Posts tonen met het label rechtsvergelijking. Alle posts tonen
Posts tonen met het label rechtsvergelijking. Alle posts tonen

16 augustus 2011

Harmonisatie in het belgisch ontslagrecht: komt de oplossing uit het oosten?

door Nele Plas

Het onderscheid tussen arbeiders en bedienden bestaat sinds mensenheugenis en doordringt vele takken van het recht. Arbeiders en bedienden worden volgens de wet betreffende de Arbeidsovereenkomsten (hierna: W.A.O.) van elkaar gescheiden op grond van het criterium handen- versus hoofdarbeid. Arbeiders zijn volgens de wet diegenen die voornamelijk handenarbeid verrichten. Bedienden verrichten daarentegen hoofdzakelijk geestesarbeid. De verschillen tussen arbeiders en bedienden situeren zich voornamelijk op vlak van het individueel- en collectief arbeidsrecht, het sociale zekerheidsrecht en het gerechtelijk recht.

Het belangrijkste onderscheid tussen arbeiders en bedienden is ongetwijfeld dat met betrekking tot het ontslag. De opzeggingstermijnen voor arbeiders en bedienden verschillen op spectaculaire wijze van elkaar.

Velen zijn het erover eens dat het onderscheid tussen arbeiders en bedienden onhoudbaar is geworden in onze huidige technologische samenleving waar men verwacht van de werknemer dat hij creatiever, beter opgeleid en meer inzetbaar is op de arbeidsmarkt. Bovendien is het gemaakte onderscheid een vorm van discriminatie, in die zin dat het onderscheid steunt op juridisch onaanvaardbare redenen.

Er zijn reeds vele pogingen ondernomen om dit onderscheid weg te werken; via de rechtspraak (o.a. een uitspraak van het Grondwettelijk Hof in 1993), via het parlement (de vele wetsvoorstellen) en via onderhandelingen (in de Nationale Arbeidsraad). In de praktijk hebben deze pogingen niet veel opgeleverd. Het essentiële verschil, namelijk dat met betrekking tot het ontslag werd aangehouden. Tal van academici zijn het erover eens dat het verschil in ontslagrecht tussen arbeiders en bedienden het grootste struikelblok vormt om tot een ééngemaakt statuut te komen.

Waarom ligt het ontslag nu zo gevoelig? Dit wordt begrijpelijk bij het analyseren van de discussie die op de achtergrond gevoerd wordt. Deze heeft namelijk een essentieel politiek- economisch karakter.

De werkgeversvertegenwoordigers betogen dat lange opzeggingstermijnen en hoge opzeggingsvergoedingen kosten uitmaken die de vraag naar arbeid onderdrukken en de vervanging van arbeid door kapitaal versnellen. De vakorganisaties stellen dat, naast een economische logica, ook rekening moet gehouden worden met sociale bescherming. De arbeidsmarktspecialisten zijn van oordeel dat het gebrek aan flexibiliteit in het ontslagrecht leidt tot een gebetonneerde arbeidsmarkt waarin mobiliteit tussen tewerkstelling en werkloosheid verminderen, waardoor ‘outsiders’ hun kansen op integratie in de arbeidsmarkt verminderd zien.

In deze masterproef zal de klemtoon worden gelegd op het wegwerken van het onderscheid tussen arbeiders en bedienden op het vlak van het ontslag. Meer bepaald zal onderzocht worden of de hervorming van het Belgisch ontslagrecht kan bijdragen tot de totstandkoming van een eenheidsstatuut voor arbeiders en bedienden. De problematiek rond de vastheid van betrekking is, in de huidige context van crisis, meer dan ooit relevant. Dit werd recent nog maar eens bevestigd naar aanleiding van de staking bij geldtransporteur Brinks en de onderhandelingen over het nieuwe interprofessionele akkoord.

Om deze problematiek te onderzoeken worden volgende vragen gesteld:

Hoe kunnen we de discriminatie tussen arbeiders en bedienden op vlak van het ontslagrecht overbruggen?

a) Welke initiatieven inzake harmonisatie van het ontslagrecht werden reeds genomen op vlak van het individueel- en collectief arbeidsrecht?

b) Welke stappen kunnen nog worden gezet op wetgevend vlak in het kader van het individueel en collectief arbeidsrecht om te komen tot verdere harmonisatie?

c) Kan buitenlandse wetgeving ons inspireren om te komen tot wetgevend ingrijpen dat leidt tot verdere harmonisatie?

Het oplossen van de laatste onderzoeksvraag veronderstelt een grondige studie van de authentieke buitenlandse bronnen. Omwille van pragmatische redenen (de toegankelijkheid van de Duitse taal) leek het interessant om de Duitse en Oostenrijkse piste te volgen. Duitsland is een van onze buurlanden en tevens onze belangrijkste handelspartner. Oostenrijk is interessant omdat het politieke landschap vele gelijkenissen vertoont met het onze. Het is net als België een land met sterke vakbonden en maakt ook nog steeds een onderscheid tussen arbeiders en bedienden. Tot slot deden er zich in beide landen ontwikkelingen voor die bruikbaar zijn in het kader van een rechtsvergelijkend onderzoek rond ontslag.

Zo oordeelde het Duitse Grondwettelijk Hof op 30 mei 1990 dat de kortere opzeggingstermijnen voor arbeiders een ongeoorloofde discriminatie uitmaakten. Het Hof gaf de wetgever tot 30 juni 1993 de tijd om deze discriminatie weg te werken en de opzeggingstermijnen tussen arbeiders en bedienden gelijk te trekken. Dit leidde tot een wettelijke verlenging van de opzeggingstermijnen voor arbeiders en een verkorting van die voor bedienden.

Bij het verkennen van de Duitse piste zal het vooral interessant zijn om de voor het Hof opgeworpen argumenten, in verband met de vraag naar de rechtvaardigingsgronden voor het onderscheid tussen arbeiders en bedienden op gebied van opzeggingstermijnen, onder de loep de nemen.

In Oostenrijk werd via de alternatieve financiering van de pensioenen een grotere harmonisatie tussen arbeiders en bedienden tot stand gebracht. Hier voorziet de wetgever sinds 2001 in een regeling die opzeggingstermijnen en ‘opzeggingsvergoedingen’ van elkaar loskoppelt.18 De ‘opzeggingsvergoeding’ wordt omgevormd tot een rugzakje (Rucksack) of spaarrekening en ingekaderd in de tweede pensioenpijler (aanvullend pensioen). In de media wordt dit fenomeen omschreven als 'Het Oostenrijks Rugzakmodel'.

Wat zijn de modaliteiten van dit rugzaksysteem? Binnen welke context kwam het tot stand? Zijn er voor of nadelen aan verbonden? Kan het een oplossing bieden voor de Belgische ontslagproblematiek? Dit zijn allemaal vragen die in het hierna volgende deel van het onderzoek uitvoerig behandeld zullen worden.

Er kan dus zowel in het Duitse als in het Oostenrijkse arbeidsrecht gezocht worden naar elementen die gebruikt kunnen worden in het kader van de hervorming van het Belgische ontslagrecht. Het onderzoek naar het ontslagrecht van beide landen is interessant om wille van de hierboven aangehaalde redenen, maar vooral omdat beide landen een andere strategie hanteren: Duitsland schaft het onderscheid af d.m.v. wetgevend ingrijpen, Oostenrijk behoudt het onderscheid, maar zorgt via het rugzakmodel voor meer harmonisatie op vlak van het ontslag. Het ontslagrecht van beide landen kan ons inspireren en dient daarom verder onderzocht te worden.

