Posts tonen met het label sociaal proces- en strafrecht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sociaal proces- en strafrecht. Alle posts tonen

26 oktober 2015

Toekomstperspectieven voor het sociaal strafrecht – Zin en onzin van bijzondere straffen in het sociaal strafrecht


Proloog

Op 17 juli ll. keurde de Ministerraad een voorontwerp van wet goed tot aanpassing van het sociaal strafwetboek. De inhoud ervan is me nog altijd onbekend, maar het is alvast een goed excuus om even ten persoonlijke titel uiteen te zetten welke aanpassingen mij aangewezen lijken. Vandaag als tweede thema:

Zin en onzin van bijzondere straffen in het sociaal strafrecht

Inleiding

Als het op straffen aankomt, zijn rechters niet zo creatief, zo stelde criminologe Kristel Beyens in 1998 vast. Straffen gebeurt immers in het noodzakelijke keurslijf van het legaliteitsbeginsel, en qua bestraffing kende het Strafwetboek lange tijd heel weinig reliëf: gevangenisstraf, geldboete, of beiden.

In 2002 werd wel de werkstraf als autonome straf ingevoerd. Met relatief succes, want al na 4 jaar bereikte het aantal werkstraffen een jaartotaal van ongeveer 10.000, cijfer dat sedertdien ook jaarlijks worden aangehouden. In het Justitieplan van minister Geens wordt opnieuw ingezet op het invoeren van alternatieven: de probatie als autonome straf, het elektronisch toezicht als afzonderlijke hoofdstraf, en de bijzondere verbeurdverklaring als autonome vermogensstraf (p. 43). Het zijn straffen die, eens ze zijn ingevoerd als autonome straf, ongetwijfeld ook toepassing zullen kennen in het sociaal strafrecht.

Toen in 2010 het Sociaal Strafwetboek werd ingevoerd, lanceerde de wetgever echter al enkele  ‘bijzondere strafsancties’ op maat van de frauderende werkgever, zijn aangestelden of zijn lasthebbers. Zo bepaalt artikel 106 van dit wetboek dat aan de veroordeelde in sommige gevallen een exploitatieverbod kan worden opgelegd. Ook de sluiting van onderneming kan in die gevallen worden bevolen. Artikel 107 maakt het dan weer mogelijk om aan beoefenaars van een beroep dat bestaat uit de verstrekking van raad of hulp, een beroepsverbod op te leggen.  

De zeldzame toepassing van bijzondere straffen in het sociaal strafrecht

Statistieken over het aantal exploitatie- en beroepsverboden en het aantal sluitingen van onderneming die werden uitgesproken op basis van deze wetsbepalingen, zijn me niet bekend. De rechtspraak van de correctionele rechtbank te Gent, zetelend in sociaal strafrecht, van de voorbije 4 jaar niet. Uit die rechtspraak blijkt dat de voornoemde bijzondere strafsancties zelden worden uitgesproken. Dit is niet alleen zo omdat de rechter het soms niet wenselijk acht, maar ook omdat de arbeidsauditeur het geregeld zelf niet opportuun vindt om een verbod of sluiting te vorderen.

De rechter vindt het soms niet aangewezen om een exploitatieverbod of sluiting te bevelen, in het licht van de voorwaarde gesteld in §3 van de artikelen 106 en 107: de veroordeling tot deze straffen moet in verhouding staan tot het geheel van de betrokken sociaal-economische belangen.Hierbij gaat het zowel om de belangen van de werknemers van de betrokken werkgever, als om de belangen van bvb. de leveranciers en de klanten van de werkgever, alsmede om de belangen van de werknemers van deze leveranciers en klanten. Zo ook zal o.a. rekening dienen te worden gehouden met de belangen van de aandeelhouders of van een moedervennootschap en met de invloed van de sluiting van een gedeelte van een onderneming op het productieproces van de rest van de onderneming, ….”, zo staat er in de memorie van toelichting bij het Sociaal Strafwetboek (Parl. St. 2008-2009, nr. 52-1666/1, p. 195).

Als voorbeeld van het geval waar een sluiting zeker gerechtvaardigd en proportioneel is, vermeldt de memorie van toelichting “het illegaal naaiatelier”. Dit doet spontaan denken aan een ‘sweatshop’ waar buitenlandse werknemers in mensonwaardige omstandigheden illegaal worden tewerkgesteld. Het zal de lezer echter niet verbazen dat het merendeel van de werkgevers die vandaag strafrechtelijk worden vervolgd niet in de totale, volledige illegaliteit opereren. Het gaat echter soms wel om werkgevers die bijzonder hardleers zijn, en waarbij de zoveelste strafvervolging de vraag rijst of ook de zoveelste geldelijke sanctie überhaupt een gedragsverandering teweeg zal brengen. Een sluiting komt in zo’n “(quasi) hopeloos geval”, bewoordingen uit de memorie van toelichting (Ibid.), zeker in aanmerking als daadkrachtig signaal. Aarzeling is er echter zeker ook want met de sluiting treft men ook de werknemers, die in de onderneming worden tewerkgesteld…

De arbeidsauditeur zal een exploitatieverbod of sluiting niet vorderen wanneer het hem van meet af aan duidelijk is dat de uitvoering ervan problematisch of zelfs totaal onmogelijk is. Het verbod of de sluiting is immers beperkt tot de onderneming of inrichting waar de inbreuk werd begaan. Nog los van de vraag hoe ruim het begrip ‘onderneming’ moet worden opgevat, gebeurt het dat de onderneming of de inrichting reeds werd gestaakt of gesloten tijdens het strafonderzoek, bijwijlen zelfs met frauduleuze bedoelingen. Werkgevers die hun ‘onderneming’ stopzetten  of hun inrichting zelf sluiten om een doorstart te nemen met een andere ‘onderneming’ of in een andere inrichting: de praktijk leert dat het voorkomt.

Ten slotte mag natuurlijk ook niet worden vergeten dat de bijzondere strafsancties vermeld in de artikelen 106 en 107 van het Sociaal Strafwetboek enkel kunnen worden opgelegd met betrekking tot inbreuken uit het wetboek waarvoor dit wordt voorzien. Zo moet worden vastgesteld dat deze straffen niet kunnen worden opgelegd bij sociaalrechtelijke valsheid en sociaalrechtelijke oplichting gepleegd door een werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber. Dit is toch wel vreemd, te meer in de memorie van toelichting wordt vermeld dat de sluiting van onderneming net kan worden ingezet tegen brievenbusvennootschappen (p. 194). Het gebruik van brievenbusvennootschappen (in het binnen- of buitenland) om bijdragen te ontduiken kwalificeert in de eerste plaats toch als sociaalrechtelijke oplichting. De sluiting bevelen is dan merkwaardig genoeg net géén optie...

Nood aan herdenking van bijzondere straffen in het sociaal strafrecht

De praktijk leert dat de bijzondere straffen uit het Sociaal Strafwetboek niet meteen een voltreffer zijn. Het gevolg is dat het sociaal strafrecht, met zijn ingebakken terughoudendheid ten aanzien van gevangenisstraffen, dreigt te “fiscaliseren”. Inbreuken worden in een zeer groot aantal gevallen louter financieel afgedaan. Het valt echter te betwijfelen of daarmee ook steeds een effectieve bestraffing wordt gerealiseerd.

Een kritische analyse en een herdenking van bijzondere straffen in het sociaal strafrecht dringt zich volgens mij dan ook op. Hierna vier concrete voorstellen.

1.     Verruim de draagwijdte van het exploitatieverbod

Het exploitatieverbod zou kunnen worden omgeturnd tot een beroepsverbod dat vandaag wel kan worden opgelegd aan raadgevers, maar niet aan werkgevers. Sommige personen bewijzen met het aanhoudend plegen van sociaalrechtelijke inbreuken dat zij in het algemeen niet geschikt zijn de rol van werkgever op een maatschappelijk verantwoorde manier op zich te nemen. Het komt dan weinig daadkrachtig over deze personen te verbieden een welbepaalde onderneming of inrichting te exploiteren, met name deze waar de inbreuk werd gepleegd, maar hen geen strobreed in de weg te leggen om andere ondernemingen en inrichtingen te exploiteren, met als risico dat daar dan (opnieuw) inbreuken worden gepleegd.

Het opleggen van een verruimd exploitatieverbod, waarbij abstractie wordt gemaakt van de onderneming of de inrichting waar de inbreuk werd begaan, geeft de rechter ook een echt alternatief voor de sluiting van de onderneming, waarvan hij/zij vreest dat ze al te gemakkelijk zal worden omzeild door de veroordeelde. Deze zal ten gevolge van het exploitatieverbod niet zomaar (tijdelijk) een “nieuwe” onderneming kunnen beginnen om de sluiting te ontduiken.

2.     Bescherm de werknemers beter bij een strafrechtelijke sluiting van onderneming

Wanneer een werknemer zijn arbeid niet kan presteren, omdat de onderneming of inrichting van zijn werkgever werd gesloten, dan kan de werkgever zich niet beroepen op overmacht om te ontsnappen aan zijn verplichtingen (art. 26 Arbeidsovereenkomstenwet).

Doordat de sluiting ertoe leidt dat de werknemer geen arbeid kan presteren, heeft hij echter geen recht op loon (Cass. 24 december 1979, Arr. Cass. 1979-1980, nr. 260). In de memorie van toelichting bij het Sociaal Strafwetboek wordt opgemerkt dat de werknemer in dat geval een vordering kan instellen tot het bekomen van een schadevergoeding voor het gederfde loon (zie ook Adv.-gen. H. LENAERTS, concl. bij Cass. 18 januari 1993, Arr. Cass. 1993, 66; M. DE VOS, Loon naar Belgisch arbeidsovereenkomstenrecht, Antwerpen, Maklu, 2000, 1021; K. VAN DEN LANGENBERGH, Schorsing van de arbeidsovereenkomst en het recht op arbeid, Antwerpen, Intersentia, 2009, nr. 58). Dit is natuurlijk mooi in theorie, maar legt toch een behoorlijke last op de schouder van de werknemer, die ter zake dus zelf initiatief moet nemen.

De vraag rijst bijgevolg of het niet effectiever en billijker zou zijn om elke werknemer die wordt getroffen door een sluitingsmaatregel zonder meer een recht op gewaarborgd loon toe te kennen en de Arbeidsovereenkomstenwet in die zin te wijzigen. Het voordeel van een arbeidsrechtelijke verankerde loonwaarborg is dat – mede door tussenkomst van de sociale secretariaten – verwacht mag worden dat de betaling ervan in principe spontaan zal gebeuren (vergelijk met de uitbetaling van andere vormen van gewaarborgd loon, waarvoor een werknemer doorgaans niet moet procederen).

