Cass. 5 september 2011, S.10.0119.N
RSZ-wet – aansprakelijkheid van de aannemer – strafkarakter – retroactiviteit van de mildste straf – verwijlintresten
Artikel 30ter, §6, B, eerste lid, van de RSZ-wet, voor de opheffing van dit artikel bij koninklijk besluit van 26 december 1998, zoals te dezen van toepassing, legde een sanctie op aan de hoofdaannemer die de bij de wet opgelegde inlichtingen niet verstrekte, teneinde aldus de onwettige activiteiten van de koppelbazen te bestrijden en strekte er toe via bestraffing een ontradende werking te hebben.
Die sanctie kon tot aanzienlijke bedragen oplopen, waarvan de vaststelling, binnen de in de wet bepaalde perken, werd overgelaten aan de overheid die het bedrag moest moduleren, niet met de bedoeling om, al was het maar forfaitair, een geleden nadeel te vergoeden, maar door rekening te houden met de ernst van de tekortkoming.
Deze maatregel had een overwegend repressief karakter en kan niet als een louter burgerlijke sanctie worden beschouwd. Aldus vertoonde deze maatregel het karakter van een strafrechtelijke sanctie in de zin van de artikelen 7.1 EVRM en 15.1 IVBPR.
De omstandigheid dat de bedoelde maatregel een strafrechtelijke sanctie was in de zin van de artikelen 7 EVRM en 15.1 IVBPR, brengt mee dat de waarborgen van de bepalingen van het EVRM en IVBPR moeten in acht worden genomen.
De voormelde artikelen 7.1 en 15.1 bepalen dat geen zwaardere straf mag worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbaar feit van toepassing was. Dit impliceert dat geen bijkomende straf mag worden opgelegd die niet was voorzien ten tijde van het begaan van het strafbaar feit.
De RSZ-wet voorzag, ingeval van niet-naleving van de meldingsplicht voorgeschreven door artikel 30ter, §5, in een sanctie, bestaande uit de betaling van een bedrag van minstens 5 pct van het totale bedrag van de niet-gemelde werkzaamheden en maximaal 5 pct van het bedrag van de aan de hoofdaannemer op de betrokken werf toevertrouwde werkzaamheden. In een nalatigheidsinterest werd niet voorzien.
Met toepassing van de voormelde artikelen 7.1 en 15.1 is het de rechter niet toegelaten de hoofdaannemer die de door artikel 30ter, §5, van de RSZ-wet voorgeschreven meldingsplicht niet heeft nageleefd, te veroordelen tot betaling van verwijlintrest op de som die hij krachtens artikel 30ter, §6, B, aan de eiser verschuldigd is.
Cass. 26 september 2011, S.09.0111.F
RMI-wet – leefloon – sociaal onderzoek – herziening - terugvordering
Krachtens artikel 19, § 1, eerste lid, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, verricht het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een sociaal onderzoek met het oog op de toekenning van maatschappelijke integratie in de vorm van een leefloon, of een tewerkstelling, met het oog op de herziening of de intrekking van een beslissing dienaangaande of met het oog op een beslissing tot schorsing van de uitbetaling van het leefloon. De tweede paragraaf van dat artikel bepaalt dat de aanvrager ertoe gehouden is elke voor het onderzoek van zijn aanvraag nuttige inlichting en machtiging te geven.
Luidens artikel 22, § 1, eerste lid, van dezelfde wet herziet het centrum, onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake de verjaring, een beslissing in geval van gewijzigde omstandigheden die een invloed hebben op de rechten van de persoon, een wijziging van het recht door een wettelijke of reglementaire bepaling, een juridische of materiële vergissing van het centrum en in geval van verzuim, onvolledige en onjuiste verklaringen van de persoon.
Het tweede lid van die bepaling bepaalt dat de betrokkene, met het oog op een eventuele herziening, onmiddellijk aangifte moet doen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op het hem toegekende bedrag of op zijn situatie als rechthebbende.Volgens het derde lid moet het centrum met hetzelfde oogmerk geregeld, en minstens om het jaar, nagaan of de toekenningsvoorwaarden vervuld blijven.
Uit die bepalingen volgt niet dat het centrum niet op grond van een onvolledige aangifte van een persoon de terugbetaling van zijn leefloon mag vorderen, indien het niet minstens om het jaar heeft nagegaan of de toekenningsvoorwaarden vervuld waren gebleven.
Op de vraag die aan het Grondwettelijk Hof was gesteld in het arrest van het Hof van 13 december 2010, antwoordt voormeld Hof dat artikel 29, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, in de versie van vóór de wijziging ervan bij de wet van 30 december 2009, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt in zoverre het toestaat de vordering tot terugvordering gedurende vijf jaar uit te oefenen. Het bestreden arrest, dat die verjaringstermijn toepast, schendt de artikelen 10 en11 van de Grondwet niet.
Cass.10 oktober 2011, S.10.0054.F
Arbeidsongeval – uitvoering arbeidsovereenkomst – vermoeden - tegenbewijs
L’article 7, alinéa 2, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail présume, jusqu’à la preuve du contraire, que l’accident survenu dans le cours de l’exécution du contrat de travail est survenu par le fait de cette exécution. Cette preuve contraire peut-être apportée par toute voie de droit.
L’arrêt constate que le défendeur a été victime d’une agression par balles dans le cours de l’exécution du contrat de travail. Conformément à l’article 7, alinéa 2, précité, il incombe à la
demanderesse de prouver que cet accident n’est pas survenu par le fait de cette exécution.
En conclusions, la demanderesse sollicitait le renvoi de la cause au role jusqu’à la clôture de l’instruction relative à l’agression, afin d’être en mesure de consulter le dossier répressif dans lequel elle espérait découvrir des circonstances excluant que l’accident soit survenu par ce fait.
L’arrêt rejette cette mesure au motif que la demanderesse « n’indique pas de manière précise les circonstances particulières qui, en l’espèce, permettraient effectivement » de renverser la présomption.
L’arrêt n’a pu, sans constater que la consultation du dossier répressif n’était pas susceptible de contribuer à la preuve dont la demanderesse avait la charge, priver celle-ci de la possibilité de rapporter cette preuve par ce moyen, au seul motif qu’elle n’indiquait pas les faits précis qu’elle entendait ainsi prouver.
En décidant, sur la seule base des éléments recueillis jusqu’alors, que la demanderesse ne renverse pas la présomption de l’article 7, alinéa 2, l’arrêt viole cette disposition.
Cass. 10 oktober 2011, S.10.0185.F
Arbeidsrelatie – Kwalificatie - Arbeidsovereenkomst – gezag
Lorsque les éléments soumis à son appréciation permettent d’exclure la qualification donnée par les parties à la convention qu’elles ont conclue, le juge du fond peut y substituer une qualification différente.Pour écarter la qualification de contrat d’entreprise que les parties ont donnée, lors de sa conclusion, à leur convention ayant pour objet la distribution d’imprimés et retenir l’existence d’un lien de subordination, l’arrêt se fonde sur les stipulations de cette convention et sur la manière dont elle a été exécutée et,en particulier, sur les éléments de fait suivants :
- les jours et heures de la distribution et le parcours à effectuer étaient imposés sans possibilité d’adaptation par des arrangements entre collègues ;
- les défendeurs avaient l’obligation d’effectuer eux-mêmes toutes les tournées, sauf absence justifiée par des motifs prouvés, alors que la nature du travail n’expliquait pas cette obligation, le remplaçant qu’ils devaient trouver en cas d’absence justifiée ne devant répondre à aucune exigence
particulière ;
- pour tout problème au cours de la tournée, les défendeurs devaient s’adresser à la demanderesse qui donnait les instructions à suivre en cas d’imprévu ;
- la demanderesse avait le pouvoir de contrôler le respect par les défendeurs de ses instructions précises et impératives ;
- la demanderesse pouvait prendre à l’égard des défendeurs des « sanctions d’office », qui ne constituaient pas l’exécution de la clause de responsabilité inscrite au « contrat d’entreprise » mais des mesures unilatérales, sans que ni la clause ni aucun accord ultérieur n’indique les hypothèses de sanction ou leur montant et sans davantage qu’il soit prouvé que le montant des retenues corresponde au dommage provoqué par une négligence.
Sur la base de l’ensemble de ces considérations, l’arrêt a pu déciderlégalement que les parties étaient liées par un contrat de travail.
Cass. 17 oktober 2011, S.08.0009.N
Europese sociale zekerheid – verordening 1408/71 – begrip ambtenaar – contractueel overheidspersoneel
Artikel 2, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: verordening nr. 1408/71), zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat deze verordening van toepassing is op ambtenaren en op personeel dat volgens de toepasselijke wetgeving met hen gelijkgesteld is, voor zover zij onderworpen zijn of geweest zijn aan de wettelijke regelingen van een lidstaat waarop deze verordening van toepassing is.
Verordening nr. 1408/71 is van toepassing op de wettelijke regelingen betreffende de takken van sociale zekerheid bedoeld in artikel 4, lid 1, van die verordening. Overeenkomstig artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71, zoals te dezen van toepassing, is deze verordening niet van toepassing op de bijzondere regelingen voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden.
Krachtens artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1408/71, zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van een enkele lidstaat onderworpen, onder voorbehoud van de artikelen 14quater en 14septies.
Artikel 13, lid 2, a), van verordening nr. 1408/71 bepaalt dat, onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17, op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing is, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat.
Artikel 13, lid 2, d), van verordening nr. 1408/71 bepaalt dat, onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17, op ambtenaren en met hen gelijkgestelden, de wetgeving van toepassing is van de lidstaat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert.
Overeenkomstig artikel 1, § 1, RSZ-wet, vindt deze wet toepassing op de werknemers en de werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden. Krachtens artikel 2, § 1, 2°, RSZ-wet, kan de Koning, bij in ministerraad overlegd besluit, en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, voor zekere categorieën werknemers die Hij bepaalt, de toepassing van deze wet tot een of meer van de bij artikel 5 opgesomde regelingen beperken.
Artikel 9, § 2, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet, bepaalt dat wat de personen betreft die door het Rijk, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies en de instellingen ondergeschikt aan de provincies krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst worden genomen, de toepassing van de wet beperkt wordt tot de regelingen opgesomd in § 1, eerste lid, zijnde de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, de regeling voor rust- en overlevingspensioen voor werknemers en de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid voor werknemers.
Overeenkomstig artikel 1, eerste lid, 3°, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel is de bij deze wet vastgestelde regeling voor het herstel van schade ten gevolge van arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en ten gevolge van beroepsziekten van toepassing op de leden van het vast, stagedoend, tijdelijk, hulppersoneel of het personeel dat wordt in dienst genomen door een arbeidsovereenkomst, behorende tot de besturen en andere diensten van de regeringen van de gemeenschappen en de gewesten.
Hieruit volgt dat, volgens de Belgische wettelijke regeling inzake sociale zekerheid, contractueel overheidspersoneel van de eiseres gedeeltelijk onder de toepassing valt van de algemene socialezekerheidsregeling voor werknemers en gedeeltelijk onder een bijzondere regeling voor ambtenaren.
Uit het arrest C-296/09 van het Hof van Justitie van 9 december 2010 blijkt dat wat dient te worden verstaan onder “ambtenaar” en “met hen gelijkgestelden” in de zin van artikel 13, lid 2, d), van verordening nr. 1408/71, uitsluitend wordt bepaald volgens het nationale recht van de lidstaat waaronder de overheidsdienst die deze personen tewerkstelt, ressorteert en dat een persoon in de situatie van de verweerder, die in een lidstaat gedeeltelijk onder de socialezekerheidsregeling voor ambtenaren en gedeeltelijk onder die voor werknemers valt, overeenkomstig artikel 13, lid 2, d), van die verordening uitsluitend onder de toepassing kan vallen van de wetgeving van de lidstaat waaronder de overheidsdienst die hem tewerkstelt, ressorteert.
Uit het arrest blijkt ook dat de begrippen “ambtenaren” en “met hen gelijkgestelden” in de zin van artikel 13, lid 2, d), van verordening nr. 1408/71 verwijzen naar de definities die daaraan worden gegeven in de socialezekerheidswetgevingen van de lidstaten en geen verband houden met de wijze waarop de uitgeoefende werkzaamheden in het arbeidsrecht worden gekwalificeerd.
De appelrechters stellen vast dat de verweerder met de eiseres verbonden was door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op grond van de Arbeidsovereenkomstenwet en aldus de hoedanigheid van werknemer had, dat hij niet genoot van de voor het ambtenarenstatuut kenmerkende vastheid van betrekking en dat de verweerder krachtens het personeelsstatuut voor contractueel personeel een functionele bevoegdheid had en geen hiërarchische bevoegdheid
zoals dit het geval is voor ambtenaren.
Uit deze vaststellingen die uitsluitend verband houden met de kwalificatie in het arbeidsrecht van de door de verweerder uitgeoefende werkzaamheden, noch uit de andere vaststellingen of overwegingen van het arrest volgt dat de verweerder op basis van het nationale stelsel van sociale zekerheid waarbij hij was aangesloten, niet als een met ambtenaar gelijkgestelde kan worden beschouwd.
De appelrechters oordelen niet wettig dat de verweerder niet als een met ambtenaar gelijkgestelde kan worden beschouwd in de zin van artikel 13, lid 2, d), van verordening nr. 1408/71. Hun beslissing dat het socialezekerheidsstelsel van de lidstaat waar zich de plaats van tewerkstelling bevond, met name Zweden, op de verweerder van toepassing was, zodat de eiseres ten onrechte socialezekerheidsbijdragen heeft ingehouden op het loon van de verweerder, is dienvolgens niet naar recht verantwoord.
Cass. 17 oktober 2011, S.10.0213.N
Sociale verkiezingen – kandidaten – beroep door werkgever – inroeping ongeldigheid kandidatuur in ontslagprocedure - laattijdigheid
Krachtens artikel 5 van de wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen van het jaar 2008, kan de werkgever een beroep instellen tegen de voordracht van kandidaten, wanneer de kandidaten of de kandidatenlijsten niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van de Bedrijfsorganisatiewet, van de Wet Welzijn Werknemers en van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008, zelfs indien geen enkele klacht werd ingediend.
Indien er geen klacht werd ingediend, moet het beroep van de werkgever worden ingesteld binnen vijf dagen na de termijn voor de indiening van klachten vastgesteld in artikel 37 van de laatst vermelde wet van 4 december 2007.
Deze bepaling vindt toepassing op alle betwistingen betreffende de geldigheid van een kandidatuur en de samenstelling van de kandidatenlijsten. De werkgever kan de geldigheid van een kandidatuur waartegen hij niet tijdig beroep heeft ingesteld, niet meer betwisten in een procedure met betrekking tot de ontslagbescherming.
De appelrechters stellen vast dat de verweerster inroept dat de eiser niet voldoet aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden van artikel 59, § 1, 3°, Wet WelzijnWerknemers, zodat de eiser geen aanspraak kan maken op de door hem gevorderde beschermingsvergoeding. Deze betwisting betreft de geldigheid van de kandidatuur in het licht van de bepalingen van de Wet Welzijn Werknemers en valt derhalve onder artikel 5 van de eerst vermelde wet van 4 december 2007.
Met miskenning van die wetsbepaling, oordelen de appelrechters dat de verweerster kan inroepen dat de eiser niet beantwoordde aan de verkiesbaarheidsvoorwaarde, hoewel zij dit tijdens de procedure van de sociale verkiezingen nooit heeft ingeroepen, aangezien de rechtsvraag die aan de orde is betrekking heeft op het feit of de eiser aan de wettelijke voorwaarden voldoet om aanspraak te maken op de bijzondere beschermingsvergoeding en niet op het feit of de kandidatuur van de eiser geldig werd ingesteld volgens de bepaling van artikel 5 van de wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen van het jaar 2008.
Cass. 24 oktober 2011, S.11.0039.F
Werkloosheid – Terugvordering – Beperking ingeval van goede trouw
En vertu de l'article 169, alinéas 1er et 2, de l’arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, toute somme perçue indûment doit être remboursée à moins qu'il ne soit établi que le chômeur a perçu de bonne foi des allocations auxquelles il n'avait pas droit, auquel cas la récupération est limitée aux cent cinquante derniers jours d'indemnisation indue.
Conformément à l'alinéa 5 de ce même article, lorsque le chômeur prouve qu’il a perçu de bonne foi des allocations auxquelles il n'avait pas droit, le montant de la récupération peut, par dérogation aux alinéas précédents de cet article, être limité au montant brut des revenus dont il a bénéficié et qui n’étaient pas cumulables avec les allocations.
L’arrêt décide que le défendeur a agi de bonne foi. Sur cette base, il limite le montant de la récupération des allocations de chômage perçues indûment aux revenus bruts dont a bénéficié le défendeur durant les cent cinquante derniers jours d’indemnisation indue. Il viole, dès lors, l'article 169 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage.
Posts tonen met het label ziekte en -invaliditeit. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ziekte en -invaliditeit. Alle posts tonen
01 februari 2012
07 juli 2011
Onderscheid tussen arbeiders en bedienden is discriminerend: het Grondwettelijk Hof zet de stap, maar temporiseert.
GwH nr. 125/2011, 7 juli 2011
De prejudiciële vragen
1. Schenden de artikelen 59 en 82 van de Arbeidsovereenkomstewet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij voorzien in een verschillende termijn voor de opzegging gegeven aan een arbeider of aan een bediende met beiden dezelfde anciënniteit ?
2. Schenden de artikelen 52, § 1, en 70 van de Arbeidsovereenkomstenwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre, in tegenstelling tot de bediende met een overeenkomst van onbepaalde duur wiens proefperiode is beëindigd, voor de arbeider die zich in dezelfde contractuele situatie bevindt, in geval van arbeidsongeschiktheid wegens een andere ziekte dan een beroepsziekte, of wegens een ander ongeval dan een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar of van het werk, één carenzdag wordt geteld wanneer de arbeidsongeschiktheid geen veertien dagen duurt ?
Het antwoord van het Hof
Zoals het Hof reeds opmerkte in zijn arrest nr. 56/93 van 8 juli 1993 heeft de wetgever, door het onderscheid tussen arbeiders en bedienden te doen steunen op de voornamelijk manuele respectievelijk intellectuele aard van hun werk, verschillen in behandeling ingevoerd op grond van een criterium dat de invoering ervan op dat ogenblik bezwaarlijk objectief en redelijk zou kunnen verantwoorden (B.6.2.1). Die vaststelling geldt a fortiori vandaag de dag, met name voor de verschillen in behandeling die te dezen worden betwist op het vlak van de duur van de opzegging of de carenzdag. Die verschillen in behandeling zijn derhalve in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
Het Hof stelde in het voormelde arrest eveneens vast dat de wetgever maatregelen had genomen om de niveaus van bescherming tegen ontslag verleend aan de arbeiders en aan de bedienden dichter bij elkaar te doen aansluiten (B.6.2.2) en kwam tot de slotsom « dat de sedert decennia op gang gekomen vervaging van de aangeklaagde ongelijkheid slechts geleidelijk kan plaatsvinden ». Het feit dat het onverantwoord zou zijn om op dat moment een dergelijk onderscheid in te voeren, werd niet voldoende geacht om de plotselinge afschaffing ervan te rechtvaardigen (B.6.3.1) en de handhaving van het onderscheid werd bijgevolg niet klaarblijkelijk onevenredig bevonden met « een doelstelling die slechts in opeenvolgende stadia kan worden bereikt » (B.6.3.2).
