1. Artikel 14 van de Antidiscriminatiewet verbiedt in de aangelegenheden die onder het toepassingsgebied van deze wet vallen, elke vorm van discriminatie, waaronder ook directe discriminatie.
09 augustus 2014
Discriminatie op grond van politieke of syndicale overtuiging: vergt overtuiging lidmaatschap?
1. Artikel 14 van de Antidiscriminatiewet verbiedt in de aangelegenheden die onder het toepassingsgebied van deze wet vallen, elke vorm van discriminatie, waaronder ook directe discriminatie.
23 april 2010
Grondwettelijk Hof over Waals decreet ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie
De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van verschillende bepalingen van het decreet van het Waalse Gewest van 6 november 2008 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, met inbegrip van de discriminatie tussen vrouwen en mannen inzake economie, tewerkstelling en beroepsopleiding, alsook van het decreet van het Waalse Gewest van 19 maart 2009 tot wijziging, wat het toepassingsgebied betreft, van het decreet van 6 november 2008 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, met inbegrip van de discriminatie tussen vrouwen en mannen inzake economie, tewerkstelling en beroepsopleiding.
Bij die decreten beoogt de Waalse decreetgever Europese richtlijnen inzake de bestrijding van discriminatie om te zetten. Hij heeft eveneens tot doel een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van nationaliteit, zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, leeftijd, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, vermogen, geloof of levensbeschouwing, politieke overtuiging, taal, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, een fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst, alsook van discriminatie op grond van het geslacht en de verwante criteria inzake beroepsrichting, sociaaleconomische inschakeling, arbeidsbemiddeling, toekenning van tegemoetkomingen ter bevordering van de tewerkstelling, toekenning van tegemoetkomingen en premies voor tewerkstelling alsmede van financiële prikkels voor ondernemingen, en beroepsopleiding, met inbegrip van de validatie van bekwaamheden.
De verzoekende partijen betwisten, in hun eerste middel, het ontbreken van "het lidmaatschap van een representatieve werknemersorganisatie, de syndicale overtuiging en syndicale activiteit" in de lijst van discriminatiegronden. Het lidmaatschap van of het behoren tot een vakorganisatie en de activiteit die in het kader van een dergelijke organisatie wordt gevoerd, moeten worden beschouwd als uitingen van de syndicale mening van de betrokken persoon. Het slachtoffer van een discriminatie op grond van zijn lidmaatschap van een vakorganisatie, van het feit dat hij daartoe behoort of van zijn syndicale activiteit is derhalve eveneens het slachtoffer van een discriminatie op grond van zijn syndicale overtuiging, zodat de drie aangehaalde discriminatiegronden vervat zijn in die van de syndicale overtuiging.
In zijn arrest nr. 64/2009 van 2 april 2009 heeft het Hof, uitspraak doende over een soortgelijke grief met betrekking tot de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, geoordeeld dat de wetgever, door onder de opgesomde discriminatiegronden niet de grond van de syndicale overtuiging op te nemen, de slachtoffers van discriminatie op basis van die grond en de slachtoffers van discriminatie op basis van een van de gronden opgesomd in artikel 4, 4°, van de voormelde wet zonder redelijke verantwoording verschillend heeft behandeld. Om dezelfde redenen als die welke zijn vermeld in het arrest nr. 64/2009 is het eerste middel gegrond. De artikelen 3, 1°, en 4, 5°, van het voormelde decreet van 6 november 2008 en artikel 3, b), van het voormelde decreet van 19 maart 2009 dienen te worden vernietigd, doch alleen in zoverre de syndicale overtuiging niet in de lijst van discriminatiegronden is opgenomen.
Daar de lacune is gesitueerd in de aan het Hof voorgelegde teksten en de vernietiging op voldoende nauwkeurige en volledige wijze is uitgedrukt, vloeit uit die vernietiging voort dat het, in afwachting van een optreden van de decreetgever, aan de rechters bij wie burgerlijke vorderingen met betrekking tot een discriminatie op grond van de syndicale overtuiging zijn ingediend, staat om de gedeeltelijk vernietigde bepalingen toe te passen met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken, volgens hetwelk niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt, verbiedt daarentegen de strafgerechten, bij ontstentenis van een optreden van de decreetgever, de lacune op te vullen.
Het eerste onderdeel van het tweede middel heeft betrekking op artikel 6 van het voormelde decreet van 6 november 2008, dat bepaalt : "De personen die niet bedoeld zijn in artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun arbeid kunnen zich beroepen op de bepalingen van dit decreet".
Artikel 2, § 1, van de wet van 4 augustus 1996 bepaalt :
"§ 1. Deze wet is toepasselijk op de werkgevers en de werknemers.
Voor de toepassing van deze wet worden gelijkgesteld met :
1° werknemers :
a) de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon;
b) de personen die een beroepsopleiding volgen waarvan het studieprogramma voorziet in een vorm van arbeid die al dan niet in de opleidingsinstelling wordt verricht;
c) de personen verbonden door een leerovereenkomst;
d) de stagiairs;
e) de leerlingen en studenten die een studierichting volgen waarvan het opleidingsprogramma voorziet in een vorm van arbeid die in de onderwijsinstelling wordt verricht;
2° werkgevers : de personen die de onder 1° genoemde personen tewerkstellen".
De verzoekende partijen merken op dat artikel 6 van het bestreden decreet, door te verwijzen naar artikel 2, § 1, 1°, alleen betrekking heeft op de met werknemers gelijkgestelde personen en niet op de werknemers zelf, hetgeen een onverantwoord verschil in behandeling tot stand zou brengen tussen die twee categorieën van personen. In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat de decreetgever heeft willen uitsluiten dat het toepassingsgebied van het bestreden decreet en dat van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, elkaar konden overlappen :
"De problematiek van de intimidatie en de seksuele intimidatie, op het werk, heeft het voorwerp uitgemaakt van een specifieke aanpak op federaal niveau vanuit de invalshoek van het welzijn op het werk. Zij wordt geregeld bij de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en bij het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk" (Parl. St., Waals Parlement, 2008-2009, nr. 842/1bis, p. 11).
De wet van 4 augustus 1996 is van toepassing op de werknemers, alsook op de personen die, op grond van artikel 2, § 1, 1°, ervan, zijn gelijkgesteld met werknemers. De Waalse Regering merkt op dat de decreetgever in het bestreden artikel 6 alle personen heeft willen beogen op wie de wet van 4 augustus 1996 van toepassing is en niet uitsluitend de met werknemers gelijkgestelde personen, en zij stelt voor de bestreden bepaling in die zin te interpreteren. Om een einde te maken aan het omschreven onverantwoord verschil in behandeling, dient de vermelding "1°, " in artikel 6 van het bestreden decreet te worden vernietigd, zodat de verwijzing naar "artikel 2, § 1, van de wet van 4 augustus 1996" zowel de werknemers als de met hen gelijkgestelde personen beoogt.
In hun memorie van antwoord voeren de verzoekers nog aan dat de door de Waalse Regering voorgestelde interpretatie, die tot hetzelfde resultaat leidt als de beoogde vernietiging, een duidelijke discriminatie tot stand brengt tussen de slachtoffers van "intimidatie" buiten het werk, die de bescherming van het bestreden decreet genieten, en de slachtoffers van "intimidatie" op het werk, die deze niet genieten. Dat verschil in behandeling vloeit niet voort uit de door de Waalse Regering voorgestelde interpretatie, noch uit de beoogde vernietiging. Het vloeit voort uit de tekst zelf van artikel 6 van het bestreden decreet, dat de slachtoffers van "intimidatie" bij de uitvoering van hun arbeidsovereenkomst van zijn toepassingsgebied uitsluit. Een bezwaar dat in een memorie van antwoord wordt aangebracht maar dat verschilt van datgene dat in het verzoekschrift is geformuleerd, is dan ook een nieuw middel en is onontvankelijk.
Het tweede onderdeel van het tweede middel van de verzoekende partijen heeft betrekking op de artikelen 4, 2°, en 17 van het voormelde decreet van 6 november 2008. Krachtens artikel 4, 2°, dienen "de bestuursrechtelijke bepalingen, de clausules opgenomen in individuele of collectieve overeenkomsten en collectieve reglementen, evenals de bepalingen opgenomen in eenzijdig uitgevaardigde documenten" als bepalingen in de zin van het bestreden decreet te worden beschouwd. Op grond van artikel 17 zijn "de in artikel 4, 2°, bedoelde bepalingen die strijdig zijn met dit decreet alsook de bedingen die bepalen dat één of meer contracterende partijen bij voorbaat afzien van de rechten die bij dit decreet gewaarborgd worden", nietig.