Mijn voorstel is geïnspireerd door de artikelen 7:628 en 7:411 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek, die bij de arbeidsovereenkomst en de opdrachtovereenkomst een loondoorbetalingsplicht opleggen wanneer de schuldenaar geen arbeid heeft kunnen presteren of voltooien door een oorzaak die in redelijkheid aan de schuldeiser (werkgever of opdrachtgever) is te wijten. Men zou natuurlijk in het Belgisch arbeidsovereenkomstenrecht ook zo een algemene verplichting kunnen invoeren, maar minstens zou ze al kunnen worden opgelegd bij een strafrechtelijke sluiting van onderneming, die zonder meer geldt als een oorzaak van niet-uitvoering van de arbeid, die in redelijkheid aan de werkgever is te wijten.

3.     Haak de mogelijkheid tot het opleggen van bijzondere strafsancties vast aan sanctieniveau 4

Het niet kunnen opleggen van een exploitatieverbod of een sluiting van onderneming bij sociaalrechtelijke oplichting, waaronder de meest ernstige en georganiseerde vormen van sociale fraude kunnen worden gevat, houdt weinig steek. Dit gaat des te meer tegen het gezond verstand in wanneer men vaststelt dat de bijzondere strafsancties wel kunnen worden opgelegd bij de vrijwillige aantasting van de vertrouwelijkheid van gegevens in de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, een incriminatie die (logischerwijs) niet specifiek de werkgever viseert (art. 215 Sociaal strafwetboek). De incriminatie laat onder andere toe een persoon te bestraffen – met een sanctie van niveau 3 - die de KSZ-databank heeft gehackt. Of de sluiting van zijn onderneming(?) waar hij de inbreuk heeft gepleegd (?) in dat geval een gepaste straf is, valt te betwijfelen.

De zaak zou volgens mij heel wat eenvoudiger en coherenter kunnen worden gemaakt door de bijzondere strafsancties steeds mogelijk te maken bij een inbreuk van niveau 4 (of hoger, indien er ooit een niveau 5 wordt ingevoerd: zie mijn vorige bijdrage).

Hiertegen kan natuurlijk worden ingebracht dat de bijzondere strafsancties soms ook terecht worden mogelijk gemaakt bij inbreuken van niveau 3, zo bijvoorbeeld bij het ter beschikking stellen van personeel in strijd met het (principieel) verbod dat ter zake geldt. De bal kan echter worden teruggekaatst: waarom niet per definitie een sanctie van niveau 4 voor inbreuken die ook een exploitatieverbod of een sluiting van onderneming rechtvaardigen?

4.     Voer de ‘uitsluiting van sociale voordelen’ in als bijzondere of autonome straf

De bijzondere strafsancties uit het sociaal strafwetboek zijn bedoeld voor werkgevers, hun aangestelden, hun lasthebbers en raadgevers op gebied van sociale wetgeving. Voor frauderende sociaal verzekerden wordt geen bijzondere strafsanctie voorzien. De rechter zich dan ook genoodzaakt te kiezen uit het klassieke arsenaal. Ten aanzien van sociaal verzekerden wordt ook geregeld de werkstraf opgelegd.

Een instelling van sociale zekerheid kan op administratief vlak wel een geëigende strafsanctie opleggen: de uitsluiting voor een welbepaalde periode in de toekomst van het recht op uitkeringen (zie bv. wat betreft de mogelijkheid voor de RVA om sancties te treffen: artikelen 153-155 Werkloosheidsbesluit). Zodanige straf is in vele gevallen heel wat effectiever dan de geldboete of de werkstraf, zeker nu het stilaan algemeen aanvaard is dat het non bis in idem-beginsel zich verzet tegen de cumulatie van een strafrechtelijke sanctie met een administratieve sanctie.

De vraag rijst dan soms toch hoe zinvol het is een sociaal verzekerde een geldboete op te leggen, die hij uiteraard zal betalen met de sociale uitkeringen die hem niet werden ontzegd. Het wordt al helemaal pijnlijk voor de Belgische schatkist wanneer de sociaal verzekerde nalaat zijn geldboete te betalen, niettegenstaande hij sociale uitkeringen bleef ontvangen.

Ook een administratieve sanctionering is echter niet altijd even aangewezen. Zo bijvoorbeeld heeft het heel weinig zin een sociaal verzekerde die aan de hand van een fictieve tewerkstelling zijn toelaatbaarheid tot werkloosheidsuitkeringen heeft bekomen, uit te sluiten van het recht op uitkeringen. Eens de fraude is vastgesteld, zal de RVA immers tot het besluit komen dat de sociaal verzekerde eigenlijk niet toelaatbaar was en is tot het genieten van uitkeringen en zal hij sowieso geen uitkeringen meer genieten in de toekomst, ten minste totdat hij voldoende arbeids- of daarmee gelijkgestelde dagen heeft gepresteerd.

De invoering van de straf ‘uitsluiting van sociale voordelen’, die door de rechter zou kunnen worden opgelegd bij sociaalrechtelijke valsheid, sociaalrechtelijke oplichting en het verstrekken van onjuiste inlichtingen om een sociaal voordeel te komen, lijkt me dus zeker een zinvolle verrijking van het straffenarsenaal.

Ik zou de straf ook zo ruim opvatten dat zij de uitsluiting inhoudt van alle sociale voordelen, met uitzondering van het recht op maatschappelijke dienstverlening. Dit verijdelt situaties waarbij een sociaal verzekerde voor de ene uitkering wordt uitgesloten, maar tijdens zijn sanctieperiode andere uitkeringen gaat genieten, waarop hij alsnog gerechtigd is. Het grondrecht op een menswaardig bestaan (art. 23 Gw.) mag echter niet uit het oog worden verloren en rechtvaardigt wel het behoud van het recht op maatschappelijke dienstverlening.

De uitsluitingsstraf zou daarenboven als autonome straf kunnen worden ingevoerd, en dus niet als bijzondere straf die bovenop de gevangenisstraf of de geldboete moet worden uitgesproken. Mocht ervoor geopteerd worden deze straf in te voeren als bijzondere straf die kan worden opgelegd door de strafrechter in plaats van door de administratie, dan komt men alleszins niet in aanvaring met het non bis in idem-beginsel. Dit beginsel staat immers een tweede strafvervolging voor hetzelfde feit in de weg, maar niet het feit dat een rechter ter afsluiting van één welbepaalde strafvervolging meerdere types straffen oplegt en met elkaar cumuleert, in zoverre de wetgeving dit uiteraard mogelijk maakt.

17 oktober 2015

Controle van de gezinssituatie van werklozen – nieuwe procedure van kracht vanaf 28.08.2015

door Liesbet Hofman
 
Vanaf 28 augustus 2015 geldt een soepelere procedure voor het huisbezoek bij werklozen. Controleurs kunnen zich voortaan zonder verwittiging naar de woonplaats van de sociaal verzekerde begeven om de juistheid van diens gegevens in het werkloosheidsdossier na te gaan, met name inzake de gezinssituatie en verblijfplaats.

Tot voor 28 augustus moesten controleurs krachtens artikel 23 van de wet van 14 februari 1961 een strengere procedure volgen en de werkloze eerst schriftelijk uitnodigen voor een hoorzitting. Pas als zij na die hoorzitting aan de verklaringen twijfelden en een huisbezoek noodzakelijk achtten, konden zij de werkloze hiervoor om toestemming vragen. Dit artikel werd in 2000 onder meer ingevoerd omwille van bezorgdheden over het recht op privacy. Het gaf de uitkeringsgerechtigde echter de tijd om sporen van domiciliefraude weg te werken, wat het nut van de maatregel aanzienlijk beperkte.  De procedure van het huisbezoek was mede hierdoor buiten gebruik geraakt.

Artikel 23 van de wet van 14 februari 1961 werd door de programmawet van 10 augustus 2015 opgeheven, waardoor controleurs sinds 28 augustus 2015 voor het controleren van de gezinssituatie van de werkloze terugvallen op de bevoegdheden vermeld in het sociaal strafwetboek. Krachtens artikel 24 hebben zij onder meer toegang tot bewoonde ruimten "op verzoek of met toestemming van de persoon die het werkelijk genot heeft van de bewoonde ruimte; het verzoek of de toestemming moet schriftelijk en voorafgaand aan de visitatie worden gegeven."

De controleur kan zich nu dus zonder verwittiging naar de woonplaats van de sociaal verzekerde begeven, maar zal nog steeds expliciet, ondubbelzinnig en met opgave van de reden de schriftelijke toestemming moeten bekomen van de bewoner(s). Deze toestemming geldt als een afstand van het recht op privacy, maar geeft de controleurs geen vrijgeleide, aangezien het recht op privacy niet mag worden uitgehold. De mogelijkheden van de controleurs tijdens het huisbezoek zijn dan ook beperkt: zij mogen geen onderzoeksdaden verrichten of voorwerpen verplaatsen.

Doordat de algemene regels van het sociaal strafwetboek gelden, wint de procedure aan duidelijkheid en sluit ze beter aan bij de mogelijkheden die controleurs in andere situaties hebben, zoals bv. het onderzoeken van zwartwerk in een bewoonde ruimte. Bovendien is er meer overeenstemming met de mogelijkheden van andere diensten die de gezinssituatie van uitkeringsgerechtigden controleren, zoals bv. maatschappelijk assistenten van het OCMW, die zich eveneens ter controle van de gezinsituatie bij de woning kunnen aanbieden met het verzoek een huisbezoek af te leggen.

Rond deze nieuwe procedure is ook een onderrichting uitgevaardigd.[1] Deze benadrukt dat de selectie van de dossiers die zullen worden onderzocht op domiciliefraude, en waar een huisbezoek tot de mogelijkheden behoort, op dezelfde wijze zal blijven gebeuren.  Ook wordt beklemtoond dat de deontologische regels van de bescherming van de privacy en het principe van evenredigheid moeten eerbiedigd worden.

De wetswijziging toont het spanningsveld dat bestaat tussen het recht op privacy enerzijds en de strijd tegen sociale fraude anderzijds. Waar in 2000 de strengere procedure werd ingevoerd om het recht op privacy te vrijwaren, werd de versoepeling ingegeven door het belang van de strijd tegen fraude.