Sinds het Hof het voormelde arrest heeft uitgesproken, zijn nieuwe maatregelen genomen die ertoe strekken de twee categorieën van werknemers dichter bij elkaar te brengen. Aldus voorzien verschillende sectorale koninklijke besluiten, op grond van artikel 61, § 1, van de wet van 3 juli 1978, in opzeggingstermijnen die gunstiger zijn dan die waarin de voormelde wet voorziet in geval van ontslag. Bovendien heeft de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 75 betreffende de opzeggingstermijnen van de werklieden, in werking getreden op 1 januari 2000, eveneens een afwijking ingevoerd van artikel 59 van de wet van 3 juli 1978 door de opzeggingstermijn in geval van ontslag van een arbeider te verlengen volgens diens anciënniteit.
Die intersectorale collectieve overeenkomst, gesloten binnen de Nationale Arbeidsraad, is van toepassing op alle werkgevers van de privésector.
Ten slotte wijzigt de wet van 12 april 2011 « houdende aanpassing van de wet van 1 februari 2011 houdende verlenging van de crisismaatregelen en uitvoering van het interprofessioneel akkoord, en tot uitvoering van het compromis van de Regering met betrekking tot het ontwerp van interprofessioneel akkoord », bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 april 2011, op substantiële wijze de opzeggingstermijnen en getuigt zij van de uitdrukkelijke wil van de wetgever om stapsgewijs een verdere harmonisatie van de statuten van bedienden en arbeiders tot stand te brengen.
Rekening houdend met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de wetgever beschikt bij het bepalen van zijn beleid in sociaal-economische aangelegenheden, verzet het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zich niet tegen een geleidelijke vermindering van de vastgestelde verschillen in behandeling. Wanneer een hervorming die beoogt de gelijkheid te herstellen verreikende en ernstige gevolgen heeft, kan de wetgever immers niet worden verweten dat hij die hervorming op doordachte wijze en in opeenvolgende stadia tot stand brengt (zie, mutatis mutandis, EHRM, grote kamer, 12 april 2006, Stec e.a. t. Verenigd Koninkrijk, § 65).
In het voormelde arrest nr. 56/93 heeft het Hof voorts opgemerkt dat de gedifferentieerde regelingen betrekking hebben op aangelegenheden die nu eens voor de arbeiders, dan weer voor de bedienden gunstig zijn (B.6.3.2). Dat is te dezen overigens het geval, daar de eiser voor de feitenrechter artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 heeft kunnen genieten, dat alleen aan de arbeiders die het slachtoffer zijn van een willekeurig ontslag het voordeel voorbehoudt van een omkering van de bewijslast en van een forfaitaire compenserende vergoeding gelijk aan het loon van zes maanden. Het zou niet coherent zijn het onderscheid enkel te beschouwen ten aanzien van de duur van de opzegging zonder rekening te houden met de gevolgen ervan in andere aangelegenheden van het arbeidsrecht en de sociale zekerheid die op hetzelfde onderscheid berusten.
De tijd waarover de wetgever vermag te beschikken om een vastgestelde ongrondwettige situatie te verhelpen is echter niet onbegrensd. Het doel van een geleidelijke harmonisatie van de statuten van de arbeiders en de bedienden waaraan de wetgever de voorkeur heeft gegeven boven een plotselinge afschaffing van het onderscheid tussen die beroepscategorieën, inzonderheid in een aangelegenheid waar de normen kunnen evolueren ten gevolge van collectieve onderhandelingen, verantwoordt niet langer, achttien jaar nadat het Hof heeft vastgesteld dat het in het geding zijnde criterium van onderscheid niet meer pertinent kon worden geacht, dat sommige verschillen in behandeling, zoals die welke voor de verwijzende rechter zijn aangevoerd, nog geruime tijd kunnen worden behouden, waardoor een toestand van manifeste ongrondwettigheid zou worden bestendigd.
Een prejudicieel arrest waarin wordt vastgesteld dat een bepaling de Grondwet schendt, heeft niet dezelfde gevolgen als een vernietigingsarrest, dat de ongrondwettige bepaling ab initio uit de rechtsorde verwijdert. Terwijl de artikelen 10 tot 17 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bepalen dat de in kracht van gewijsde gegane beslissingen die de rechtscolleges hebben gewezen op grond van een door het Hof vernietigde bepaling, het voorwerp kunnen uitmaken van een intrekking, en terwijl artikel 18 van dezelfde wet bepaalt dat een nieuwe beroepstermijn openstaat tegen de administratieve handelingen en verordeningen die op grond van een vernietigde bepaling zijn genomen, maken de ongrondwettigheidsverklaringen op prejudiciële vragen aldus niet het voorwerp uit van soortgelijke bepalingen.
Een prejudicieel arrest heeft echter, zonder de ongrondwettige bepaling uit de rechtsorde te doen verdwijnen, een effect dat het geschil overstijgt dat hangende is voor de rechter die de prejudiciële vraag heeft gesteld. Die rechter, evenals elk ander rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, dient de ongrondwettig bevonden bepaling buiten toepassing te laten (artikel 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof). Het gevolg van een prejudicieel arrest strekt zich evenwel uit tot andere zaken, wanneer ingevolge een dergelijk arrest van het Hof, de rechtscolleges ontslagen zijn van de verplichting tot het stellen van een prejudiciële vraag met een identiek onderwerp (artikel 26, § 2, tweede lid, 2°, van dezelfde bijzondere wet).
Hieruit vloeit voort dat het Hof moet onderzoeken in welke mate de weerslag van zijn beslissing dient te worden gemilderd teneinde de in zijn eerdere arresten toegestane geleidelijke harmonisatie van de statuten niet te doorkruisen.
Artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof verleent het Hof de bevoegdheid om, indien het een beroep tot vernietiging gegrond acht, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de vernietigde bepaling aan te wijzen die als gehandhaafd moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die het vaststelt. De bijzondere wet bevat geen soortgelijke regel wanneer het Hof in een prejudicieel arrest vaststelt dat een bepaling de Grondwet schendt.
Tijdens de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 9 maart 2003 tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 werd een amendement verworpen dat ertoe strekte het Hof uitdrukkelijk toe te laten de werking in de tijd van zijn prejudiciële arresten te bepalen. Die verwerping werd als volgt bepleit :
Door toe te staan dat elke persoon die doet blijken van een belang de vernietiging kan vorderen van bepalingen waarvan het Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, heeft vastgesteld dat ze de Grondwet schenden, heeft artikel 4, tweede lid, dat in de bijzondere wet van 6 januari 1989 is ingevoerd bij de bijzondere wet van 9 maart 2003, de mogelijkheid verruimd dat op een later tijdstip alsnog de gevolgen van de ongrondwettig bevonden bepalingen worden gehandhaafd (zie bv. arrest nr. 140/2008 van 30 oktober 2008).
De onzekerheid over de toepasbaarheid van de ongrondwettig bevonden bepalingen in de tijd kan verantwoorden dat het Hof in het prejudicieel arrest vooraf die rechtsonzekerheid voorkomt. Het komt het Hof toe in de aan het Hof voorgelegde zaken een billijk evenwicht na te streven tussen het belang dat elke situatie die strijdig is met de Grondwet wordt verholpen en de bekommernis dat bestaande toestanden en gewekte verwachtingen na verloop van tijd niet meer in het gedrang worden gebracht. Hoewel de vaststelling van een ongrondwettigheid in een prejudicieel arrest declaratoir is, kunnen het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel derhalve verantwoorden dat de terugwerkende kracht die uit een dergelijke vaststelling kan voortvloeien, wordt beperkt.
In zijn arrest Marckx van 13 juni 1979 heeft ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, verwijzend naar het arrest Defrenne van 8 april 1976 van het Hof van Justitie (HvJ, 8 april 1976, Gabrielle Defrenne t. Sabena, punt 71), alsook naar het vergelijkend grondwettelijk recht, opgemerkt « dat de praktische gevolgen van een rechterlijke uitspraak weliswaar zorgvuldig moeten worden afgewogen », maar dat dit er niet toe mag leiden « dat de objectiviteit van het recht geweld wordt aangedaan en omwille van de weerslag die een rechterlijke beslissing voor het verleden kan hebben, de toepassing van dat recht in de toekomst in gevaar wordt gebracht » en dat het beginsel van de rechtszekerheid het in sommige omstandigheden mogelijk maakt te worden ontslagen van het opnieuw in vraag stellen van rechtshandelingen of -situaties die voorafgaan aan de uitspraak van een arrest waarmee een schending van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is vastgesteld (EHRM, 13 juni 1979, Marckx t. België, § 58; zie ook : arrest nr. 18/91 van 4 juli 1991, B.10).
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft met name aanvaard dat een grondwettelijk hof, rekening houdend met het rechtszekerheidsbeginsel, aan de wetgever een termijn mag verlenen om opnieuw wetgevend op te treden, wat voor gevolg heeft dat een ongrondwettige norm gedurende een overgangsperiode van toepassing blijft (EHRM, besl. 16 maart 2000, Walden t. Liechtenstein).
De handhaving van de gevolgen dient als een uitzondering op de declaratoire aard van het in het prejudicieel contentieux gewezen arrest te worden beschouwd. Alvorens te beslissen de gevolgen van een dergelijk arrest te handhaven, moet het Hof vaststellen dat het voordeel dat uit de niet-gemoduleerde vaststelling van ongrondwettigheid voortvloeit buiten verhouding staat tot de verstoring die zij voor de rechtsorde met zich zou meebrengen. Wat de voorliggende verschillen in behandeling betreft, zou een niet-gemoduleerde vaststelling van ongrondwettigheid in tal van hangende en toekomstige zaken tot een aanzienlijke rechtsonzekerheid leiden en een groot aantal werkgevers in ernstige financiële moeilijkheden kunnen brengen. Overigens moet in herinnering worden gebracht dat een dergelijke vaststelling van ongrondwettigheid de inspanningen van verdere harmonisatie zou kunnen doorkruisen waartoe het Hof de wetgever in zijn arrest nr. 56/93 heeft aangespoord.
Uit hetgeen voorafgaat vloeit voort dat de prejudiciële vragen bevestigend moeten worden beantwoord, maar dat de gevolgen van de in het geding zijnde bepalingen tot uiterlijk 8 juli 2013 moeten worden gehandhaafd. De wetgever zal immers, sedert het voormelde arrest nr. 56/93 van 8 juli 1993, over een voldoende lange termijn hebben kunnen beschikken om de harmonisatie van de statuten van arbeiders en bedienden te voltooien.
De prejudiciële vragen
1. Schenden de artikelen 59 en 82 van de Arbeidsovereenkomstewet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij voorzien in een verschillende termijn voor de opzegging gegeven aan een arbeider of aan een bediende met beiden dezelfde anciënniteit ?
2. Schenden de artikelen 52, § 1, en 70 van de Arbeidsovereenkomstenwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre, in tegenstelling tot de bediende met een overeenkomst van onbepaalde duur wiens proefperiode is beëindigd, voor de arbeider die zich in dezelfde contractuele situatie bevindt, in geval van arbeidsongeschiktheid wegens een andere ziekte dan een beroepsziekte, of wegens een ander ongeval dan een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar of van het werk, één carenzdag wordt geteld wanneer de arbeidsongeschiktheid geen veertien dagen duurt ?
Het antwoord van het Hof
Zoals het Hof reeds opmerkte in zijn arrest nr. 56/93 van 8 juli 1993 heeft de wetgever, door het onderscheid tussen arbeiders en bedienden te doen steunen op de voornamelijk manuele respectievelijk intellectuele aard van hun werk, verschillen in behandeling ingevoerd op grond van een criterium dat de invoering ervan op dat ogenblik bezwaarlijk objectief en redelijk zou kunnen verantwoorden (B.6.2.1). Die vaststelling geldt a fortiori vandaag de dag, met name voor de verschillen in behandeling die te dezen worden betwist op het vlak van de duur van de opzegging of de carenzdag. Die verschillen in behandeling zijn derhalve in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
Het Hof stelde in het voormelde arrest eveneens vast dat de wetgever maatregelen had genomen om de niveaus van bescherming tegen ontslag verleend aan de arbeiders en aan de bedienden dichter bij elkaar te doen aansluiten (B.6.2.2) en kwam tot de slotsom « dat de sedert decennia op gang gekomen vervaging van de aangeklaagde ongelijkheid slechts geleidelijk kan plaatsvinden ». Het feit dat het onverantwoord zou zijn om op dat moment een dergelijk onderscheid in te voeren, werd niet voldoende geacht om de plotselinge afschaffing ervan te rechtvaardigen (B.6.3.1) en de handhaving van het onderscheid werd bijgevolg niet klaarblijkelijk onevenredig bevonden met « een doelstelling die slechts in opeenvolgende stadia kan worden bereikt » (B.6.3.2).
Sinds het Hof het voormelde arrest heeft uitgesproken, zijn nieuwe maatregelen genomen die ertoe strekken de twee categorieën van werknemers dichter bij elkaar te brengen. Aldus voorzien verschillende sectorale koninklijke besluiten, op grond van artikel 61, § 1, van de wet van 3 juli 1978, in opzeggingstermijnen die gunstiger zijn dan die waarin de voormelde wet voorziet in geval van ontslag. Bovendien heeft de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 75 betreffende de opzeggingstermijnen van de werklieden, in werking getreden op 1 januari 2000, eveneens een afwijking ingevoerd van artikel 59 van de wet van 3 juli 1978 door de opzeggingstermijn in geval van ontslag van een arbeider te verlengen volgens diens anciënniteit.
Die intersectorale collectieve overeenkomst, gesloten binnen de Nationale Arbeidsraad, is van toepassing op alle werkgevers van de privésector.
Ten slotte wijzigt de wet van 12 april 2011 « houdende aanpassing van de wet van 1 februari 2011 houdende verlenging van de crisismaatregelen en uitvoering van het interprofessioneel akkoord, en tot uitvoering van het compromis van de Regering met betrekking tot het ontwerp van interprofessioneel akkoord », bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 april 2011, op substantiële wijze de opzeggingstermijnen en getuigt zij van de uitdrukkelijke wil van de wetgever om stapsgewijs een verdere harmonisatie van de statuten van bedienden en arbeiders tot stand te brengen.
Rekening houdend met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de wetgever beschikt bij het bepalen van zijn beleid in sociaal-economische aangelegenheden, verzet het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zich niet tegen een geleidelijke vermindering van de vastgestelde verschillen in behandeling. Wanneer een hervorming die beoogt de gelijkheid te herstellen verreikende en ernstige gevolgen heeft, kan de wetgever immers niet worden verweten dat hij die hervorming op doordachte wijze en in opeenvolgende stadia tot stand brengt (zie, mutatis mutandis, EHRM, grote kamer, 12 april 2006, Stec e.a. t. Verenigd Koninkrijk, § 65).
In het voormelde arrest nr. 56/93 heeft het Hof voorts opgemerkt dat de gedifferentieerde regelingen betrekking hebben op aangelegenheden die nu eens voor de arbeiders, dan weer voor de bedienden gunstig zijn (B.6.3.2). Dat is te dezen overigens het geval, daar de eiser voor de feitenrechter artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 heeft kunnen genieten, dat alleen aan de arbeiders die het slachtoffer zijn van een willekeurig ontslag het voordeel voorbehoudt van een omkering van de bewijslast en van een forfaitaire compenserende vergoeding gelijk aan het loon van zes maanden. Het zou niet coherent zijn het onderscheid enkel te beschouwen ten aanzien van de duur van de opzegging zonder rekening te houden met de gevolgen ervan in andere aangelegenheden van het arbeidsrecht en de sociale zekerheid die op hetzelfde onderscheid berusten.
De tijd waarover de wetgever vermag te beschikken om een vastgestelde ongrondwettige situatie te verhelpen is echter niet onbegrensd. Het doel van een geleidelijke harmonisatie van de statuten van de arbeiders en de bedienden waaraan de wetgever de voorkeur heeft gegeven boven een plotselinge afschaffing van het onderscheid tussen die beroepscategorieën, inzonderheid in een aangelegenheid waar de normen kunnen evolueren ten gevolge van collectieve onderhandelingen, verantwoordt niet langer, achttien jaar nadat het Hof heeft vastgesteld dat het in het geding zijnde criterium van onderscheid niet meer pertinent kon worden geacht, dat sommige verschillen in behandeling, zoals die welke voor de verwijzende rechter zijn aangevoerd, nog geruime tijd kunnen worden behouden, waardoor een toestand van manifeste ongrondwettigheid zou worden bestendigd.
Een prejudicieel arrest waarin wordt vastgesteld dat een bepaling de Grondwet schendt, heeft niet dezelfde gevolgen als een vernietigingsarrest, dat de ongrondwettige bepaling ab initio uit de rechtsorde verwijdert. Terwijl de artikelen 10 tot 17 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bepalen dat de in kracht van gewijsde gegane beslissingen die de rechtscolleges hebben gewezen op grond van een door het Hof vernietigde bepaling, het voorwerp kunnen uitmaken van een intrekking, en terwijl artikel 18 van dezelfde wet bepaalt dat een nieuwe beroepstermijn openstaat tegen de administratieve handelingen en verordeningen die op grond van een vernietigde bepaling zijn genomen, maken de ongrondwettigheidsverklaringen op prejudiciële vragen aldus niet het voorwerp uit van soortgelijke bepalingen.
Een prejudicieel arrest heeft echter, zonder de ongrondwettige bepaling uit de rechtsorde te doen verdwijnen, een effect dat het geschil overstijgt dat hangende is voor de rechter die de prejudiciële vraag heeft gesteld. Die rechter, evenals elk ander rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, dient de ongrondwettig bevonden bepaling buiten toepassing te laten (artikel 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof). Het gevolg van een prejudicieel arrest strekt zich evenwel uit tot andere zaken, wanneer ingevolge een dergelijk arrest van het Hof, de rechtscolleges ontslagen zijn van de verplichting tot het stellen van een prejudiciële vraag met een identiek onderwerp (artikel 26, § 2, tweede lid, 2°, van dezelfde bijzondere wet).
Hieruit vloeit voort dat het Hof moet onderzoeken in welke mate de weerslag van zijn beslissing dient te worden gemilderd teneinde de in zijn eerdere arresten toegestane geleidelijke harmonisatie van de statuten niet te doorkruisen.
Artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof verleent het Hof de bevoegdheid om, indien het een beroep tot vernietiging gegrond acht, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de vernietigde bepaling aan te wijzen die als gehandhaafd moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die het vaststelt. De bijzondere wet bevat geen soortgelijke regel wanneer het Hof in een prejudicieel arrest vaststelt dat een bepaling de Grondwet schendt.
Tijdens de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 9 maart 2003 tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 werd een amendement verworpen dat ertoe strekte het Hof uitdrukkelijk toe te laten de werking in de tijd van zijn prejudiciële arresten te bepalen. Die verwerping werd als volgt bepleit :
« De vice-eerste minister vestigt de aandacht op het feit dat elke belanghebbende kan tussenkomen in het kader van een beroep tot vernietiging, terwijl in de procedure van de prejudiciële vraag, die op een individueel geval is toegespitst, de mogelijkheid dat een derde tussenkomt niet in de wet is opgenomen. Wanneer de termijn voor het instellen van een beroep heropend wordt, kunnen andere personen tussenkomen en heeft het [Grondwettelijk Hof] de mogelijkheid om zijn antwoord op een prejudiciële vraag te nuanceren. Wanneer men evenwel het [Grondwettelijk Hof] de bevoegdheid geeft om zelf algemene conclusies te trekken uit zijn arresten na prejudiciële vragen, zullen de rechten van de derden die eventueel kunnen tussenkomen, niet langer worden in acht genomen » (Parl. St., Senaat, 2002-2003, nr. 2-897/6, p. 217; ibid., p. 232).Sedert zijn arrest nr. 44/2008 van 4 maart 2008 aanvaardt het Hof evenwel, rekening houdend met artikel 4, tweede lid, en artikel 26, § 2, tweede lid, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, dat de personen die het afdoende bewijs leveren van het rechtstreekse gevolg dat het antwoord dat het Hof op een prejudiciële vraag zal geven, op hun persoonlijke situatie kan hebben, doen blijken van een belang om voor het Hof tussen te komen.
Door toe te staan dat elke persoon die doet blijken van een belang de vernietiging kan vorderen van bepalingen waarvan het Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, heeft vastgesteld dat ze de Grondwet schenden, heeft artikel 4, tweede lid, dat in de bijzondere wet van 6 januari 1989 is ingevoerd bij de bijzondere wet van 9 maart 2003, de mogelijkheid verruimd dat op een later tijdstip alsnog de gevolgen van de ongrondwettig bevonden bepalingen worden gehandhaafd (zie bv. arrest nr. 140/2008 van 30 oktober 2008).
De onzekerheid over de toepasbaarheid van de ongrondwettig bevonden bepalingen in de tijd kan verantwoorden dat het Hof in het prejudicieel arrest vooraf die rechtsonzekerheid voorkomt. Het komt het Hof toe in de aan het Hof voorgelegde zaken een billijk evenwicht na te streven tussen het belang dat elke situatie die strijdig is met de Grondwet wordt verholpen en de bekommernis dat bestaande toestanden en gewekte verwachtingen na verloop van tijd niet meer in het gedrang worden gebracht. Hoewel de vaststelling van een ongrondwettigheid in een prejudicieel arrest declaratoir is, kunnen het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel derhalve verantwoorden dat de terugwerkende kracht die uit een dergelijke vaststelling kan voortvloeien, wordt beperkt.
In zijn arrest Marckx van 13 juni 1979 heeft ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, verwijzend naar het arrest Defrenne van 8 april 1976 van het Hof van Justitie (HvJ, 8 april 1976, Gabrielle Defrenne t. Sabena, punt 71), alsook naar het vergelijkend grondwettelijk recht, opgemerkt « dat de praktische gevolgen van een rechterlijke uitspraak weliswaar zorgvuldig moeten worden afgewogen », maar dat dit er niet toe mag leiden « dat de objectiviteit van het recht geweld wordt aangedaan en omwille van de weerslag die een rechterlijke beslissing voor het verleden kan hebben, de toepassing van dat recht in de toekomst in gevaar wordt gebracht » en dat het beginsel van de rechtszekerheid het in sommige omstandigheden mogelijk maakt te worden ontslagen van het opnieuw in vraag stellen van rechtshandelingen of -situaties die voorafgaan aan de uitspraak van een arrest waarmee een schending van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is vastgesteld (EHRM, 13 juni 1979, Marckx t. België, § 58; zie ook : arrest nr. 18/91 van 4 juli 1991, B.10).
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft met name aanvaard dat een grondwettelijk hof, rekening houdend met het rechtszekerheidsbeginsel, aan de wetgever een termijn mag verlenen om opnieuw wetgevend op te treden, wat voor gevolg heeft dat een ongrondwettige norm gedurende een overgangsperiode van toepassing blijft (EHRM, besl. 16 maart 2000, Walden t. Liechtenstein).
De handhaving van de gevolgen dient als een uitzondering op de declaratoire aard van het in het prejudicieel contentieux gewezen arrest te worden beschouwd. Alvorens te beslissen de gevolgen van een dergelijk arrest te handhaven, moet het Hof vaststellen dat het voordeel dat uit de niet-gemoduleerde vaststelling van ongrondwettigheid voortvloeit buiten verhouding staat tot de verstoring die zij voor de rechtsorde met zich zou meebrengen. Wat de voorliggende verschillen in behandeling betreft, zou een niet-gemoduleerde vaststelling van ongrondwettigheid in tal van hangende en toekomstige zaken tot een aanzienlijke rechtsonzekerheid leiden en een groot aantal werkgevers in ernstige financiële moeilijkheden kunnen brengen. Overigens moet in herinnering worden gebracht dat een dergelijke vaststelling van ongrondwettigheid de inspanningen van verdere harmonisatie zou kunnen doorkruisen waartoe het Hof de wetgever in zijn arrest nr. 56/93 heeft aangespoord.
Uit hetgeen voorafgaat vloeit voort dat de prejudiciële vragen bevestigend moeten worden beantwoord, maar dat de gevolgen van de in het geding zijnde bepalingen tot uiterlijk 8 juli 2013 moeten worden gehandhaafd. De wetgever zal immers, sedert het voormelde arrest nr. 56/93 van 8 juli 1993, over een voldoende lange termijn hebben kunnen beschikken om de harmonisatie van de statuten van arbeiders en bedienden te voltooien.
20 mei 2010
De vervangende ondernemer en zijn onweerlegbaar vermoeden van zelfstandigheid
door K. Nevens
De wet van 28 april 2010 (BS 10 mei 2010) introduceert ten laatste met ingang van 1 juli 2010[1] een stelsel van vervangende ondernemers. Dit stelsel heeft tot doel aan zelfstandigen de mogelijkheid te bieden om zich tijdelijk te laten vervangen door een andere zelfstandige zodat de continuïteit van de onderneming of van de beroepsactiviteit kan worden verzekerd. Die continuïteit kan bijvoorbeeld in het gedrang komen bij arbeidsongeschiktheid.
Vervangingsovereenkomst van bepaalde duur
De zelfstandige die zich wil laten vervangen, moet met de zogeheten ‘vervangende ondernemer’ een vervangingsovereenkomst voor zelfstandigen sluiten. Het gaat per definitie om een overeenkomst van bepaalde duur, maar de wetgever laat wel na als eis te stellen dat het om een bezwarende overeenkomst gaat of moet gaan. Dit betekent mijns inziens dat de vervangende ondernemer zijn diensten kosteloos zou kunnen aanbieden. Geheel ondenkbaar is dit niet.
De wet bepaalt dat het contract in hoofde van de vervangen zelfstandige niet langer dan een periode van dertig dagen per kalenderjaar mag lopen, met toevoeging van de periodes van primaire arbeidsongeschiktheid, invaliditeit en moederschapsrust. Die formulering is eigenlijk niet zo helder. Bedoelt de wetgever dat behoudens de bijzondere gevallen van arbeidsongeschiktheid, elk contract op zich genomen maximum 30 dagen mag belopen? In het Kamerverslag gaat men duidelijk die richting uit: “de overeenkomst mag immers maar lopen over een maximale jaarlijkse periode van 30 dagen, die wel mag worden verlengd met de duur van het arbeidsongeschiktheids-, invaliditeits- en moederschapsverlof”.[2] Verschillende kamerleden, zoals Hans Bonte en Muriel Gerkens gingen er duidelijk van uit dat het gaat om “contracten van maximaal 30 dagen”. Maar bedoelt de wetgever niet vooral dat een zelfstandige zich doorheen het jaar, en behoudens arbeidsongeschiktheid, maar voor maximum 30 dagen mag laten vervangen, ongeacht hoeveel vervangingsovereenkomsten hiertoe worden gesloten? Immers, wanneer men contracten van maximaal 30 dagen aan elkaar rijgt, kan men zich ad infinitum laten vervangen.
Mijn vermoeden is dat de wetgever eerder het tweede voor ogen had, zodat een zelfstandige zich niet zonder gegronde voor een uitgestrekte periode kan laten vervangen. Elk jaar zou de zelfstandige dus een vast ‘krediet’ van 30 dagen hebben, dat hij kan verdelen over één of meerdere vervangingsovereenkomsten. Hij kan één vervangingsovereenkomst van 30 dagen aangaan, maar kan evengoed 6 overeenkomsten van 5 dagen aangaan. Het is mijns inziens echter niet zo dat de zelfstandige 6 opeenvolgende vervangingscontracten van 30 dagen kan afsluiten (tenzij hij natuurlijk werkelijk een half jaar arbeidsongeschikt zou zijn). De vervangen zelfstandige mag tijdens de duur van de vervanging overigens geen enkele beroepsactiviteit uitoefenen.
Onweerlegbaar vermoeden vastgehaakt aan vormvoorwaarden
De vervangingsovereenkomst moet voorafgaand aan de vervanging schriftelijk worden afgesloten met een vervangende ondernemer die is ingeschreven in het nieuwe Register van Vervangende Ondernemers. De overeenkomst moet ook enkele verplichte vermeldingen bevatten, zoals een verwijzing naar wet en het ondernemingsnummer van de vervangende ondernemer. Wanneer deze voorwaarden zijn vervuld geniet de vervangende ondernemer die een vervangingsovereenkomst heeft afgesloten van een onweerlegbaar vermoeden van zelfstandigheid. De vervangingsactiviteit wordt iuris et de iure geacht uitgeoefend te worden buiten het kader van een arbeidsovereenkomst of een statuut. In de memorie van toelichting wordt omtrent dit vermoeden het volgende gezegd: “Dit onweerlegbaar vermoeden houdt in dat de prestaties van de vervangende ondernemer een autonomie van beheer bevatten, hetgeen echter niet uitsluit dat er precieze richtlijnen en opdrachten geformuleerd worden betreffende de werking van de onderneming van de vervangen ondernemer met het oog op de uitvoering van het vervangingscontract.”[3]
De introductie van zodanig vermoeden is naar Belgisch recht behoorlijk innovatief.[4] De Raad van State had dan ook zijn bedenkingen. Zo had de Raad het eerst en vooral moeilijk met het onweerlegbaar karakter van het vermoeden, dat niet zou sporen met het algemeen beginsel in de sociale wetgeving om de rechtspositie zo dicht mogelijk te laten aansluiten bij de feitelijke situatie. De Raad vroeg zich ten tweede ook af wat de verhouding was van dit vermoeden tot de Arbeidsrelatiewet en andere wetsbepalingen die verband houden met de kwalificatie van de arbeidsrelatie, in het bijzonder deze uit het socialezekerheidsrecht. In de memorie van toelichting wordt hierop geantwoord dat de Arbeidsrelatiewet niet uitsluit dat er vermoedens bestaan die voorrang hebben op de principes van deze wet, terwijl de regels van KB nr. 38 inzake het sociaal statuut der zelfstandigen gewoon van toepassing zijn op vervangende ondernemers.[5]
Echt sluitend is dit antwoord niet. In het bijzonder de verhouding tussen het onweerlegbaar vermoeden en de gelijkstellingen uit het KB RSZ blijft onduidelijk. Ik denk bijvoorbeeld aan de zelfstandige vrachtwagenchauffeur, die – zonder dat op arbeidsrechtelijk vlak zijn zelfstandigenstatuut wordt betwist, voor de toepassing van de RSZ-wet worden gelijkgesteld met een werknemer wanneer hij opdrachten uitvoert met een voertuig waarvan hij niet de eigenaar is of dat wordt gefinancierd door de opdrachtgever (art. 3, 5° KB RSZ). Kan hij door middel van het onweerlegbaar vermoeden ontsnappen aan deze gelijkstelling? Ik meen van niet. Deze gelijkstellingen, die trouwens vaak ten onrechte als vermoedens worden opgevat, nemen immers volledig afstand van de kwalificatie van de arbeidsrelatie, of die nu wel of niet wordt beïnvloed door een (on)weerlegbaar vermoeden. De verwezenlijking van de toepassingsvoorwaarden uit het KB is voldoende om tot onderwerping over te gaan.[6]
Dit betekent dat wanneer een zelfstandige vrachtwagenchauffeur zich laat vervangen door een zelfstandige die gebruik maakt van de vrachtwagen van die eerste, en dus zijn opdracht vervult met een voertuig waarvan hij geen eigenaar is, de kans reëel is dat de vervanger moet worden onderworpen aan de socialezekerheidsregeling voor werknemers. Het enige waarover zou kunnen worden geredetwist is dat niet de vervangen zelfstandige, maar de opdrachtgever van die zelfstandige, als werkgever moet worden beschouwd. Een gelijkaardige discussie is in het verleden trouwens reeds gevoerd omtrent de helpers van de zelfstandige huisarbeiders (thuiswerkers) uit art. 3, 4° van het KB. Is het de huisarbeider die werkgever is van de helpers, of is de handelaar die de opdrachten geeft aan de huisarbeider zowel werkgever van de huisarbeider als van diens helpers?
Mijns inziens moet elke relatie apart worden beoordeeld. De helper van een huisarbeider kan naargelang het geval, een zelfstandige, een werknemer of een daarmee gelijkgestelde van de huisarbeider zijn. Afhankelijk van de hoedanigheid van de helper, zal de huisarbeider wel of niet werkgever zijn. De vervangende ondernemer kan een zelfstandige of een met werknemer gelijkgestelde zijn die prestaties verricht voor de vervangen zelfstandige, die in het tweede geval als werkgever zal moeten worden beschouwd. De vervangende ondernemer kan ten gevolge van het onweerlegbaar vermoeden echter noch voor het arbeidsrecht, noch voor het socialezekerheidsrecht een werknemer “pur sang” zijn.
---
[1] De Koning zou een vroegere datum van inwerkingtreding kunnen bepalen (cf. art. 87)
[2] Parl. St. Kamer 2009-2010, nr. 2423/13, 10.
[3] MvT, Parl. St. Kamer 2009-2010, nr. 52-2423/1, 46.
[4] In Frankrijk geldt al langer een weliswaar weerlegbaar vermoeden van zelfstandigheid wanneer een persoon zich inschrijft in het handels-, ambachts-, of handelsagentenregister
[5] MvT, Parl. St. Kamer 2009-2010, nr. 52-2423/1, 45-46.
[6] Zie hieromtrent K. Nevens, “De uitbreiding van de socialezekerheidsregeling voor werknemers”, Soc. Kron. 2005, 497-505
De wet van 28 april 2010 (BS 10 mei 2010) introduceert ten laatste met ingang van 1 juli 2010[1] een stelsel van vervangende ondernemers. Dit stelsel heeft tot doel aan zelfstandigen de mogelijkheid te bieden om zich tijdelijk te laten vervangen door een andere zelfstandige zodat de continuïteit van de onderneming of van de beroepsactiviteit kan worden verzekerd. Die continuïteit kan bijvoorbeeld in het gedrang komen bij arbeidsongeschiktheid.
Vervangingsovereenkomst van bepaalde duur
De zelfstandige die zich wil laten vervangen, moet met de zogeheten ‘vervangende ondernemer’ een vervangingsovereenkomst voor zelfstandigen sluiten. Het gaat per definitie om een overeenkomst van bepaalde duur, maar de wetgever laat wel na als eis te stellen dat het om een bezwarende overeenkomst gaat of moet gaan. Dit betekent mijns inziens dat de vervangende ondernemer zijn diensten kosteloos zou kunnen aanbieden. Geheel ondenkbaar is dit niet.
De wet bepaalt dat het contract in hoofde van de vervangen zelfstandige niet langer dan een periode van dertig dagen per kalenderjaar mag lopen, met toevoeging van de periodes van primaire arbeidsongeschiktheid, invaliditeit en moederschapsrust. Die formulering is eigenlijk niet zo helder. Bedoelt de wetgever dat behoudens de bijzondere gevallen van arbeidsongeschiktheid, elk contract op zich genomen maximum 30 dagen mag belopen? In het Kamerverslag gaat men duidelijk die richting uit: “de overeenkomst mag immers maar lopen over een maximale jaarlijkse periode van 30 dagen, die wel mag worden verlengd met de duur van het arbeidsongeschiktheids-, invaliditeits- en moederschapsverlof”.[2] Verschillende kamerleden, zoals Hans Bonte en Muriel Gerkens gingen er duidelijk van uit dat het gaat om “contracten van maximaal 30 dagen”. Maar bedoelt de wetgever niet vooral dat een zelfstandige zich doorheen het jaar, en behoudens arbeidsongeschiktheid, maar voor maximum 30 dagen mag laten vervangen, ongeacht hoeveel vervangingsovereenkomsten hiertoe worden gesloten? Immers, wanneer men contracten van maximaal 30 dagen aan elkaar rijgt, kan men zich ad infinitum laten vervangen.
Mijn vermoeden is dat de wetgever eerder het tweede voor ogen had, zodat een zelfstandige zich niet zonder gegronde voor een uitgestrekte periode kan laten vervangen. Elk jaar zou de zelfstandige dus een vast ‘krediet’ van 30 dagen hebben, dat hij kan verdelen over één of meerdere vervangingsovereenkomsten. Hij kan één vervangingsovereenkomst van 30 dagen aangaan, maar kan evengoed 6 overeenkomsten van 5 dagen aangaan. Het is mijns inziens echter niet zo dat de zelfstandige 6 opeenvolgende vervangingscontracten van 30 dagen kan afsluiten (tenzij hij natuurlijk werkelijk een half jaar arbeidsongeschikt zou zijn). De vervangen zelfstandige mag tijdens de duur van de vervanging overigens geen enkele beroepsactiviteit uitoefenen.