In de hiernavolgende hoofdstukken zal eerst wat dieper ingaan worden op de Belgische problematiek. In eerste instantie wordt kort stilgestaan bij de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en volgt er een toelichting bij het onderscheid in juridisch statuut. Vervolgens zullen de harmonisatiemogelijkheden die nu reeds bestaan in het Belgische recht onderzocht worden. Wat het hoofdstuk over Duitsland betreft zal nader ingegaan worden op de rechtspraak van het Bundesverfassungsgericht en de Kündigungsfristengesetz die tot stand kwam naar aanleiding van deze rechtspraak. Tot slot, wordt er een vergelijking gemaakt tussen België en Duitsland. Wat Oostenrijk betreft wordt eerst even kort stilgestaan bij het onderscheid tussen arbeiders en bedienden, vervolgens worden de modaliteiten besproken van het Abfertigung Alt- en Neu -systeem. Tot slot, wordt onderzocht in welke mate het Oostenrijks model zou kunnen worden geïmplementeerd in het Belgische recht.

Klik door naar de integrale tekst van de masterproef

22 juni 2011

De rol van de EU: de ene ambtenaar lijkt steeds meer op de andere, maar we zeggen het hen niet (oratie prof.dr. A. De Becker)

De Belgische professor Alexander De Becker werd door de Universiteit Amsterdam per 1 augustus 2010 benoemd tot het ambt van bijzonder hoogleraar aan de Ien Dales Leerstoel voor het thema ‘de overheid als arbeidsorganisatie’.

Op 19 mei 2011 sprak hij een oratie uit waarin hij ingaat op de complexe juridische wereld van het recht van het overheidspersoneel en het juridisch kader waarin de overheid als arbeidsorganisatie functioneert.

De integrale tekst van de oratie kan u terugvinden door hier te klikken. Ik geef u alvast de inleiding mee:

"Een leerstoel over de overheid als arbeidsorganisatie impliceert onvermijdelijk dat de overheid een bijzondere organisatie is op arbeidsgebied. In de politiek woedt op dit ogenblik een debat in al de door mij reeds onderzochte landen over het bestaan van een absolute noodzaak om de overheid te afficheren als een bijzondere werkgever. Het komt mij als rechtswetenschapper uiteraard niet toe om in dat debat een standpunt in te nemen. De politiek dient te kiezen welke vorm zij prefereert om de tewerkstelling in de publieke sector vorm te geven. Ik dien mijn onderzoek te beperken tot het huidige juridische kader waarin de overheid als arbeidsorganisatie functioneert.

Alleen, dat kader is helemaal niet eenduidig. Meer zelfs, het wemelt van de tegenstrijdigheden, waarvan ik er enkele met u wil delen. Laat ons beginnen met de schijnbaar evidente plaats van de overheid als arbeidsorganisatie in het juridisch spectrum.

Traditioneel wordt “ambtenarenrecht” of de rechtspositie van het overheidspersoneel omschreven als een bevoegdheid die nog behoort tot de soevereiniteit van de onderscheiden lidstaten van de Europese Unie. Dit valt terug te vinden in alle (intussen rechtshistorisch geworden) werken over de status van de ambtenaar op het einde van de negentiende eeuw en in de eerste helft van de twintigste eeuw. Landen als Nederland, België, Frankrijk, Duitsland, Denemarken en Zweden opteerden alle voor een ambtelijke status voor hun personeelsleden. De reden is telkens dezelfde: een overheid kan, gezien haar specifi eke taak, niet in een contractuele arbeidsrelatie zitten met haar personeelsleden. Er is immers geen onderhandelingsruimte voor de overheid omdat zij precies in die zeer ongelijke situatie ten aanzien van haar personeelsleden staat. Bovendien vormt de bijzondere arbeidsrelatie tussen de overheid en haar personeel ook de basis van de ontwikkeling van de zogenaamde orgaantheorie. Dit wordt het mooiste uitgedrukt door Hauriou in Frankrijk die de ambtenaar als de incorporatie van de Staat zag. Soortgelijke invullingen zijn echter ook terug te vinden bij de Deense jurist Poul Andersen. Gillian Morris koppelt de traditionele grondslag voor de specifi eke status van de ambtenaren eveneens aan de specifi eke taak van de overheid, waarbij de overheid geen verantwoording diende af te leggen aan haar personeelsleden, maar enkel aan de primaire wetgevende macht.

Deze oratie wil u meenemen in de complexe juridische wereld van het recht van het overheidspersoneel. Ik herinner me dat de vacature voor deze functie aangaf dat deze leerstoel zich bevindt op het snijpunt van het arbeidsrecht, het bestuursrecht en het grondwettelijk recht. Ik ben het daar volledig mee eens, maar ik zou er aan willen toevoegen dat hij zich ook op het snijpunt met het EU-recht bevindt. Bovendien beïnvloeden landen elkaar bij de ontwikkeling van hun recht van het overheidspersoneel. Niemand leeft op een eiland in deze geglobaliseerde wereld. Niet enkel beïnvloeden landen elkaar: ook internationale organisaties en de rechtspraak van supranationale rechters spelen hun rol.

Ik zou jullie heel graag meenemen voor een rondleiding in de heerlijk complexe wereld van het recht van het overheidspersoneel. Laten we er ons even in onderdompelen en, ik hoop dat ik jullie enigszins kan verrassen, met de rijkdom en de reikwijdte van deze rechtstak."

29 maart 2011

Twaalf artikelen uit Industrial Law Journal (UK) gratis te downloaden

door K. Nevens

Het voornoemde Britse tijdschrift inzake arbeidsrecht viert zijn 40ste verjaardag. Omwille van die gelegenheid worden 12 artikelen gratis en in elektronische vorm aangeboden op het internet. Het betreft baanbrekende bijdragen die in de periode van 1977 tot en met 2008 in het tijdschrift verschenen. Het gaat om teksten van ronkende namen uit de Britse academische wereld zoals Otto Kahn-Freund, Hugh Collins, Keith Ewing, Mark Freedland, Bob Hepple en Lord Wedderburn. Ook een tekst van de Franse professor Alain Supiot werd geselecteerd.

U kan de teksten gratis downloaden op de website van Oxford Journals. Klik hier om naar de desbetreffende pagina te surfen.

14 november 2010

Een eenheidsstatuut voor arbeiders en bedienden: Luxemburg weet hoe het moet

De voorbije weken kwam een eenheidsstatuut voor arbeiders en bedienden in ons land opnieuw ter sprake, en dit naar aanleiding van het sociaal conflict bij geld- en waardetransporteur Brinks. Terwijl het debat in België al even vergrendeld lijkt te zijn als een geldkoffer, werd op 1 januari 2009 bij onze Luxemburgse buren het eenheidsstatuut wel ingevoerd.

Hieronder vindt u een korte bijdrage van Jean-Luc Putz, een Luxemburgs rechter met wie ik in maart van dit jaar kennis mocht maken op een congres in Praag. Hij is auteur is van het handboek "Luxemburgisches Arbeitsrecht" (2006) en van tal van andere monografieën over het Luxemburgse arbeidsrecht. Hij kan dus beter dan wie ook schetsen hoe het eenheidsstatuut in Luxemburg het daglicht zag en wat het inhoudt.