Het zoeken naar dit evenwicht is een delicate oefening. Essentieel is dat een degelijk onderzoek naar misbruiken mogelijk is, zonder dat onnodig inbreuk wordt gepleegd op beschermde waarden, zoals het recht op privacy, en zonder dat het recht wordt uitgehold. Deze wetswijziging vormt in dat kader een verbetering in het streven naar een evenwicht, in de veronderstelling dat de nieuwe onderrichting wordt nageleefd. Veel hangt dus af van de manier waarop in de praktijk met de bevoegdheden wordt omgesprongen.[2]
 


[1] Controle van de gezinssituatie van de werklozen – nieuwe procedure van kracht vanaf 28.08.2015, RioDoc 152937, consulteerbaar op www.rvatech.be

[2] Een uitgebreide bespreking van de waarborgen voor het recht op privacy in een onderzoek naar domiciliefraude, alsook een vergelijking tussen het onderzoek in het kader van de werkloosheidsuitkering en het leefloon, kan u terugvinden in mijn thesis 'L. Hofman, Waarborgen voor het recht op privacy bij het opsporen van domiciliefraude', gepubliceerd in het najaar van 2015 in het jaarboek Juridische Meesterwerken VUB 2015, Brussel, Larcier.

25 juli 2015

Toekomstperspectieven voor het sociaal strafrecht - De adequate bestraffing van ernstige en georganiseerde sociale fraude

door prof.dr. K. Nevens

Proloog

Op 17 juli ll. keurde de Ministerraad een voorontwerp van wet goed tot aanpassing van het sociaal strafwetboek. De inhoud ervan is me onbekend, maar het is alvast een goed excuus om even ten persoonlijke titel uiteen te zetten welke aanpassingen mij aangewezen lijken. Vandaag als eerste thema: De adequate bestraffing van ernstige en georganiseerde sociale fraude.

Inleiding
Enige tijd geleden verscheen op de website van de FBI het bericht dat de leider van een ‘Medicare’-fraudesysteem werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar. De betrokkene, bestuurder van twee instellingen die ambulante gezondheidszorgen verstrekten aan patiënten, schreef fictieve patiënten in en liet valse diagnoses opstellen door medewerkers. Zodoende kon hij ten onrechte 23 miljoen USD aan overheidssubsidies innen.
In België lijkt de recordveroordeling voor ernstige en georganiseerde sociale fraude voorlopig te staan op 7 jaar. De correctionele rechtbank van Brussel veroordeelde op 23 maart ll. een persoon tot die straf, omdat hij spilfiguur was bij het oprichten of gebruiken van vennootschappen om personen tegen betaling valse arbeidsovereenkomsten, valse loonbrieven of valse C4-formulieren te bezorgen, zodat zij ten onrechte sociale voordelen konden bekomen. In Gent werd een persoon voor gelijkaardige feiten, die weliswaar een mindere omvang hadden, tot 5 jaar gevangenisstraf veroordeeld.

Een maximale correctionele gevangenisstraf van 3 jaar vraagt (soms) depannage door het gemeen strafrecht om ernstige en georganiseerde sociale fraude ook ernstig te kunnen bestraffen
Beoefenaars van het sociaal strafrecht weten natuurlijk dat dergelijke zware straffen in België veeleer de uitzondering zijn, niet alleen omwille van de uitzonderlijke aard en omvang van de feiten, maar ook omdat zodanige straffen niet kunnen worden opgelegd op basis het Sociaal Strafwetboek alleen. Het zwaarste sanctieniveau, met name niveau 4, bepaalt immers een maximumgevangenisstraf van 3 jaar, zelfs wanneer de inbreuken op een georganiseerde wijze worden gepleegd.
De arbeidsauditeur die een zwaardere bestraffing wil bekomen, is en blijft dus aangewezen op de bepalingen van het gemeen strafrecht. Zo bijvoorbeeld kan er in combinatie met een sociaalrechtelijke inbreuk waarop een sanctie van niveau 4 staat, worden aangevoerd dat er sprake is van een criminele organisatie. Bij zwartwerk of sociale dumping kan er ook sprake zijn van mensenhandel door economische uitbuiting.  
‘Crimorg’ en mensenhandel blijven echter afzonderlijke misdrijven met hun eigen constitutieve bestanddelen, die bijgevolg ook afzonderlijk moeten worden bewezen. Zo oordeelde de correctionele rechtbank van Gent in een vonnis van 19 mei 2014 dat er géén sprake was van ‘crimorg’ bij het stelselmatig inschakelen van Oost-Europese schijnzelfstandigen in een Gentse auto-onderdelenfabriek. De rechtbank stelde dat het veeleer ging om organisatiecriminaliteit dan om georganiseerde criminaliteit…

Een maximale correctionele gevangenisstraf van 3 jaar maakt zelfs van ernstige en georganiseerde sociale fraude een mild gesanctioneerd wanbedrijf

De vraag rijst wat mij betreft zeker of de maximumbestraffing die het Sociaal Strafwetboek voorziet voor ernstige, ja zelfs georganiseerde sociale fraude, hoog genoeg is. Die vraag dringt zich volgens mij des te meer op, nu het jarenlang het beleid was van het departement Justitie om géén uitvoering te geven aan gevangenisstraffen onder de 3 jaar en er thans voor straffen onder de 3 jaar in beginsel uitvoering wordt gegeven via elektronisch toezicht.
De vraag kan trouwens worden gesteld of de maximumdrempel van 3 jaar niet net werd ingegeven door de realiteit van de gebrekkige strafuitvoering? Wou men door het maximum op 3 jaar te stellen de effectieve gevangenisstraf de facto uitsluiten voor de beteugeling van sociale fraude, zelfs indien wetens en willens, zelfs indien ernstig, zelfs indien georganiseerd?
Uit de memorie van toelichting bij het Sociaal Strafwetboek blijkt in elk geval dat de niet-uitvoering van gevangenisstraffen de wetgever alvast niet onbekend was. “De praktijk toont bovendien aan dat, behalve in de ernstige gevallen, de gevangenisstraf nooit uitgevoerd wordt, aangezien enerzijds met uitstel wordt uitgesproken en anderzijds de korte gevangenisstraffen niet worden uitgevoerd”, zo staat er (MvT, Parl. St. Kamer 2008-2009, nr. 52-1666,  38-39). Om die reden koos de wetgever resoluut de kaart van de  aan het sociaal strafrecht ‘meer aangepaste’ strafrechtelijke geldboete. Wat bij de wetgever blijkbaar toen nog niet was gedaagd, is dat ook de uitvoering van de penale geldboeten ernstig mank loopt. De audits van het Rekenhof uit 2007 en 2014 liegen er niet om…
Uit de memorie toelichting blijkt daarentegen niet echt waarom de maximum gevangenisstraf op  3 jaar werd gesteld.
Enerzijds wordt er geopperd dat zodoende de mogelijkheid behouden blijft voor de onderzoeksrechter om een aanhoudingsbevel uit te vaardigen in ernstige gevallen (MvT, Parl. St. Kamer 2008-2009, nr. 52-1666, 39). Dit is slechts mogelijk indien de straf minstens één jaar gevangenisstraf kan bereiken. Dit verklaart op zich echter nog niet waarom net werd gekozen voor een gevangenisstraf van 3 jaar, en niet bijvoorbeeld een beetje minder of een beetje meer. Anderzijds, zo wordt opgemerkt, biedt de maximumstraf van 3 jaar de mogelijkheid om de zwaarste gevallen te sanctioneren met een straf gelijk aan gevangenisstraffen voorzien voor gemeenrechtelijke inbreuken (Ibid.).

Overtuigend vind ik die laatste uitleg niet. Ten eerste wordt de sanctievork voor wanbedrijven, en de meeste misdrijven in het Strafwetboek kunnen in die categorie worden geplaatst,  gekenmerkt door een maximum gevangenisstraf 5 jaar (art. 25 Sw.). Ten tweede zijn er ook wel wat gemeenrechtelijke misdrijven die zwaarder kunnen worden bestraft dan met een maximum gevangenisstraf van 3 jaar.
Het wordt zelfs aberrant wanneer men zich voor de geest haalt dat een persoon die een welbepaald gemeenrechtelijk vermogensdelict pleegt dat enkel private belangen schaadt, zwaarder bestraft kan worden dan een sociaalrechtelijk vermogensdelict ten aanzien van het algemeen belang en/of de Belgische staat.

U wenst een sprekend voorbeeld?
De werkgever die een jaar lang een kuisvrouw in het zwart tewerkstelt zonder dimona-aangifte en zonder enige betaling van sociale bijdragen, riskeert op basis van artikel 181 het Sociaal Strafwetboek 3 jaar cel. Diezelfde kuisvrouw die op een dag beslist de kassa leeg te halen en (loon)diefstal pleegt, riskeert 5 jaar cel (art 461 Sw.; art. 464 Sw. inzake loondiefstal heeft enkel betrekking op de minimum gevangenisstraf).

Toegegeven, het zal niet gauw gebeuren dat een werknemer de maximumstraf van 5 jaar krijgt voor loondiefstal. Toch wordt er soms wel eens stevig gesanctioneerd, met een effectieve gevangenisstraf. In 2003 veroordeelt de correctionele rechtbank van Hasselt een werkneemster bijvoorbeeld tot 1 jaar effectieve gevangenisstraf, weliswaar op verstek, omdat ze 10.567,50 euro had gestolen van haar werkgever. Het gedurende verschillende jaren op een frauduleuze wijze tewerkstellen van 20 Oost-Europese arbeiders in het nepstatuut van schijnzelfstandige, met miskenning van de Belgische sociale wetgeving werd door de correctionele rechtbank van Gent enkel beteugeld met hoge geldboetes, niettegenstaande het openbaar ministerie een gevangenisstraf van 3 jaar had gevorderd, en het vermogensvoordeel duidelijk meer dan 10.567,50 euro bedroeg.
Nog een voorbeeld?
De persoon die met gebruikmaking van een spinconstructie, dit is door het inzetten van vennootschappen die men keer op keer bewust failliet laat gaan, een massale RSZ-schuld opbouwt en achterlaat, tot zelfs in de miljoenen (!) euro’s, riskeert op basis van het Sociaal Strafwetboek… 3 jaar gevangenisstraf wegens sociaalrechtelijke oplichting. Een ordinaire straatoplichter riskeert daarentegen 5 jaar cel. Zo veroordeelde de correctionele rechtbank van Mechelen in 2013 een man onder andere op basis van het gemeenrechtelijk misdrijf van oplichting tot deze maximumstraf. Hij had concerttickets verkocht, maar deze nooit geleverd na betaling door verschillende particulieren. Het vermogensvoordeel: €27.000. Een aardige som, maar in het licht van het nadeel veroorzaakt door één van de zovele gevallen van sociale fraude, toch ook: amper €27.000?