Onweerlegbaar vermoeden vastgehaakt aan vormvoorwaarden
De vervangingsovereenkomst moet voorafgaand aan de vervanging schriftelijk worden afgesloten met een vervangende ondernemer die is ingeschreven in het nieuwe Register van Vervangende Ondernemers. De overeenkomst moet ook enkele verplichte vermeldingen bevatten, zoals een verwijzing naar wet en het ondernemingsnummer van de vervangende ondernemer. Wanneer deze voorwaarden zijn vervuld geniet de vervangende ondernemer die een vervangingsovereenkomst heeft afgesloten van een onweerlegbaar vermoeden van zelfstandigheid. De vervangingsactiviteit wordt iuris et de iure geacht uitgeoefend te worden buiten het kader van een arbeidsovereenkomst of een statuut. In de memorie van toelichting wordt omtrent dit vermoeden het volgende gezegd: “Dit onweerlegbaar vermoeden houdt in dat de prestaties van de vervangende ondernemer een autonomie van beheer bevatten, hetgeen echter niet uitsluit dat er precieze richtlijnen en opdrachten geformuleerd worden betreffende de werking van de onderneming van de vervangen ondernemer met het oog op de uitvoering van het vervangingscontract.”[3]
De introductie van zodanig vermoeden is naar Belgisch recht behoorlijk innovatief.[4] De Raad van State had dan ook zijn bedenkingen. Zo had de Raad het eerst en vooral moeilijk met het onweerlegbaar karakter van het vermoeden, dat niet zou sporen met het algemeen beginsel in de sociale wetgeving om de rechtspositie zo dicht mogelijk te laten aansluiten bij de feitelijke situatie. De Raad vroeg zich ten tweede ook af wat de verhouding was van dit vermoeden tot de Arbeidsrelatiewet en andere wetsbepalingen die verband houden met de kwalificatie van de arbeidsrelatie, in het bijzonder deze uit het socialezekerheidsrecht. In de memorie van toelichting wordt hierop geantwoord dat de Arbeidsrelatiewet niet uitsluit dat er vermoedens bestaan die voorrang hebben op de principes van deze wet, terwijl de regels van KB nr. 38 inzake het sociaal statuut der zelfstandigen gewoon van toepassing zijn op vervangende ondernemers.[5]
Echt sluitend is dit antwoord niet. In het bijzonder de verhouding tussen het onweerlegbaar vermoeden en de gelijkstellingen uit het KB RSZ blijft onduidelijk. Ik denk bijvoorbeeld aan de zelfstandige vrachtwagenchauffeur, die – zonder dat op arbeidsrechtelijk vlak zijn zelfstandigenstatuut wordt betwist, voor de toepassing van de RSZ-wet worden gelijkgesteld met een werknemer wanneer hij opdrachten uitvoert met een voertuig waarvan hij niet de eigenaar is of dat wordt gefinancierd door de opdrachtgever (art. 3, 5° KB RSZ). Kan hij door middel van het onweerlegbaar vermoeden ontsnappen aan deze gelijkstelling? Ik meen van niet. Deze gelijkstellingen, die trouwens vaak ten onrechte als vermoedens worden opgevat, nemen immers volledig afstand van de kwalificatie van de arbeidsrelatie, of die nu wel of niet wordt beïnvloed door een (on)weerlegbaar vermoeden. De verwezenlijking van de toepassingsvoorwaarden uit het KB is voldoende om tot onderwerping over te gaan.[6]
Dit betekent dat wanneer een zelfstandige vrachtwagenchauffeur zich laat vervangen door een zelfstandige die gebruik maakt van de vrachtwagen van die eerste, en dus zijn opdracht vervult met een voertuig waarvan hij geen eigenaar is, de kans reëel is dat de vervanger moet worden onderworpen aan de socialezekerheidsregeling voor werknemers. Het enige waarover zou kunnen worden geredetwist is dat niet de vervangen zelfstandige, maar de opdrachtgever van die zelfstandige, als werkgever moet worden beschouwd. Een gelijkaardige discussie is in het verleden trouwens reeds gevoerd omtrent de helpers van de zelfstandige huisarbeiders (thuiswerkers) uit art. 3, 4° van het KB. Is het de huisarbeider die werkgever is van de helpers, of is de handelaar die de opdrachten geeft aan de huisarbeider zowel werkgever van de huisarbeider als van diens helpers?
Mijns inziens moet elke relatie apart worden beoordeeld. De helper van een huisarbeider kan naargelang het geval, een zelfstandige, een werknemer of een daarmee gelijkgestelde van de huisarbeider zijn. Afhankelijk van de hoedanigheid van de helper, zal de huisarbeider wel of niet werkgever zijn. De vervangende ondernemer kan een zelfstandige of een met werknemer gelijkgestelde zijn die prestaties verricht voor de vervangen zelfstandige, die in het tweede geval als werkgever zal moeten worden beschouwd. De vervangende ondernemer kan ten gevolge van het onweerlegbaar vermoeden echter noch voor het arbeidsrecht, noch voor het socialezekerheidsrecht een werknemer “pur sang” zijn.
---
[1] De Koning zou een vroegere datum van inwerkingtreding kunnen bepalen (cf. art. 87)
[2] Parl. St. Kamer 2009-2010, nr. 2423/13, 10.
[3] MvT, Parl. St. Kamer 2009-2010, nr. 52-2423/1, 46.
[4] In Frankrijk geldt al langer een weliswaar weerlegbaar vermoeden van zelfstandigheid wanneer een persoon zich inschrijft in het handels-, ambachts-, of handelsagentenregister
[5] MvT, Parl. St. Kamer 2009-2010, nr. 52-2423/1, 45-46.
[6] Zie hieromtrent K. Nevens, “De uitbreiding van de socialezekerheidsregeling voor werknemers”, Soc. Kron. 2005, 497-505
14 april 2010
Naar een mildere dienstenrechtspraak rond detachering van werknemers?
door Filip Van Overmeiren[1]
Het is stil rond de tewerkstelling van buitenlandse werknemers op de Belgische arbeidsmarkt. Onze politici hebben tegenwoordig uiteraard wel andere noten te kraken, maar dat betekent niet dat de problematiek zelf zou afgezwakt zijn of minder aandacht zou vereisen. De laatste mediastorm in een glas water betrof de openstelling door België van het vrij verkeer van werknemers – lees de opheffing van de overgangsmaatregelen dienaangaande – overeenkomstig artikel 39 EG[2]. Om politiek-strategische redenen stelde federaal minister van Werk Milquet deze openstelling nog even in twijfel, om eind april 2009 dan toch geen verdere overgangsmaatregelen meer te handhaven[3]. Voor werknemers uit de in 2004 toegetreden Centraal- en Oost-Europese lidstaten moeten sindsdien geen arbeidskaarten meer worden aangevraagd en zij kunnen dus gemakkelijk rechtstreeks aangeworven worden. Deze ontwikkeling geeft echter nog geen garantie dat daarmee massaal zal worden teruggekeerd van “de andere manier” om Polen, e.a., hier bij ons in te schakelen, namelijk die van het vrij verkeer van diensten door de detachering van werknemers of het beroep op buitenlandse (schijn-)zelfstandigen.
Het is de detachering van werknemers die nog steeds voor de nodige vraagtekens zorgt bij inspectiediensten over het gehele grondgebied van de EU. Op dat vlak zijn er nog veel gaten in het informatie-, controle- en handhavingsbeleid van de meeste lidstaten en is het zeer moeilijk gebleken om de misbruiken uit te roeien. Dit niet in het minst omdat de manier waarop men in de lidstaten die misbruiken wil detecteren, controleren en bestraffen met Argus-ogen wordt gevolgd door de Europese Commissie. Zoals reeds uit een resem arresten van het Hof van Justitie is gebleken, balanceren dergelijke controle- en handhavingsmaatregelen steeds weer op de dunne koord tussen de sociale bescherming van werknemers en het vrij verkeer van diensten van hun werkgevers en deze laatsten hun opdrachtgevers. Het is de steeds sterker wordende dualiteit binnen een nog steeds voornamelijk economisch geïnspireerde Unie die zichzelf ook sociale doelstellingen heeft toegeëigend, maar het lastiger heeft om die laatste van vlees aan de botten te voorzien en te verzoenen met de eerste. We vinden een mooi voorbeeld in eigen land. Het LIMOSA-project[4], de in 2006 ingevoerde aanmeldingsplicht voor gedetacheerde zelfstandigen en werknemers om een beter zicht te krijgen op de aanwezigheid van die buitenlandse arbeidskrachten, werd in het begin nog bejubeld als een voorbeeld-handhavingsmaatregel die tot voorbeeld zou kunnen strekken voor andere lidstaten. Hij werd bovendien nog eens genomineerd voor de Europese e-Government-awards[5]. Anno 2010 mag het Koninkrijk België echter in een informeel overleg aan de Commissie de conformiteit van het systeem met het recht op vrij verkeer van diensten beargumenteren en dreigt het een inbreukprocedure aan zijn broek te hebben met betrekking tot datzelfde bejubelde LIMOSA-project. De twijfels zouden weliswaar vooral betrekking hebben op de aanmeldingsplicht voor zelfstandigen, maar het is ten zeerste de vraag of de werknemerscomponent van de maatregel heelhuids uit dergelijke inbreukprocedure kan komen.
De interne tweestrijd tussen de economische Unie – met een interne markt die nog op de echte voltooiing van het vrij verkeer van diensten zit te wachten – en de sociale Unie, waarvan de laatste zich met veel vallen en weinig opstaan toch op een geheel particuliere wijze in het beleid heeft weten te vervlechten, kwam nog eens nadrukkelijk naar voor in de (detacherings-)arresten Laval[6] en Viking[7]. Deze arresten werden reeds uitvoerig toegelicht dus voor een bespreking ervan kan ik naar andere auteurs verwijzen, maar de essentie ervan is als volgt. In deze zaken werd het Hof een conflict voorgelegd tussen het vrij verkeer van diensten en het recht op collectieve actie. Het “vrij verkeer van diensten” werd verpersoonlijkt door een Letse bouwonderneming die voor een bepaalde periode werknemers naar een Zweedse werf had gedetacheerd en zich niet kon vinden in de werf-CAO die door de Zweedse vakbond werd voorgelegd. Het “recht op collectieve actie” was dat van die Zweedse vakbonden die de werf blokkeerden omdat er geen akkoord kwam met de Letse onderneming. Het eindresultaat was het faillissement van de Letse onderneming, maar deze zag in het optreden van de vakbonden vooral een schending van haar door het EG-Verdrag gewaarborgd vrij verkeer van diensten. Het Hof gaf eerst te kennen dat het het belang van deze zaak juist inschatte, want het begon zijn argumentatie met de vaststelling dat het om een sociaal grondrecht ging dat tot de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht behoorde (en dus een constitutionele status had), met verwijzing naar het ILO-Verdrag nr. 87[8], het Europees Sociaal Handvest[9], het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden[10] en het Handvest van de Grondrechten van de EU[11]. Iedereen die wat vertrouwd is met de dienstenrechtspraak van het Hof, kon echter verwachten dat de bijzondere status van deze belemmering van het vrij verkeer van diensten nooit zou betekenen dat het Hof niet tot een evenredigheidstoets zou overgaan. Iedereen die dat laatste toch hoopte, is de laatste 30 jaar ingedommeld of moet er dringend nog eens de dienstenrechtspraak bijhalen. Wat wel binnen de mogelijkheden lag, was dat het Hof een mildere proportionaliteitstoets zou toepassen, zoals het dat eerder al in andere zaken had gedaan die een clash tussen grondrechten en fundamentele vrijheden betroffen.
Maar het grondrecht op collectieve actie werd door de gekende rigide art. 49-scan[12] gehaald en het sociaal grondrecht op collectieve actie werd opgeslorpt door de vaak gebruikte rechtvaardigingsgrond van de “bescherming van werknemers”, net zoals de andere gewone[13] arbeidsrechtelijke regelingen die in eerdere detacheringszaken werden gescreend. Waar de verwerende partijen zich in Laval en Viking hadden beroepen op de waarborging van de bescherming van het betrokken grondrecht aan de ene kant en de bescherming van werknemers aan de andere kant, koos het Hof immers voor een samengesmolten benadering. Het vrij verkeer van diensten werd op die manier niet expliciet tegenover de bescherming van het grondrecht an sich geplaatst, maar tegenover “het recht om collectieve actie te voeren met het oog op de bescherming van werknemers in de staat van ontvangst tegen eventuele praktijken van sociale dumping” als dwingende reden van algemeen belang. De argumentatie daarna werd verdergezet onder de bekende rechtvaardigingsgrond van de ‘bescherming van werknemers’, waarmee het grondrecht als één van de instrumenten ter bescherming van de rechten van werknemers werd behandeld en op een subtiele manier in het gebruikelijke stramien van de normale belemmeringsrechtvaardigingen werd gebracht. Dit in tegenstelling tot de in Laval aangehaalde arresten Schmidberger[14] en Omega[15], waarin de bescherming van de grondrechten op zich als een rechtmatig belang werd beschouwd en afgewogen. Daarin moest het vrij verkeer de duimen leggen voor het grondrecht in kwestie. Als men dan in acht neemt dat één van deze zaken een door een gemeentebestuur opgelegd verbod op lasershooting (sic) betrof op basis van het grondrecht van de ‘eerbied voor de menselijke waardigheid’, kan men er niet omheen dat de logica wat zoek is indien men deze gevallen naast elkaar legt.
Beide zaken werden reeds “grijsgeschreven” en niet in het minst door auteurs die hun eigen ideologische voorkeur niet konden of wilden verbergen. Hoe men deze zaken ook bekijkt, het Hof van Justitie is vooralsnog geen “neo-liberale denktank” noch een “rood bastion”, maar de plaats waar een rechterlijke invulling wordt gegeven aan het primair en secundair Gemeenschapsrecht “zoals dat steeds had moeten geïnterpreteerd worden”. Indien men de kiem voor een kentering van de behandeling van dergelijke zaken wil navorsen, zal men deze in het recht moeten zoeken en niet in politieke slogans. En misschien is deze dan wel te ontwaren in de combinatie van de houding van de na het Verdrag van Lissabon nieuwboren Unie ten aanzien van fundamentele rechten en vrijheden enerzijds en de ontwikkelingen van deze laatste anderzijds. Met de tegen Turkije gerichte zaken ‘Demir en Bakayra’[16] en ‘Enerji Yapi-Yol Sen’[17] erkende het Europees Hof voor de Rechten van de Mens immers expliciet het recht op collectieve actie als een essentieel element van de vrijheid van vergadering en vereniging van artikel 11 EVRM[18]. Het hoeft geen betoog dat dit een uiterst belangrijke zaak is voor de vakverenigingsvrijheid en voor het stakingsrecht, die mogelijks een doorwerking kan vinden in de rechtspraak van het Hof van Justitie. Die mogelijkheid lijkt groter te worden nu het Handvest van de Grondrechten van de EU een juridisch bindend onderdeel is geworden van het Verdrag. Maar vooral de op 17 maart 2010 gestarte onderhandelingen van de EU voor de toetreding van de Unie tot het EVRM[19] zijn onmiskenbaar van historisch belang voor de bescherming van de grondrechten binnen de Europese Unie. Daardoor komt immers een extra rechterlijke controle op de bescherming ervan en dit niet alleen ten aanzien van de wetgevende handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie, maar ook ten aanzien van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Met andere woorden zal in de toekomst een zaak zoals Laval of Viking aan het EHRM kunnen worden voorgelegd ter toetsing van de conformiteit met de verenigingsvrijheid van artikel 11 EVRM.
Een zaak als Laval zou echter niet de juiste zaak zijn om het sociaal grondrecht op collectieve actie onder het versterkte grondrechtelijke kader te meten met de economische vrijheden van het EG-verdrag. Deze zaak had inderdaad betrekking op de uitoefening van een belangrijk sociaal grondrecht en men kan zich afvragen of het Hof zich daarvan voldoende rekenschap heeft gegeven. De rest is echter “Zweeds geneuzel”, om een ambtenaar van de Europese Commissie in een presentatie over deze zaak te citeren. En gelijk had hij. Men kan lang doorgaan over de eigenheid van het Scandinavisch systeem van collectieve onderhandelingen en de rol van de vakbonden in het controle- en handhavingsbeleid, maar de essentie van de zaak Laval blijft dat het Zweedse systeem zich niet leent tot een degelijke implementatie van de Detacheringsrichtlijn 96/71. Daarvoor moet men nu eenmaal een transparante minimumgrens van arbeidsrechtelijke bescherming aanduiden die van toepassing zal zijn op gedetacheerde werknemers. Eenmaal goed aangeduid, mag men niet buiten noch boven deze kern gaan. Indien dat niet lukt, moet men zijn systeem aanpassen. Hier passen de woorden van Davies die voor eender welke EU-wetgeving gelden, zolang er niets fundamenteels verandert aan de primauteit van EU-recht ten aanzien van nationaal recht: “There is no principle that EU law should only have limited effects. If a system is so little compatible with EU law that bringing it into line entails fundamental changes, so be it”[20]. Voor wie vertrouwd is met de impact van Europees recht van de interne markt op de nationale stelsels van sociale bescherming, kan worden verwezen naar de rechtspraak over patiëntenmobiliteit. Na lang “Brits geneuzel” over, onder andere, het feit dat hun systeem nooit kon geaffecteerd worden door deze rechtspraak omdat het Britse NHS-stelsel geen terugbetalingstarieven kent zoals het Belgische of het Luxemburgse gezondheidszorgsysteem (die in 1998 het eerst onder vuur kwamen met de zaken Kohl[21] en Decker[22]), besliste het Hof uiteraard anders. In de zaak Watts werd duidelijk dat ook patiënten uit een NHS-stelsel onder bepaalde omstandigheden[23] zorg konden genieten in andere EU-lidstaten die in het Verenigd Koninkrijk moet worden vergoed. Moeilijk of niet, het Verenigd Koninkrijk moet ervoor zorgen dat het zijn stelsel daaraan aanpast en het moet dus gaan “tariferen” in een stelsel zonder tarieven. Zo zou dat dus ook moeten gaan voor het Zweedse systeem en de moeilijke verhouding ervan met de Detacheringsrichtlijn.