Volgens de verzoekende partijen schenden die bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet omdat eenzijdige rechtshandelingen die niet in 'documenten' voorkomen, niet op grond van artikel 17 nietig zouden kunnen worden verklaard en omdat de nietigheidssanctie geen toepassing zou kunnen vinden in geval van een verzaking op het ogenblik van of na de discriminatie.
In zijn arrest nr. 64/2009 heeft het Hof, uitspraak doende over een soortgelijke grief met betrekking tot de voormelde wet van 10 mei 2007, geoordeeld dat de niet-schriftelijke eenzijdige handelingen of niet-schriftelijke overeenkomsten, zoals dezelfde handelingen wanneer zij in een geschrift zijn opgenomen, volledig zijn onderworpen aan de bepalingen van de voormelde wet, en dat aan de auteurs ervan de sancties kunnen worden opgelegd waarin zij voorziet indien zij zich aan een discriminatie in de zin van die wet schuldig hebben gemaakt, zodat het slachtoffer van een discriminerende weigering tot aanwerving of van een discriminerend ontslag die mondeling worden meegedeeld, niet anders wordt behandeld dan het slachtoffer van een discriminerende weigering tot aanwerving of van een discriminerend ontslag die schriftelijk worden meegedeeld.
Aangezien het bepalingen van openbare orde betreft, heeft het Hof het in hetzelfde arrest evenwel niet verantwoord geacht de nietigheid van bedingen waarmee een van de partijen afziet van de bij de wet gewaarborgde rechten, te beperken tot die vóór de vastgestelde discriminatie, en van die nietigheid de bedingen uit te sluiten waarmee een partij gelijktijdig met of na de discriminatie zou afzien van de bescherming van de wet.
Teneinde elke rechtsonzekerheid te voorkomen, dienen in artikel 17 van het bestreden decreet de woorden "bij voorbaat" te worden vernietigd, zodat de nietigheid waarin het voorziet van toepassing is op elke afstand van de bij het decreet gewaarborgde rechten, ongeacht het ogenblik waarop dat gebeurt.
14 januari 2010
De eindejaarswetten 2009: een overzicht van de wijzigingen
1. In een vorig blogbericht werd reeds erop gewezen dat de uiterlijke datum van inwerkingtreding van de Commissie-bepalingen uit de Arbeidsrelatiewet opnieuw werd verdaagd door de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen (BS 31 december 2009).
Deze wet was samen met de programmawet van 23 december 2009 (BS 30 december 2009) en de wet van 30 december 2009 ter ondersteuning van de werkgelegenheid één van de drie eindejaarswetten die weer het één en het ander hebben gewijzigd in het sociaal recht.
Het zou mij te ver leiden elke wijziging ten gronde te bespreken. Gelukkig kan ik u doorverwijzen naar het uitstekend overzicht dat werd gemaakt door de collegae van het Instituut voor Arbeidsrecht van de KUL.
2. Twee zaken wil ik toch nog in de verf zetten. Vooreerst voegt artikel 107 van de Wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen de discriminatiegrond 'syndicale overtuiging' toe aan de lijst in artikel 3 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie. Daarmee biedt de wetgever een antwoord op arrest nr. 64/2009 van het Grondwettelijk Hof.
De wetgever reageerde ook op het arrest C-116/08 van het Hof van Justitie, ook wel beter gekend als de zaak Meerts (zie hieromtrent enkele eerdere blogberichten). Artikel 90 van de reeds vernoemde wet diverse bepalingen wijzigt artikel 105 van de Herstelwet 1985 zo dat bij de berekening van de opzeggingsvergoeding van een werknemer die tijdens een periode van ouderschapsverlof wordt ontslagen, het normaal verdiende voltijdse loon als 'lopend loon' in de zin van artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet moet worden beschouwd.
Het valt echter te betwijfelen of de kous hiermee af is. Deze regel geldt immers niet voor andere tijdskredieters, hoewel de ratio van de tijdskredietregeling uiteindelijk niet veel anders is dan de ratio van het ouderschapsverlof, zoals die werd uiteengezet door het Hof van Justitie. Volgens het Hof beoogt de regeling inzake ouderschapsverlof immers "het beroeps‑ en gezinsleven beter te kunnen combineren", punt aan de lijn. Mijns inziens is er nu dus sprake van een discriminatie tussen werknemers die ouderschapsverlof genieten en werknemers die tijdskrediet nemen voor dezelfde reden (gezinsleven is tenslotte meer dan ouderschap).
Of zou het Grondwettelijk Hof - naar analogie met haar redenering in arrest nr. 89/2009 inzake deeltijds werken door een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer - durven beweren dat een werknemer niet kiest om ouder te worden, hetgeen het onderscheid met een 'gewone' tijdskredieter zou rechtvaardigen? Voor mijn kritiek op deze kromme redenering van het GwH, zie een eerder blogbericht waarin ik een vonnis van de Arbeidsrechtbank te Gent (d.d. 7 september 2009) becommentarieer.
29 december 2009
Werkgever beledigen kent volgens EHRM dan toch zijn grenzen
1. In het gevierde 200ste nummer van De Juristenkrant bespreekt professor Dirk Voorhoof het voornoemde arrest van het Europees Hof voor de Mensenrechten (cf. "Ontslag wegens karikatuur", De Juristenkrant 23 december 2009, nr. 200, p. 4-5) . Dit arrest werd ook becommentarieerd door de Franse professor Nicolas Hervieu.
De feiten eigen aan de zaak werden door het Hof als volgt samengevat: "Dans la couverture du bulletin du mois d'avril 2002, un dessin avec bulles de dialogue montrait une caricature du directeur des ressources humaines, G., assis derrière un bureau sous lequel se trouvait une personne à quatre pattes, dos tourné et, à coté, deux autres personnes, A. et B., également employés de la société P., qui contemplaient la scène et attendaient pour occuper la place du premier et satisfaire à leur tour le directeur. A l'intérieur du bulletin, deux articles dénonçaient avec des termes rudes et grossiers que ces deux personnes avaient témoigné en faveur de la société P. lors d'une procédure entamée par les requérants à l'encontre de cette dernière. Le bulletin fut distribué parmi les travailleurs et affiché sur le tableau d'affichage du syndicat N.A.A. situé au sein de la société." De gebruskeerde werkgever aarzelde niet en ontsloeg zes werknemers die lid waren van de vakvereniging van wie het bladje uitging. De Spaanse hoven en rechtbanken zagen daar in eerste aanleg en in beroep geen graten in.
2. Het Hof was het eens met die analyse: "La Cour n'aperçoit aucune raison de remettre en cause les constatations des juridictions internes d'après lesquelles le dessin et les deux articles litigieux inclus dans le bulletin publié et affiché par les requérants au sein de la société étaient offensifs et de nature à nuire à la réputation d'autrui. Les motifs retenus par les juridictions nationales se conciliaient avec le but légitime consistant à protéger la réputation des personnes physiques visées dans les dessin et textes en cause. A cet égard, la Cour rappelle que l'article 10 de la Convention ne garantit pas une liberté d'expression sans aucune restriction. "
In een dissenting opinion vond de Ierse rechter nochtans niet zozeer dat de uitlatingen van de syndicalisten de grenzen van het toelaatbare hadden overschreden, maar wel dat de sanctie die door de werkgever werd toegepast, disproportioneel was: "Aussi grossier soit-il, l'« acte » dont il est question en l'espèce ne saurait à mes yeux être regardé comme répréhensible au point de justifier la sanction disciplinaire ultime, c'est-à-dire le licenciement sommaire et définitif. Pour moi, cette sanction ne cadrait pas avec l'exigence stricte d'un « besoin social impérieux » et ne pouvait donc passer pour « nécessaire dans une société démocratique »".