Pleidooi voor een sanctieniveau 5 ter beteugeling van ernstige en sociale fraude
Het Sociaal Strafwetboek kent vandaag 4 sanctieniveaus, maar zou volgens mij gebaat zijn bij een vijfde sanctieniveau, met als hoofdstraf een gevangenisstraf van 1 jaar tot 5 jaar. Ernstige en georganiseerde vormen van sociale fraude, zoals sociaalrechtelijke oplichting en valsheid, zouden met dit sanctieniveau beteugeld kunnen worden.

Verder kan er ook aan gedacht worden inbreuken van niveau 4 die wetens en willens of worden gepleegd, te beteugelen met een sanctie van dit hoger niveau. Is het immers – los van de mogelijkheid voor de rechter om de straf te moduleren – dat een werkgever die uit onachtzaamheid een inbreuk pleegt op de dimona-aangifteverplichting even zwaar wordt, of kan worden bestraft als een werkgever die moedwillig personeel in het zwart tewerkstelt?
Het invoeren van een sanctieniveau 5 laat volgens mij toe om ernstige en georganiseerde sociale fraude gepaster te sanctioneren en meer te onderscheiden van de sancties voor minder ernstige inbreuken, zeker wanneer zij uit onachtzaamheid werden gepleegd. De bestraffing van ‘miljoenenfraudes’ komt zo meer in verhouding tot de straffen die men in het gemeen strafrecht voor een vermogensdelict kan oplopen. Daarenboven wordt het opleggen van effectieve gevangenisstraffen een reële optie in het sociaal strafrecht en maakt men zodoende komaf met de hoge graad van symboliek die is verbonden aan de huidige maximale gevangenisstraf van 3 jaar.

De introductie van een sanctieniveau 5 kan gepaard gaan met een verdere depenalisering
Het voorstel om een extra sanctieniveau in te voeren, lijkt op het eerste gezicht onverzoenbaar met de algemene tendens om net voor een depenalisering van het sociaal strafrecht te pleiten, of zelfs een decriminalisering van de sociale wetgeving.

Zo vermeldt het justitieplan van minister Koen Geens  met verwijzing naar het ultimum remedium-karakter van de gevangenisstraf - het volgende:
Het aantal strafbepalingen wordt verminderd en vereenvoudigd. Alleen de inbreuken die écht strafwaardig worden beschouwd omdat de door het misdrijf geschonden belangen dermate fundamenteel zijn voor het algemeen maatschappelijk belang en omdat voor de slachtoffers herstel niet mogelijk is via andere wegen, komen nog voor de strafrechter. Zo wordt het strafrecht tot haar kerntaak teruggebracht, namelijk de bestraffing van de ernstige inbreuken. Andere onwenselijke gedragingen worden administratief of waar mogelijk zelfs zuiver burgerrechtelijk afgehandeld.” (p. 41, nr. 94) 
Wat betreft sociale fraude wordt nog concreter gezegd: “Waar de administratieve sanctionering al is ingevoerd (dit is bijvoorbeeld het geval in het sociaal, fiscaal en financieel strafrecht) wordt overwogen om de penale sanctionering af te schaffen. De strafrechtelijke weg wordt immers nog te vaak als de spreekwoordelijke stok achter de deur gebruikt, waardoor het hele bestraffingsmodel aan transparantie inboet en het non bis in idem- beginsel in het gedrang komt.” (p. 42, nr. 98).
Na kritiek vanuit de oppositie, die gewaagden van straffeloosheid voor fiscale en sociale fraude, verduidelijkte de minister echter dat hij de vervolging van zwaarwichtige sociaalrechtelijke inbreuken wel degelijk een kerntaak vindt voor justitie.
Het invoeren van een sanctieniveau 5 is volgens mij dan ook niet onverenigbaar met het justitieplan Geens, te meer het gepaard kan gaan met een evaluatie van de strafwaardigheid (in de enge zin, dus via het strafrecht) van de inbreuken van niveau 2 en 3. Immers, de meeste inbreuken van niveau 2 en 3 worden niet strafrechtelijk vervolgd en dit hoeft allicht ook niet, maar sommige van deze inbreuken komen volgens mij onder omstandigheden zeker in aanmerking voor een verhoging van sanctieniveau.
Typerend aan het huidige sociaal strafrecht is immers dat aangiftefraude systematisch zwaarder wordt bestraft dan betaalfraude. Zo wordt het niet aangeven van een werknemer via dimona bestraft met een sanctie van niveau 4 (art. 181 SSw.), terwijl het niet betalen van sociale bijdragen wordt bestraft met een sanctie van niveau 2 (art. 218 SSw). De buitenlandse werkgever die een gedetacheerde werknemer niet aanmeldt via limosa, riskeert een sanctie van niveau 4, terwijl  hij voor het niet-betalen van het Belgische minimumloon slechts een sanctie van niveau 2 kan oplopen. De geldboete kan sedert de wet van 25 april 2014  wel worden verhoogd tot niveau 4 indien er bij samenloop ook inbreuken op de arbeidsreglementering werden gepleegd (art. 162 SSw.).

De introductie van een sanctieniveau 5 is géén pleidooi voor algemeen hardere bestraffing, maar voor meer maatwerk, zowel intern als extern
Mijn pleidooi voor een sanctie van niveau 5 is géén repressief pleidooi om op lichtzinnige wijze de straf voor sociale fraude te verhogen. Het is daarentegen een pleidooi om de systematiek en de coherentie van de verschillende strafmaten te herbekijken, zowel intern als extern.

Intern, omdat er volgens mij nood is aan meer reliëf of nivellering. Ernstige en georganiseerde fraude moet ook ernstig worden beteugeld via het strafrecht. Moedwillige inbreuken (die wetens en willens gepleegd) moeten evenzeer gesanctioneerd worden. Inbreuken gepleegd uit onachtzaamheid vragen dan weer een grotere mildheid.

Niettegenstaande het sociaal strafwetboek vandaag reeds hier en daar een zwaardere straf oplegt voor bedrieglijke handelingen, is dit geen veralgemeende praktijk. Het geldt bijvoorbeeld wel voor het niet aangeven van prestaties aan de RSZ (van niveau 2 naar niveau 3 indien wetens en willens (art.218 SSw.)) maar niet voor het niet aangeven van een werknemer via dimona (niveau 4 ongeacht de intentie). Daarenboven botst de bestraffing van fraude sowieso op de sanctiegrens van 3 jaar gevangenisstraf.
Het gebrekkige onderscheid tussen inbreuken die wetens en willens worden gepleegd en deze die uit onachtzaamheid worden gepleegd, heeft conceptueel een kwalijk gevolg. Het brengt sommigen zoals Pacolet en Marchal ertoe te stellen dat elke inbreuk op de sociale wetgeving sociale fraude is (J. Pacolet en A. Marchal, “Sociale fraude en zwartwerk in België: zoektocht naar het ondefinieerbare?”, BTSZ 2003, afl. 3, 703. Dit komt ook tot uiting in artikel 1, §1 SSw., die een definitie van sociale fraude en illegale arbeid overnam uit een wet van 3 mei 2003. Wijst ook op de verruiming van sociale fraude tot elke inbreuk op de sociale wetgeving: J.-C. Heirman, “La fraude sociale: affaire de tous”, in C. Nagels en S. Smeets (eds.), La fraude sociale. Une priorité de politique criminelle?, Brussel, Bruylant, 2009, 139.).

Fraude moet volgens mij echter beperkt worden tot gedragingen die bedrieglijk worden gesteld (De vereiste van opzet bij het begrip fraude wordt onder andere in de verf gezet door A. Mikkers en E. van Schoten, Fraude: preventie en controle, Deventer, Kluwer, 2007, 5 en G. Schoorens, Naar een nationale strategische aanpak van de strijd tegen fraude, 2010, 11). Wie vergeet die lijn te trekken verliest uit het oog wat echt fraude is en bijgevolg ook wat penaal strafwaardig is, en wat niet.

Extern, omdat er volgens mij nood is om de strafmaten uit het sociaal strafwetboek toch nog eens in perspectief te plaatsen en vooral om deze te confronteren met deze uit het gemeen strafrecht.

Het is wetenschappelijk reeds meermaals aangetoond dat white collar crime minder zwaar wordt bestraft dan blue collar crime: de gevangenisstraf wordt minder vaak uitgesproken en wanneer ze wordt aangewend, is de opgelegde duur ervan doorgaans minder (zie hierover o.a. G. Smith, e.a., Studying fraud as white collar crime, New York, Palgrave McMillan, 2011, 91. Zie ook K. Beyens, Straffen als sociale praktijk, Brussel, VUBPress, 2000, 398-401). Aantijgingen van klassejustitie zijn dan nooit veraf.

De rechter kan echter niet voorbij aan de wettelijke grenzen die hem worden opgelegd, en spreekt vooral ook recht rekening houdende met het denkkader dat hem wordt aangereikt. Dit denkkader dicteert vandaag in vrij absolute termen dat de gevangenisstraf geen aangepaste straf is voor inbreuken op de sociale wetgeving. Enige relativering dringt zich nochtans op. In sommige gevallen moet ook het sociaal strafrecht zich effectief kunnen bedienen van het strafrechtelijke ultimum remedium, met name de effectieve gevangenisstraf.  

31 januari 2015

Non bis in idem breekt door bij de vervolging van fraude met werkloosheidsuitkeringen

Een werkloze kan volgens de eerste duidelijke stellingname van het hof van beroep te Gent niet strafrechtelijk worden vervolgd voor een inbreuk op de werkloosheidsreglementering, met name het niet schrappen van zijn controlekaart voor de aanvang van een activiteit, wanneer hij voor deze inbreuk reeds werd gestraft door de RVA met een uitsluiting van het recht op uitkeringen. Dit is in strijd met het algemeen rechtsbeginsel 'non bis in idem', zoals verankerd in artikel 14.7 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten en artikel 4.1 van het zevende protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dit protocol is voor België in werking getreden op 2 juli 2012.
 
Dit arrest werd gepubliceerd in het Nieuw Juridisch Weekblad 2015, afl. 315, 70, met noot van K. Nevens en A. Vanderhaeghen.

19 december 2014

Het begrip werknemer in artikel 22quater RSZ-wet (solidariteitsbijdrage bij niet-aangifte van een werknemer via dimona)

door K. Nevens

1. Artikel 22quater van de RSZ-wet bepaalt dat wanneer een sociaal controleur, inspecteur of een officier van gerechtelijke politie vaststelt dat een werkgever de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling bedoeld bij het koninklijk besluit van 5 november 2002 voor een bepaalde werknemer niet heeft gedaan, hij de Rijksdienst voor sociale zekerheid daarvan in kennis stelt.