Het bijzondere hier is dat de Scandinavische banbliksems naar Brussel toch een impact hebben gehad. Er wordt immers opnieuw nagedacht over de noodzaak van een aanpassing van de richtlijn. Te dien einde heeft de Europese Commissie een aantal onderzoeken bevolen naar verschillende deelaspecten: de juridische aspecten van de detachering van werknemers, de arbeids- en levensomstandigheden van gedetacheerde werknemers, de economische en sociale aspecten van de detachering van werknemers zullen worden onderzocht en een haalbaarheidsstudie voor de instelling van een Europees platform voor samenwerking tussen de arbeidsinspecties van de lidstaten, werd gelast. Deze brede waaier van onderzoeken zou dus de marges voor verbetering moeten blootleggen. Toch voelt deze ontwikkeling aan als Europees recht op zijn kop, want de normale gang van zaken is dat nationaal recht zich moet conformeren aan Europees recht dat door de lidstaten werd aangenomen. Zoniet gaan we naar een Unie waarin elke volgens de rechtmatige procedures aangenomen wetgeving kan aangevallen worden vanuit een zekere eigenheid van één of ander nationaal stelsel. Anders wordt het uiteraard indien vast komt te staan dat Europese wetgeving haaks staat op de (sociale) rechtsstelsels van alle lidstaten en zo eigenlijk zijn doel ver voorbij schiet. Uiteraard moet men ook steeds open blijven staan voor verbeteringen van het Europese kader, maar met Laval en Viking lag het probleem toch vooral bij de onaangepastheid van het betrokken nationale stelsel en niet bij een fundamentele “programmeerfout” in de Europese wetgeving. Misschien hadden de Scandinavische landen nu net dat streepje voor omdat zij in het sociaalrechtelijke domein nog steeds hofleverancier van het “flexizekerheidsconcept” zijn. Of mag “België” straks ook zijn zegje doen in “Brussel” als onze wel zeer breed opgevatte omzetting van de harde kern van arbeidsvoorwaarden – zowat ons gehele arbeidsrecht, aangezien het gaat om alle strafrechtelijk beteugelde bepalingen – een belletje doet rinkelen bij een multinational of de Europese Commissie.
Het blijft in elk geval afwachten naar “de juiste zaak” om te zien of het Hof van Justitie zich zal laten beïnvloeden door de nieuwe Europese wind in de bescherming van de grondrechten. En misschien wegen de sociale grondrechten niet alleen door in zaken waarin zij rechtstreeks in het geding zijn, maar kunnen zij een milderend effect hebben bij de behandeling van andere detacheringszaken indien een voldoende nauwkeurig verband kan worden gelegd tussen een betrokken arbeidsrechtelijke regeling en een sociaal grondrecht. Daarmee is echter ook voorzichtigheid geboden, want (sociale) grondrechten blijven in vele gevallen gekenmerkt door veel symboliek en weinig echte juridische houvast in zeer concrete zaken.
-
[1] Filip Van Overmeiren is wetenschappelijk medewerker aan de Vakgroep Sociaal Recht van de Universiteit Gent, waar hij zich voornamelijk concentreert op de impact van het recht van de interne markt op de nationale stelsels van sociale bescherming. Hij werkt aan een proefschrift over de invloed van het Europees burgerschap op de toegang tot sociale bescherming. Hij is auteur van het boek F. VAN OVERMEIREN, Buitenlandse arbeidskrachten op de Belgische arbeidsmarkt, in Bibliotheek Sociaal Recht, Larcier, 2009, 346.
Zie http://uitgeverij.larcier.com/titres?id=40955_1
[2] Huidig artikel 45 VWEU.
[3] F. VAN OVERMEIREN, “Een Pool? Doe de deur maar open”, Opinie, De Standaard, 20 maart 2009.
[4] De verplichte aanmelding bij detachering van werknemers, zelfstandigen en stagiairs is één onderdeel van het grotere LIMOSA-project voor een beter zicht op en administratief eenvoudigere behandeling van grensoverschrijdende tewerkstelling naar België. Zie http://www.limosa.be/
[5] European e-Government Awards, Exhibition Catalogue 2007, 52, zie http://www.epractice.eu/files/download/awards/ExhibitionCatalogue2007.pdf/
[6] HvJ 18 december 2007, nr. C-341/05, Laval, Jur. 2007, I, 11767.
[7] HvJ 11 december 2007, nr. C-438/05, Viking, Jur. 2007, I, 10779
[8] http://www.ilo.org/ilolex/english/convdisp1.htm
[9] http://conventions.coe.int/Treaty/EN/Treaties/PDF/Dutch/163-Dutch.pdf
[10] http://www.europarl.europa.eu/transl_nl/home/nlsite.htm?nlmarge.htm&nlkop.htm&g30.htm
[11] http://www.europarl.europa.eu/charter/pdf/text_nl.pdf
[12] Huidig artikel 56 VWEU.
[13] ‘Gewone’ in die zin dat het in eerdere zaken om nationale wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen ging, terwijl hier een grondrecht in het geding was, wat de zaak eerder ‘buitengewoon’ maakt.
[14] HvJ 12 juni 2003, nr. C-112/00, Schmidberger, Jur. 2003, I, 5659.
[15] HvJ 14 oktober 2004, nr. C-36/02, Omega, Jur. 2004, I, 9609.
[16] EHRM, DEMİR en BAYKARA t. TURKIJE (nr. 34503/97), 12 November 2008.
[17] EHRM, ENERJİ YAPI-YOL SEN t. TURKIJE (nr. 68959/01), 21 april 2009.
[18] Artikel 11, lid 1, EVRM luidt: “Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen”.
[19] De grondslag voor deze toetreding is terug te vinden in artikel 6, lid 2, VWEU. De EU wordt de 48e partij bij het EVRM, zonder dat zij lid zal worden van de Raad van Europa.
[20] G. T. DAVIES, "The process and side-effects of harmonisation of European welfare states", Jean Monnet Working Paper 2006, 02/06, (1), 36.
[21] HvJ 28 april 1998, nr. C-158/96, Kohll, Jur. 1998, I, 1931.
[22] HvJ 28 april 1998, nr. C-120/95, Decker, Jur. 1998, I, 1831.
[23] Voor ziekenhuiszorg is dit beperkt, maar voor ambulante zorg geldt in principe een ongebreideld patiëntenverkeer: elke verzekerde EU-onderdaan kan in een andere lidstaat zorg genieten en in zijn lidstaat van oorsprong daarvoor terugbetaling ontvangen.
Het is stil rond de tewerkstelling van buitenlandse werknemers op de Belgische arbeidsmarkt. Onze politici hebben tegenwoordig uiteraard wel andere noten te kraken, maar dat betekent niet dat de problematiek zelf zou afgezwakt zijn of minder aandacht zou vereisen. De laatste mediastorm in een glas water betrof de openstelling door België van het vrij verkeer van werknemers – lees de opheffing van de overgangsmaatregelen dienaangaande – overeenkomstig artikel 39 EG[2]. Om politiek-strategische redenen stelde federaal minister van Werk Milquet deze openstelling nog even in twijfel, om eind april 2009 dan toch geen verdere overgangsmaatregelen meer te handhaven[3]. Voor werknemers uit de in 2004 toegetreden Centraal- en Oost-Europese lidstaten moeten sindsdien geen arbeidskaarten meer worden aangevraagd en zij kunnen dus gemakkelijk rechtstreeks aangeworven worden. Deze ontwikkeling geeft echter nog geen garantie dat daarmee massaal zal worden teruggekeerd van “de andere manier” om Polen, e.a., hier bij ons in te schakelen, namelijk die van het vrij verkeer van diensten door de detachering van werknemers of het beroep op buitenlandse (schijn-)zelfstandigen.
Het is de detachering van werknemers die nog steeds voor de nodige vraagtekens zorgt bij inspectiediensten over het gehele grondgebied van de EU. Op dat vlak zijn er nog veel gaten in het informatie-, controle- en handhavingsbeleid van de meeste lidstaten en is het zeer moeilijk gebleken om de misbruiken uit te roeien. Dit niet in het minst omdat de manier waarop men in de lidstaten die misbruiken wil detecteren, controleren en bestraffen met Argus-ogen wordt gevolgd door de Europese Commissie. Zoals reeds uit een resem arresten van het Hof van Justitie is gebleken, balanceren dergelijke controle- en handhavingsmaatregelen steeds weer op de dunne koord tussen de sociale bescherming van werknemers en het vrij verkeer van diensten van hun werkgevers en deze laatsten hun opdrachtgevers. Het is de steeds sterker wordende dualiteit binnen een nog steeds voornamelijk economisch geïnspireerde Unie die zichzelf ook sociale doelstellingen heeft toegeëigend, maar het lastiger heeft om die laatste van vlees aan de botten te voorzien en te verzoenen met de eerste. We vinden een mooi voorbeeld in eigen land. Het LIMOSA-project[4], de in 2006 ingevoerde aanmeldingsplicht voor gedetacheerde zelfstandigen en werknemers om een beter zicht te krijgen op de aanwezigheid van die buitenlandse arbeidskrachten, werd in het begin nog bejubeld als een voorbeeld-handhavingsmaatregel die tot voorbeeld zou kunnen strekken voor andere lidstaten. Hij werd bovendien nog eens genomineerd voor de Europese e-Government-awards[5]. Anno 2010 mag het Koninkrijk België echter in een informeel overleg aan de Commissie de conformiteit van het systeem met het recht op vrij verkeer van diensten beargumenteren en dreigt het een inbreukprocedure aan zijn broek te hebben met betrekking tot datzelfde bejubelde LIMOSA-project. De twijfels zouden weliswaar vooral betrekking hebben op de aanmeldingsplicht voor zelfstandigen, maar het is ten zeerste de vraag of de werknemerscomponent van de maatregel heelhuids uit dergelijke inbreukprocedure kan komen.
De interne tweestrijd tussen de economische Unie – met een interne markt die nog op de echte voltooiing van het vrij verkeer van diensten zit te wachten – en de sociale Unie, waarvan de laatste zich met veel vallen en weinig opstaan toch op een geheel particuliere wijze in het beleid heeft weten te vervlechten, kwam nog eens nadrukkelijk naar voor in de (detacherings-)arresten Laval[6] en Viking[7]. Deze arresten werden reeds uitvoerig toegelicht dus voor een bespreking ervan kan ik naar andere auteurs verwijzen, maar de essentie ervan is als volgt. In deze zaken werd het Hof een conflict voorgelegd tussen het vrij verkeer van diensten en het recht op collectieve actie. Het “vrij verkeer van diensten” werd verpersoonlijkt door een Letse bouwonderneming die voor een bepaalde periode werknemers naar een Zweedse werf had gedetacheerd en zich niet kon vinden in de werf-CAO die door de Zweedse vakbond werd voorgelegd. Het “recht op collectieve actie” was dat van die Zweedse vakbonden die de werf blokkeerden omdat er geen akkoord kwam met de Letse onderneming. Het eindresultaat was het faillissement van de Letse onderneming, maar deze zag in het optreden van de vakbonden vooral een schending van haar door het EG-Verdrag gewaarborgd vrij verkeer van diensten. Het Hof gaf eerst te kennen dat het het belang van deze zaak juist inschatte, want het begon zijn argumentatie met de vaststelling dat het om een sociaal grondrecht ging dat tot de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht behoorde (en dus een constitutionele status had), met verwijzing naar het ILO-Verdrag nr. 87[8], het Europees Sociaal Handvest[9], het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden[10] en het Handvest van de Grondrechten van de EU[11]. Iedereen die wat vertrouwd is met de dienstenrechtspraak van het Hof, kon echter verwachten dat de bijzondere status van deze belemmering van het vrij verkeer van diensten nooit zou betekenen dat het Hof niet tot een evenredigheidstoets zou overgaan. Iedereen die dat laatste toch hoopte, is de laatste 30 jaar ingedommeld of moet er dringend nog eens de dienstenrechtspraak bijhalen. Wat wel binnen de mogelijkheden lag, was dat het Hof een mildere proportionaliteitstoets zou toepassen, zoals het dat eerder al in andere zaken had gedaan die een clash tussen grondrechten en fundamentele vrijheden betroffen.
Maar het grondrecht op collectieve actie werd door de gekende rigide art. 49-scan[12] gehaald en het sociaal grondrecht op collectieve actie werd opgeslorpt door de vaak gebruikte rechtvaardigingsgrond van de “bescherming van werknemers”, net zoals de andere gewone[13] arbeidsrechtelijke regelingen die in eerdere detacheringszaken werden gescreend. Waar de verwerende partijen zich in Laval en Viking hadden beroepen op de waarborging van de bescherming van het betrokken grondrecht aan de ene kant en de bescherming van werknemers aan de andere kant, koos het Hof immers voor een samengesmolten benadering. Het vrij verkeer van diensten werd op die manier niet expliciet tegenover de bescherming van het grondrecht an sich geplaatst, maar tegenover “het recht om collectieve actie te voeren met het oog op de bescherming van werknemers in de staat van ontvangst tegen eventuele praktijken van sociale dumping” als dwingende reden van algemeen belang. De argumentatie daarna werd verdergezet onder de bekende rechtvaardigingsgrond van de ‘bescherming van werknemers’, waarmee het grondrecht als één van de instrumenten ter bescherming van de rechten van werknemers werd behandeld en op een subtiele manier in het gebruikelijke stramien van de normale belemmeringsrechtvaardigingen werd gebracht. Dit in tegenstelling tot de in Laval aangehaalde arresten Schmidberger[14] en Omega[15], waarin de bescherming van de grondrechten op zich als een rechtmatig belang werd beschouwd en afgewogen. Daarin moest het vrij verkeer de duimen leggen voor het grondrecht in kwestie. Als men dan in acht neemt dat één van deze zaken een door een gemeentebestuur opgelegd verbod op lasershooting (sic) betrof op basis van het grondrecht van de ‘eerbied voor de menselijke waardigheid’, kan men er niet omheen dat de logica wat zoek is indien men deze gevallen naast elkaar legt.
Beide zaken werden reeds “grijsgeschreven” en niet in het minst door auteurs die hun eigen ideologische voorkeur niet konden of wilden verbergen. Hoe men deze zaken ook bekijkt, het Hof van Justitie is vooralsnog geen “neo-liberale denktank” noch een “rood bastion”, maar de plaats waar een rechterlijke invulling wordt gegeven aan het primair en secundair Gemeenschapsrecht “zoals dat steeds had moeten geïnterpreteerd worden”. Indien men de kiem voor een kentering van de behandeling van dergelijke zaken wil navorsen, zal men deze in het recht moeten zoeken en niet in politieke slogans. En misschien is deze dan wel te ontwaren in de combinatie van de houding van de na het Verdrag van Lissabon nieuwboren Unie ten aanzien van fundamentele rechten en vrijheden enerzijds en de ontwikkelingen van deze laatste anderzijds. Met de tegen Turkije gerichte zaken ‘Demir en Bakayra’[16] en ‘Enerji Yapi-Yol Sen’[17] erkende het Europees Hof voor de Rechten van de Mens immers expliciet het recht op collectieve actie als een essentieel element van de vrijheid van vergadering en vereniging van artikel 11 EVRM[18]. Het hoeft geen betoog dat dit een uiterst belangrijke zaak is voor de vakverenigingsvrijheid en voor het stakingsrecht, die mogelijks een doorwerking kan vinden in de rechtspraak van het Hof van Justitie. Die mogelijkheid lijkt groter te worden nu het Handvest van de Grondrechten van de EU een juridisch bindend onderdeel is geworden van het Verdrag. Maar vooral de op 17 maart 2010 gestarte onderhandelingen van de EU voor de toetreding van de Unie tot het EVRM[19] zijn onmiskenbaar van historisch belang voor de bescherming van de grondrechten binnen de Europese Unie. Daardoor komt immers een extra rechterlijke controle op de bescherming ervan en dit niet alleen ten aanzien van de wetgevende handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie, maar ook ten aanzien van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Met andere woorden zal in de toekomst een zaak zoals Laval of Viking aan het EHRM kunnen worden voorgelegd ter toetsing van de conformiteit met de verenigingsvrijheid van artikel 11 EVRM.
Een zaak als Laval zou echter niet de juiste zaak zijn om het sociaal grondrecht op collectieve actie onder het versterkte grondrechtelijke kader te meten met de economische vrijheden van het EG-verdrag. Deze zaak had inderdaad betrekking op de uitoefening van een belangrijk sociaal grondrecht en men kan zich afvragen of het Hof zich daarvan voldoende rekenschap heeft gegeven. De rest is echter “Zweeds geneuzel”, om een ambtenaar van de Europese Commissie in een presentatie over deze zaak te citeren. En gelijk had hij. Men kan lang doorgaan over de eigenheid van het Scandinavisch systeem van collectieve onderhandelingen en de rol van de vakbonden in het controle- en handhavingsbeleid, maar de essentie van de zaak Laval blijft dat het Zweedse systeem zich niet leent tot een degelijke implementatie van de Detacheringsrichtlijn 96/71. Daarvoor moet men nu eenmaal een transparante minimumgrens van arbeidsrechtelijke bescherming aanduiden die van toepassing zal zijn op gedetacheerde werknemers. Eenmaal goed aangeduid, mag men niet buiten noch boven deze kern gaan. Indien dat niet lukt, moet men zijn systeem aanpassen. Hier passen de woorden van Davies die voor eender welke EU-wetgeving gelden, zolang er niets fundamenteels verandert aan de primauteit van EU-recht ten aanzien van nationaal recht: “There is no principle that EU law should only have limited effects. If a system is so little compatible with EU law that bringing it into line entails fundamental changes, so be it”[20]. Voor wie vertrouwd is met de impact van Europees recht van de interne markt op de nationale stelsels van sociale bescherming, kan worden verwezen naar de rechtspraak over patiëntenmobiliteit. Na lang “Brits geneuzel” over, onder andere, het feit dat hun systeem nooit kon geaffecteerd worden door deze rechtspraak omdat het Britse NHS-stelsel geen terugbetalingstarieven kent zoals het Belgische of het Luxemburgse gezondheidszorgsysteem (die in 1998 het eerst onder vuur kwamen met de zaken Kohl[21] en Decker[22]), besliste het Hof uiteraard anders. In de zaak Watts werd duidelijk dat ook patiënten uit een NHS-stelsel onder bepaalde omstandigheden[23] zorg konden genieten in andere EU-lidstaten die in het Verenigd Koninkrijk moet worden vergoed. Moeilijk of niet, het Verenigd Koninkrijk moet ervoor zorgen dat het zijn stelsel daaraan aanpast en het moet dus gaan “tariferen” in een stelsel zonder tarieven. Zo zou dat dus ook moeten gaan voor het Zweedse systeem en de moeilijke verhouding ervan met de Detacheringsrichtlijn.
Het bijzondere hier is dat de Scandinavische banbliksems naar Brussel toch een impact hebben gehad. Er wordt immers opnieuw nagedacht over de noodzaak van een aanpassing van de richtlijn. Te dien einde heeft de Europese Commissie een aantal onderzoeken bevolen naar verschillende deelaspecten: de juridische aspecten van de detachering van werknemers, de arbeids- en levensomstandigheden van gedetacheerde werknemers, de economische en sociale aspecten van de detachering van werknemers zullen worden onderzocht en een haalbaarheidsstudie voor de instelling van een Europees platform voor samenwerking tussen de arbeidsinspecties van de lidstaten, werd gelast. Deze brede waaier van onderzoeken zou dus de marges voor verbetering moeten blootleggen. Toch voelt deze ontwikkeling aan als Europees recht op zijn kop, want de normale gang van zaken is dat nationaal recht zich moet conformeren aan Europees recht dat door de lidstaten werd aangenomen. Zoniet gaan we naar een Unie waarin elke volgens de rechtmatige procedures aangenomen wetgeving kan aangevallen worden vanuit een zekere eigenheid van één of ander nationaal stelsel. Anders wordt het uiteraard indien vast komt te staan dat Europese wetgeving haaks staat op de (sociale) rechtsstelsels van alle lidstaten en zo eigenlijk zijn doel ver voorbij schiet. Uiteraard moet men ook steeds open blijven staan voor verbeteringen van het Europese kader, maar met Laval en Viking lag het probleem toch vooral bij de onaangepastheid van het betrokken nationale stelsel en niet bij een fundamentele “programmeerfout” in de Europese wetgeving. Misschien hadden de Scandinavische landen nu net dat streepje voor omdat zij in het sociaalrechtelijke domein nog steeds hofleverancier van het “flexizekerheidsconcept” zijn. Of mag “België” straks ook zijn zegje doen in “Brussel” als onze wel zeer breed opgevatte omzetting van de harde kern van arbeidsvoorwaarden – zowat ons gehele arbeidsrecht, aangezien het gaat om alle strafrechtelijk beteugelde bepalingen – een belletje doet rinkelen bij een multinational of de Europese Commissie.
