zouden aan het pikket toch onmiddellijk worden vervangen, argumenteert hij. Hij ziet in de dagvaarding dus een middel om de gedaagde of zijn acolieten af te leiden van hun ‘laakbaar’ gedrag. Indien dit doel niet bereikbaar is, dan hoeft het tegensprekelijk debat volgens hem niet. Zodoende maakt hij de aard van de procedure afhankelijk van de vraag of de eiser onmiddellijk het met zijn vordering gewenste resultaat kan bekomen, terwijl vooral de vraag zou moeten worden gesteld of het recht van verdediging van de verweerder voldoende is gegarandeerd of minstens, niet onnodig wordt ingeperkt. De sympathie die prof.dr. BLANPAIN heeft voor het éénzijdig verzoekschrift getuigt van een antipathie voor het posten, waarvan hij a priori aanneemt dat zij niet deugen en dus gebroken moeten worden.

In het geval van stakingspiketten moet de kortgedingrechter zich eigenlijk vooral de vraag stellen of er geweldplegingen, bedreigingen en intimidaties hebben plaatsgevonden. In dergelijk belangrijk bewijsvraagstuk slechts één partij horen en eventueel zelfs vertrouwen op de beweringen van de eiser, is allicht een brug te ver. De kortgedingrechter vragen potentiële geweldplegingen, bedreigingen en intimidaties te veroordelen, ruikt dan weer verdacht veel naar een actio ad futurum, een vordering zonder actueel belang. Het arbeidsrecht avant la lettre kende trouwens een bewijsregel (art. 1781 BW) die bepaalde dat de werkgever in geschillen over het loon op zijn woord werd geloofd. Deze bepaling werd in 1883 niet zonder reden afgeschaft. Bij de kortgedingrechter zijn het dus eerder ‘de kapitalisten’ die soms wel eens het verloren paradijs terugvinden, omdat zij er met betrekking tot collectieve acties bijwijlen op hun woord worden geloofd.

4. Ter afronding, de enige echte zekerheid in verband met het recht op collectieve actie en de grenzen daarvan, is eigenlijk dat het hoog tijd is dat de wetgever ingrijpt en een wet uitvaardigt, die op een evenwichtige wijze uitvoering geeft aan artikel 6.4 (herziene) ESH. Op dit vlak moet prof. dr. BLANPAIN dus volmondig worden bijgetreden. Pas in het aanschijn van deze wet zal voor iedereen duidelijk zijn wie zich werkelijk in het paradijs bevindt. Het objectieve(re) oordeel van een volgende generatie historici zal echter allicht zijn dat zowel ‘kapitalisten’ als ‘stakers’ – ondanks het discours – in het recht van de twintigste en de vroege éénentwintigste eeuw, elk hun wapens en gesels vonden, hetgeen hen beiden met de voetjes op de grond plaatste.

18 november 2008

Studiedag over sociaal-economische grondrechten (art. 23 GW)

Twintig jaar geleden, ter gelegenheid van de 40ste verjaardag van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, werd een parlementair initiatief genomen in de senaat dat vijf jaar later zou uitmonden in de aanvaarding van het toenmalige artikel 24 bis houdende de invoeging van economische en sociale rechten in de Belgische Grondwet: thans artikel 23. Dit artikel betreft niet alleen de werkenden maar alle burgers en slaat op alle aspecten van het sociaal beleid.

Vandaag, twintig jaar later, is het aangewezen een stand van zaken op te maken. Hoewel er sedert de Tweede Wereldoorlog door meerdere parlementleden – van bijna alle politieke partijen – voorstellen werden ingediend, was de aanvaarding van sociale grondrechten in 1988 niet vanzelfsprekend. De indieners van het initiële voorstel dienden zowat alle politieke families van de noodzaak en de gegrondheid van het initiatief te overtuigen. Er was in alle geledingen een grote terughoudendheid aanwezig, vooral gegrond op overwegingen in verband met de praktische haalbaarheid van grondwettelijke engagementen. Nochtans haalde een positieve dynamiek het uiteindelijk binnen de grote meerderheid van de politieke partijen. De discussie binnen de Europese Gemeenschap omtrent het Gemeenschapshandvest voor de sociale grondrechten van de werkenden (1989) heeft hierbij een gunstige rol vervuld.

Twintig jaar later is een aangewezen moment om na te gaan of onze samenleving erin geslaagd is deze algemene constitutionele engagementen om te zetten in concrete beleidsdaden. De aandacht gaat tijdens deze studiedag in de eerste plaats naar de Belgische rechtspraak en rechtsleer. De Europese en internationale inbreng wordt echter niet over het hoofd gezien. Aan de politieke overheid werd gevraagd enkele overwegingen te geven omtrent de toekomst van de sociale grondrechten.

De folder van deze studiedag, die doorgaat op 19 december 2008 bij de FOD WASO, kan hier worden teruggevonden.