Vervolgens bepaalt de Rijksdienst voor sociale zekerheid ambtshalve, in de vorm van een rechtzetting, het bedrag van een solidariteitsbijdrage berekend op een forfaitaire basis gelijk aan het drievoud van de basisbijdragen op het gemiddeld minimum maandinkomen. Het aldus berekend bedrag mag niet kleiner zijn dan 2.500 euro. Het bedrag van de solidariteitsbijdrage wordt wel verminderd met de bijdragen verschuldigd voor de daadwerkelijk aangegeven prestaties van de betrokken werknemer.
 Kortom, een werkgever is een solidariteitsbijdrage verschuldigd wanneer er “voor een bepaalde werknemer” geen dimonamelding werd gedaan, hetgeen op zich trouwens ook wordt strafbaar gesteld door artikel 181 van het Sociaal Strafwetboek.
2. De vraag rijst hoe het begrip ‘werknemer’ in artikel 22quater moet worden begrepen.
Ten eerste is het immers zo dat zowel de RSZ-wet als het KB van 5 november 2002 niet alleen van toepassing is op werknemers in de klassieke betekenis van het woord, i.e. een persoon verbonden met een arbeidsovereenkomst, maar ook op personen die met werknemers worden gelijkgesteld (cf. artt. 1, §1 en 2, §1, 1° RSZ-wet; artt. 1 en 2 KB van 5 november 2002). De vraag kan dus worden gesteld of het begrip ‘werknemer’ uit artikel 22quater in de enge zin moet worden opgevat, dan wel of het begrip ook slaat op degenen die met werknemers worden gelijkgesteld.
Ten tweede moet worden vastgesteld dat het KB van 5 november 2002 een ruimer toepassingsgebied heeft dan de RSZ-wet. Uit artikel 1, §1 van de RSZ-wet vloeit immers voort dat de Koning enkel de volgende personen kan gelijkstellen met werknemers: personen die, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, tegen loon arbeidsprestaties onder het gezag van een ander persoon verrichten of die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden, als die van een arbeidsovereenkomst. In artikel 2, 1°, a) van het KB van 5 november 2002 worden echter ook de volgende personen gelijkgesteld met werknemers: de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon. In tegenstelling tot de RSZ-wet vereist het KB van 5 november 2002 dus niet dat men zijn arbeid onder gezag ‘tegen loon’ zou verrichten, opdat men als een werknemer zou kunnen worden beschouwd.
Dat het personele toepassingsgebied van het KB van 5 november 2002 ruimer is dan deze van de RSZ-wet is niet onlogisch. Daar waar de dimona-aangifteverplichting in de strijd tegen zwartwerk en andere vormen van verdoken arbeid, slaat op elke vorm van tewerkstelling onder gezag, ongeacht de juridische kwalificatie van de arbeidsrelatie, viseert de RSZ-wet enkel arbeidsrelaties met een pecuniair karakter die toelaten bijdragen te heffen. De RSZ-wet is tenslotte niet van toepassing op personen die onbezoldigd arbeid verrichten, en dus geen loon ontvangen als tegenprestatie van hun arbeid (zie in die zin: Arbh. Luik 24 juni 2008, Or. 2009, 111). Het is niet de bedoeling van de wetgever en het zou ook enigszins absurd zijn om onvergoede arbeid aan bijdragen te onderwerpen, aangezien deze bijdragen net worden berekend op basis van de vergoeding (het loon) voor deze arbeid.
3. Het lijkt mij dat het begrip ‘werknemer’ begrepen moet worden in de zin van artikel 1 van de RSZ-wet, en niet in de zin van de artikelen 1 en 2 van het KB van 5 november 2002, en wel om de volgende redenen:
- wanneer de wetgever in één welbepaalde wet een begrip gebruikt dat in diezelfde wet op een bijzondere wijze wordt gedefinieerd, dan dient dit begrip ook in die betekenis te worden aangewend, met inbegrip van alle uitbreidingen en uitzonderingen op de gewone betekenis van het woord. De intern-systematische interpretatie is in dat geval de enige consistente interpretatie.
- uit de parlementaire stukken met betrekking tot de invoering van artikel 22quater blijkt duidelijk dat de wetgever een solidariteitsbijdrage heeft willen opleggen aan werkgevers die in het zwart een beroep hebben gedaan op personeel waarvoor bijdragen zijn verschuldigd. Dit laatste blijkt evenzeer uit het feit dat de verschuldigde bijdragen in rekening moeten worden gebracht op de solidariteitsbijdrage en uit de bredere doelstelling van artikel 22quater om de financiering van de sociale zekerheid te vrijwaren.

Het is vanuit die optiek dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 1 maart 2012 (nr. 28/2012) besliste dat de solidariteitsbijdrage uit artikel 22quater geen straf is in de zin van artikel 6 EVRM. Het Hof overwoog onder andere dat “uit de aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat die solidariteitsbijdrage beoogt alsnog socialezekerheidsbijdragen te innen voor een werknemer ten aanzien van wie werd vastgesteld dat diens prestaties niet tijdig werden aangegeven” (eigen onderlijning). Het Hof overwoog ook: “De in het geding zijnde solidariteitsbijdrage wordt berekend op een wijze die ertoe strekt de bijdragen, alsook de administratieve kosten verbonden aan de vaststelling van de niet-betaling van socialezekerheidsbijdragen voor arbeidsprestaties die niet zijn aangegeven bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, forfaitair te compenseren.” (eigen onderlijning)
Het is mijns inziens dus duidelijk niet de bedoeling van de wetgever om een solidariteitsbijdrage op te leggen aan een persoon die iemand onder gezag tewerkstellen zonder deze te vergoeden, zelfs indien deze op grond van het KB van 5 november 2002 verplicht is een dimona-aangifte te doen.
Een andersluidende interpretatie die erin zou bestaan het begrip werknemer uit artikel 22quater op te vatten in de zin van de artikelen 1 en 2 van het KB van 5 november 2002, zou ertoe kunnen leiden dat een solidariteitsbijdrage wordt geheven voor een tewerkstelling die niet aan bijdrageplicht is onderworpen en waarvoor de overheid ook geen administratieve kosten inzake de vaststelling van niet-betaling van socialezekerheidsbijdragen heeft of had moeten maken. Mocht die interpretatie worden aangenomen, dan zou de solidariteitsbijdrage bezwaarlijk nog als een burgerrechtelijke maatregel kunnen worden opgevat, en zou het mijns inziens – minstens voor die personen die niet bijdrageplichtig zijn – wel degelijk een bijkomende bestraffing betekenen, die louter voortvloeit uit het niet naleven van de dimona-aangifteverplichting.

4. Het bovenstaande leidt tot het besluit dat de initiële vaststellingen van de sociaal controleur, inspecteur of officier van gerechtelijke politie toch wel van belang zijn, zeker ook wat betreft het bezoldigd karakter van de arbeidsprestaties. In de praktijk wordt bij de vaststelling van zwartwerk immers niet zelden door de 'betrapte' werkgever en werknemer (in de zin van het KB van 5 november 2002) voorgehouden dat er sprake is van een "vriendendienst" of minstens, dat de prestaties niet werden vergoed. Het komt aan de vaststeller dus toe in zijn proces-verbaal de objectieve elementen of verklaringen aan te halen die aantonen dat de arbeidsprestaties werden bezoldigd of die minstens aantonen dat dit de bedoeling van de partijen was .

01 maart 2012

Solidariteitsbijdrage uit art. 22quater RSZ-wet is geen straf in de zin van art. 6 EVRM

 GwH 1 maart 2012, nr. 28/2012


De prejudiciële vraag

Schendt artikel 22quater van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, geïnterpreteerd in de zin dat [de] erin vervatte solidariteitsbijdrage een bijzondere manier van herstel of terugbetaling van burgerrechtelijke aard [betreft], bestemd om, in het belang van de financiering van de sociale zekerheid, een einde te maken aan een met de wet strijdige situatie, dan wel geïnterpreteerd als een straf in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en artikel 14 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, rekening houdend met de hoofdzakelijk repressieve doelstelling van de wetgever, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het artikel 14.7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en het algemeen rechtsbeginsel ‘ non bis in idem ’, nu het artikel 22quater, in zijn simultane toepassing met het artikel 28 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, kan worden opgelegd naast en boven een administratieve geldboete opgelegd in toepassing van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten ?

Het antwoord van het Hof

Op grond van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem, dat ook is gewaarborgd door artikel 14.7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, mag niemand voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds « overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land » bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken. Dat beginsel is eveneens opgenomen in artikel 4 van het niet door België geratificeerde Zevende Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
Het beginsel non bis in idem verbiedt « een persoon te vervolgen of te berechten voor een tweede ‘ misdrijf ’ voor zover identieke feiten of feiten die in hoofdzaak dezelfde zijn, eraan ten grondslag liggen » (EHRM, grote kamer, 10 februari 2009, Zolotoukhine t. Rusland, § 82).

Het verwijzende rechtscollege interpreteert artikel 22quater van de wet van 27 juni 1969 in die zin dat de in dat artikel bepaalde solidariteitsbijdrage hetzij « een bijzondere manier van herstel of terugbetaling van burgerrechtelijke aard » is, hetzij « een straf » is in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van artikel 14 van het Internationaal Verdrag voor burgerrechten en politieke rechten.

Opdat het beginsel non bis in idem op de in het geding zijnde solidariteitsbijdrage van toepassing kan zijn, dient die solidariteitsbijdrage allereerst een maatregel van strafrechtelijke aard te zijn.

Teneinde te bepalen of het beginsel non bis in idem op de in het geding zijnde maatregel van toepassing kan zijn, dient het Hof derhalve na te gaan of de in het geding zijnde bijdrage een maatregel van strafrechtelijke aard dan wel een maatregel van burgerlijke aard is.