Het blijft in elk geval afwachten naar “de juiste zaak” om te zien of het Hof van Justitie zich zal laten beïnvloeden door de nieuwe Europese wind in de bescherming van de grondrechten. En misschien wegen de sociale grondrechten niet alleen door in zaken waarin zij rechtstreeks in het geding zijn, maar kunnen zij een milderend effect hebben bij de behandeling van andere detacheringszaken indien een voldoende nauwkeurig verband kan worden gelegd tussen een betrokken arbeidsrechtelijke regeling en een sociaal grondrecht. Daarmee is echter ook voorzichtigheid geboden, want (sociale) grondrechten blijven in vele gevallen gekenmerkt door veel symboliek en weinig echte juridische houvast in zeer concrete zaken.
-
[1] Filip Van Overmeiren is wetenschappelijk medewerker aan de Vakgroep Sociaal Recht van de Universiteit Gent, waar hij zich voornamelijk concentreert op de impact van het recht van de interne markt op de nationale stelsels van sociale bescherming. Hij werkt aan een proefschrift over de invloed van het Europees burgerschap op de toegang tot sociale bescherming. Hij is auteur van het boek F. VAN OVERMEIREN, Buitenlandse arbeidskrachten op de Belgische arbeidsmarkt, in Bibliotheek Sociaal Recht, Larcier, 2009, 346.
Zie http://uitgeverij.larcier.com/titres?id=40955_1
[2] Huidig artikel 45 VWEU.
[3] F. VAN OVERMEIREN, “Een Pool? Doe de deur maar open”, Opinie, De Standaard, 20 maart 2009.
[4] De verplichte aanmelding bij detachering van werknemers, zelfstandigen en stagiairs is één onderdeel van het grotere LIMOSA-project voor een beter zicht op en administratief eenvoudigere behandeling van grensoverschrijdende tewerkstelling naar België. Zie http://www.limosa.be/
[5] European e-Government Awards, Exhibition Catalogue 2007, 52, zie http://www.epractice.eu/files/download/awards/ExhibitionCatalogue2007.pdf/
[6] HvJ 18 december 2007, nr. C-341/05, Laval, Jur. 2007, I, 11767.
[7] HvJ 11 december 2007, nr. C-438/05, Viking, Jur. 2007, I, 10779
[8] http://www.ilo.org/ilolex/english/convdisp1.htm
[9] http://conventions.coe.int/Treaty/EN/Treaties/PDF/Dutch/163-Dutch.pdf
[10] http://www.europarl.europa.eu/transl_nl/home/nlsite.htm?nlmarge.htm&nlkop.htm&g30.htm
[11] http://www.europarl.europa.eu/charter/pdf/text_nl.pdf
[12] Huidig artikel 56 VWEU.
[13] ‘Gewone’ in die zin dat het in eerdere zaken om nationale wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen ging, terwijl hier een grondrecht in het geding was, wat de zaak eerder ‘buitengewoon’ maakt.
[14] HvJ 12 juni 2003, nr. C-112/00, Schmidberger, Jur. 2003, I, 5659.
[15] HvJ 14 oktober 2004, nr. C-36/02, Omega, Jur. 2004, I, 9609.
[16] EHRM, DEMİR en BAYKARA t. TURKIJE (nr. 34503/97), 12 November 2008.
[17] EHRM, ENERJİ YAPI-YOL SEN t. TURKIJE (nr. 68959/01), 21 april 2009.
[18] Artikel 11, lid 1, EVRM luidt: “Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen”.
[19] De grondslag voor deze toetreding is terug te vinden in artikel 6, lid 2, VWEU. De EU wordt de 48e partij bij het EVRM, zonder dat zij lid zal worden van de Raad van Europa.
[20] G. T. DAVIES, "The process and side-effects of harmonisation of European welfare states", Jean Monnet Working Paper 2006, 02/06, (1), 36.
[21] HvJ 28 april 1998, nr. C-158/96, Kohll, Jur. 1998, I, 1931.
[22] HvJ 28 april 1998, nr. C-120/95, Decker, Jur. 1998, I, 1831.
[23] Voor ziekenhuiszorg is dit beperkt, maar voor ambulante zorg geldt in principe een ongebreideld patiëntenverkeer: elke verzekerde EU-onderdaan kan in een andere lidstaat zorg genieten en in zijn lidstaat van oorsprong daarvoor terugbetaling ontvangen.
08 december 2009
Cassatierechtspraak in sociale zaken: september - november 2009
Cass., S.08.0005.N, 21 september 2009
Rustpensioen – Mijnwerker – Berekening duur loopbaan – Toepassing van de wet in de tijd
Krachtens artikel 2, §1, van het KB van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, gaat het rustpensioen in op de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens welke de belanghebbende het aanvraagt en ten vroegste op de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin hij de pensioenleeftijd van 65 jaar bereikt.
Artikel 2, §2, eerste lid, 1°, van dit KB bepaalt dat, in afwijking van §1, de pensioenleeftijd wordt vastgesteld op 55 of 60 jaar naargelang het een rustpensioen betreft om reden van een tewerkstelling respectievelijk als ondergronds of bovengronds mijnwerker.
Artikel 2, §2, eerste lid, 2°, van dit KB bepaalt dat, in afwijking van §1, de pensioenleeftijd wordt bereikt wanneer de belanghebbende doet blijken van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling als mijnwerker in de ondergrond of steengroeven met ondergrondse winning gedurende 25 jaren.
Krachtens artikel 2, §2, tweede lid, van dit KB, gaat het rustpensioen in de in het eerste lid bepaalde gevallen in op de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens dewelke de belanghebbende het aanvraagt en ten vroegste op de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin hij, naargelang het geval, één van de in het eerste lid vermelde leeftijden bereikt.
Krachtens artikel 35, §1, A, eerste lid, van het KB van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, hierna Algemeen Reglement Werknemerspensioenen genoemd, worden de perioden van onvrijwillige werkloosheid met arbeidsperioden gelijkgesteld voor de berekening van het pensioen overeenkomstig de bijzondere regels voor mijnwerkers, bedoeld bij de artikelen 9 en 9bis van het KB nr. 50 en bij de artikelen 2 en 3 van de wet van 20 juli 1990 en bij de artikelen 2 en 5 van het KB van 23 december 1996, op voorwaarde dat de mijnwerker de bij de reglementering inzake onvrijwillige werkloosheid bepaalde uitkeringen geniet.
Artikel 35, §1, A, tweede lid, van het Algemeen Reglement Werknemers-pensioenen bepaalt dat de perioden van activiteit als werknemer worden geacht te beantwoorden aan de bepalingen van deze littera indien de mijnwerker opgehouden heeft aangesloten te zijn bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers wegens het stilleggen van de opdelving in de in artikel 3, eerste lid, 3°, bedoelde onderneming die hem tewerkstelde en voor zover:
1° hij het werk in voornoemde ondernemingen heeft stopgezet of zijn aansluiting bij het Nationaal Pensioenfonds heeft opgehouden na 1 juli 1957 indien het gaat om een in een steenkoolmijn tewerkgestelde mijnwerker (...);
2° hij bij de stopzetting ten minste tien jaar gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling in voornoemde ondernemingen bewijst;
3° de toestand bedoeld bij 1° aan de Rijksdienst voor pensioenen ter kennis gebracht werd binnen de drie maanden nadat hij zich voorgedaan heeft.
Artikel 35, §3, eerste lid, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, zoals ingevoegd bij KB van 11 september 1989, bepaalt dat voor de berekening volgens de bijzondere regels bedoeld in §1, eerste lid, van het pensioen van de werknemer die onder toepassing valt van het koninklijk besluit van 20 juli 1989, waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 12 juli 1989, gesloten in de Nationale Gemengde Mijncommissie betreffende de begeleidingsmaatregelen voor de steenkolen-onderneming van het Kempische bekken, de periode gelegen tussen de datum waarop hij het werk in die onderneming heeft stopgezet en 31 december 1996 met arbeidsperioden in voornoemde onderneming wordt gelijkgesteld, voor zover bij de Rijksdienst voor pensioenen de werkgevers- en werknemersbijdragen worden betaald die verschuldigd zouden zijn indien hij als mijnwerker was blijven voortwerken.
Uit het geheel van de voormelde bepalingen en de aard van de regeling volgt dat de omstandigheid of het pensioen van de werknemer die als mijnwerker was tewerkgesteld en dit werk heeft stopgezet wegens het stilleggen van de opdelving, al dan niet berekend wordt volgens de bijzondere regels voor de mijnwerkers, bedoeld bij de artikelen 9 en 9bis van het KB nr. 50 en bij de artikelen 2 en 5 van het KB van 23 december 1996, onherroepelijk is vastgesteld uiterlijk 3 maanden nadat hij het voornoemde werk heeft stopgezet.
Krachtens artikel 29, eerste lid, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, zoals van toepassing op de pensioenen ingegaan vóór 1 januari 2005, wordt voor de toepassing van het KB nr. 50 als gewoonlijk en hoofdzakelijk aangezien, elke tewerkstelling in hoedanigheid van werknemer die zich normaal over 185 dagen van minstens 4 uur per kalenderjaar uitstrekt, of elke tewerkstelling in dezelfde hoedanigheid die minstens 1480 uur per kalenderjaar omvat.
Artikel 3ter, eerste lid, 6°, van de Pensioenwet Werknemers, ingevoegd bij artikel 27 van het KB van 10 juni 2001 tot het in overeenstemming brengen van de sociale zekerheid met het KB van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2005 ingaan, bepaalt dat onder "gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling" wordt verstaan: de tewerkstelling als werknemer die per kalenderjaar overeenkomt met minstens één derde van de prestaties van de maatpersoon. De Koning bepaalt voor de toepassing van deze bepaling, wat hieronder moet worden verstaan: a) voor de jaren van tewerkstelling gelegen vóór 1992, b) voor de speciale categorieën van personen die onderworpen zijn aan de toepassing van dit besluit.
Artikel 29, §1, 3°, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, zoals gewijzigd bij artikel 50 van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot het in overeenstemming brengen van sommige koninklijke besluiten inzake sociale zekerheid met het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2005 ingaan, bepaalt: "Met toepassing van artikel 3ter, eerste lid, 6°, van het KB nr. 50, wordt onder ‘gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling' verstaan: (...) voor de jaren gelegen tussen 31 december 1977 en 1 januari 1992, (...), de tewerkstelling als werknemer die zich over ten minste 104 dagen per kalenderjaar uitstrekt (...)".
Krachtens artikel 2 BW, beschikt de wet alleen over het toekomende en heeft zij geen terugwerkende kracht. Een nieuwe wet is in de regel niet alleen van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.
Uit wat voorafgaat volgt dat om te bepalen of de werknemer die zijn tewerkstelling als mijnwerker heeft stopgezet ingevolge de sluiting van de Kempense steenkoolmijnen die in de periode van 1987 tot 1989 werd afgewikkeld, bij de stopzetting ten minste tien jaar gewoonlijke en hoofdzakelijk tewerkstelling in de steenkoolmijnen bewijst zoals bedoeld bij artikel 35, §1, A, tweede lid, 2°, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, er geen toepassing kan worden gemaakt van artikel 29, §1, 3°, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, zoals gewijzigd bij artikel 50 van het voormelde KB van 10 juni 2001, ook al zou het pensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2005 ingaan. Of de bedoelde werknemer bij de stopzetting ten minste tien jaar gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling in de steenkoolmijnen bewijst, moet integendeel worden bepaald met toepassing van artikel 29 van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen zoals van kracht vóór zijn wijziging bij artikel 50 van het voormelde KB van 10 juni 2001.
Het arrest stelt vast dat:
- de verweerder in de mijn was tewerkgesteld van 1 augustus 1978 tot en met 21 juni 1987, datum waarop aan de arbeidsovereenkomst een einde kwam ingevolge de sluiting van de mijn, waarna hij tot 1993 gelijkgestelde dagen kan inroepen en van 1993 tot 2002 arbeidsprestaties leverde;
- gelet op de op de individuele rekening genoteerde gegevens, de verweerder enkel het bewijs kan leveren van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling als ondergronds mijnwerker gedurende 25 jaren indien hij aanspraak kan maken op de toepassing van artikel 35, §1, A, tweede lid, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen;
- de verweerder enkel in de jaren 1979 tot en met 1986, dit zijn 8 jaren, ten minste 185 dagen tewerkstelling per kalenderjaar bewijst als ondergronds mijnwerker.
Het arrest oordeelt dat de verweerder aan 10 jaar tewerkstelling als ondergronds mijnwerker komt zodat, rekening gehouden met de jaren die hij als arbeider heeft gewerkt en de gelijkgestelde jaren na zijn activiteit als mijnwerker, die mogen meegeteld worden, hij een beroepsloopbaan heeft van 25 jaar "mijnwerker" en aldus vanaf 1 januari 2005 aanspraak kan maken op een rustpensioen, op grond dat:
- het recht op het rustpensioen werknemers dient vastgesteld te worden rekening houdend met de wettelijke en reglementaire bepalingen die gelden op de ingangsdatum van het rustpensioen, in dezen dus 1 januari 2005;
- volgens artikel 29 van het Algemeen Reglement Werknemerspensioen, zoals gewijzigd bij artikel 50 van koninklijk besluit van 10 juni 2001 met inwerkingtreding op 1 januari 2005, een "gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling" slechts een tewerkstelling vereist die zich in de bedoelde jaren uitstrekt over ten minste 104 dagen per kalenderjaar;
- uit het administratief dossier blijkt dat de verweerder voor de kalenderjaren 1978 tot en met 1987 telkens meer dan 104 dagen tewerkstelling aantoont.
Door aldus met toepassing van artikel 29, §1, 3°, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, zoals gewijzigd bij artikel 50 van het voormelde koninklijk besluit van 10 juni 2001, te oordelen dat de verweerder bij de stopzetting van zijn tewerkstelling als mijnwerker ingevolge het stilleggen van de opdelving, ten minste tien jaar gewoonlijke en hoofdzakelijk tewerkstelling in de steenkoolmijnen bewijst, zoals bedoeld bij artikel 35, §1, A, tweede lid, 2°, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, schendt het arrest deze laatste wettelijke bepaling en verantwoordt het niet wettig zijn beslissing dat de verweerder vanaf 1 januari 2005 aanspraak kan maken op een rustpensioen.
Het middel is gegrond.
Cass., S.08.0075.N, 5 oktober 2009.
Arbeidsovereenkomst – Ontslag – Opzeggingstermijn – Schorsing wegens jaarlijkse vakantie
Krachtens de artikelen 38, §1 en §2, en 38bis van de Arbeidsovereenkomstenwet, houdt de opzeggingstermijn, bij opzegging gedaan door de werkgever, slechts op te lopen tijdens de gevallen van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, vermeld in de artikelen 28, 1°, 2° en 5°, 29 en 31 van die wet en gedurende de dagen inhaalrust die bij toepassing van artikel 26bis van de Arbeidswet van 16 maart 1971 worden toegekend.
Krachtens artikel 28, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet, wordt de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geschorst gedurende de dagen waarop de onderneming wegens jaarlijkse vakantie is gesloten, alsook gedurende de dagen waarop de werknemer buiten die periode jaarlijkse vakantie neemt.
Het begrip "jaarlijkse vakantie" zoals bedoeld in artikel 28, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet heeft een ruime betekenis en omvat niet alleen de vakantie die wordt toegekend krachtens de Vakantiewet maar ook de bijkomende vakantie die wordt verleend door een collectieve of individuele arbeidsovereenkomst of door een beslissing van de werkgever.
Uit de voormelde bepalingen volgt dat inhaalverlofdagen, andere dan de dagen inhaalrust die bij toepassing van artikel 26bis van de Arbeidswet worden toegekend, de opzeggingstermijn slechts schorsen indien zij begrepen zijn in de jaarlijkse vakantie bedoeld in artikel 28, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet.
Cass., S.09.0043.N, 5 oktober 2009.
Arbeidsovereenkomst – Ontslag – Overeenkomst inzake opzeggingstermijn en/of –vergoeding – Tijdstip van aangaan ervan
Krachtens artikel 82, §3, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet, wordt de duur van de opzeggingstermijn die de werkgever in acht dient te nemen ten aanzien van een bediende wiens jaarloon de in die bepaling vastgestelde grens overschrijdt, vastgesteld hetzij bij overeenkomst, gesloten ten vroegste op het ogenblik waarop de opzegging wordt gegeven, hetzij door de rechter. De ratio legis van deze wetsbepaling is dat in zake arbeidsovereenkomsten de verzaking van een recht door de werknemer slechts mogelijk is vanaf het ogenblik waarop elk risico van uitoefening van druk op de werknemer verdwijnt, dit is vanaf de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met de haar kenmerkende gezagsverhouding.
Hieruit volgt dat in geval van onmiddellijk ontslag door de werkgever van een in voormeld artikel 82, §3, bedoelde bediende met betaling van een opzeggingsvergoeding, de overeenkomst tussen de werkgever en de bediende over de duur van de in aanmerking te nemen opzeggingstermijn, die overeenkomstig artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepalend is voor de grootte van de verschuldigde opzeggingsvergoeding, slechts ten vroegste kan worden gesloten op het ogenblik waarop het ontslag wordt gegeven. Zulke overeenkomst mag derhalve tegelijkertijd met de kennisgeving van het ontslag gesloten worden.
De appelrechters nemen de tussen de partijen gesloten overeenkomst van 17 maart 2005, waarbij de verweerder onmiddellijk ontslagen wordt en de te betalen opzeggingsvergoeding wordt vastgesteld, niet in aanmerking omdat het niet bewezen is dat de eiseres haar uitdrukkelijke wil tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst aan de verweerder ter kennis had gebracht vooraleer die overeenkomst door de partijen werd opgesteld en ondertekend. Op grond hiervan kennen de appelrechters een aanvullende opzeggingsvergoeding toe. Het arrest schendt zodoende de als geschonden aangewezen wetsbepalingen.