01 december 2009
De vakvereniging: enkele inleidende beschouwingen
door Joni Van Cappellen
Begripsbepaling
1. Vakverenigingen zijn vakorganisaties van werkgevers of werknemers en hun overkoepelende interprofessionele organisaties die de beroepsbelangen van hun leden en meer in het algemeen de belangen van alle betrokken beroeps- of bedrijfsgenoten behartigen In het dagelijkse taalgebruik worden werknemersorganisaties vaak vakbonden genoemd. Naar hun organisatievorm kunnen werknemersorganisaties ingedeeld worden in beroepsorganisaties, industrievakorganisaties en algemene vakverenigingen. Een beroepsorganisatie is een vereniging van werknemers op basis van het beroep. Een industrievakorganisatie is een vakvereniging van werknemers binnen dezelfde industrietak, ongeacht hun beroep of functie. Algemene vakverenigingen groeperen werknemers rond een algemeen thema, ongeacht hun beroep of bedrijfstak.
Herman Lenaerts verduidelijkt dat een vakvereniging "de vrijwillig tot stand gekomen representatieve organisatie van een bij het sociaal recht betrokken groep van personen ter behartiging van de sociaal-economische belangen van alle deelgenoten van die groep" is ( H. LENAERTS, Inleiding tot het sociaal recht, Diegem, Kluwer, 1995, 372-374, nr. 249-250). In een advisory opinion uit 1922 boog het Permanent Hof voor Internationale Justitie zich reeds over het begrip "representatief". Zo oordeelde dat Hof dat “numbers are not the only test of the representative character of the organisations, but they are an important factor” (PHIJ, Designation of the Workers' Delegate for the Netherlands at the Third Session of the International Labour Conference, advisory opinion (31 juli 1922), http://www.icj-cij.org/pcij/serie_B/B_01/Designation_du_delegue_ouvrier_neerlandais_a_la_Conference_internationale_du_travail_Avis_consultatif.pdf ). Volgens Lenaerts houdt representativiteit vooral in dat de organisatie voldoende gezaghebbend moet zijn om de betrokken beroeps- en bedrijfsgenoten te vertegenwoordigen. De overheid zou immers enkel wensen te onderhandelen met vakorganisaties die een belangrijke invloed hebben in het socio-economische leven.
In ons land liggen de criteria voor de beoordeling van de representativiteit van de vakorganisaties vast in artikel 3 van de CAO-wet. Het gaat om (1) de interprofessionele organisaties van werknemers, die voor het gehele land zijn opgericht en die in de Centrale Raad voor het bedrijfsleven en in de Nationale Arbeidsraad vertegenwoordigd zijn, en bovendien ten minste 50 000 leden tellen; en (2) de vakorganisaties die aangesloten zijn bij of deel uitmaken van een onder 1 genoemde interprofessionele organisatie. De ACLVB, het ACV en de ABVV zijn de drie bekendste representatieve werknemersorganisaties. Zij worden ook uitdrukkelijk vermeld in een KB van 5 januari 1957 (BS 10 januari 1957).
De verenigingsvrijheid: het fundament
2. Artikel 27 GW verankert het recht zich te verenigen. De vrijheid van vereniging wordt echter ook op internationaal niveau beschermd. Het wordt beschouwd als een mensenrecht en is opgenomen in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (art. 23) en het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (art. 11). Ook het IVBPR (art. 22), het IVESCR (art. 8), het Herziene ESH (art. 5), het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (art. 14), en het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden (art. 12) maken melding van de verenigingsvrijheid. Ook de IAO-verdragen nr. 87, 98 en 151 zijn van een bijzondere betekenis voor het vakverenigingsrecht.
Vanuit dit perspectief oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dan ook dat een closed-shop systeem in strijd is met de vrijheid van vereniging (EHRM 11 januari 2006, Sörensen and Rasmussen/Denemarken). In 1981 kwam dit systeem trouwens al in opspraak voor het Hof (EHRM 13 augustus 1981, Young, James and Webster/The United Kingdom). In dit laatste arrest wordt een closed shop omschreven als “an undertaking or workplace in which, as a result of an agreement or arrangement between one or more trade unions and one or more employers or employers’ associations, employees of a certain class are in practice required to be or become members of a specified union”.
De vakbondsvrijheid werd in ons land de iure trouwens pas echt werkelijkheid naar aanleiding van twee wetten de dato 24 mei 1921, namelijk de wet tot opheffing van art. 310 Sw. (BS 28 mei 1921), die een einde maakte aan de belemmering van de vakbondsactie, en de wet tot waarborging der vrijheid van vereniging (BS 28 mei 1921). Deze laatste wet erkent drie vrijheden : de vrijheid zich aan te sluiten, de vrijheid zich niet aan te sluiten en de vrijheid zich aan te sluiten bij een vereniging naar eigen keuze. Deze wet regelt ook de gevolgen van de toetreding tot een vereniging. Elk toegetreden lid is onderworpen aan het reglement van de vereniging, alsmede aan de beslissingen en strafmaatregelen getroffen krachtens dit reglement. Echter, volgens het Hof van Cassatie kunnen "behoudens de bij de genoemde wet als misdrijf bestrafte aantastingen van die vrijheid ook andere feiten ongeoorloofde aantastingen van de vrijheid van vereniging vormen" (Cass. 27 april 1981, Arr. Cass. 1980-81, 972).
3. Voordelen toegekend door de werkgever aan bepaalde categorieën werknemers zijn volgens het Hof van Cassatie nochtans niet noodzakelijk een aantasting van de verenigingsvrijheid. De werkgever mag voordelen toekennen aan werknemers die aangesloten zijn bij vakorganisaties of bij een welbepaalde vakorganisatie, in zoverre die voordelen verantwoord zijn. De toegekende voordelen moeten weliswaar evenredig zijn met de bewezen diensten en lasten, zodat de vrije keuze van de andere werknemers niet wordt aangetast (cf. Cass. 27 april 1981, Arr. Cass. 1980-81, 972). Volgens Aerts zijn er vier grenzen, opdat de voordelen geen dwangmiddelen worden tot syndicaal lidmaatschap : "1. De voordelen mogen geen overdreven waarde hebben, gezien hun karakter van tegenprestatie [...]. Deze voordelen moeten in verhouding zijn met de grondslag van hun toekenning, [...]. 2. De voordelen mogen geen miskenning zijn van de arbeidsprestatie als dusdanig. 3. De toekenning van deze voordelen mag geen nadelige weerslag hebben op het arbeidsloon. 4. Het toekennen van deze voordelen mag geen inbreuk zijn op de verworven rechten der werknemers." (J. AERTS, "Het voorbehouden van voordelen aan gesyndikeerde werknemers", TSR 1968, 295-297).
4. In 2008 oordeelde de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen dat een militante van het Vlaams Belang niet mocht worden uitgesloten uit de LBC, de Landelijke Bediendencentrale. De grondslag van haar uitsluiting zou geen steun vinden in de statuten van de LBC (Zie hieromtrent F. DORSSEMONT, "VB-militante mocht niet uit LBC worden gesloten", Juristenkrant 2008, nr. 180, 4-5; zie ook een eerder blogbericht) Deze zaak doet denken aan het arrest ASLEF van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 27 februari 2007, ASLEF/The United Kingdom). De Britse vakbond ASLEF had in die zaak immers een lid uitgesloten omwille van zijn lidmaatschap van de extreem-rechtse partij BNP. De man ging hiermee niet akkoord en kreeg gelijk voor de nationale gerechten (zie ASLEF v. Lee [2004] UKEAT 0625 03 2402 (24 februari 2004). Volgens het EHRM heeft een vakbond echter het recht leden uit te sluiten om de reden dat deze leden ook lid zijn van een politieke partij wiens opvattingen indruisen tegen deze van de vakbond (zie een eerder blogbericht).