Artikel 71 van de programmawet van 22 december 2008 heeft de in het geding zijnde bepaling ingevoegd in de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Die bepaling werd in de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord :
« Dit artikel voegt in de wet van 27 juni 1969 een nieuw artikel 22quater in, om de bijdragen verschuldigd door de werkgevers die een beroep hebben gedaan op personeel voor wie geen onmiddellijke aangifte van tewerkstelling (Dimona) werd gedaan (zwartwerk) op een forfaitaire manier te berekenen.
Ingevolge de controles door de verschillende diensten van sociale inspectie voert de Rijksdienst voor sociale zekerheid regularisaties op basis van de gedane vaststellingen uit.
Rekening houdend met de bewijslast voor voormelde Rijksdienst heeft de regularisatie - in de vorm van een rechtzettingsbericht - doorgaans enkel betrekking op een dag arbeidsprestaties, namelijk de dag van de controle, of zelfs op slechts enkele uren, terwijl de betrokken persoon sedert een veel langere periode is tewerkgesteld. Enkel de bekentenis van de werknemer of van zijn werkgever, evenals eensluidende getuigenissen van andere werknemers, maken het mogelijk langere perioden zonder een risico op betwisting te regulariseren.
Om dergelijke regularisatie te kunnen doen, moet de Rijksdienst een hele reeks handelingen verrichten, namelijk de identificatie van de werkgever (of zelfs het creëren van de werkgever bij de Kruispuntbank van ondernemingen indien hij daarin nog niet bestaat), de Dimona, de Dmfa (driemaandelijkse multifunctionele aangifte), het in rekening brengen van de verschuldigde bedragen, de verzending van de regularisatie naar de werkgever en, indien de bedragen niet worden betaald, de gerechtelijke invordering ervan.
Bij de Rijksdienst werd de oefening gemaakt om de kosten te evalueren van de behandeling van een kantschrift van een arbeidsauditeur die de ambtshalve onderwerping van een persoon vraagt op basis van een inspectieverslag (kosten per uur naargelang de graad van het personeelslid dat bij het proces is betrokken). Deze kosten werden op 348 euro geraamd indien een beroep moet worden gedaan op een advocaat om de schuldvordering langs gerechtelijke weg terug te vorderen. Deze schuldvordering bedraagt meestal minder dan 50 euro aan bijdragen, met daarbij horende kosten zoals bijdrageopslagen, forfaitaire interesten en vergoedingen.
Het voorgestelde artikel 22quater heeft dus tot doel een bijzondere wijze van vergoeding of teruggave van burgerlijke aard in te voeren om, in het belang van de financiering van de sociale zekerheid, een situatie strijdig met de wet te doen beëindigen door de werkgevers te verplichten een solidariteitsbijdrage te betalen, berekend op een forfaitaire basis gelijk aan het drievoud van de basisbijdragen, op het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen met een geïndexeerd minimumbedrag van 2 500 euro, waarbij aldus ervan wordt uitgegaan dat de werknemer voor wie de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling niet werd gedaan, langer dan een dag werd tewerkgesteld.
Indien de werkgever de werknemer aangeeft voor meer dan een dag tijdens bedoeld kwartaal, zullen de bijdragen verschuldigd voor de daadwerkelijke tewerkstelling van de werknemer worden afgetrokken van de geïndexeerde solidariteitsbijdrage van 2 500 euro. Het is zelfs mogelijk dat de werkgever de werknemer aangeeft voor een periode die overeenstemt met het volledig kwartaal, met een loon waardoor de verschuldigde bijdragen meer zullen bedragen dan de solidariteitsbijdrage, zodat laatstgenoemde bijdrage niet verschuldigd zal zijn.
Een uitzondering op de toepassing van de geïndexeerde solidariteitsbijdrage van 2 500 euro is evenwel voorzien : wanneer inspectiediensten zullen vastgesteld hebben dat de gecontroleerde werknemer zich in de materiële onmogelijkheid bevond om voltijdse arbeidsprestaties te verrichten.
In dit geval verkeert een student die tijdens het weekeinde is tewerkgesteld of voor wie vaststaat dat hij cursussen volgt tijdens de week, of een persoon die bij werkgever A halftijds is tewerkgesteld en voor wie de databanken van de Rijksdienst voor sociale zekerheid aantonen dat hij ook halftijds is aangegeven bij een andere werkgever voor dezelfde tewerkstellingsperiode. Deze verificatie zal gebeuren voordat de voor de regularisatie nodige informatie aan de Rijksdienst wordt medegedeeld.
In casu en als antwoord op de opmerking van de Raad van State, zal het bedrag van de solidariteitsbijdrage proportioneel verminderd worden, wanneer een werkgever zich beroept op een materiële onmogelijkheid om voltijdse arbeidsprestaties te verrichten bijvoorbeeld wanneer een werknemer de eerste maand van het trimester werkloosheidsuitkering genoot. De werkgever dient de nodige elementen aan te brengen zodat de reële prestaties van de werknemer kunnen worden vastgesteld. Indien de werkgever deze elementen niet geeft en ze niet kunnen afgeleid worden uit de databanken van de Rijksdienst voor Sociale zekerheid, zal de gehele solidariteitsbijdrage verschuldigd zijn.Bedoelde regularisatie zal aanleiding geven tot een rechtzettingsbericht met een specifieke boekhoudkundige referentie opdat het rendement van de maatregel op termijn kan worden geëvalueerd » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1607/001, pp. 51-53).

In de Senaat heeft de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid dienaangaande het volgende verklaard :
«Wanneer de inspectie vaststelt dat een werkgever voor een werknemer geen onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, de zogenaamde Dimona-aangifte, heeft gedaan, dient de inspectie om deze werknemer te kunnen regulariseren een hele reeks handelingen te verrichten, namelijk :
- de identificatie van de werkgever of zelfs de creatie van de werkgever bij de Kruispuntbank van ondernemingen indien hij daarin nog niet bestaat
- de Dimona
- de Dmfa (driemaandelijkse multifunctionele aangifte)
- het in rekening brengen van de verschuldigde bedragen
- de verzending van de regularisatie naar de werkgever
- indien de bedragen niet worden betaald, de gerechtelijke invordering ervan.
De kosten van deze handelingen van de inspectie, Rijksdienst voor Sociale zekerheid, arbeidsauditoraat en advocaat bij gerechtelijke invordering, weegt helemaal niet op tegen het gemiddeld bedrag van een schuldvordering. De inspectie dient namelijk op heden verschillende dagen een observatie van de werknemer uit te voeren om te kunnen bewijzen dat de werknemer meer dan één dag niet-aangegeven arbeid verrichte.
Artikel 71 voegt dan ook in de wet van 27 juli 1969 een artikel 22quater in dat tot doel heeft om, in het belang van de financiering van de sociale zekerheid, werkgevers die een beroep hebben gedaan op zwart werk, een forfaitaire solidariteitsbijdrage te doen betalen. Deze solidariteitsbijdrage werd berekend op een forfaitaire basis gelijk aan het drievoud van de basisbijdragen die betaald worden op het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen met een geïndexeerd minimumbedrag van 2 500 euro.
Indien de werkgever de werknemer alsnog aangeeft voor meer dan één dag in het bedoeld kwartaal, worden de betaalde bijdragen verrekend. Tevens wordt in geval de werkgever de materiële onmogelijkheid om voltijdse prestaties bewijst voor het geheel of een deel van het bedoeld kwartaal, dit verrekend » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1050/3, pp. 3-4).

Uit de aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat die solidariteitsbijdrage beoogt alsnog socialezekerheidsbijdragen te innen voor een werknemer ten aanzien van wie werd vastgesteld dat diens prestaties niet tijdig werden aangegeven. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat de werknemer voor wie de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling niet werd gedaan, langer dan een dag werd tewerkgesteld.

De in het geding zijnde solidariteitsbijdrage wordt berekend op een wijze die ertoe strekt de bijdragen, alsook de administratieve kosten verbonden aan de vaststelling van de niet-betaling van socialezekerheidsbijdragen voor arbeidsprestaties die niet zijn aangegeven bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, forfaitair te compenseren.

Hoewel het bedrag van die bijdrage weliswaar wordt berekend los van de duur van de niet-betaling van de bijdragen, op een forfaitaire basis gelijk aan het drievoud van de basisbijdragen die worden betaald op het gewaarborgde gemiddelde minimummaandinkomen, beperkt het zich ertoe als berekeningsbasis het « gemiddelde minimummaandinkomen » te nemen; bovendien, hoewel het verschuldigde bedrag in beginsel niet lager kan liggen dan 2 500 euro, kan dat bedrag worden verminderd met de bijdragen die verschuldigd zijn voor de daadwerkelijk aangegeven prestaties van de betrokken werknemer. In dat opzicht is tijdens de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling verklaard dat, wanneer « de werkgever de werknemer aangeeft voor een periode die overeenstemt met het volledige kwartaal, met een loon waardoor de verschuldigde bijdragen meer zullen bedragen dan de solidariteitsbijdrage […] laatstgenoemde bijdrage niet verschuldigd zal zijn » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1607/001, p. 52), en dit terwijl de sanctie waarin artikel 1bis, § 1, 5°, C), van de wet van 30 juni 1971 voorziet, van toepassing blijft. Wanneer de werkgever kan aantonen dat de werknemer zich in de materiële onmogelijkheid bevond om voltijdse arbeidsprestaties te verrichten, zal het bedrag van de solidariteitsbijdrage evenzo proportioneel worden verminderd.

De in het geding zijnde solidariteitsbijdrage heeft dus geen repressieve functie, daar zij voortvloeit uit de zorg van de wetgever om een forfaitair geëvalueerde schade te herstellen.

Daar de in het geding zijnde bepaling een maatregel van hoofdzakelijk burgerlijke aard invoert, in het belang van de financiering van de sociale zekerheid, kan het beginsel non bis in idem daarop niet van toepassing zijn en is de in het geding zijnde bepaling bijgevolg bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14.7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem.

22 september 2011

Grondwettelijk Hof vindt arbeidsrechtbanken de natuurlijke rechter inzake arbeidsongevallenverzekeringen, ook deze van gemeenrechtelijke aard

GwH, nr. 144/2011, 22 september 2011

Prejudiciële vraag

Schendt artikel 579, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, in die interpretatie dat de arbeidsgerechten geen kennis kunnen nemen van geschillen met betrekking tot de toepassing van de arbeidsongevallenwetgeving (in het kader waarvan moet worden begrepen alle wettelijke reglementeringen krachtens welke vergoedingen voor arbeidsongevallen moeten worden toegekend) en geen kennis kunnen nemen van geschillen met betrekking tot de toepassing van een gemeenrechtelijke verzekeringsovereenkomst die, op grond van artikel 55 van bijlage 3 van het koninklijk besluit van 6 mei 1971, moet worden gesloten door de gemeentelijke overheid die vrijwillige brandweerlieden in haar dienst tewerkstelt en dezelfde waarborgen moet bieden als die waarin de wet van 3 juli 1967 voor de beroepsbrandweerlieden voorziet, de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, met dien verstande dat beide groepen van brandweerlieden (de vrijwilligers en het beroepspersoneel) zich onbetwistbaar bevinden in een vergelijkbare situatie, aangezien zij zijn blootgesteld aan dezelfde risico's op ongevallen, zelfs indien een belangrijk verschil bestaat tussen beide groepen in zoverre de vrijwillige brandweerlieden zijn onttrokken aan de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wanneer hun trimestriële bezoldiging niet meer bedraagt dan 785,95 euro (geïndexeerd bedrag) (situatie waarin de heer Dupont zich bevindt), terwijl de beroepsbrandweerlieden van hun kant zonder enige uitzondering zijn onderworpen aan het socialezekerheidsstelsel dat op de werknemers van de overheidssector van toepassing is ?