Cass., S.08.0055.N, 19 oktober 2009.
Rustpensioen –– Voorrang Europees Gemeenschapsrecht – Toekenning gezinspensioen
Overeenkomstig artikel 5, §1, eerste lid, van het KB van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, wordt het recht op het rustpensioen verkregen naar rata van een breuk van het referteloon en in aanmerking genomen ten belope van: a) 75 pct., voor de werknemers van wie de echtgenoot elke beroepsarbeid, behalve die door de Koning toegestaan, heeft gestaakt en die geen rust- of overlevingspensioen en geen als dusdanig geldende uitkeringen geniet krachtens een Belgische wettelijke regeling, krachtens een regeling van een vreemd land of een regeling toepasselijk op het personeel van een volkenrechtelijke instelling; b) 60 pct. voor de andere werknemers.
Overeenkomstig artikel 5, §8, van het hierboven vermelde KB van 23 december 1996, vormt het genot in hoofde van een van de echtgenoten, van één of meer rust- of overlevingspensioenen of als zodanig geldende uitkeringen, toegekend krachtens een regeling van een vreemd land, geen beletsel voor de toekenning aan de andere echtgenoot van een rustpensioen berekend met toepassing van §1, eerste lid, a), van dit artikel, voor zover het globale bedrag van bovenbedoelde pensioenen en van de als zodanig geldende uitkeringen van de eerstgenoemde echtgenoot kleiner is dan het verschil tussen de bedragen van het rustpensioen van de andere echtgenoot, respectievelijk berekend met toepassing van §1, eerste lid, b), van dit artikel. Evenwel wordt in dat geval het totale bedrag van bovenbedoelde pensioenen en van de als zodanig geldende uitkeringen, van eerstgenoemde echtgenoot in mindering gebracht op het bedrag van het rustpensioen van de andere echtgenoot.
Zoals het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap heeft vastgesteld in het arrest van 5 oktober 1994 in de zaak C-165/91 (van Munster), verzet het Gemeenschapsrecht, inzonderheid de artikelen 39 en 42 van het EG-Verdrag, en artikel 4, eerste lid, van de Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 zich niet tegen een nationale wettelijke regeling die een "gezinspensioen" toekent aan een werknemer wiens echtgenoot elke beroepsarbeid heeft gestaakt en geen rustpensioen of als zodanig geldend voordeel geniet, maar hem een minder voordelig "alleenstaandenpensioen" toekent wanneer zijn echtgenoot een pensioen of als zodanig geldend voordeel geniet, en die zonder onderscheid van toepassing is op eigen onderdanen en op onderdanen van de andere Lid-Staten.
Volgens het arrest van het Hof van Justitie van 26 september 2000 in de zaak C-262/97 (Engelbrecht), kan de uitoefening van het recht van vrij verkeer binnen de Gemeenschap evenwel worden belemmerd, indien een sociaal voordeel dat een werknemer geniet, teloorgaat of wordt verminderd enkel en alleen doordat rekening wordt gehouden met de krachtens de wetgeving van een andere lidstaat aan zijn echtgenoot toegekende soortgelijke uitkering, hoewel de toekenning van laatstbedoelde uitkering enerzijds niet tot een verhoging van het gezinsinkomen heeft geleid en anderzijds gepaard ging met een verlaging van hetzelfde bedrag van het eigen pensioen dat de werknemer krachtens de wetgeving van diezelfde lidstaat ontvangt. Dat gevolg kan de communautaire werknemer er immers van weerhouden zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen en aldus een belemmering van die in artikel 39 van het EG-Verdrag neergelegde vrijheid opleveren. Er bestaat ook een benadeling van de communautaire werknemer die hem ervan kan weerhouden zijn recht op vrij verkeer uit te oefenen wanneer, zoals hier, die werknemer een minder voordelig alleenstaandenpensioen ontvangt en geen gezinspensioen, enkel en alleen doordat rekening wordt gehouden met het krachtens de wetgeving van een ander land van de Europese Gemeenschap aan zijn echtgenoot toegekende pensioen, hoewel die laatste uitkering verlaagd werd met het bedrag van het eigen pensioen dat aan die werknemer krachtens de wetgeving van diezelfde lidstaat is toegekend. Artikel 10 van het EG-Verdrag legt de lidstaten de verplichting op alle algemene en bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van de uit het Gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen te verzekeren.
Het arrest stelt vast dat de verweerder onbetwistbaar aanspraak kon maken op het Belgisch gezinspensioen indien de Nederlandse wetgeving voorzag, zoals voorheen, dat het AOW-pensioen voor 100 pct. betaalbaar was aan de man. Het geeft hiermee te kennen dat verweerders echtgenote geen beroepsactiviteit heeft uitgeoefend die in België aanleiding zou geven tot de toekenning van een rustpensioen. Het arrest oordeelt dat artikel 5, §1 en §8, van het KB van 23 december 1996 buiten toepassing moet worden gelaten omdat de toepassing ervan in dezen een schending van het Europese gemeenschapsrecht zou inhouden, en beslist, met bevestiging van het beroepen vonnis, dat de verweerder met ingang van 1 april 1998 gerechtigd is op een gezinsrustpensioen. De appelrechters schenden aldus de in het middel aangewezen wetsbepalingen niet.
Cass., S.08.0106.F, 9 november 2009.
Arbeidsovereenkomst – Ontslag – Opzeggingsvergoeding – Forfaitair karakter
Arbeidsovereenkomst – Ontslag – Wettelijk bepaalde opzeggingstermijn – Dwingend recht – Gunstigere termijn vastgesteld in arbeidsreglement
Il ressort de l'article 39, § 1er, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail que l'indemnité due par la partie qui résilie le contrat sans motif grave ou sans respecter le délai de préavis fixé aux articles 59, 82, 83, 84 et 115 de la même loi revêt un caractère forfaitaire.
En déduisant de ce caractère forfaitaire que la demanderesse n'a pas droit à la rémunération pour la période du 23 au 31 mars 1999, qui a suivi le congé, l'arrêt ne viole aucune des dispositions citées au moyen.
Aux termes de l'article 82, § 2, alinéa 1er, de la loi du 3 juillet 1978, dans sa version applicable aux faits, lorsque la rémunération annuelle ne dépasse pas 947.000 francs, le délai de préavis à observer par l'employeur est d'au moins trois mois pour les employés engagés depuis moins de cinq ans. L'arrêt constate que le règlement de travail dont se prévaut la demanderesse fixe à trente mois le préavis à donner à l'employé dont la rémunération n'excède pas 911.000 francs par an et qui est occupé pour une durée indéterminée depuis moins de cinq ans.
Après avoir considéré que l'article 82, § 2, est une disposition impérative en faveur des deux parties, l'arrêt décide que la demanderesse a droit à l'indemnité de préavis de trois mois de rémunération, conformément à cet article, au motif que « le règlement de travail ne peut déroger à la loi dans ses dispositions impératives ».En considérant que, en tant qu'il fixe un délai de préavis qui excède le minimum légal, le règlement de travail déroge à l'article 82, § 2, alinéa 1er, précité, l'arrêt viole cette disposition légale. Le moyen, en cette branche, est fondé.
Cass., S.08.0128.F, 9 november 2009.
Pensioen – Betaling van pensioenbijdragen - Bewijs
Aux termes de l'article 32, § 1er, b), de l'arrêté royal du 21 décembre 1967 portant règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, la preuve d'une occupation donnant ouverture au droit à la pension de retraite est administrée, pour la période postérieure au 31 décembre 1945, par tout document attestant que les cotisations de pension ont été retenues ou que le travailleur peut bénéficier des assimilations prévues aux articles 34, 35 ou 36 du même arrêté.
La production d'un document attestant que des cotisations ont été retenues dans un autre secteur, en l'occurrence celui de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, n'apporte pas la preuve nécessaire et suffisante que des cotisations de pension ont été retenues, en vue d'établir l'existence d'une occupation donnant ouverture au droit à la pension de retraite.
En décidant que la preuve d'une occupation donnant ouverture au droit à la pension de retraite est établie par un extrait d'une fiche d'assurabilité établie par un organisme assureur du secteur de l'assurance contre la maladie et
l'invalidité au motif que cela implique aussi que des cotisations sociales ont été retenues globalement par l'employeur pour être versées à l'Office national de la sécurité sociale et ensuite réparties entre les différents secteurs de la sécurité sociale, l'arrêt viole l'article 32, § 1er, b), de l'arrêté royal du 21 décembre 1967 précité.
Le moyen est fondé.
Cass., S.09.0044.N, 16 november 2009.
Sluiting onderneming – Tussenkomst Sluitingsfonds – Loon verschuldigd krachtens individuele of collectieve arbeidsovereenkomst - Premies voor een groepsverzekering
Artikel 2, §1, van de Sluitingswet 1967 zoals gewijzigd bij wet van 28 juli 1971 en later vervangen bij wet van 30 maart 1976, voor de opheffing ervan bij artikel 88 van de wet van 26 juni 2002, bepaalt dat, wanneer bij sluiting van een onderneming in de zin van de artikelen 2 en 2bis van de wet van 28 juni 1966 de werkgever zijn geldelijke verplichtingen tegenover zijn werknemers niet nakomt, het Fonds hen dient te betalen:
- de lonen verschuldigd krachtens de individuele of collectieve arbeidsovereenkomsten;
- de vergoedingen en voordelen verschuldigd krachtens de wet of collectieve arbeidsovereenkomsten.
Het arrest van 6 maart 2008 stelt vast dat de verweerder en diens werkgever een buiten het paritair comité gesloten collectieve arbeidsovereenkomst van 27 april 1988, die niet werd neergelegd bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, hebben uitgevoerd in die zin dat de erin bedongen premies voor een groepsverzekering door de werkgever werd uitbetaald tot 1 november 1989 en dat de verweerder zelf de verdere premies betaald heeft bij het in gebreke blijven hiervan door de werkgever. Het oordeelt op niet aangevochten wijze dat deze collectieve arbeidsovereenkomst bindend is voor de werkgever en de verweerder ingevolge de aanvaarding ervan, niet op basis van de CAO-wet, maar wel op basis van de algemene bepalingen van het verbintenissenrecht en besluit dat de premies voor groepsverzekering te dezen verschuldigd waren ingevolge een individueel aangegane overeenkomst. Betalingen waartoe de werkgever zich verbonden heeft als tegenprestatie van de in het kader van de arbeidsovereenkomst uitgevoerde arbeid zijn loon in de zin van artikel 2, §1, 1°, van de Sluitingswet 1967. De arresten oordelen op niet aangevochten wijze dat de betaling door de werkgever van de bedoelde premies voor een groepsverzekering een tegenprestatie van de in het kader van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid betreft en oordelen op grond hiervan dat het loon betreft in de zin van voormeld artikel 2, §1, 1°.
De bestreden arresten beslissen dienvolgens wettig dat de door de werkgever verschuldigde betaling van de premies voor de groepsverzekering ten laste van het Fonds kan worden gelegd binnen de wettelijk bepaalde begrenzing.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Cass., C.09.0256.N, 16 november 2009.
Ziekte en invaliditeit – Ziekenfonds – Subrogatievordering - Omvang
Krachtens artikel 136, §2, vierde lid, van de ZIV-wet 1994, treedt de verzekeringsinstelling rechtens in de plaats van de rechthebbende. Deze indeplaatsstelling geldt, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionerende stoornissen of overlijden geheel of gedeeltelijk vergoeden. Uit die bepalingen volgt dat de verzekeringsinstelling die aan het slachtoffer van schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, de bij de verplichte verzekering bepaalde prestaties heeft verleend, in de rechten van het slachtoffer treedt voor het geheel van de door haar verleende prestaties, tot beloop van het totaalbedrag van de geldsommen die de aansprakelijke derde of zijn verzekeraar, rekening houdend met de mogelijke verdeling van de aansprakelijkheid, in gemeen recht verschuldigd zijn ter vergoeding van die schade. Die subrogatie is niet beperkt tot een breukdeel van de verleende prestaties dat evenredig is aan het aandeel van de derde in de aansprakelijkheid voor de veroorzaakte schade.
Rustpensioen – Mijnwerker – Berekening duur loopbaan – Toepassing van de wet in de tijd
Krachtens artikel 2, §1, van het KB van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, gaat het rustpensioen in op de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens welke de belanghebbende het aanvraagt en ten vroegste op de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin hij de pensioenleeftijd van 65 jaar bereikt.
Artikel 2, §2, eerste lid, 1°, van dit KB bepaalt dat, in afwijking van §1, de pensioenleeftijd wordt vastgesteld op 55 of 60 jaar naargelang het een rustpensioen betreft om reden van een tewerkstelling respectievelijk als ondergronds of bovengronds mijnwerker.
Artikel 2, §2, eerste lid, 2°, van dit KB bepaalt dat, in afwijking van §1, de pensioenleeftijd wordt bereikt wanneer de belanghebbende doet blijken van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling als mijnwerker in de ondergrond of steengroeven met ondergrondse winning gedurende 25 jaren.
Krachtens artikel 2, §2, tweede lid, van dit KB, gaat het rustpensioen in de in het eerste lid bepaalde gevallen in op de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens dewelke de belanghebbende het aanvraagt en ten vroegste op de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin hij, naargelang het geval, één van de in het eerste lid vermelde leeftijden bereikt.
Krachtens artikel 35, §1, A, eerste lid, van het KB van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, hierna Algemeen Reglement Werknemerspensioenen genoemd, worden de perioden van onvrijwillige werkloosheid met arbeidsperioden gelijkgesteld voor de berekening van het pensioen overeenkomstig de bijzondere regels voor mijnwerkers, bedoeld bij de artikelen 9 en 9bis van het KB nr. 50 en bij de artikelen 2 en 3 van de wet van 20 juli 1990 en bij de artikelen 2 en 5 van het KB van 23 december 1996, op voorwaarde dat de mijnwerker de bij de reglementering inzake onvrijwillige werkloosheid bepaalde uitkeringen geniet.
Artikel 35, §1, A, tweede lid, van het Algemeen Reglement Werknemers-pensioenen bepaalt dat de perioden van activiteit als werknemer worden geacht te beantwoorden aan de bepalingen van deze littera indien de mijnwerker opgehouden heeft aangesloten te zijn bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers wegens het stilleggen van de opdelving in de in artikel 3, eerste lid, 3°, bedoelde onderneming die hem tewerkstelde en voor zover:
1° hij het werk in voornoemde ondernemingen heeft stopgezet of zijn aansluiting bij het Nationaal Pensioenfonds heeft opgehouden na 1 juli 1957 indien het gaat om een in een steenkoolmijn tewerkgestelde mijnwerker (...);
2° hij bij de stopzetting ten minste tien jaar gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling in voornoemde ondernemingen bewijst;
3° de toestand bedoeld bij 1° aan de Rijksdienst voor pensioenen ter kennis gebracht werd binnen de drie maanden nadat hij zich voorgedaan heeft.
Artikel 35, §3, eerste lid, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, zoals ingevoegd bij KB van 11 september 1989, bepaalt dat voor de berekening volgens de bijzondere regels bedoeld in §1, eerste lid, van het pensioen van de werknemer die onder toepassing valt van het koninklijk besluit van 20 juli 1989, waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 12 juli 1989, gesloten in de Nationale Gemengde Mijncommissie betreffende de begeleidingsmaatregelen voor de steenkolen-onderneming van het Kempische bekken, de periode gelegen tussen de datum waarop hij het werk in die onderneming heeft stopgezet en 31 december 1996 met arbeidsperioden in voornoemde onderneming wordt gelijkgesteld, voor zover bij de Rijksdienst voor pensioenen de werkgevers- en werknemersbijdragen worden betaald die verschuldigd zouden zijn indien hij als mijnwerker was blijven voortwerken.
Uit het geheel van de voormelde bepalingen en de aard van de regeling volgt dat de omstandigheid of het pensioen van de werknemer die als mijnwerker was tewerkgesteld en dit werk heeft stopgezet wegens het stilleggen van de opdelving, al dan niet berekend wordt volgens de bijzondere regels voor de mijnwerkers, bedoeld bij de artikelen 9 en 9bis van het KB nr. 50 en bij de artikelen 2 en 5 van het KB van 23 december 1996, onherroepelijk is vastgesteld uiterlijk 3 maanden nadat hij het voornoemde werk heeft stopgezet.
Krachtens artikel 29, eerste lid, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, zoals van toepassing op de pensioenen ingegaan vóór 1 januari 2005, wordt voor de toepassing van het KB nr. 50 als gewoonlijk en hoofdzakelijk aangezien, elke tewerkstelling in hoedanigheid van werknemer die zich normaal over 185 dagen van minstens 4 uur per kalenderjaar uitstrekt, of elke tewerkstelling in dezelfde hoedanigheid die minstens 1480 uur per kalenderjaar omvat.
Artikel 3ter, eerste lid, 6°, van de Pensioenwet Werknemers, ingevoegd bij artikel 27 van het KB van 10 juni 2001 tot het in overeenstemming brengen van de sociale zekerheid met het KB van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2005 ingaan, bepaalt dat onder "gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling" wordt verstaan: de tewerkstelling als werknemer die per kalenderjaar overeenkomt met minstens één derde van de prestaties van de maatpersoon. De Koning bepaalt voor de toepassing van deze bepaling, wat hieronder moet worden verstaan: a) voor de jaren van tewerkstelling gelegen vóór 1992, b) voor de speciale categorieën van personen die onderworpen zijn aan de toepassing van dit besluit.
Artikel 29, §1, 3°, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, zoals gewijzigd bij artikel 50 van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot het in overeenstemming brengen van sommige koninklijke besluiten inzake sociale zekerheid met het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2005 ingaan, bepaalt: "Met toepassing van artikel 3ter, eerste lid, 6°, van het KB nr. 50, wordt onder ‘gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling' verstaan: (...) voor de jaren gelegen tussen 31 december 1977 en 1 januari 1992, (...), de tewerkstelling als werknemer die zich over ten minste 104 dagen per kalenderjaar uitstrekt (...)".
Krachtens artikel 2 BW, beschikt de wet alleen over het toekomende en heeft zij geen terugwerkende kracht. Een nieuwe wet is in de regel niet alleen van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.
Uit wat voorafgaat volgt dat om te bepalen of de werknemer die zijn tewerkstelling als mijnwerker heeft stopgezet ingevolge de sluiting van de Kempense steenkoolmijnen die in de periode van 1987 tot 1989 werd afgewikkeld, bij de stopzetting ten minste tien jaar gewoonlijke en hoofdzakelijk tewerkstelling in de steenkoolmijnen bewijst zoals bedoeld bij artikel 35, §1, A, tweede lid, 2°, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, er geen toepassing kan worden gemaakt van artikel 29, §1, 3°, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, zoals gewijzigd bij artikel 50 van het voormelde KB van 10 juni 2001, ook al zou het pensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2005 ingaan. Of de bedoelde werknemer bij de stopzetting ten minste tien jaar gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling in de steenkoolmijnen bewijst, moet integendeel worden bepaald met toepassing van artikel 29 van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen zoals van kracht vóór zijn wijziging bij artikel 50 van het voormelde KB van 10 juni 2001.