->

Le Statut Unique au Luxembourg

par J.-L. Putz


Bref historique du Statut Unique

Le Statut Unique Luxembourgeois a été introduit par une loi du 13 mai 2008. Abstraction faite de diverses exceptions et règles transitoires, les changements principaux introduits par cette réforme sont entrés en vigueur au 1er janvier 2009.

L’idée d’abolir la distinction traditionnelle entre ouvriers et employés publics, donc de ne plus différencier entre travail manuel et travail intellectuel ne date pas d’hier. La loi sur le Statut Unique n’a pas à elle seule aboli cette différence, mais elle constitue uniquement la dernière
pierre d’une évolution en plusieurs étapes.

Le statut des ouvriers et des employés fut historiquement régi par des lois différentes, ayant évolué séparément. Dans certains domaines, des lois uniformes ont cependant été votées ; le premier exemple en date est la loi de 1966 sur le congé annuel payé.

La notoire loi du 24 mai 1989 a été une étape importante dans l’unification des statuts. Auparavant, les règles essentielles concernant les contrats de travail des ouvriers et des employés privés étaient régies par des lois distinctes.
En 1989, une base commune pour tous les salariés a été introduite. A défaut d’accord politique, certaines différenciations entre ouvriers et employés ont cependant été maintenues.

Le droit communautaire, c’est-à-dire les règles élaborées au niveau de l’Union européenne, s’est considérablement développé dans le domaine du droit social. De nombreuses règles reprises dans notre droit du travail reposent ainsi sur des dispositions communautaires. Or, le droit communautaire ne distingue pas entre ouvriers et employés, mais vise indistinctement tous les salariés (« travailleurs »). Par conséquent, ces nouveaux volets du droit du travail n’ont plus distingué entre ouvriers et employés.

Le renforcement du contrôle des droits fondamentaux, notamment par la création d’une Cour Constitutionnelle en 1997 rendant ce contrôle effectif, a également aiguisé la difficulté de justifier le traitement plus favorable des employés privés par rapport aux ouvriers. Le principe d’égalité bannit en effet toute distinction qui n’est pas objectivement fondée.

En effet, dans une conception moderne, il a paru de plus en plus difficile de légitimer cette distinction qui a fini par paraître archaïque et discriminatoire.

Lors de l’accord de coalition du 29 juillet 2004, il a été décidé de poursuivre et d’intensifier les efforts tendant à un Statut Unique. Dès lors, lorsque le projet d’un Code du Travail prit forme, l’idée de l’unification des statuts fut remise sur le devant de la scène. Face à l’énorme travail que représentait la simple codification à droit constant, il a cependant été jugé préférable de ne pas toucher au fond et de reporter l’unification des statuts.

Le Comité de coordination tripartite a acté, dans son avis du 28 avril 2006, la volonté de réaliser le Statut Unique, en s’inspirant du statut des employés privés, la réforme ne devant cependant pas conduire à des charges financières supplémentaires pour l’économie.


Le projet de loi n° 5750 portant introduction d’un Statut Unique a été déposé en date du 3 août 2007. La loi fut définitivement votée en date du 13 mai 2008 et est entrée en vigueur, pour la plupart de ses dispositions, au 1er janvier 2009.


Bref apperçu de la réforme

L’objectif central de cette réforme était d’abolir la distinction entre ouvriers et employés privés et à soumettre tous les salariés du secteur privé à un même régime en matière de droit du travail et droit de la Sécurité Sociale. Le Statut Unique est notamment censé apporter une simplification administrative, tant pour l’employeur qui n’aura plus qu’à gérer une catégorie de salariés, qu’au niveau de la structure des organismes de Sécurité Sociale.

La réforme la plus importante et la plus discutée concerne la garantie de la rémunération du salarié durant la maladie. En effet, le régime entre ouvriers et employés était fondamentalement différent sur ce point, puisque les ouvriers étaient pris en charge dès le premier jour de maladie par la Caisse de Maladie, tandis que pour les employés, l’employeur était dans un premier temps obligé de maintenir le salaire à sa charge. Désormais, le régime est unifié, et l’employeur doit assurer le maintien du salaire en moyenne durant 13 semaines de maladie sur un an. Une partie essentielle lui sera cependant remboursée par la Mutualité des employeurs, nouvellement créée.

Cette réforme a également entraîné d’importants changements au niveau des cotisations sociales destinées à financer les incapacités de travail, celles-ci étant unifiées, abstraction faite de certaines mesures transitoires.

D’autres réformes concernent notamment :

  • La généralisation du trimestre de faveur en cas de décès du salarié.
  • Le régime des heures supplémentaires, notamment de la majoration de salaire.
  • Une réorganisation administrative et institutionnelle des organismes de la Sécurité Sociale, notamment la fusion de toutes les Caisses de Maladie en une « Caisse Nationale de Santé » (CNS).
  • L’alignement du régime de l’indemnité de départ en cas de licenciement pour tous les salariés sur l’ancien régime applicable aux employés.
  • L’unicité des conventions collectives, c’est-à-dire l’abolition de la possibilité d’avoir une convention collective différente pour employés et pour ouvriers.
  • Le principe de la délégation du personnel unique, c’est-à-dire l’abolition de la distinction entre délégués-ouvrier et délégués-employé.
  • L’introduction d’un congé spécial pour mandats sociaux.
  • L’abolition de la distinction entre assesseurs-employé et assesseurs-ouvrier devant les Tribunaux du Travail.
  • La fusion de la Chambre des Employés Privés (CEPL) et de la Chambre de Travail (Arbeiterkammer) en une Chambre des Salariés unique.
  • Diverses modifications du Code des Assurances sociales, qui s’intitule à l’avenir « Code de la Sécurité Sociale ».
  • La modification des règles sur le travail durant les jours fériés légaux.

28 augustus 2010

Britse Supreme Court vraagt aan Hof van Justitie of magistraten werknemers zijn in de communautaire zin

door K. Nevens

Het oogt en klinkt niet echt Brits, maar sinds 1 oktober 2009 heeft ook het Verenigd Koninkrijk zijn Supreme Court. Dit opperste gerechtshof, dat de rechtsprekende taken van de House of Lords heeft overgenomen, werd opgericht door de Constitutional Reform Act 2005. Net zoals het Belgische Grondwettelijk Hof van tijd tot tijd zijn licht laat schijnen over aspecten van het sociaal recht, valt ook te verwachten dat het UK Supreme Court dit mettertijd meer en meer zal (moeten) doen.

In één van de eerste sociale zaken die aan het Britse hooggerechtshof werd voorgelegd (O’Brien v. Ministry of Justice), besliste zij meteen twee prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, kwestie van de Britse soevereiniteit nog even in de verf te zetten.

1) Moet het naar nationaal recht worden bepaald of rechters werknemers zijn in de zin van clausule 2.1 van de Raamovereenkomst betreffende deeltijdarbeid?

2) Zo ja, mag het nationaal recht wat betreft pensioenrechten, discrimineren tussen voltijdse en deeltijdse rechters, of tussen verschillende categorieën deeltijdse rechters?

Het Britse Hof moet immers uitspraak doen in een zaak waarbij een advocaat die jarenlang actief was als deeltijds magistraat, een pensioen eist à rato van het overheidspensioen waarop een voltijdse magistraat gerechtigd is.