Het antwoord van het Hof

In zijn arrest nr. 94/2009 van 4 juni 2009 heeft het Hof geoordeeld : "In de interpretatie dat de arbeidsrechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen betreffende de vergoeding van schade voortkomende uit ongevallen die worden gedekt door een gemeenrechtelijke ongevallenverzekering voor cursisten in beroepsopleiding, schendt artikel 579, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet".

Te dezen gaat het echter niet meer erom de situatie van de werknemers en leerjongens van een onderneming, enerzijds, en die van cursisten in beroepsopleiding, anderzijds, met elkaar te vergelijken wat betreft de rechtbank die bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen tot vergoeding van schade wegens een arbeidsongeval, maar wel vast te stellen of hetzelfde verschil in behandeling dat bestaat tussen de beroepsbrandweerlieden, enerzijds, en de vrijwillige brandweerlieden die niet aan de sociale zekerheid zijn onderworpen, anderzijds, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de wijze waarop de schade wordt verzekerd, op basis respectievelijk van een gemeenrechtelijke ongevallenverzekering of van de voormelde wet van 3 juli 1967.

De aard van de ongevallen die aanleiding geven tot de vorderingen tot vergoeding van de daaruit voortvloeiende schade en de omvang van de waarborgen die door de verzekeraars moeten worden verstrekt, zijn identiek of soortgelijk. De loutere omstandigheid dat die waarborgen onderscheidenlijk door de overheid overeenkomstig artikel 16 van de voormelde wet van 3 juli 1967 dan wel in een gemeenrechtelijke verzekering zijn verstrekt, kan niet verantwoorden dat verschillende rechtbanken bevoegd zouden zijn om uitspraak te doen over die vorderingen.

De vertrouwdheid van de arbeidsrechtbanken met de geschillen inzake arbeidsongevallen, de specifieke samenstelling van die rechtscolleges en de procedurele bijzonderheden, waaronder de wijze waarop de zaak bij de rechtbank wordt ingeleid (artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek), de bijstand van en de vertegenwoordiging door een afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie (artikel 728, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek) en de mogelijkheid van advies van het arbeidsauditoraat (artikel 766 van het Gerechtelijk Wetboek), bieden bijkomende waarborgen, die niet mogen worden onthouden aan personen die zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden.

Bovendien zou de onderscheiden bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg en van de arbeidsrechtbank ertoe kunnen leiden dat eenzelfde arbeidsongeval waarbij zowel een vrijwillige brandweerman als een beroepsbrandweerman zijn betrokken, door onderscheiden rechtbanken zou moeten worden beoordeeld. Daaruit volgt dat de onderscheiden bevoegdheid van de arbeidsrechtbank en de rechtbank van eerste aanleg ter zake niet redelijk is verantwoord.

De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

02 september 2011

Adv.-gen. Piet Van den Bon maakt een portret van de (georganiseerde) sociale fraude in België

De integrale tekst van de Mercuriale van Procureur-generaal Yves Liégeois, met bijdrage van Advocaat-generaal Piet Van den Bon kan u raadplegen door hier te klikken.

De advocaat-generaal heeft het over het fenomeen van (georganiseerde) sociale fraude en de daaruit voortvloeiende druk op de Belgische sociale zekerheid en de maatschappij in het algemeen.

18 november 2010

Pesterijen op het werk: interview met Peeters & Pichal

door K. Nevens

Naar aanleiding van de feiten bij het bedrijf Mactac, die vandaag heel wat aandacht kregen in de media, werd ik door Peeters & Pichal geïnterviewd over de juridische aspecten van pesterijen op het werk.

De geïnteresseerden kunnen het interview herbeluisteren op de website van Radio 1.

18 september 2010

GwH reikt - wat betreft tewerkstelling in Brussel - oplossing aan voor conflict tussen Taalwet gerechtszaken (1935) en Taalwet bestuurszaken (1966)

GwH 16 september 2010, nr. 98/2010

de prejudiciële vraag

Schendt artikel 4, § 1, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM,
in zoverre het aan een werknemer die het Nederlands niet beheerst en ten aanzien van wie zijn werkgever, van wie de maatschappelijke zetel in het Nederlandse taalgebied is gevestigd, ertoe is gehouden het Frans te gebruiken voor de arbeidsverhoudingen krachtens de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966, de verplichting oplegt om de gerechtelijke procedure die hij tegen die werkgever aanspant, in te leiden en voort te zetten in het Nederlands, zonder dat hij kan vragen om de taal te veranderen, terwijl, enerzijds, de werknemers die worden tewerkgesteld door een werkgever die eveneens ertoe is gehouden het Frans te gebruiken voor de arbeidsverhoudingen maar van wie de maatschappelijke zetel in het Franse taalgebied of in een gemeente van de Brusselse agglomeratie is gevestigd, rechtsgeldig een gerechtelijke procedure in het Frans tegen hun werkgever kunnen inleiden, en terwijl, anderzijds, de verwerende rechtzoekenden in het kader van een gerechtelijke procedure, in tegenstelling tot de eisers, het recht hebben te vragen dat de rechtspleging in een andere taal zou worden voortgezet?

Het antwoord van het Hof

Artikel 4 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken bepaalt :

« § 1. Behoudens de gevallen van artikel 3 wordt het gebruik der talen voor geheel de rechtspleging in betwiste zaken voor de gerechten van eerste aanleg waarvan de zetel in het arrondissement Brussel is gevestigd, en, wanneer de vordering het bedrag vastgesteld in artikel 590 van het Gerechtelijk wetboek overschrijdt, voor de politierechtbank van Brussel die zitting houdt in de aangelegenheden bedoeld in artikel 601bis van hetzelfde Wetboek geregeld als volgt :
De akte tot inleiding van het geding wordt in het Fransch gesteld, indien de verweerder woonachtig is in het Frans taalgebied; in het Nederlandsch, indien de verweerder woonachtig is in het Nederlands taalgebied; in het Fransch of in het Nederlandsch, ter keuze van den eischer, indien de verweerder woonachtig is in eene gemeente van de Brusselsche agglomeratie of geen gekende woonplaats in België heeft.
De rechtspleging wordt voortgezet in de taal der akte tot inleiding van het geding, tenzij de verweerder, voor alle verweer en alle exceptie, zelfs van onbevoegdheid, vraagt dat de rechtspleging in de andere taal wordt voortgezet.
§ 2. De bij de vorige alinea voorziene aanvraag wordt mondeling gedaan door den verweerder die in persoon verschijnt; zij wordt schriftelijk ingediend, wanneer de verweerder bij lasthebber verschijnt. Het geschrift moet van de hand zijn van verweerder en door hem zelf onderteekend; het blijft aan het vonnis gehecht.
De rechter doet op staanden voet uitspraak. Hij kan weigeren op de aanvraag in te gaan, indien uit de elementen van de zaak blijkt dat de verweerder eene toereikende kennis bezit der taal gebruikt voor het opmaken der akte tot inleiding van het geding. De beslissing van den rechter moet met redenen omkleed zijn; zij is voor verzet noch voor beroep vatbaar. Zij is uitvoerbaar op de minuut en voor registratie, zonder andere rechtspleging noch vormvereischten; de uitspraak van de beslissing, zelfs in afwezigheid van partijen, geldt als beteekening.
§ 3. Dezelfde aanvraag tot voortzetting in de andere taal mag, onder dezelfde voorwaarden, worden gedaan door de verweerders die gedomicilieerd zijn in een der volgende gemeenten: Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel, Wezembeek-Oppem ».

Volgens het Hof van Cassatie is de woonplaats van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid, in de zin van het Gerechtelijk Wetboek, de plaats waar zij haar maatschappelijke zetel heeft gevestigd (Cass., 23 november 1987, Arr. Cass., 1987-1988, p. 382; Cass., 29 mei 1995, Arr. Cass., 1995, p. 522).

De artikelen 1 tot 3 van de in het geding zijnde wet bepalen:

« Artikel 1. Voor de burgerlijke rechtbanken en rechtbanken van koophandel van eerste aanleg, en de arbeidsrechtbanken, die hun zetel hebben in de provincies Henegouwen, Luxemburg en Namen en in de arrondissementen Nijvel, Luik, Hoei en Verviers, wordt de gehele rechtspleging in betwiste zaken in het Frans gevoerd.
Art. 2. Voor de burgerlijke rechtbanken en rechtbanken van koophandel van eerste aanleg, en de arbeidsrechtbanken die hun zetel hebben in de provincies Antwerpen, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Limburg en in het arrondissement Leuven, wordt de gehele rechtspleging in betwiste zaken in het Nederlands gevoerd.
Art. 2bis. Voor de burgerlijke rechtbanken en rechtbanken van koophandel van eerste aanleg, en de arbeidsrechtbank die hun zetel hebben in het arrondissement Eupen wordt de gehele rechtspleging in betwiste zaken in het Duits gevoerd.
Art. 3. De bij artikel 2 vastgestelde regel geldt insgelijks voor de vredegerechten en, wanneer de vordering het bedrag, vastgesteld in artikel 590 van het Gerechtelijk Wetboek, niet overschrijdt, voor de politierechtbanken van het arrondissement Brussel die zitting houden in de aangelegenheden bedoeld in artikel 601bis van hetzelfde Wetboek en wier rechtsgebied uitsluitend uit Vlaamse gemeenten bestaat gelegen buiten de Brusselse agglomeratie.
Hij is eveneens van toepassing op de vorderingen die worden ingesteld voor de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank, de rechtbank van koophandel en, wanneer de vordering het bedrag vastgesteld in artikel 590 van het Gerechtelijk Wetboek overschrijdt, de politierechtbanken die zitting houden in de aangelegenheden bedoeld in artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek, waarvan de zetel in het arrondissement Brussel is gevestigd, wanneer een zaak voor de rechtbank aanhangig wordt gemaakt op grond van een territoriale bevoegdheid bepaald door een plaats welke zich op het grondgebied van een van voormelde gemeenten bevindt ».