Gebrek aan rechtspersoonlijkheid en procesbevoegdheid
5. Vakorganisaties kunnen rechtspersoonlijkheid verwerven, indien ze het statuut van een beroepsvereniging (Wet 31 maart 1898 op de beroepsverenigingen, BS 8 april 1898) of van een vereniging zonder winstoogmerk (Wet 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, BS 1 juli 1921) aannemen. Werkgeversorganisaties maken hier veelvuldig gebruik van. Werknemersorganisaties daarentegen hebben dit altijd al verworpen, aangezien zij elke overheidsinmenging willen vermijden. Werknemersorganisaties zijn bijgevolg feitelijke verenigingen. Principieel heeft een feitelijke vereniging geen procesbekwaamheid. Dit heeft tot gevolg dat alle leden gezamenlijk moeten optreden om een rechtsvordering in te stellen. De meeste vakorganisaties hebben een groot aantal leden, waardoor dit praktisch moeilijk zou zijn. Daarom kan men een lasthebber aanstellen. Deze lasthebber krijgt het mandaat om de leden in rechte te vertegenwoordigen. Wie tegen een feitelijke vereniging een vordering wil instellen, zal in beginsel alle leden van deze vereniging moeten dagvaarden. Maar ook hier kunnen de gezamenlijke leden gedagvaard worden in de persoon van een vertegenwoordiger. De leden kunnen bijvoorbeeld hun gezag delegeren aan de leden van het dagelijks bestuur of aan de gewestelijke secretaris van de feitelijke vereniging. Het Arbeidshof te Antwerpen oordeelde dat een werknemer de gewestelijke secretaris van een vakorganisatie kan dagvaarden wanneer er bij deze secretaris sprake is van een mandaat ad litem (Arbh. Antwerpen 5 januari 1998, Soc. Kron. 1998, 200).
Bevoegdheden/taken van een vakvereniging
6. Ondanks het gebrek aan rechtspersoonlijkheid, spelen deze verenigingen toch een belangrijke rol in het collectief arbeidsrecht. De wetgever en ook de rechterlijke macht hebben hen verschillende bevoegdheden en/of taken toegekend, waaruit wordt afgeleid dat vakverenigingen toch een “functionele” rechtspersoonlijkheid hebben. De relevante directe bevoegdheden kunnen ingedeeld worden in 3 categorieën : het sluiten van C.A.O.'s in de zin van de C.A.O.-wet, het ius agendi dat in sommige gevallen wordt aanvaard, en de bevoegdheid om vertegenwoordigers in organen aan te duiden. Representatieve werknemersorganisaties hebben namelijk belangrijke vertegenwoordigingsopdrachten in tal van overleg- en beslissingsorganen. In deze organen vertegenwoordigen ze meestal niet enkel hun leden, maar ook de niet-georganiseerde werknemers. Ze spelen een grote rol in het sociaal overleg over de lonen en arbeidsvoorwaarden. Soms kunnen er collectieve arbeidsconflicten ontstaan. In eerste instantie worden collectieve geschillen opgelost door overleg, bij gebrek aan consensus vormt de collectieve actie tot het juridisch erkend drukkingsmiddel.
24 april 2009
Europees Hof voor de Rechten van de Mens doet uitspraak over stakingsrecht
"LIBERTE SYNDICALE (Art. 11 CEDH) : Nouvelle progression du droit de grève devant la Cour européenne des droits de l’homme
Dans la lignée de son important arrêt de Grande Chambre du 12 novembre 2008 (Demir et Baykara c. Turquie, req. no 34503/97. V. lettre d’actualité du 14 novembre 2008), la Cour européenne des droits de l’homme a fait un nouveau pas vers la reconnaissance du droit de grève comme droit protégé en tant que tel par la Convention. Elle condamne ici la Turquie pour violation du droit à la liberté syndicale (Art. 11) du fait de l’interdiction générale du droit de grève qui était opposée, à l’époque des faits, à tous les fonctionnaires turcs.
Une circulaire rédigée par les services du Premier ministre turc fut publiée en 1996 pour menacer de sanctions les fonctionnaires qui participeraient aux actions de grèves prévues quelques jours plus tard en faveur de la reconnaissance du droit à une convention collective dans le secteur public. Et, de fait, des membres d’un syndicat de fonctionnaires (« Enerji Yapı-Yol Sen ») furent sanctionnés, d’où le recours en annulation de ladite circulaire formé, sans succès, devant le Conseil d’Etat turc par ce syndicat.
Saisie d’une allégation de violation du « droit à la liberté syndicale » (Art. 11), la Cour va trouver ici l’opportunité de préciser d’importants éléments au sujet du droit de grève. Elle considère en effet, au sujet de l’existence d’une ingérence au sein du droit précité, que « le syndicat requérant a subi directement les effets de la circulaire litigieuse et qu’il peut en conséquence se prétendre victime d’une ingérence dans l’exercice de son droit à la liberté syndicale » (§ 34). A l’appui de ce constat, la juridiction strasbourgeoise relève différents éléments relativement classique dans sa jurisprudence (« La grève, qui permet à un syndicat de faire entendre sa voix, constitue un aspect important pour les membres d’un syndicat dans la protection de leurs intérêts »). Mais surtout, elle souligne que « le droit de grève est reconnu par les organes de contrôle de l’Organisation internationale du travail (OIT) comme le corollaire indissociable du droit d’association syndicale protégé par la Convention C87 de l’OIT sur la liberté syndicale et la protection du droit syndical » et « rappelle que la Charte sociale européenne reconnaît aussi le droit de grève comme un moyen d’assurer l’exercice effectif du droit de négociation collective » (§ 34).
Poursuivant leur examen, les juges européens constatent rapidement que cette ingérence au sein du droit à la liberté syndicale était « prévue par la loi » (§ 27) et émet un doute sur la poursuite ici d’un but légitime (§ 28) afin de se concentrer sur la nécessité de cette ingérence. Or, après avoir rappelé le contexte de l’époque, très incertain quant au droit du travail turc (§ 32), les juges précise que « le droit de grève n’a pas de caractère absolu » et qu’en particulier, « le principe de la liberté syndicale peut être compatible avec l’interdiction du droit de grève des fonctionnaires exerçant des fonctions d’autorité au nom de l’Etat » (§ 32). Des bornes à ces restrictions du droit de grève sont cependant vite tracées par la Cour qui indique que cette interdiction « ne peut pas s’étendre aux fonctionnaires en général, comme en l’espèce, ou aux travailleurs publics des entreprises commerciales ou industrielles de l’Etat » et que « les restrictions légales au droit de grève devraient définir aussi clairement et étroitement que possible les catégories de fonctionnaires concernées » (§ 32). Deux conditions que la circulaire litigieuse, « rédigée en des termes généraux qui interdisaient de manière absolue à tous les fonctionnaires le droit de grève » viole nettement. Au surplus, la Cour estime que les fonctionnaires en question « n’ont fait qu’user de leur liberté de réunion pacifique » et que les sanctions infligée « sont de nature à dissuader » la participation « légitime[...] à de telles actions » (§ 32). Partant, la Turquie est condamnée pour violation de l‘article 11.
La Cour formule dans cet arrêt l’exigence conventionnelle de respect du droit de grève avec une netteté inédite (V. les arrêts plus alambiqués à ce propos - Cour EDH, 2e sect. 27 mars 2007, Karaçay c. Turquie, req. n° 6615/03 et Cour EDH, 2e sect. 17 juillet 2007, Satilmis et autres c. Turquie, req. n° 74611/01). Le chemin ouvert par l’arrêt Demir et Baykara est d’ailleurs ici expressément suivi par la formation de Chambre, notamment par le recours à de sources textuelles extra-conventionnelles (une convention de l’Organisation Internationale du Travail et la Charte Sociale Européenne). Mais, précisément, on peut regretter qu’elle n’ait pas poursuivi son effort en qualifiant, enfin et clairement, le droit de grève d’« élément essentiel de la liberté syndicale », comme l’avait fait la Grande Chambre au sujet du droit de mener des négociations collectives."
17 januari 2009
Mogen vakbonden leden van het Vlaams Belang uitsluiten?
1. Het Vlaams Belang zet haar queeste tegen de traditionele vakbonden onverminderd voort. Terwijl de vernietigingsberoepen tegen de wetgeving houdende de organisatie van de sociale verkiezingen in 2008 nog hangende zijn voor het Grondwettelijk Hof (zie ondertussen echter het blogbericht van W. Vandeputte met betrekking tot arrest nr. 2009/09), deed de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen begin november uitspraak over de vraag of een vakbond een lid van het Vlaams Belang uit haar rangen mag sluiten. Volgens de rechter mag dat niet. Althans niet in deze zaak...