In het tussenarrest van het Britse hooggerechtshof passeren heel wat arresten van het Hof van Justitie de revue, gaande van Martinez Sala en Allonby tot Jaeger, Pfeiffer, Wippel en Del Cerro Alonso. Toch blijft het hooggerechtshof op zijn honger zitten wat betreft de concrete betekenis van de uitdrukking “in accordance with national laws and/or practice” die in vele Europese richtlijnen gebruikt wordt om het werknemersbegrip te definiëren.

De discussie draait dus rond de vraag of het werknemersbegrip in de Raamovereenkomst enige gemeenschapsrechtelijke autonomie heeft, vergelijkbaar met de autonomie die daaraan wordt toegekend in het contentieux betreffende het vrij verkeer van werknemers, en dit tegen de achtergrond van het feit dat magistraten naar nationaal recht in de regel als ambtenaren of ‘office holders’ worden beschouwd.

09 juni 2010

Home work, telework and the regulation of working time

door K. Nevens

Mijn artikel getiteld "Home work, telework and the regulation of working time" kan u vinden in het laatste nummer van the International Journal of Comparative Labour Law & Industrial Relations (2010, vol. 26, pp. 193-216).

De abstract luidt als volgt:

"In this paper, the author argues that, at the conceptual level and as opposed to ‘traditional’ home workers, teleworkers can be subsumed under the (continental) concept of employee. To this end, the author illustrates how the adoption of the notion of subordination as a definitional element of the contract of employment gave rise to an incongruence between the concept of employee and the notion of home worker, an incongruence that is far from apparent with regard to teleworkers, who may be subjected to the ubiquitous control of their employer by means of information and communication technology (ICT). According to the author, this conceptual divergence does not dispense with the need, at a regulatory level, to take into account the particularities of some or all forms of telework, in spite of the principle of equal treatment enshrined in Article 4 of the European Framework Agreement on Telework. This point is illustrated with respect to the regulation of working time in Belgium and France."

Het artikel kan online besteld worden. Klik hier.

29 januari 2010

De toekomstbestendigheid van de aanvullende pensioenen: Nederland heeft een rapport klaar

door K. Nevens

Terwijl in ons land tal van politici en andere betrokkenen vol ongeduld wachten op de kleurboeken (groen- en witboek) van Daerden en de Sp.a. pleit voor een recht op aanvullend pensioen, leverde de zogeheten Commissie Goudswaard haar rapport af over de toekomstbestendigheid van de Nederlandse aanvullende pensioenregelingen. De Nederlandse minister van sociale zaken Donner had aan deze commissie gevraagd na te gaan in hoeverre de financiële crisis en de vergrijzing de schokbestendigheid van het pensioenstelsel ondermijnen en hoe de houdbaarheid van het stelsel kan worden verbeterd.

De Commissie Goudswaard constateert dat Nederland een uniek en goed pensioenstelsel heeft, waarin aanvullende pensioenen weliswaar een belangrijke plaats innemen. Het stelsel deelt volgens de Commissie de risico’s tussen generaties, geeft een brede dekking en is in de uitvoering relatief goedkoop. De Commissie ontkent echter niet dat het stelsel onder druk staat. In tijden van crises, als de beleggingen minder waard worden, is het immers kwetsbaar voor schokken. Pensioenfondsen moeten door de lage rente meer geld opzij zetten. Daarnaast zorgt de vergrijzing er voor dat de kosten sterk oplopen. Dat komt vooral doordat mensen steeds langer leven. De pensioenfondsen zijn steeds minder goed in staat de risico’s op te vangen. De dekkingsgraden zijn daardoor structureel gedaald, het aantal premiebetalers neemt af en bedrijven willen steeds minder pensioenrisico’s dragen.

De Commissie stelt dan ook voor de ambities bij te stellen of de risico's te aanvaarden maar beter toe te delen. Het eerste voorstel houdt in dat de pensioennorm op een lager percentage dan de huidige 70% van het loon verdiend op 65 jaar, zou worden gebracht. 70% acht de Commissie overigens ambitieus in vergelijking met andere landen. Het tweede voorstel houdt in dat de pensioenleeftijd variabel zou kunnen worden gemaakt en dat deze meer bepaald zou meestijgen met de levensverwachting. Meer informatie over het rapport Goudswaard, samen met alle bijhorende documenten, vindt u op de website van de Nederlandse Stichting voor Ondernemingspensioenfondsen.

Nieuwsgierig of het rapport Goudswaard als bron van inspiratie zal dienen voor de kleurboeken van Daerden. Of bedoelt hij, als hij zegt dat men nu bezig is aan de vertaling van zijn eerste (groen)boek, dat men bezig is het rapport Goudswaard te vertalen naar het Frans?

02 januari 2010

De ontbinding van de arbeidsovereenkomst krachtens artikel 7:685 Ned. BW voor de Belgische rechter

door W. Rauws


De ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen in artikel 7:685 BW

1. Naar Nederlands recht is de ontbinding van de arbeidsovereenkomst ex artikel 7:685 BW de zeer frequent voorkomende beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter op grond van de brede categorie van de gewichtige redenen, vaak met toekenning van een vergoeding aan de werknemer, niet zozeer gericht op de beslechting van een rechtsstrijd maar ter vaststelling van een billijke regeling, in het raam van een snelle procedure ingeleid bij verzoekschrift, principieel zonder de mogelijkheid van hoger beroep of cassatieberoep, waarbij de rechter niet volledig gebonden is aan de normale wettelijke bewijsregels[1] [2].

De ontbinding is een frequent voorkomende beëindigingswijze van de arbeidsovereenkomst. Ongeveer de helft van de beëindigingen van de arbeidsovereenkomst, de beëindiging met onderlinge toestemming buiten beschouwing gelaten, geschiedt door ontbinding door de kantonrechter. De andere helft zijn de ontslagen, meestal na het bekomen van een administratieve ontslagvergunning afgeleverd door het CWI[3]. Opgemerkt moet worden dat de kantonrechter thans geïntegreerd is in de rechtbank op arrondissementeel niveau. De ontbindende rechter heet dus nu officieel 'de rechtbank, sector kanton'.

Zoals al opgemerkt vormen de gewichtige redenen een brede beëindigingsgrond. Gewichtige redenen kunnen bestaan uit dringende redenen. Daarnaast kunnen gewichtige redenen ook bestaan uit een verandering van omstandigheden. Artikel 7:685 vereist voor de verandering van omstandigheden als beëindigingsgrond dat ze van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst "billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen"[4]. Verandering van omstandigheden kunnen bestaan uit een verstoring van de arbeidsrelatie, economische veranderingen, arbeidsongeschiktheid, of onvoldoende functioneren van de werknemer. Wel moet worden opgemerkt dat er een zekere reflexwerking uitgaat van de ontslagverboden, onder meer bij ziekte. Dit betekent dat de rechter in beginsel alleen zal ontbinden om een reden vreemd aan de door het ontslagverbod beschermde ontslaggrond, dit wil dus bijvoorbeeld zeggen om een reden vreemd aan de ziekte[5].