Het arrest stelt vast dat:
- de verweerder in de mijn was tewerkgesteld van 1 augustus 1978 tot en met 21 juni 1987, datum waarop aan de arbeidsovereenkomst een einde kwam ingevolge de sluiting van de mijn, waarna hij tot 1993 gelijkgestelde dagen kan inroepen en van 1993 tot 2002 arbeidsprestaties leverde;
- gelet op de op de individuele rekening genoteerde gegevens, de verweerder enkel het bewijs kan leveren van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling als ondergronds mijnwerker gedurende 25 jaren indien hij aanspraak kan maken op de toepassing van artikel 35, §1, A, tweede lid, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen;
- de verweerder enkel in de jaren 1979 tot en met 1986, dit zijn 8 jaren, ten minste 185 dagen tewerkstelling per kalenderjaar bewijst als ondergronds mijnwerker.
Het arrest oordeelt dat de verweerder aan 10 jaar tewerkstelling als ondergronds mijnwerker komt zodat, rekening gehouden met de jaren die hij als arbeider heeft gewerkt en de gelijkgestelde jaren na zijn activiteit als mijnwerker, die mogen meegeteld worden, hij een beroepsloopbaan heeft van 25 jaar "mijnwerker" en aldus vanaf 1 januari 2005 aanspraak kan maken op een rustpensioen, op grond dat:
- het recht op het rustpensioen werknemers dient vastgesteld te worden rekening houdend met de wettelijke en reglementaire bepalingen die gelden op de ingangsdatum van het rustpensioen, in dezen dus 1 januari 2005;
- volgens artikel 29 van het Algemeen Reglement Werknemerspensioen, zoals gewijzigd bij artikel 50 van koninklijk besluit van 10 juni 2001 met inwerkingtreding op 1 januari 2005, een "gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling" slechts een tewerkstelling vereist die zich in de bedoelde jaren uitstrekt over ten minste 104 dagen per kalenderjaar;
- uit het administratief dossier blijkt dat de verweerder voor de kalenderjaren 1978 tot en met 1987 telkens meer dan 104 dagen tewerkstelling aantoont.
Door aldus met toepassing van artikel 29, §1, 3°, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, zoals gewijzigd bij artikel 50 van het voormelde koninklijk besluit van 10 juni 2001, te oordelen dat de verweerder bij de stopzetting van zijn tewerkstelling als mijnwerker ingevolge het stilleggen van de opdelving, ten minste tien jaar gewoonlijke en hoofdzakelijk tewerkstelling in de steenkoolmijnen bewijst, zoals bedoeld bij artikel 35, §1, A, tweede lid, 2°, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, schendt het arrest deze laatste wettelijke bepaling en verantwoordt het niet wettig zijn beslissing dat de verweerder vanaf 1 januari 2005 aanspraak kan maken op een rustpensioen.
Het middel is gegrond.
Cass., S.08.0075.N, 5 oktober 2009.
Arbeidsovereenkomst – Ontslag – Opzeggingstermijn – Schorsing wegens jaarlijkse vakantie
Krachtens de artikelen 38, §1 en §2, en 38bis van de Arbeidsovereenkomstenwet, houdt de opzeggingstermijn, bij opzegging gedaan door de werkgever, slechts op te lopen tijdens de gevallen van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, vermeld in de artikelen 28, 1°, 2° en 5°, 29 en 31 van die wet en gedurende de dagen inhaalrust die bij toepassing van artikel 26bis van de Arbeidswet van 16 maart 1971 worden toegekend.
Krachtens artikel 28, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet, wordt de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geschorst gedurende de dagen waarop de onderneming wegens jaarlijkse vakantie is gesloten, alsook gedurende de dagen waarop de werknemer buiten die periode jaarlijkse vakantie neemt.
Het begrip "jaarlijkse vakantie" zoals bedoeld in artikel 28, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet heeft een ruime betekenis en omvat niet alleen de vakantie die wordt toegekend krachtens de Vakantiewet maar ook de bijkomende vakantie die wordt verleend door een collectieve of individuele arbeidsovereenkomst of door een beslissing van de werkgever.
Uit de voormelde bepalingen volgt dat inhaalverlofdagen, andere dan de dagen inhaalrust die bij toepassing van artikel 26bis van de Arbeidswet worden toegekend, de opzeggingstermijn slechts schorsen indien zij begrepen zijn in de jaarlijkse vakantie bedoeld in artikel 28, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet.
Cass., S.09.0043.N, 5 oktober 2009.
Arbeidsovereenkomst – Ontslag – Overeenkomst inzake opzeggingstermijn en/of –vergoeding – Tijdstip van aangaan ervan
Krachtens artikel 82, §3, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet, wordt de duur van de opzeggingstermijn die de werkgever in acht dient te nemen ten aanzien van een bediende wiens jaarloon de in die bepaling vastgestelde grens overschrijdt, vastgesteld hetzij bij overeenkomst, gesloten ten vroegste op het ogenblik waarop de opzegging wordt gegeven, hetzij door de rechter. De ratio legis van deze wetsbepaling is dat in zake arbeidsovereenkomsten de verzaking van een recht door de werknemer slechts mogelijk is vanaf het ogenblik waarop elk risico van uitoefening van druk op de werknemer verdwijnt, dit is vanaf de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met de haar kenmerkende gezagsverhouding.
Hieruit volgt dat in geval van onmiddellijk ontslag door de werkgever van een in voormeld artikel 82, §3, bedoelde bediende met betaling van een opzeggingsvergoeding, de overeenkomst tussen de werkgever en de bediende over de duur van de in aanmerking te nemen opzeggingstermijn, die overeenkomstig artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepalend is voor de grootte van de verschuldigde opzeggingsvergoeding, slechts ten vroegste kan worden gesloten op het ogenblik waarop het ontslag wordt gegeven. Zulke overeenkomst mag derhalve tegelijkertijd met de kennisgeving van het ontslag gesloten worden.
De appelrechters nemen de tussen de partijen gesloten overeenkomst van 17 maart 2005, waarbij de verweerder onmiddellijk ontslagen wordt en de te betalen opzeggingsvergoeding wordt vastgesteld, niet in aanmerking omdat het niet bewezen is dat de eiseres haar uitdrukkelijke wil tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst aan de verweerder ter kennis had gebracht vooraleer die overeenkomst door de partijen werd opgesteld en ondertekend. Op grond hiervan kennen de appelrechters een aanvullende opzeggingsvergoeding toe. Het arrest schendt zodoende de als geschonden aangewezen wetsbepalingen.
Cass., S.08.0055.N, 19 oktober 2009.
Rustpensioen –– Voorrang Europees Gemeenschapsrecht – Toekenning gezinspensioen
Overeenkomstig artikel 5, §1, eerste lid, van het KB van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, wordt het recht op het rustpensioen verkregen naar rata van een breuk van het referteloon en in aanmerking genomen ten belope van: a) 75 pct., voor de werknemers van wie de echtgenoot elke beroepsarbeid, behalve die door de Koning toegestaan, heeft gestaakt en die geen rust- of overlevingspensioen en geen als dusdanig geldende uitkeringen geniet krachtens een Belgische wettelijke regeling, krachtens een regeling van een vreemd land of een regeling toepasselijk op het personeel van een volkenrechtelijke instelling; b) 60 pct. voor de andere werknemers.
Overeenkomstig artikel 5, §8, van het hierboven vermelde KB van 23 december 1996, vormt het genot in hoofde van een van de echtgenoten, van één of meer rust- of overlevingspensioenen of als zodanig geldende uitkeringen, toegekend krachtens een regeling van een vreemd land, geen beletsel voor de toekenning aan de andere echtgenoot van een rustpensioen berekend met toepassing van §1, eerste lid, a), van dit artikel, voor zover het globale bedrag van bovenbedoelde pensioenen en van de als zodanig geldende uitkeringen van de eerstgenoemde echtgenoot kleiner is dan het verschil tussen de bedragen van het rustpensioen van de andere echtgenoot, respectievelijk berekend met toepassing van §1, eerste lid, b), van dit artikel. Evenwel wordt in dat geval het totale bedrag van bovenbedoelde pensioenen en van de als zodanig geldende uitkeringen, van eerstgenoemde echtgenoot in mindering gebracht op het bedrag van het rustpensioen van de andere echtgenoot.
Zoals het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap heeft vastgesteld in het arrest van 5 oktober 1994 in de zaak C-165/91 (van Munster), verzet het Gemeenschapsrecht, inzonderheid de artikelen 39 en 42 van het EG-Verdrag, en artikel 4, eerste lid, van de Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 zich niet tegen een nationale wettelijke regeling die een "gezinspensioen" toekent aan een werknemer wiens echtgenoot elke beroepsarbeid heeft gestaakt en geen rustpensioen of als zodanig geldend voordeel geniet, maar hem een minder voordelig "alleenstaandenpensioen" toekent wanneer zijn echtgenoot een pensioen of als zodanig geldend voordeel geniet, en die zonder onderscheid van toepassing is op eigen onderdanen en op onderdanen van de andere Lid-Staten.
Volgens het arrest van het Hof van Justitie van 26 september 2000 in de zaak C-262/97 (Engelbrecht), kan de uitoefening van het recht van vrij verkeer binnen de Gemeenschap evenwel worden belemmerd, indien een sociaal voordeel dat een werknemer geniet, teloorgaat of wordt verminderd enkel en alleen doordat rekening wordt gehouden met de krachtens de wetgeving van een andere lidstaat aan zijn echtgenoot toegekende soortgelijke uitkering, hoewel de toekenning van laatstbedoelde uitkering enerzijds niet tot een verhoging van het gezinsinkomen heeft geleid en anderzijds gepaard ging met een verlaging van hetzelfde bedrag van het eigen pensioen dat de werknemer krachtens de wetgeving van diezelfde lidstaat ontvangt. Dat gevolg kan de communautaire werknemer er immers van weerhouden zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen en aldus een belemmering van die in artikel 39 van het EG-Verdrag neergelegde vrijheid opleveren. Er bestaat ook een benadeling van de communautaire werknemer die hem ervan kan weerhouden zijn recht op vrij verkeer uit te oefenen wanneer, zoals hier, die werknemer een minder voordelig alleenstaandenpensioen ontvangt en geen gezinspensioen, enkel en alleen doordat rekening wordt gehouden met het krachtens de wetgeving van een ander land van de Europese Gemeenschap aan zijn echtgenoot toegekende pensioen, hoewel die laatste uitkering verlaagd werd met het bedrag van het eigen pensioen dat aan die werknemer krachtens de wetgeving van diezelfde lidstaat is toegekend. Artikel 10 van het EG-Verdrag legt de lidstaten de verplichting op alle algemene en bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van de uit het Gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen te verzekeren.
Het arrest stelt vast dat de verweerder onbetwistbaar aanspraak kon maken op het Belgisch gezinspensioen indien de Nederlandse wetgeving voorzag, zoals voorheen, dat het AOW-pensioen voor 100 pct. betaalbaar was aan de man. Het geeft hiermee te kennen dat verweerders echtgenote geen beroepsactiviteit heeft uitgeoefend die in België aanleiding zou geven tot de toekenning van een rustpensioen. Het arrest oordeelt dat artikel 5, §1 en §8, van het KB van 23 december 1996 buiten toepassing moet worden gelaten omdat de toepassing ervan in dezen een schending van het Europese gemeenschapsrecht zou inhouden, en beslist, met bevestiging van het beroepen vonnis, dat de verweerder met ingang van 1 april 1998 gerechtigd is op een gezinsrustpensioen. De appelrechters schenden aldus de in het middel aangewezen wetsbepalingen niet.
Cass., S.08.0106.F, 9 november 2009.
Arbeidsovereenkomst – Ontslag – Opzeggingsvergoeding – Forfaitair karakter
Arbeidsovereenkomst – Ontslag – Wettelijk bepaalde opzeggingstermijn – Dwingend recht – Gunstigere termijn vastgesteld in arbeidsreglement
Il ressort de l'article 39, § 1er, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail que l'indemnité due par la partie qui résilie le contrat sans motif grave ou sans respecter le délai de préavis fixé aux articles 59, 82, 83, 84 et 115 de la même loi revêt un caractère forfaitaire.
En déduisant de ce caractère forfaitaire que la demanderesse n'a pas droit à la rémunération pour la période du 23 au 31 mars 1999, qui a suivi le congé, l'arrêt ne viole aucune des dispositions citées au moyen.
Aux termes de l'article 82, § 2, alinéa 1er, de la loi du 3 juillet 1978, dans sa version applicable aux faits, lorsque la rémunération annuelle ne dépasse pas 947.000 francs, le délai de préavis à observer par l'employeur est d'au moins trois mois pour les employés engagés depuis moins de cinq ans. L'arrêt constate que le règlement de travail dont se prévaut la demanderesse fixe à trente mois le préavis à donner à l'employé dont la rémunération n'excède pas 911.000 francs par an et qui est occupé pour une durée indéterminée depuis moins de cinq ans.
Après avoir considéré que l'article 82, § 2, est une disposition impérative en faveur des deux parties, l'arrêt décide que la demanderesse a droit à l'indemnité de préavis de trois mois de rémunération, conformément à cet article, au motif que « le règlement de travail ne peut déroger à la loi dans ses dispositions impératives ».En considérant que, en tant qu'il fixe un délai de préavis qui excède le minimum légal, le règlement de travail déroge à l'article 82, § 2, alinéa 1er, précité, l'arrêt viole cette disposition légale. Le moyen, en cette branche, est fondé.
Cass., S.08.0128.F, 9 november 2009.
Pensioen – Betaling van pensioenbijdragen - Bewijs
Aux termes de l'article 32, § 1er, b), de l'arrêté royal du 21 décembre 1967 portant règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, la preuve d'une occupation donnant ouverture au droit à la pension de retraite est administrée, pour la période postérieure au 31 décembre 1945, par tout document attestant que les cotisations de pension ont été retenues ou que le travailleur peut bénéficier des assimilations prévues aux articles 34, 35 ou 36 du même arrêté.
La production d'un document attestant que des cotisations ont été retenues dans un autre secteur, en l'occurrence celui de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, n'apporte pas la preuve nécessaire et suffisante que des cotisations de pension ont été retenues, en vue d'établir l'existence d'une occupation donnant ouverture au droit à la pension de retraite.
En décidant que la preuve d'une occupation donnant ouverture au droit à la pension de retraite est établie par un extrait d'une fiche d'assurabilité établie par un organisme assureur du secteur de l'assurance contre la maladie et
l'invalidité au motif que cela implique aussi que des cotisations sociales ont été retenues globalement par l'employeur pour être versées à l'Office national de la sécurité sociale et ensuite réparties entre les différents secteurs de la sécurité sociale, l'arrêt viole l'article 32, § 1er, b), de l'arrêté royal du 21 décembre 1967 précité.
Le moyen est fondé.
Cass., S.09.0044.N, 16 november 2009.
Sluiting onderneming – Tussenkomst Sluitingsfonds – Loon verschuldigd krachtens individuele of collectieve arbeidsovereenkomst - Premies voor een groepsverzekering
Artikel 2, §1, van de Sluitingswet 1967 zoals gewijzigd bij wet van 28 juli 1971 en later vervangen bij wet van 30 maart 1976, voor de opheffing ervan bij artikel 88 van de wet van 26 juni 2002, bepaalt dat, wanneer bij sluiting van een onderneming in de zin van de artikelen 2 en 2bis van de wet van 28 juni 1966 de werkgever zijn geldelijke verplichtingen tegenover zijn werknemers niet nakomt, het Fonds hen dient te betalen:
- de lonen verschuldigd krachtens de individuele of collectieve arbeidsovereenkomsten;
- de vergoedingen en voordelen verschuldigd krachtens de wet of collectieve arbeidsovereenkomsten.
Het arrest van 6 maart 2008 stelt vast dat de verweerder en diens werkgever een buiten het paritair comité gesloten collectieve arbeidsovereenkomst van 27 april 1988, die niet werd neergelegd bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, hebben uitgevoerd in die zin dat de erin bedongen premies voor een groepsverzekering door de werkgever werd uitbetaald tot 1 november 1989 en dat de verweerder zelf de verdere premies betaald heeft bij het in gebreke blijven hiervan door de werkgever. Het oordeelt op niet aangevochten wijze dat deze collectieve arbeidsovereenkomst bindend is voor de werkgever en de verweerder ingevolge de aanvaarding ervan, niet op basis van de CAO-wet, maar wel op basis van de algemene bepalingen van het verbintenissenrecht en besluit dat de premies voor groepsverzekering te dezen verschuldigd waren ingevolge een individueel aangegane overeenkomst. Betalingen waartoe de werkgever zich verbonden heeft als tegenprestatie van de in het kader van de arbeidsovereenkomst uitgevoerde arbeid zijn loon in de zin van artikel 2, §1, 1°, van de Sluitingswet 1967. De arresten oordelen op niet aangevochten wijze dat de betaling door de werkgever van de bedoelde premies voor een groepsverzekering een tegenprestatie van de in het kader van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid betreft en oordelen op grond hiervan dat het loon betreft in de zin van voormeld artikel 2, §1, 1°.
De bestreden arresten beslissen dienvolgens wettig dat de door de werkgever verschuldigde betaling van de premies voor de groepsverzekering ten laste van het Fonds kan worden gelegd binnen de wettelijk bepaalde begrenzing.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Cass., C.09.0256.N, 16 november 2009.
Ziekte en invaliditeit – Ziekenfonds – Subrogatievordering - Omvang
Krachtens artikel 136, §2, vierde lid, van de ZIV-wet 1994, treedt de verzekeringsinstelling rechtens in de plaats van de rechthebbende. Deze indeplaatsstelling geldt, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionerende stoornissen of overlijden geheel of gedeeltelijk vergoeden. Uit die bepalingen volgt dat de verzekeringsinstelling die aan het slachtoffer van schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, de bij de verplichte verzekering bepaalde prestaties heeft verleend, in de rechten van het slachtoffer treedt voor het geheel van de door haar verleende prestaties, tot beloop van het totaalbedrag van de geldsommen die de aansprakelijke derde of zijn verzekeraar, rekening houdend met de mogelijke verdeling van de aansprakelijkheid, in gemeen recht verschuldigd zijn ter vergoeding van die schade. Die subrogatie is niet beperkt tot een breukdeel van de verleende prestaties dat evenredig is aan het aandeel van de derde in de aansprakelijkheid voor de veroorzaakte schade.
Abonneren op:
Reacties (Atom)