Voor de feiten keren we terug naar de Vlaamse verkiezingen van 2004. Mevrouw VDB, die reeds sinds 1986 lid was van het ACV, stelt zich op dat moment kandidaat op een lijst van het toenmalige Vlaams Blok. De vakbond, die al snel op de hoogte is, stelt bij brief van 17 september 2004 dat mevrouw VDB van de ledenlijst van de vakbond geschrapt zal worden. Onder verwijzing naar de “congresbesluiten van het ACV” wordt vastgesteld dat de demarche van mevrouw VDB “inderdaad niet overeen(stemt) met de democratische en antiracistische waarden, welke door onze organisatie worden gedragen en onderschreven”. In de juridische procedure die op de schrapping volgt, halen het ACV en de LBC-NVK hun argumenten voornamelijk uit de schending van de statuten en resoluties van de vakvereniging. Daarin wordt gesteld dat “zich een onverenigbaarheid kan voordoen voor het lid dat zich in de eigen organisatie en tevens in de omschreven externe groep als militant inzet” (art. 3 van Bijlage 4 bij de statuten van de LBC-NVK). Met de “omschreven externe groep” wordt gerefereerd aan ondermeer politieke partijen, zoals het Vlaams Blok, die in hun optreden van een anti-democratische, racistische houding, opvatting of doelstelling getuigen. In combinatie met artikel 8 van de statuten betekent dit concreet dat dergelijke vakbondsleden uit de vakorganisatie gesloten kunnen worden, zoals in casu gebeurde.
2. Bij vonnis van 7 november 2008 oordeelde de Rechtbank van Eerste Aanleg evenwel dat de uitsluiting van mevrouw VDB in voorliggend geval ongeldig was. De Rechtbank liet zich daarbij door hoofdzakelijk twee argumenten leiden. In de eerste plaats had mevrouw VDB aangevoerd dat de statuten niet rechtsgeldig gewijzigd waren en haar en de overige leden van de vakbond evenmin rechtsgeldig tegenstelbaar gemaakt werden. De kwestieuse Bijlage 4 waarop de vakbond zich ondermeer beriep, bleek voort te vloeien uit enkele congresresoluties die door de vakbond goedgekeurd waren. Naar het oordeel van de Rechtbank slaagde de vakbond er echter niet in aan te tonen dat ook de statuten rechtsgeldig gewijzigd waren en dat de Bijlage 4 daarin correct geïncorporeerd was. In de tweede plaats stelde de Rechtbank dat de vakbond bovendien niet aangetoond had dat mevrouw VDB de statuten of reglementen van het ACV of de LBC-NVK geschonden had, noch dat zij door haar gedragingen het ACV of de LBC-NVK bewust geschaad zou hebben. Om die redenen verklaarde de Rechtbank dat mevrouw VDB nooit rechtsgeldig uit de LBC-NVK gesloten was en dat zij bijgevolg thans nog steeds als lid beschouwd moest worden.
De zaak van mevrouw VDB doet sterk denken aan het arrest ASLEF van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 27 februari 2007, dat reeds eerder in de Juristenkrant (nr. 145) en op deze blog besproken werd. In dit arrest oordeelde het EHRM dat een vakbond het recht heeft om leden uit te sluiten om de loutere reden dat deze leden zijn ook lid zijn van een politieke partij wiens opvattingen indruisen tegen deze van de vakbond. In de zaak die tot dit arrest aanleiding gaf, werd een lid van de extreem-rechtste British National Party omwille van dit lidmaatschap uit de treinbestuurdersbond ASLEF gesloten. Voor de nationale gerechten haalde de man evenwel zijn slag thuis omdat een Britse wet vakbonden verbood om leden uit te sluiten wegens hun gelijktijdig lidmaatschap van een politieke partij. Voor het EHRM bleek deze wet echter niet stand te houden. Meer bepaalde oordeelde het Hof dat de kwestieuse wet de vrijheid van vakvereniging (art. 11 EVRM) schond. Het Hof meende dat het voor de vakbonden hieruit voortvloeiende recht om zelf te bepalen onder welke voorwaarden iemand lid van de organisatie kan worden en blijven niet conflicteert met het recht van dat lid op een vrije (politieke) meningsuiting. De vakvereniging mag met andere woorden zelf bepalen wie tot de vereniging mag toetreden en kan geenszins gedwongen worden om het lidmaatschap van leden te handhaven wanneer deze leden zich associëren met andere verenigingen die waarden en opvattingen verdedigen die haaks staan op deze van de vakorganisatie. Een dergelijke verplichting, zoals opgelegd door de Britse wet, schendt de vrijheid van vakvereniging.
3. In haar vonnis vermeldt de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen het arrest van het EHRM niet. Impliciet stelt de Rechtbank echter ook niet dat het vakverenigingen verboden is om leden uit te sluiten omwille van hun lidmaatschap van een politieke partij met een conflicterend gedachtegoed. De Rechtbank oordeelde enkel dat de uitsluiting in casu ongeldig was omdat er een onregelmatigheid zou zijn geweest met de statuten(wijziging) van de vakvereniging. Of een dergelijke formalistische benadering stand zal houden in hoger beroep is evenwel niet zeker. Het is immers maar zeer de vraag of de (ook) internationaal beschermde vakverenigingsvrijheid niet al te strikt geïnterpreteerd wordt wanneer men aanneemt dat een onverenigbaarheid louter en alleen kan voortvloeien uit een formele statutaire bepaling.
Na de uitspraak van het vonnis kraaide het Vlaams Belang, om begrijpelijke redenen, victorie. Gemakshalve vergat de partij(leiding) echter dat, in de lijn van ASLEF, het ook na dit vonnis voor vakbonden nog steeds mogelijk is om leden van deze politieke partij te weren. Een iets meer doortastende interpretatie van de vakverenigingsvrijheid kan een ander licht over de uitspraak doen schijnen. De kans dat de overwinning van het Vlaams Belang uiteindelijk maar een pyrrusoverwinning blijkt te zijn, is bijgevolg zeker niet onbestaande.
16 januari 2009
Grondwettelijk Hof ontmijnt bom onder sociale verkiezingen
1. Op 15 januari 2009 deed het Grondwettelijk Hof uitspraak over het beroep tot nietigverklaring van een aantal artikelen van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen. Het betrof meer bepaald de artikelen art. 4-6°, 33 §1 eerste lid, 34 en 78 van deze wet. Het beroep werd ingesteld door Vlaams volksvertegenwoordiger Marie-Rose Morel (Vlaams Belang) en anderen, en was in de eerste plaats gericht tegen het zogenaamde wettelijk monopolie van de representatieve werknemersorganisaties bij het voordragen van kandidaten bij de sociale verkiezingen. In totaal werden zeven middelen ingeroepen die de bestaande regeling onderuit moest halen. Het Grondwettelijk Hof aanvaardde geen van de ingeroepen middelen. Hierna wordt een beknopte selectie gemaakt van de meest belangwekkende overwegingen van het hof.
2. Het derde middel heeft betrekking op de aparte vertegenwoordiging binnen de onderneming van de categorie van de kaderleden. Volgens de indieners van het beroep tot nietigverklaring, houdt het onderscheid tussen de categorie van werknemers en deze van de kaderleden een discriminatie in ten nadele van de werknemers. Het hof stelt evenwel vast het de wil van de wetgever was om een aparte vertegenwoordiging in te stellen voor de categorie van kaderleden omdat deze gezien moet worden als een socioprofessionele groep die een specifieke plaats inneemt in de onderneming, en die ook naar organisatie en belangen duidelijk onderscheiden is van de overige categorieën werknemers. De vaststelling dat kaderleden vaak tot geen enkele representatieve organisatie behoren en dat de representatieve werknemersorganisaties minder representatief zijn voor de kaderleden dan voor de overige werknemers, rechtvaardigt volgens het hof de bestreden maatregel.
3. De schending van de vrijheid van vereniging en van de vrijheid van vakvereniging maakte het voorwerp uit van het vierde middel. De verzoekende partijen waren van mening dat de bestreden artikelen de kandidaatstelling bij de sociale verkiezingen onmogelijk zouden maken voor wie niet is aangesloten bij een representatieve vakvereniging. Het hof doorprikt deze redenering door op te merken dat de bestreden bepalingen het lidmaatschap van een representatieve werknemersorganisatie op zich niet als voorwaarde stellen om kandidaat te kunnen zijn bij de sociale verkiezingen. Daarenboven verwerpt het hof het argument dat deze bepalingen aan de bestaande representatieve organisaties een vetorecht zouden verlenen bij de eventuele oprichting van een nieuwe representatieve werknemersorganisatie.