In vele geschillen van ontbinding wegens gewichtige reden kent de kantonrechter een billijke vergoeding toe aan de werknemer. Deze billijke vergoeding wordt door de kantonrechter meestal begroot volgens de zogenaamde 'kantonrechtersformule'. Deze kantonrechtersformule werd vastgesteld in de plenaire vergadering van de kring van de kantonrechters van 1996 en laatst gewijzigd in 2004[6]. De kantonrechtersformule luidt : A x B x C, waarbij A[7]= het aantal gewogen dienstjaren; B= het maandelijks brutosalaris en C= de correctiefactor. De correctiefactor steunt vooral op de risicosfeer en de verwijtbaarheid, maar ook de overige bijzondere omstandigheden moeten worden gewogen. De facto schommelt de correctiefactor tussen 0 en 4[8].

2. Een origineel kenmerk van de ontbindingsprocedure is dat, alvorens een ontbinding uit te spreken waaraan een vergoeding verbonden wordt, de kantonrechter de partijen van zijn voornemen in kennis stelt en hij een termijn bepaalt binnen welke de verzoeker de bevoegdheid heeft zijn verzoek in te trekken[9]. Zoals al opgemerkt is de ontbindingsprocedure wegens gewichtige redenen opgevat als een snelle procedure. In beginsel is de termijn tussen de binnenkomst van het verzoekschrift en de verzending van de beschikking niet langer dan 8 weken[10]. De snelle procedure wordt uiteraard ook gewaarborgd door de ontstentenis van hoger beroep en in beginsel ook van cassatieberoep[11]. De beschikking van de kantonrechter levert een executoriale titel op[12]. Dat de ontbindingsprocedure een snelle procedure is, is ook logisch omdat gedurende de ontbindingsprocedure de arbeidsovereenkomst blijft bestaan en partijen zich in een oncomfortabele positie bevinden en de onzekerheid over het al dan niet eindigen van de arbeidsovereenkomst niet langdurig mag zijn[13].

Opgemerkt werd reeds dat in beginsel geen hoger beroep en cassatieberoep mogelijk is. Uitzonderlijk heeft de Hoge Raad cassatieberoep toch toegelaten, bijvoorbeeld indien de kantonrechter het beginsel van 'hoor en wederhoor' (de tegensprekelijkheid) heeft miskend. Cassatieberoep is ook toegelaten indien de ontbindingsrechter artikel 7:685 buiten toepassing heeft gelaten ofwel het ten onrechte niet heeft toegepast door zich bijvoorbeeld onbevoegd te verklaren[14]. In deze gevallen is ook uitzonderlijk hoger beroep mogelijk[15]. En uitzonderlijk is het buitengewoon rechtsmiddel van de herroeping van gewijsde mogelijk in geval door bedrog van één van de partijen die voor de wederpartij een gunstige afloop van de procedure heeft verhinderd[16] [17].

De ontbindingsprocedure heeft deels een zogenaamd 'extra-judicieel karakter'. Het is een procedure om een billijkheidsbeslissing van de rechter te verkrijgen en geen normale procedure ter beslechting van een rechtsstrijd. De normale bewijsregels zijn niet strikt van toepassing[18]. En een ontbindingsbeschikking heeft zelfs geen gezag van gewijsde. Aldus besliste de Hoge Raad dat de omstandigheid dat de kantonrechter niet om een dringende reden had ontbonden, niet betekent dat in een volgend geding moet worden geoordeeld dat er geen dringende reden was[19].

Een tussentijdse conclusie luidt dat de ontbinding wegens gewichtige reden een specifieke rechtsfiguur is die haar gelijke niet kent in het Belgische recht[20].

Ontbinding voor de Belgische rechter

3. Vele ontbindingszaken worden ingeleid door de werkgever. Indien de vordering wordt ingeleid tegen een werknemer die bijvoorbeeld werkt in Nederland en woont in België, zal de werkgever krachtens artikel 20 van de EG-Verordening 44/2001 van 22 december 2000 in beginsel uitsluitend zijn vordering tot ontbinding kunnen inleiden voor de rechter van de woonplaats van de werknemer, dit is dus de Belgische rechter[21]. De Belgische rechter blijft bevoegd in geval van de zogenaamde voorwaardelijk ontbindingsverzoeken ingesteld door de Nederlandse werkgever van een om dringende reden ontslagen werknemer die in België woont[22]. Een forumkeuze ter aanduiding van een andere rechter is alleen geldig nadat het geschil is ontstaan[23].

In dergelijke situatie zal het Nederlandse arbeidsrecht van toepassing zijn, hetzij omdat Nederland het gewoonlijke werkland is ('lex loci laboris') hetzij omdat er een expliciete rechtskeuze is ten voordele van het Nederlandse arbeidsrecht[24]. Nederland is zich bewust dat de EG-Verordening in de praktijk ongelukkig uitpakt en heeft al een wijzigingsvoorstel geformuleerd om ook het gerecht van de gewoonlijke werkplaats bevoegd te maken om kennis te nemen van een ontbindingsverzoek van de arbeidsovereenkomst door de werkgever ingesteld[25]. Hierop is blijkbaar terughoudend gereageerd en blijkbaar is een initiatief van de Europese Commissie vereist[26].

Procesregeling: in beginsel de lex fori

4. Op het eerste gezicht wordt het proces voor de Belgische rechter beheerst door de lex fori, dit wil zeggen het Belgisch procesrecht[27]. Hierna moet worden nagegaan in hoeverre de regels van het civiele Belgische procesrecht van toepassing zijn op de originele Nederlandse rechtsfiguur van de ontbinding wegens gewichtige redenen wanneer dergelijke ontbindingsverzoek aanhangig wordt gemaakt bij de Belgische rechter. Maar gelet op het feit dat de Nederlandse ontbindingsprocedure een extra-judicieel karakter van een snelle ontbindingsprocedure vertoont, is de toepassing van het gewone Belgisch procesrecht in arbeidszaken op zich reeds een betwistbaar uitgangspunt.

Receptie van vreemd recht en buitenlandse rechtsfiguren in het Belgisch IPR

5. Het beginsel van de 'lex fori' moet echter gesitueerd worden in het raam van een belangrijk uitgangspunt van het internationaal privaatrecht. Een internationale samenleving en IPR zijn maar mogelijk bij onderlinge permeabilteit van de verschillende rechtsbegrippen en rechtsfiguren[28]. Dit uitgangspunt van het IPR heeft belangrijke gevolgen.

Wanneer een Belgische rechtbank ertoe geroepen wordt de buitenlandse wet toe te passen, zal hij er soms toe gebracht worden een handeling te stellen die niet tot haar gebruikelijke werkwijze behoort[29].

Een tweede gevolg van de permeabiliteit van de rechtsordeningen onderling, maakt het mogelijk gevolgen te erkennen aan een buitenlandse instelling of rechtsfiguur die in het recht van het forum onbekend is. De verwijzingscategorie moet aldus worden opgevat dat zij ruimte biedt voor de erkenning van een buitenlandse rechtsfiguur [30].

Het hier geschetste uitgangspunt van de permeabiliteit van de rechtsordening vinden we thans terug in artikel 15, §1 van het Wetboek Internationaal Privaatrecht: "Het buitenlands recht wordt toegepast volgens de in het buitenland gevolgde interpretatie"[31] [32]. Indien de Belgische rechter derhalve de arbeidsovereenkomst ontbindt op basis van de in Belgische rechtsorde onbekende figuur van de ontbinding omwille van gewichtige redenen, dan moet hij die rechtsfiguur in zijn geheel toepassen, zoals geïnterpreteerd naar Nederlands recht, en niet in geamputeerde of gedenatureerde vorm. Vreemd recht wordt niet toegepast wanneer het foutief wordt toegepast[33] Dit impliceert dat het ook voor de Belgische rechter om een snelle billijkheidsprocedure moet gaan, met uitsluiting van hoger beroep en in beginsel ook cassatieberoep, en met ongebondenheid t.a.v. de gewone bewijsregels. M.b.t. artikel 7:685 BW is duidelijk dat de regels van het materieel recht en het procesrecht dermate nauw met elkaar verbonden zijn dat ze niet kunnen worden gescheiden[34].