Artikel 8 van de in het geding zijnde wet bepaalt:

« Indien de stukken of documenten, in een geding overgelegd, in eene andere taal dan die der rechtspleging gesteld zijn, kan de rechter, op verzoek der partij tegen dewelke die stukken of documenten worden ingeroepen, hiervan de overzetting in de taal der rechtspleging bevelen bij eene met redenen omkleede beslissing. De beslissing van den rechter is noch voor verzet noch voor beroep vatbaar. De kosten van vertaling worden mede begroot ».

Artikel 30 van de in het geding zijnde wet bepaalt :

«Voor al de burgerlijke rechtbanken en rechtbanken van koophandel, gebruiken de persoonlijk ter zitting verschijnende partijen, voor al haar gezegden en verklaringen, de taal die zij verkiezen. Hetzelfde geldt voor het verhoor over feiten en vraagpunten en voor den gedingbeslissenden en den aanvullenden eed.
Wanneer de rechter de door partijen of door een harer gebruikte taal niet verstaat, doet hij een beroep op de medewerking van een beëdigd tolk.
Een partij die in persoon verschijnt en die de taal van de rechtspleging niet begrijpt, wordt bijgestaan door een beëdigd tolk die het geheel van de mondelinge verklaringen vertaalt.
De kosten van vertaling zijn ten laste der Schatkist ».

De verwijzende rechter vraagt aan het Hof of het voormelde artikel 4 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre, enerzijds, enkel de verweerder is gemachtigd om een verandering van de taal van de rechtspleging te vragen (eerste onderdeel) en in zoverre, anderzijds, een werknemer tot wie zijn werkgever zich krachtens artikel 52, § 1, van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken in het Frans moet richten, verplicht is om zijn vordering in het Nederlands in te stellen en voort te zetten indien zijn werkgever in het Nederlandse taalgebied woont, terwijl dat niet het geval zou zijn indien deze laatste in het Franse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad zou wonen (tweede onderdeel). In dat verband vraagt de verwijzende rechter zich meer in het bijzonder af of het criterium dat steunt op de plaats van de maatschappelijke zetel van de werkgever een relevant criterium is teneinde, binnen het gerechtelijk arrondissement Brussel, de taal te bepalen waarin een van zijn werknemers tegen die werkgever in rechte kan optreden.

Artikel 52, § 1, van de voormelde gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 bepaalt :

«Voor de akten en bescheiden, die voorgeschreven zijn bij de wetten en reglementen en voor die welke bestemd zijn voor hun personeel, gebruiken de private nijverheids-, handels- of financiebedrijven de taal van het gebied waar hun exploitatiezetel of onderscheiden exploitatiezetels gevestigd zijn.
In Brussel-Hoofdstad stellen de bedrijven die bescheiden in het Nederlands wanneer zij bestemd zijn voor het nederlandssprekend personeel en in het Frans wanneer zij bestemd zijn voor het franssprekend personeel ».

Bij de regeling van het taalgebruik in gerechtszaken dient de wetgever de individuele vrijheid van de rechtsonderhorige om zich van de taal van zijn keuze te bedienen te verzoenen met de goede werking van de rechtsbedeling. Bovendien dient de wetgever daarbij rekening te houden met de taalverscheidenheid die verankerd is in artikel 4 van de Grondwet, dat vier taalgebieden vastlegt, waarvan er één tweetalig is. Hij vermag dan ook de individuele vrijheid van de rechtsonderhorige ondergeschikt maken aan de goede werking van de rechtsbedeling.

Dat neemt niet weg dat, wanneer de wetgever, ter uitvoering van artikel 30 van de Grondwet, het gebruik van de talen regelt voor gerechtszaken, hij hierbij het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gewaarborgde beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dient te eerbiedigen.

Uit de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling blijkt dat de regel volgens welke enkel de verweerder, krachtens artikel 4, § 1, derde lid, van de in het geding zijnde wet, kan vragen om de taal te veranderen van de rechtspleging voor een gerecht van eerste aanleg waarvan de zetel in het arrondissement Brussel is gevestigd, in het verlengde ligt van artikel 4, § 1, tweede lid, van dezelfde wet krachtens hetwelk de akte tot inleiding van het geding voor een dergelijk rechtscollege in het Frans wordt gesteld indien de verweerder in het Franse taalgebied woont en in het Nederlands indien de verweerder in het Nederlandse taalgebied woont. Zodoende geeft de wetgever « voorrang aan de taal van den verweerder. Deze moet dus vóór alles weten wat men van hem vergt » (Parl. St., Senaat, 1934-1935, nr. 86, p. 14; Hand., Senaat, 11 april 1935, p. 516).

Het gebruik van de talen maakt evenwel het voorwerp uit van bijzondere bepalingen inzake de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel. Met toepassing van het voormelde artikel 52, § 1, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken gebruiken de werkgevers, voor de akten en bescheiden die bij de wet en de reglementen zijn voorgeschreven en voor die welke bestemd zijn voor hun personeel, de taal van het gebied waar « hun exploitatiezetel of onderscheiden exploitatiezetels » gevestigd zijn, waarbij die bescheiden, in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, in het Frans of in het Nederlands worden gesteld naargelang het personeel voor wie zij bestemd zijn, Frans of Nederlands spreekt.

Bovendien bepaalt artikel 627, 9°, van het Gerechtelijk Wetboek dat, voor de geschillen inzake arbeidsovereenkomsten, enkel « de rechter van de plaats waar de mijn, de fabriek, de werkplaats, het magazijn, het kantoor gelegen is en in het algemeen, van de plaats die bestemd is voor de exploitatie van de onderneming, de uitoefening van het beroep of de werkzaamheid van de vennootschap » bevoegd is om kennis te nemen van de vordering, en het is op diezelfde plaatsen dat de werkgever kan worden gedagvaard of opgeroepen bij verzoekschrift op tegenspraak (artikel 704, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek).

Indien artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in die zin moet worden geïnterpreteerd dat, wanneer de verweerder een rechtspersoon is, de taal van het gedinginleidende exploot wordt bepaald op grond van zijn maatschappelijke zetel, zelfs in de geschillen met betrekking tot het arbeidsrecht, terwijl de
partijen er op geen enkele wijze « sociale betrekkingen » hebben aangeknoopt, brengt het, ten nadele van de werknemers die hun prestaties in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad verrichten, een verschil in behandeling teweeg dat niet redelijk is verantwoord.
Niets verantwoordt immers dat het proces waarin een werknemer en een werkgever tegenover elkaar staan die, overeenkomstig hun wettelijke verplichtingen, het Frans of het Nederlands hebben gebruikt in hun sociale betrekkingen - ook in de geschillenfase van die betrekkingen -, in de andere taal dient plaats te vinden, waarbij de maatschappelijke zetel van de vennootschap die de werknemer tewerkstelt als lokalisatiecriterium wordt genomen, terwijl zij er geen sociale betrekkingen hebben aangeknoopt. Die verplichting om die rechtspleging in een andere taal te voeren dan die van de arbeidsverhoudingen is niet in overeenstemming met de rechten van de verdediging van de werknemer, die zich zal moeten verantwoorden in een taal die niet de zijne is, noch met de goede werking van het gerecht, aangezien de rechters de zaak in een andere taal zullen moeten behandelen dan die van de stukken die hun worden voorgelegd, en zij riskeert kosten en onnodige traagheid met zich mee te brengen, aangezien zij het noodzakelijk kan maken dat een beroep wordt gedaan op beëdigde vertalers en tolken, zoals de artikelen 8 en 30 van de in het geding zijnde wet bepalen.
De maatregel is des te minder verantwoord daar de werkgever, rechtspersoon, per definitie heeft aangetoond dat hij in staat is om de taal van de werknemer te begrijpen en te gebruiken door zich in die taal tot hem te richten, zoals bij artikel 52 van de voormelde gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 wordt vereist.

In deze interpretatie dient het tweede onderdeel van de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.

De in het geding zijnde bepaling kan evenwel op een andere manier worden geïnterpreteerd in zoverre zij van toepassing is op de sociale betrekkingen tussen een werkgever en zijn personeel.
Gelezen in het licht van de desbetreffende teksten, kunnen de bewoordingen « indien de verweerder woonachtig is in het […] taalgebied […] » in die zin worden geïnterpreteerd dat zij, in de geschillen met betrekking tot het arbeidsrecht, de plaats aanwijzen waar de partijen sociale betrekkingen hebben aangeknoopt, namelijk op de exploitatiezetel.

Het criterium van de exploitatiezetel is overigens eveneens het criterium dat moet worden toegepast om de sociale betrekkingen te lokaliseren in de zin van artikel 129, § 1, 3°, van de Grondwet, dat aan de gemeenschappen de bevoegdheid verleent om het gebruik van de talen in de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel te regelen.
Bij zijn arrest nr. 9/86 van 30 januari 1986 heeft het Hof geoordeeld dat om aan de grondwettelijke vereisten te beantwoorden, de lokalisatiecriteria het mogelijk moeten maken om « de plaats te situeren waar de sociale betrekkingen tussen de werkgever en zijn personeel hoofdzakelijk tot stand komen »

Bij zijn arrest nr. 10/86 van 30 januari 1986 heeft het Hof geoordeeld dat het criterium van de « exploitatiezetel » in overeenstemming was met de grondwettelijke vereisten aangezien « daar […] doorgaans de opdrachten en instructies aan het personeelslid [worden] gegeven, […] hem alle mededelingen [worden] gedaan en […] hij zich tot zijn werkgever [wendt] » en aangezien « de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen […] zich normaal in de exploitatiezetel [bevinden] of […] tenminste daar [kunnen] worden gesitueerd »

Bij zijn arrest nr. 29/86 van 18 november 1986 heeft het Hof de criteria « plaats van tewerkstelling van het personeel », « maatschappelijke zetel » en « woonplaats van de werkgever » verworpen aangezien zij « telkens slechts één van de partijen bij de sociale betrekkingen binnen het bedoelde bevoegdheidsgebied, te weten voor het eerste het personeel, en voor de beide andere de werkgever, en niet zoals grondwettelijk vereist, de ‘ sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel ’ zelf » lokaliseren, waarbij opnieuw wordt beklemtoond dat de exploitatiezetel, met andere woorden « iedere vestiging of centrum van activiteit met enige standvastigheid », het grondwetsconforme criterium is.

Aangezien in deze interpretatie het in het tweede onderdeel van de prejudiciële vraag beschreven verschil in behandeling onbestaande is, dient dat onderdeel ontkennend te worden beantwoord.