4. De praktijk waarbij de bestaande representatieve werknemersorganisaties hun ledenbestand actief zouden doorlichten met het oog op het uitsluiten van leden met een “Vlaams-nationalistische” stempel (lees: leden van het Vlaams Belang), wordt op de korrel genomen in een vijfde middel. Volgens de verzoekende partijen impliceert deze praktijk dat leden van de “Vlaams-nationalistische minderheid” zich onmogelijk kandidaat kunnen stellen voor de sociale verkiezingen, gelet op het feit dat de kandidatenlijsten voor de sociale verkiezingen uitsluitend kunnen worden ingediend door representatieve werknemersorganisaties.
Het hof weerlegt opnieuw de stelling van de verzoekers. Het hof valt daarvoor terug op een standpunt dat het reeds bij eerdere gelegenheden innam: het is niet onredelijk om enkel werknemersorganisaties toe te laten tot het sociaal overleg die aan bepaalde representativiteitsvoorwaarden voldoen, met het oog op het verzekeren van de continuïteit en de doeltreffendheid van het sociaal overleg en het bewaren van de sociale vrede. Het feit dat de wetgever het grotendeels aan de Koning overgelaten heeft om de notie representativiteit een verdere invulling te geven, betekent op zich echter geen schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Het hof voegt daaraan toe dat het de taak is van de administratieve rechter om na te gaan of de Koning de kandidatuur van een vakorganisatie niet heeft aangenomen of verworpen op basis van een “onwettige of discriminerende opvatting van het begrip representativiteit”.
Met betrekking tot de mogelijkheid voor vakorganisaties om leden uit te sluiten op basis van bepaalde politieke of levensbeschouwelijke overtuigingen, verwijst het hof uitdrukkelijk naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Associated Society of Locomotive Engineers & Firemen t. Verenigd Koninkrijk (27 februari 2007). Vakorganisaties hebben het recht om vrij hun leden te kiezen, en kunnen in beginsel niet verplicht worden om elkeen die wil toetreden ook toe te laten. Artikel 11 van het EVRM staat er dan ook niet aan in de weg dat leden worden uitgesloten met toepassing van de regels die door de vakorganisatie zijn vastgesteld.
5. Het arrest van het Grondwettelijk Hof heeft een aantal gevoelige punten in de aanslepende ruzie tussen de bestaande vakorganisaties en het Vlaams Belang beslecht, en doet in de nasleep van de sociale verkiezingen van 2008 de rust (tijdelijk?) wederkeren. Het arrest wordt door de Belgische sociale partners enthousiast onthaald. Nochtans betekent dit niet dat de discussie omtrent de representativiteit van de vakbonden in België nu volledig van de baan is. De conclusies en aanbevelingen van Commissie voor de vakbondsvrijheid, uitgebracht in het raam van de Internationale Arbeidsorganisatie, laten er geen twijfel over bestaan dat België er goed aan zou doen om de geldende opvattingen over representativiteit kritisch te (her)bekijken.
19 december 2008
Geen RPV voor pleiters van vakbonden
door Koen Nevens
Sommige verzoekers zagen in dit laatste een schending van het gelijkheidsbeginsel (art. 10-11 GW), enerzijds in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 27 van de Grondwet, met de artikelen 6.1, 11 en 13 EVRM en met dealgemene beginselen van het recht op een daadwerkelijke toegang tot een rechter en van de wapengelijkheid en anderzijds in samenhang gelezen met artikel 11 EVRM, in zoverre de uitsluiting van de vakbondsafgevaardigden uit het toepassingsgebied van de bestreden wet afbreuk zou doen aan de vrijheid van vereniging en aan de vakbondsvrijheid.
Het Grondwettelijk Hof achtte beide middelen niet gegrond.
2. Met betrekking tot het eerste middel wijst het Hof erop dat tussen een partij die door een advocaat wordt verdedigd en een partij die door een vakbondsafgevaardigde wordt verdedigd, een verschil dat op een objectief criterium berust : in de regel betaalt de eerste aan haar raadsman kosten en erelonen die de advocaat vrij bepaalt, terwijl van de tweede noch door haar vakbondsorganisatie noch door de afgevaardigde ervan sommen worden gevorderd waarvan de aard en het bedrag vergelijkbaar zijn met de kosten en erelonen van een advocaat. De vakbondsbijdrage die de aangeslotenen betalen, kan volgens het Hof niet worden vergeleken met de kosten en erelonen van advocaten. De bijdrage is immers verschuldigd vanwege de aansluiting en heeft niet hoofdzakelijk tot doel de geboden bijstand of vertegenwoordiging in rechte te vergoeden. De eventuele kosten die de vakorganisatie van de aangeslotene vordert wanneer hij niet sinds een voldoende aantal jaren lid ervan is en in rechte wordt vertegenwoordigd, zijn evenmin vergelijkbaar met de erelonen van advocaten. Hetzelfde geldt voor het eventuele bedrag dat verschuldigd is door de aangeslotene die een rechtsvordering heeft willen instellen, tegen het ongunstig advies van de vakbondsafgevaardigde in, en die in die vordering in het ongelijk wordt gesteld.
Het Grondwettelijk Hof stelt dat de rechtsplegingsvergoeding is opgevat als een forfaitaire deelneming in de lasten die een partij daadwerkelijk draagt en dat de wetgever, door het voordeel ervan niet uit te breiden tot de partijen die, zoals die welke door een vakbondsafgevaardigde worden bijgestaan en vertegenwoordigd, niet dezelfde lasten dragen, een criterium van onderscheid heeft gekozen dat pertinent is ten opzichte van het doel van de wet.
Het Hof had ook geen oren naar het argument dat de werknemers die tegenover
hun werkgever in rechte worden vertegenwoordigd door een vakbondsafgevaardigde, zich in een minder gunstige situatie zouden bevinden dan die van de werknemers die worden vertegenwoordigd door een advocaat, aangezien de werkgever in het eerste geval weet dat hij, ten aanzien van de eerstgenoemden, in elk geval niet ertoe zal worden veroordeeld een
rechtsplegingsvergoeding te betalen.
3. Met betrekking tot het tweede middel wijst het Hof erop dat de bestreden wet niet tot doel heeft, noch tot gevolg de oprichting van de vakorganisaties te beletten of de aansluiting van werknemers bij vakorganisaties te verbieden of te bemoeilijken. Het Hof oordeelt niet te kunnen inzien hoe het feit dat de werknemers die een beroep doen op die diensten geen rechtsplegingsvergoeding kunnen verkrijgen die bestemd is om niet door hen gemaakte kosten forfaitair te compenseren, hen zou kunnen ontraden om aan te sluiten bij een vakorganisatie.
4. Bij de uitspraak van het Hof kunnen enkele kanttekeningen worden geplaatst. De vaststelling met betrekking tot het eerste middel dat de kosten die de vakbond aanrekent, niet vergelijkbaar zijn met deze van een vakvereniging, is allicht correct. De vraag rijst evenwel of het Grondwettelijk Hof hier niet kiest voor een veel te feitelijk criterium. Ook onder advocaten zijn er "prijsverschillen". Nochtans is de RPV zowel bij "dure" als bij "goedkope" advocaten verschuldigd, ten belope van hetzelfde bedrag. De feitelijke verschillen in advocatenhonoraria zijn trouwens (minstens impliciet) de reden waarom de RPV werd geforfaitariseerd en dat de reële kosten niet kunnen worden doorgerekend aan de tegenpartij (in de parlementaire stukken schermt men met andere meer "verheven" argumenten zoals het beroepsgeheim van de advocaat, die het moeilijk maakt de exacte kosten openlijk te ramen, het vermijden van een geschil in een geschil, maar een goede verstaander...).
Waar het bij de RPV op aankomt is de kosten voor juridische bijstand te compenseren, van welke orde deze ook mogen zijn. Goedkoop zijn, houdt volgens het Hof echter potentieel in dat de RPV niet langer op zijn plaats is. De breuklijn duur/goedkoop hoeft nochtans helemaal niet te liggen tussen de categorieën advocaat en pleiter-vakbondsafgevaardigde, zoals het Hof laat uitschijnen...