Verfijning van de 'lex fori' m.b.t. artikel 7:685 BW

6. Hierboven werd al opgemerkt dat de Belgische procesregels niet gewoon transponeerbaar zijn op de procedure van artikel 7:685 BW omdat ze deels een extra-judicieel kararakter heeft. Maar niettemin moet de betekenis van het Belgische procesrecht als 'lex fori' in het IPR worden toegelicht. Twee vragen dringen zich op. De eerste vraag is hoe de verwijzingscategorie van de procesregels moet worden geïnterpreteerd, extensief of limitatief. En een tweede vraag is na te gaan wat precies onder procesregels moet worden verstaan. Met andere woorden welke rechtsregels moeten als processuele regels worden gekwalificeerd, wat een delicate aangelegenheid blijkt te zijn.

F. Rigaux betoogde dat als eerste beginsel van het procesrecht als lex fori de fundamentele regel van de beperking van het domein van de procesregels moet worden aangenomen. Deze gezaghebbende auteur opteert duidelijk voor een limitatieve interpretatie van het concept 'procedure'[35]. Hij vindt bv. navolging bij J. Meeusen[36]. Een tweede probleem is de kwalificatie van de categorie van de procesregels. Sommige auteurs hebben erop gewezen dat bepaalde regels , die tot dusverre werden beschouwd als zijnde van processuele aard, wegens hun nauwe samenhang met het materiële recht moeten worden geacht daartoe te behoren[37]. Aldus dient de opvatting te worden verlaten dat elke rechter alleen zijn eigen procesrecht toepast. Ook Rigaux heeft opgemerkt dat een toepassing van buitenlandse procesregels niet a priori moet worden uitgesloten[38]. Het moge duidelijk zijn dat de processuele aspecten van artikel 7:685 BW dermate nauw verbonden zijn met de materieelrechtelijk aspecten van de snelle ontbindingsprocedure wegens gewichtige redenen dat ze niet kunnen worden afgesplitst en dus beheerst blijven door het Nederlandse recht wanneer het ontbindingsverzoek wordt aanhangig gemaakt voor de Belgische (arbeids)rechter. Hoewel de lex fori in beginsel bepaalt welke rechtsmiddelen tegen een vonnis open staan[39], is het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een ontbindingsuitspraak op grond van artikel 7:685 BW door een Belgische rechter derhalve uitgesloten. Overigens is het recht van dubbele aanleg niet erkend als algemeen rechtsbeginsel[40].

7. De categorie van de procesregels lijkt bovendien duidelijk te zijn, maar is dat niet. Zo kan worden gedacht aan de verjaringsregels[41]. Ondanks het feit dat de bevrijdende verjaring niet het bestaan van de verbintenis zelf aantast, maar enkel de opeisbaarheid of de rechtsvordering tot betaling[42], worden verjaringsregels[43] en vervaltermijnen in het continentaal recht meestal beschouwd als behorend tot het materiële recht maar in het Anglo-Amerikaanse als zijnde van procedurele aard[44].

De bewijsregels zijn moeilijk in hun geheel onder te brengen bij het procesrecht of het materieel recht. Traditioneel wordt aangenomen dat de regels betreffende de bewijslast en de regels die de toelaatbaarheid van de bewijsmiddelen voor een welbepaalde materie beperken, behoren tot het materieel recht[45]. Algemene regels over toelaatbare bewijsmiddelen, zoals artikel 1341 BW voor overeenkomsten, vallen dan weer onder de lex fori[46]. De nauwe samenhang tussen de materiële en processuele regels impliceert m.i. dat de Nederlandse regel dat de rechter in de ontbindingsprocedure niet gebonden is door de normale bewijsregels ook zijn gelding behoudt voor de Belgische rechter.

De openbare orde-exceptie

8. Artikel 21 Wetboek Internationaal Privaatrecht en artikel 16 EVO-Verdrag bepalen dat de toepassing van een bepaling uit het door deze wet aangewezen buitenlands recht wordt geweigerd voor zover zij tot een resultaat zou leiden dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Artikel 21 is gesteund op de gangbare rechtspraktijk in België en de ons omringende landen met betrekking tot de zogenaamde exceptie van internationaal privaatrechtelijke openbare orde[47]. "De exceptie van internationale openbare orde is een techniek waardoor geen toepassing wordt gegeven aan een bepaling van het op grond van het verwijzingsrecht aangeduide vreemde recht omdat de toepassing van die vreemde bepaling in het concrete geval voor onze rechtsorde onaanvaardbare gevolgen zou hebben"[48]. Het gaat om een exceptie op de normale toepassing van de verwijzingsregels. Men spreekt van de negatieve internationale openbare orde.

Het spreekt voor zich dat niet iedere bepaling van Belgisch recht van openbare orde moet ondergebracht worden onder het concept van de internationale privaatrechtelijke openbare orde[49]. Het Hof van Cassatie heeft immers beslist dat "een wet van innerlijke openbare orde slechts van privaat internationale openbare orde is voor zoveel de wetgever door de bepalingen van die wet een principe heeft willen huldigen dat hij als hoofdzakelijk voor de gevestigde zedelijke, politieke of economische orde beschouwt en om deze reden, naar zijn mening, noodzakelijk in België, de toepassing van elke regel moet uitsluiten die er mede in strijd is of ervan verschilt"[50]. Derhalve is de internationale openbare orde waarover artikel 21 WIPR het heeft minder ruim dan de interne openbare orde[51]. Een klassiek voorbeeld van internationale openbare orde is dat de Belgische rechtsorde zich er tegen verzet dat een vreemde man , wiens personeel statuut de polygamie toestaat, in België een tweede huwelijk zou sluiten. Maar de rechtspraak heeft al wel aanvaard dat vrouwen van een polygaam huwelijk van hun echtgenoten onderhoudsgeld kunnen vorderen[52].

9. De voorbeelden in de rechtspraak van processuele regels die behoren tot de openbare internationale openbare orde zijn schaars. Als voorbeeld kan worden gegeven dat de onmogelijkheid voor een partij om toegang te hebben tot een rechter, zelfs een arbitrale, strijdig is met de internationale openbare orde[53]. Het Arbeidshof te Gent oordeelde dat de rechtstreekse verwijzing van het geschil bij toepassing van artikel 660 Gerechtelijk Wetboek strijdig is met het principe van de territorialiteit van de rechtsmacht , dat tot de internationale openbare behoort[54]. Er zijn geen aanwijzingen te vinden voor de opvatting dat de procesregels die een arbeidsrechtelijk geding voor de arbeidsgerechten beheersen van internationale openbare zijn. De rechtsingang van de ontbindingsprocedure krachtens art. 7:685 BW voor de Belgische rechter. Naar Belgisch recht kan een arbeidszaak bij dagvaarding en thans ook bij tegensprekelijk verzoekschrift worden ingeleid (principe van de lex fori)[55]. De betekening van het verzoek zal moeten gebeuren volgens de regels van het internationaal recht [56]. Naar Nederlands recht is tussen haakjes een verkeerde rechtsingang, bv. een dagvaarding in plaats van een verzoekschrift, reparabel[57].

Besluit

10. Nu de ontbindingsprocedure een snelle deels extra-judiciële billijkheidsprocedure is, is er voor de Belgische rechter in beginsel geen reden om zijn eigen nationaal procesrecht, gericht op het beslechten van een rechtsstrijd, toe te passen. De Belgische rechter is integendeel gehouden het Nederlandse recht in zijn geheel toe te passen, zoals het in Nederland wordt geïnterpreteerd. Het procesrecht van de lex fori is restrictief toe te passen. Nu in deze uiteraard een onlosmakelijk en intrinsiek innig verband bestaat tussen de processuele aspecten en de materiële rechtsregels, moet het recht vervat in artikel 7:685 BW integraal worden toegepast door de Belgische rechter. De exceptie van internationale openbare orde noopt niet tot een ander besluit. Door in de huid van de Nederlandse kantonrechter te kruipen en zich open te stellen voor een toepassing van het Nederlands recht voorkomt de rechter niet alleen een 'denaturering' van de in Belgisch recht ongekende ontbinding wegens gewichtige redenen, maar ook praktische en theoretische onoplosbare problemen. De snelle procedure wordt gevrijwaard door hoger beroep en cassatieberoep in beginsel ontoelaatbaar te verklaren.


[1] Zie onder meer A. Luttmer-Kat in Arbeidsrecht: Tekst en Commentaar, Deventer, Kluwer, 2006, 175-185; L.H. Van den Heuvel, Ontslagrecht, Studiepockets privaatrecht, Zwolle, Tjeenk Willink, 1996, 100-112; J.J. Groen, Rechterlijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst, Arnhem, Gouda Quint, 1989, 172, met verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij de wet van 1907, in A. Bles, Wet op de arbeidsovereenkomst, IV, Den Haag, 1909, 85 en 261; P.A. Stein en A.S. Rueb, Compendium van het burgerlijk procesrecht, Deventer, Kluwer, 2003, 188 en 235.

[2] Wat de bewijsvoering betreft zie: art. 284 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering: " (…), tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet."; Kamerstukken II, 1999-2000, 26855, nr.3, p. 158; P.G. Vestering, "Ontbinding inclusief ontbinding op grond van wanprestatie", in: SDU Commentaar Arbeidsrecht, C. Loonstra en W. Zondag (eds.), Den Haag, SDU uitgevers, 2006, 800; Cremers Burgerlijke rechtsvordering, Deventer, Gouda Quint, losbl., art. 284 Rv., p. 242 . Zo is bewijslevering met getuigen zeer zeldzaam.

[3] In 2005 vonden 67.608 ontbindingsprocedures plaats, tegen 74.450 ontslagaanvragen bij het CWI.

[4] Art. 7:685, lid 2 BW.

[5] Art. 7:685, lid 1 BW.

[6] Zie de publicaties van de kantonrechtersformule in het Nederlands juristenblad (NJB) 1996, 838.

[7] Dienstjaren voor het 40e levensjaar tellen voor 1, van het 40e tot het 50e voor 1.5 en elk dienstjaar vanaf het 50e telt voor 2.

[8] Indien de ontbindingsgrond geheel in de risicosfeer van de werkgever valt en verwijtbaarheid niet aan de orde is, is de correctiefactor voor deze zogenaamde 'neutrale ontbinding' gelijk aan 1.

[9] Art. 7:685, lid 9 BW.

[10] De zogenaamde 'doorlooptijd' : aanbeveling 1.1 van de kantonrechtersformule.

[11] Art. 7:685, lid 11 BW.

[12] P.G. Vestering, "Ontbinding inclusief ontbinding op grond van wanprestatie", in: SDU Commentaar Arbeidsrecht, C. Loonstra en W. Zondag (eds.), Den Haag, SDU uitgevers, 2006, 801.

[13] P.A. Stein en A.S. Rueb, Compendium van het burgerlijk procesrecht, Deventer, Kluwer, 2003, 235; Vgl. inzake de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens wanprestatie naar Belgisch recht: W. Rauws, Civielrechtelijke beëindigingswijzen van de arbeidsovereenkomst: nietigheid, ontbinding en overmacht, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1987, 515.

[14] Zie P.G. Vestering, "Ontbinding inclusief ontbinding op grond van wanprestatie", in: SDU Commentaar Arbeidsrecht, C. Loonstra en W. Zondag (eds.), Den Haag, SDU uitgevers, 2006, 809.

[15] Hoge Raad (HR), 12 maart 1982, Nederlandse Jurisprudentie (NJ), 1992, 672, met noot P.A. Stein; W.C.L. Van der Grinten en W. H.A. Bouwens, Arbeidsovereenkomstenrecht, Deventer, Kluwer, 2005, 426-428.

[16] Art. 382 en 390 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, voorheen 'request civiel' genoemd; W.C.L. Van der Grinten en W. H.A. Bouwens, Arbeidsovereenkomstenrecht, Deventer, Kluwer, 2005, 428. Een voorbeeld is het geval van de werknemer die tijdens de ontbindingsprocedure verzwijgt dat hij reeds elders ander werk heeft gevonden.

[17] Voor de herroeping van gewijsde in het Belgische procesrecht: zie J. Laenens, K. Broeckx en D. Scheers, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2004, nrs. 1212-1219.

[18] Hoge Raad (HR) 21 oktober 1983, Nederlandse Jurisprudentie (NJ), 1984, 296, met conclusie Adv.-Gen. Leijten; HR 28 mei 1999, NJ, 1999, 694 (bewijsaanbod in een verzoekschriftprocedure); conclusie Adv.-Gen. Vranken conclusie bij Hoge Raad, 23 april 1993, Jurisprudentie Arbeidsrecht (JAR) 1993, 123; Adv.-Gen. Bakels bij HR 16 april 1999, JAR 1999, nr. 104; L. Van den Heuvel, o.c., 102.

[19] HR, 23 april 1993, JAR 1993, 123; zie ook L. Van den Heuvel, "Artikel 7A:1639w BW kan worden afgeschaft", in Sociaal recht: de grenzen verkend. Liber amicorum L.J.M. De Leede, Zwolle, Tjeenk Willink, 1994, 151-152, die echter ongelukkigerwijze spreekt van "kracht van gewijsde".

[20] Zie H. Lenaerts, "Eenheid en verscheidenheid in het Nederlands en Belgisch arbeidsrecht", R.W. 1959-60, 675

[21] EG- verordening 44/2001 van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, de zogenaamde EEX-Verordening (Brussel I); zie I. Couwenberg, “Commentaar bij art. 18-21 EEX-Verordening”, Artikelsgewijze Commentaar Gerechtelijk recht, J. Laenens e.a. (ed.), Mechelen, Kluwer, 2004, nrs. 42-48; zie ook R. Geimer, “Salut für die Verordnung (EG) Nr. 44/2001 (Brüssel I-VO)”, Praxis des Internationalen Privat- und Verfahrensrecht, 2002, nr. 2, 69-74.