Het Hof lijkt deze argumentatie te willen ontkrachten door erop te wijzen dat het bedrag die een vakbondslid betaalt, niet (enkel) ertoe strekt juridische bijstand te bekomen indien nodig: het is immers in vele gevallen een lidgeld. Mochten de vakverenigingen het Grondwettelijk Hof een hak willen zetten, dan zouden zij eigenlijk stante pede een apart tarief voor juridische bijstand kunnen instellen, dat niet moet onderdoen voor de honoraria van een doorsnee advocaat. Ze zouden deze tarieven zelfs kunnen afstemmen op deze uit het KB van 27 oktober 2007 (ook advocaten kunnen hun diensten trouwens aanbieden aan de RPV). Dit zal de vakbonden allicht zuur opbreken qua ledenaantal en qua sympathie tout court en het past allicht ook niet in de solidariteitsgedachte die vakverenigingen horen te huldigen, maar het argument van het Grondwettelijk Hof zou alvast geen steek meer houden. Er zou op dat ogenblik manifest een ongelijke behandeling tot stand komen.
Het lijkt natuurlijk een veel slimmere strategie van vakverenigingen om voor de geschillen van hun leden voortaan (altijd) samen te werken met één of meerdere advocaten, die op dat ogenblik in arbeidszaken wel de standaard-RPV kunnen vorderen ten aanzien van een in het ongelijk gestelde werkgever. Indien dit echter de gewoonte wordt, dan kan art. 728, §3 Ger.W. maar beter worden afgeschaft.
22 oktober 2008
Voorzitter van het EHRM over economische, sociale en culturele grondrechten
Hij zegt onder andere het volgende over dit verdrag: "Dans le cadre du Conseil de l’Europe, la situation, sans être parfaite, est plus satisfaisante. Certes, la Convention européenne des droits de l'homme ne parle guère des droits économiques et sociaux. Cet instrument est essentiellement consacré aux droits civils et politiques. Pourtant, à y regarder de près, les droits économiques et sociaux sont moins absents qu’on ne le pense de la Convention. Je songe à la liberté syndicale (article 11), au droit de propriété (article 1er du Premier Protocole), au droit à l’instruction (article 2 du même Protocole) ou à l’interdiction du travail forcé, qui accompagne celle de l’esclavage et de la servitude (article 4 de la Convention). En outre, la jurisprudence de notre Cour a entendu de façon extensive ces dispositions".
Hij haalt ook het belang van het Europees Sociaal Handvest aan: "la Charte sociale est un instrument complémentaire de la Convention européenne des droits de l'homme et qu’elle garantit dans la même sphère régionale (celle du Conseil de l'Europe) des droits de l’homme différents", en legt uit hoe het Hof sedert het arrest Airey vaker en vaker verwijst naar en gebruikt maakt van de bepalingen van het ESH.
Tenslotte wijst hij ook op het nakende arrest Budina: "la Cour a été récemment saisie d’une requête (...) dans laquelle une personne n’ayant pas d’autres ressources allègue une violation de l’article 3 du fait du montant trop bas de sa pension de vieillesse. Ce type de requête a été jugée irrecevable dans le passé, mais il se pourrait que, compte tenu des circonstances de l’espèce, la Cour décide de la déclarer recevable, ce qui ouvrirait la porte à un élargissement de l’utilisation, comme source d’inspiration pour la Cour, de la Charte sociale européenne. L’examen de l’affaire Budina c. Russie, s’agissant de la compatibilité du montant d’une pension avec l’article 3 de la Convention, fournira à la Cour l’occasion de se poser cette question."
28 april 2007
Het stakingsrecht:waardevol iets of kostelijke bezigheid?
1. Op vrijdag 13 april laatstleden ondernam het veiligheidspersoneel en de brandweer van Brussels Airport een onaangekondige stakingsactie, die de luchthaven van Zaventem ook effectief lamlegde. Ongeveer 26.000 reizigers ondervonden daardoor aanzienlijke hinder en kregen zo ook de gelegenheid om zich te ergeren aan deze stakingsactie.
Eén van de getroffenen was advocaat Peter Cafmeyer, die via een Amerikaansachtig procédé (class action) nu hoopt zijn gram te halen. De advocaat tracht via de media en zijn website - aan dewelke voor de gelegenheid een themapagina 'Zaventem' werd toegevoegd - de "gedupeerden" van de stakingsactie te "verenigen". Het is de bedoeling de stakers elk individueel te dagvaarden met het oog op het bekomen van vergoeding voor alle door de reizigers individueel geleden schade.
Volgens meester Cafmeyer hebben de stakers het stakingsrecht zwaar misbruikt en moeten zij nu een lesje worden geleerd (het zogenaamde ontradend effect). De raadsman wil de wetgever daarenboven ook aanzetten tot het reglementeren van de werkstaking.
2. In de media is evenwel het verkeerde beeld ontstaan dat de staking enkel draaide om een maaltijdcheque extra per dag. In realiteit is dit uiteindelijk slechts één van de toegevingen van de werkgever, maar niet het probleem dat aan de oorsprong ligt van de stakingsactie. Het ongenoegen van de werknemers was vooral het gevolg van een onbehoorlijk personeels- en tuchtbeleid door de werkgever - meer bepaald door een zekere directrice die "machtsmisbruik" werd verweten, iets van ook Luc Vandenbossche van BIAC uiteindelijk toegaf. De directrice zal worden gecoacht... Ook de eis voor meer opleiding, blijkbaar niet nieuw, en de mogelijkheid voor de brandweerlieden om overuren op te nemen, werd door de stakers in herinnering gebracht.
De (te) magere erkenning en regeling van het stakingsrecht in de Belgische rechtsorde...
3. Geen enkele Belgische wet, ook niet de Grondwet, consacreert het stakingsrecht of het ruimere recht op collectieve actie. In het arrest SIPB vs. De Bruyne (21 december 1981, R.W. 1981-82, 2525) overwoog het Hof van Cassatie evenwel dat uit de Wet van 19 augustus 1948 betreffende de prestaties van algemeen belang in vredestijd (die enkel geldt voor de privé-sector) a contrario kan worden afgeleid dat de wetgever het recht om te staken heeft aanvaard. Sindsdien wordt in ons land zonder betwisting aangenomen dat een stakingsactie enkel aanleiding geeft tot schorsing en niet tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zelfs al betreft het een "wilde" staking.
Het recht op collectieve actie, dan wel het stakingsrecht wordt ook in verscheidene internationale verdragen en verklaringen expliciet erkend. Hierbij kan vooral worden verwezen naar artikel 6.4 van het (herziene) Europees Sociaal Handvest, dat volgens de heersende rechtsleer directe werking heeft in de Belgische rechtsorde. Dit betekent dat elke rechtsonderhorige zich voor de Belgische hoven en rechtbanken rechtstreeks op deze verdragsbepaling mag beroepen, ook al ging de Belgische wetgever niet over tot uitvoering van de daaruit voortvloeiende internationaalrechtelijke verplichting. Het personele toepassingsgebied van artikel 6.4 HESH strekt zich uit tot werknemers én ambtenaren.
4. De rechtmatigheid van een collectieve actie wordt in ons land op vraag van geviseerde werkgevers geregeld getoetst door de kortgedingrechter, die zich hierbij niet zelden onthoudt van enige belangenafweging. Dit afwegingsmechanisme is nauw verwant met de figuur van het rechtsmisbruik.
Daarenboven hanteert het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap schijnbaar een gelijkaardige methode wanneer één van de beginselen van vrij verkeer in conflict komt te staan met een grondrecht. Zo stond in de zaak 'Schmidberger' (C-112/00) het vrij verkeer van goederen op de balans met de vrijheid van vergadering. De weegschaal kantelde in het voordeel van deze laatste vrijheid. Het Hof van Justitie staat nu ook op het punt de EG-beginselen van vrij verkeer af te wegen ten aanzien van het stakingsrecht (zaak C-341/05 en C-438/05). Het is met andere woorden niet alleen in België "judgment day" voor stakers.
5. Het European Committee on Social Rights, dat toeziet op de naleving van het HESH heeft reeds kritiek uitgeoefend op de Belgische kortgedingrechtspraak, die soms erop neerkomt dat het stakingsrecht an sich wordt in vraag gesteld. "The Committee considers that there is still an incidence of restrictions to the right to strike following from the abovementioned judicial practices that go beyond those permitted by Article 31 of the Charter." (Concl. XVIII-1) Artikel 31 ESH bepaalt: "The rights and principles (...) shall not be subject to any restrictions or limitations (...), except such as are prescribed by law and are necessary in a democratic society for the protection of the rights and freedoms of others or for the protection of public interest, national security, public health, or morals."