[22] J. Even, E. van Kampen, en E. de Wind, "Internationale aspecten", in: SDU Commentaar Arbeidsrecht II, C. Loonstra en W. Zondag (eds.), Den Haag, SDU uitgevers, 2006, 462-463.

[23] Art. 97, Wetboek Internationaal Privaatrecht van 16 juli 2004; T. Kruger in Het Wetboek Internationaal Privaatrecht becommentarieerd, Antwerpen, Intersentia, 2006, 499-500; J. Van Slooten en G. Heerma van Voss, "Kroniek van het sociaal recht", NJB, 2002, 1522.

[24] Art. 98 Wetboek Internationaal Privaatrecht en art. 6 van het EVO, dit is het verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst; zie H. Van Houtte, in Het Wetboek Internationaal Privaatrecht becommentarieerd, Antwerpen, Intersentia, 2006, 501-506.

[25] E. Jayme en C. Kohler, “Europaïsches Kollisionsrecht 2003”, Praxis des Internationalen Privat- und Verfahrensrecht, 2003, nr. 6, 488.

[26] Art. 67, lid 5 en 251 EG-Verdrag; Jayme en Kohler, “Der Verfassungskonvent und das Internationale Privat- und Verfahrensrecht”, Praxis des Internationalen Privat- und Verfahrensrecht, 2003, nr. 6, 488.

[27] Cass., 11 januari 1979, Arr. Cass. 1978-79, 524, Bull. , 1979, 521 met conclusie Adv.-Gen. Velu; G. Van Hecke, Internationaal privaatrecht, Gent, 1989, Story-Scientia, 1989, nr. 813.

[28] G. Van Hecke, o.c., nrs. 86 en 87.

[29] G. Van Hecke, o.c., nr. 87. Van Hecke vermeldt bv. de medewerking aan de oneigenlijke rechtspraak ('juridiction gracieuse') waarbij de rechter geen geding beslecht, maar aan het tot stand brengen van een nieuwe rechtstoestand meewerkt.

[30] G. Van Hecke, o.c., nr. 96. Van Hecke verwijst naar de toepassing van de Aglo-Amerikaanse figuur van de trust.

[31] Cass., 18 april 2005, NjW 2005, 1167, met noot H. Storme, Pas., I, 2005, 895 (art. 1080 Gerechtelijk Wetboek). Zie voor een recente toepassing van dit principe: Arbh. Brussel, 2 mei 2007, J.T.T. 2007, 276 (Congolees recht).

[32] Vgl. art. 15, §2 WIPR voor het uitzonderlijke geval dat het kennelijk onmogelijk is tijdig de inhoud van het buitenlands recht toe te passen: M. Pertegas, in Het Wetboek Internationaal Privaatrecht becommentarieerd, Antwerpen, Intersentia, 2006, 88.

[33] J. Meeusen, Nationalisme en internationalisme in het Internationaal Privaatrecht, Antwerpen, Intersentia, 1997, nr. 387.

[34] Vgl F. Rigaux, Droit international privé, II, Brussel , Larcier, 1979, nr. 840.

[35] F. Rigaux, o.c., II, nr. 842: "Le principe d'interprétation ainsi dégagé tend à faire la place la plus large aux diverses lois régissant le fond, la technique des conflits de lois permettant aux parties de prévoir plus tôt et avec plus de sécurité laquelle de ces lois est compétente et quel en est le champ d'application. Il inclut, de prime abord, une interprétation du concept 'procédure' qu'il convient de limiter à ce qu'exige le fonctionnement de l'appareil judiciaire et administratif. En de nombreux cas la loi étrangère applicable au fond fournit au juge la solution d'une question de droit qui, selon une méthode conceptuelle, au demeurant arbitraire, de qualification, pourrait être estimée 'de nature procédurale'." (eigen onderlijning).

[36] J. Meeusen, Nationalisme en internationalisme in het Internationaal Privaatrecht, nr .343.

[37] J. Kropholler, Internationales privatrecht, Tubingen, J.C.B. Mohr, 2001, 553: " Die kollisionsrechtliche Frage nach dem anwendbaren Verfahrensrecht ist lange kaum als Problem angesehen worden. Vielmehr ist man fast allgemein davon ausgegangen, dass jedes Gericht nur seines eigenes Verfahrensrecht anwendet. Dem sind jedoch mehrere Punkte entgegenzuhalten: 1. Im Wege der funktionellen Qualifikation lassen sich die traditionellen Grenzen zwischen Verfahrens- und materiellen Recht so verschieben, dass Vorschriften, die bisher als prozessuale angesehen wurden, wegen ihres engen Zusammenhangs mit dem materiellen Recht diesem zugeschlagen und daher nach Massgabe des IPR angewandt werden."

[38] F. Rigaux, o.c., II, nr. 839.

[39] G. Van Hecke, o.c., nr. 841

[40] Cass., 2 november 1989, Bull. 1990, nr. 135; A. Bossuyt, "Algemene rechtsbeginselen", Verslag van het Hof van Cassatie 2003, Belgisch Staatsblad, 2003, 137.

[41] Bv. art. 15 Arbeidsovereenkomstenwet.

[42] Cass., 25 september 1970, Arr. Cass. 1971, met conclusie eerste Adv.-Gen. Mahaux, R.W. 1970-71, 845; W. Rauws, "Actualia inzake de verjaring in het arbeidsrecht", R.W. 2002-2003, 361, met andere verwijzingen.

[43] Cass., 29 november 1990, Arr. Cass., 1990-91, 356, nr. 170.

[44] G. Van Hecke, o.c., nr. 814; J. Meeusen, Nationalisme en internationalisme in het Internationaal Privaatrecht, nr. 344 en nr. 470’ “.

[45] G. Van Hecke, o.c., nrs. 828-830; J. Meeusen, Nationalisme en internationalisme in het Internationaal Privaatrecht, nr .344.

[46] G. Van Hecke, o.c., nr. 830.

[47] M.Traest in Het Wetboek Internationaal Privaatrecht becommentarieerd, Antwerpen, Intersentia, 2006, 112-113.

[48] M.Traest in Het Wetboek Internationaal Privaatrecht becommentarieerd, Antwerpen, Intersentia, 2006, 112-113.

[49] M. Traest, o.c., 113, G. Van Hecke, o.c., nr. 329.

[50] Cass., 4 mei 1950, Arr. Cass. 1950, 557, Pas., 1950, I, 624; Cass., 17 december 1990, Arr. Cass. 1990-91, 432, Bull., 1991, 381.

[51] Arbh. Antwerpen, 19 november 2001, R.W. 2003-2004, 821.

[52] M. Traest, o.c., 114.

[53] Cass. fr., 1 februari 2005, Rev. crit. dr. intern. privé, 2006, 140, met noot T. Clay.

[54] Arbh. Gent, 3 februari 1978, R.W. 1977-78, 2220.

[55] Art. 700 en 704, §1, Gerechtelijk Wetboek.

[56] Verordening (EG) nr. 1393/2007 van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, met ingang van 13 november 2008. Vervangt de Verordening (EG) nr. 1348/2000: zie desbetreffende A. Smets en B. Volders, “Commentaar Verordening nr. 1348/2000”, in: Artikelsgewijze Commentaar Gerechtelijk recht, J. Laenens e.a. (ed.), Mechelen, Kluwer, 2004, VIII.

[57] Art. 69 (Ned.) Rv; Snijders, Ynzonides en Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer, Kluwer, 2002, nr. 296.