Globaal genomen is het beeld voor België dan ook weinig positief: "The Committee notes that in the absence of any legislative intervention, the legal framework governing the right to strike in Belgium appears to be unclear and uncertain. For this reason and by taking into account that there are no statutory safeguards under Belgian law regulating the limits of possible restrictions to the right to strike, the Committee holds the situation not to be in conformity with the Charter."(Concl. XVIII-1)
... en wie hiervan de gevolgen (lees: de kosten) moet dragen
6. Naar aanleiding van de stakingsactie lijkt het dat zowat iedereen iedereen de les wil spellen. Minister van Mobiliteit Renaat Landuyt tikt BIAC op de vingers en SN Brussels Airlines overweegt zelfs een schadeclaim in te dienen tegende luchthavenuitbater. Zowel de minister als SNBA vinden dat BIAC de continuïteit van de dienst had moeten (kunnen) verzekeren.
De kritiek van minister Landuyt is goedkoop want het is helemaal niet duidelijk hoe BIAC de staking op juridisch toegelaten wijze had kunnen "breken". De vraag rijst bijvoorbeeld of de Wet Prestaties Algemeen Belang van toepassing is op een naamloze vennootschap van publiek recht en of de procedures voorzien in deze wet op een dag hadden kunnen worden afgehandeld.
De actie die meester Cafmeyer op het getouw zet is al even onbezonnen. Zoals geneesheren zich ook best ervan onthouden zichzelf een diagnose te stellen, zo zouden ook advocaten er goed aan doen enige terughoudenheid te tonen wanneer zij zelf eisende partij zijn. De strategie om elke staker individueel te laten opdraaien voor alle schade geleden door de reizigers die zich bij de juridische actie aansluiten, lijkt totaal buiten proportie. Nochtans vindt meester Cafmeyer dat elk recht naar verhouding moet worden uitgeoefend, of geldt dit enkel voor het stakingsrecht?
7. Wie zich realiseert dat de stakingsactie niet enkel draaide om maaltijdcheques, zal het al heel wat moeilijker hebben de stakingsactie onverantwoord te noemen. De paralysie van de nationale luchthaven werd uiteraard veroorzaakt door de werkstaking, maar zou men niet allen naar de overheid moeten kijken? De overheid heeft het luchthavenbeheer maar al te graag (gedeeltelijk) geprivatiseerd, maar is vergeten de nodige juridische 'safeguards' in te bouwen om de continuïteit van de openbare dienstverlening te garanderen. En wie zal na 13 april 2007 nog beweren dat luchthavenbeheer geen openbare dienst is?
Hoewel het pleidooi zeker niet populair is bij syndicalisten, hebben sommige rechtsgeleerden reeds geijverd voor een wettelijke regeling van het stakingsrecht, niet om negentiende eeuwse toestanden terug in te voeren, maar net om de grenzen voor beide partijen te bepalen en zodoende het stakingsrecht beter te verankeren. Zo zou de inhoud van het stakingsrecht en de soms verregaande belangenafwegingen die daarmee gepaard gaan, onttrokken kunnen worden aan "het beleid van de rechter". Het is ook de les die België zou moeten trekken uit de conclusies van het European Committee on Social Rights.
Als er dus iemand moet worden gedagvaard dan is het mijns inziens de Belgische Staat die op grond van de figuur van de overheidsaansprakelijkheid verantwoordelijk moet worden gehouden voor de manifeste nalatigheid van de Belgische wetgever om een internationaalrechtelijke verplichting naar nationaal recht om te zetten.
04 maart 2007
Vakbonden mogen (principieel) leden uitsluiten
1. In een arrest van 27 februari 2007 oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat de Britse wetgeving die aan vakverenigingen verbiedt leden van een welbepaalde politieke partij uit de organisatie te zetten, in strijd is met artikel 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De Britse vakbond ASLEF had in de loop van 2002 één van haar leden uit haar rangen verwijderd omwille van lidmaatschap van de British National Party, een extreem-rechtse politieke partij, die naar eigen zeggen opkomt voor "the white british working class". De Britse arbeidsgerechten oordeelden echter dat de ASLEF onrechtmatig had gehandeld.
In haar arrest herinnerde het Hof eraan dat de European Committee of Social Rights reeds had geopperd dat de Britse Trade Union & Labour Relations Act - in zoverre deze wet aan vakverenigingen beperkingen oplegt wat betreft het vrij kiezen van voorwaarden van lidmaatschap - niet in overeenstemming is met artikel 5 van het Europees Sociaal Handvest (zie bijvoorbeeld conclusie XVI-1, p.684). Voorts benadrukte het Hof dat vakbonden gewoonlijk een ideologische inslag hebben en geregeld standpunt innemen inzake sociale en politieke onderwerpen. Als private actor moeten vakverenigingen daarom vrij de voorwaarden van lidmaatschap kunnen reguleren. Het Hof verwijst ter vergelijking naar politieke partijen en religieuze organisaties, die ook niet zomaar iedereen verwelkomen en tolereren in hun kringen. Kortom, het ASLEF en de TUC vieren een overwinning. "Every union will welcome this clear decision that they can now expel BNP members", aldus de secretaris-generaal van de TUC, Brendan Barber.
2. Het Hof nuanceert echter onmiddellijk haar vrij principiële uitspraak. Wanneer vakverenigingen taken van openbare dienst vervullen en hiertoe gefinancierd worden door de Staat, lijkt meer omzichtigheid geboden. Hetzelfde geldt wanneer er sprake zou zijn van een closed of union shop-systeem waarbij tewerkstelling of bepaalde voordelen door een werkgever worden voorbehouden aan leden van (een) welbepaalde vakvereniging(en).
Zo haalde de praktijk van het ACV om werkloze leden uit de vereniging te zetten bij het niet-betalen van het lidgeld, in ons land het nieuws. Vanuit verschillende hoek - met inbegrip van de minister van werk, arbeid en sociaal overleg - werd toen schande gesproken. Jong VLD riep onmiddellijk op een einde te stellen aan de taak van de vakbonden om in de werkloosheidsverzekering als uitbetalingsinstelling op te treden. Deze jongerenpartij vindt het "een totale aberratie dat vakbonden [...] een kerntaak van de overheid op zich nemen". De voorzitter van Jong VLD sluit af met de vaststelling dat de overheid deze taak trouwens op een veel efficiëntere manier zou uitvoeren. Vanuit een liberale overtuiging mogen deze argumenten verbazen en lijkt Jong VLD ook te erkennen dat private actoren niet optimaal en niet altijd goedkoper aan openbare dienstverlening kunnen doen. In andere takken van de sociale zekerheid wordt nochtans vaak andersom beweerd. Waarschijnlijk stoort Jong VLD zich vooral aan de hoge syndicalisatiegraad in België, die gerelateerd zou zijn aan de rol die de erkende vakverenigingen ins ons sociaal bestel voor zich nemen.
Allicht menen zij die met de vinger wezen, dat het besproken arrest van het Europees Hof hun gelijk bewijst (zie bijvoorbeeld het Vlaams Belang-standpunt). Het feit dat de erkende vakverenigingen in de Belgische werkloosheidsverzekering uitbetalingsinstellingen zijn, lijkt in het nadeel van het ACV te pleiten. Toch moet rekening worden gehouden met de specifieke nationale context. Naast de erkende vakverenigingen opereert ook de Hulpkas voor Werkloosheid als uitbetalingsinstelling. Als overheidsinstelling is de HVW politiek neutraal en garandeert zij in de werkloosheidsverzekering de continuïteit en toegankelijkheid van de openbare dienst. Een werkloze die door het ACV uit de vereniging wordt gezet en de transitie maakt naar de HVW, lijkt dan ook bezwaarlijk hard te kunnen maken dat hij schade zou hebben geleden. Uitsluiting door het ACV zou dan ook niet leiden tot "apparent prejudice suffered in terms of livelihood" om de bewoordingen van het Hof te hanteren.
het lijkt er dan ook op dat ACV-voorzitter Luc Cortebeeck terecht verontwaardigd mag zijn wat betreft de berichtgeving omtrent "de praktijken" van zijn organisatie (zie Visie, nr.2007/7, p.9). Daarbij dient hij ook Jong VLD impliciet van antwoord. Uit het Jaarverslag van de RVA zou blijken dat de diensten van het ACV efficiënter zijn dan deze van de HVW.