Posts tonen met het label maatschappelijke dienstverlening. Alle posts tonen
Posts tonen met het label maatschappelijke dienstverlening. Alle posts tonen

17 april 2012

Aanspraak van EU-burgers en hun familieleden op maatschappelijke dienstverlening eerste drie maanden uitgesloten

Burgerschap van de Unie verleent iedere burger van de Unie, binnen de beperkingen van het Verdrag en de maatregelen tot uitvoering daarvan, een fundamenteel en persoonlijk recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten.

De Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden bepaalt evenwel dat het gastland dient bevoegd te blijven om te beslissen over de toekenning aan andere personen dan werknemers, zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden, van sociale bijstand tijdens de eerste drie maanden van verblijf, of tijdens een langere periode in het geval van werkzoekenden, of over de toekenning van levensonderhoud voor studies, beroepsopleiding inbegrepen, vóór de verwerving van het permanente verblijfsrecht.

De mogelijkheid, de burger van de Unie in sommige gevallen geen maatschappelijke dienstverlening toe te kennen werd uitdrukkelijk voorzien in artikel 24.2 van voormelde Richtlijn : "(...) is het gastland niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen, gedurende de eerste drie maanden van verblijf of, in voorkomend geval de in artikel 14, lid 4, onder b), bedoelde langere periode, noch is het verplicht om vóór de verwerving van het duurzaam verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te kennen voor studies, inclusief beroepsopleiding, in de vorm van een studiebeurs of -lening, aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden".

In Belgisch recht werd tot nu toe nog geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid voor de lidstaten de burger van de Unie en zijn familieleden geen sociale bijstand toe te kennen. De wetgever heeft deze mogelijkheid benut door middel van de wet van 19 januari 2012 tot wijziging van de wetgeving met betrekking tot de opvang van asielzoekers (Belgisch Staatsblad 17 februari 2012) die ook de organieke O.C.M.W.-wet van 8 juli 1976 wijzigt.

Met zijn artikel 12 voegt de wet van 19 januari 2012 in voormelde organieke wet een nieuw artikel 57quinquies in, dat luidt als volgt :
« In afwijking van de bepalingen van deze wet is de maatschappelijke dienstverlening door het centrum niet verschuldigd aan onderdanen van lidstaten van de Europese Unie en hun familieleden gedurende de eerste drie maanden van het verblijf of, in voorkomend geval de langere periode zoals bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 1°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, noch is het verplicht om vóór de verwerving van het duurzame verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te kennen. »
Deze wetsbepaling is op 27 februari 2012 in werking getreden.

De Belgische wetgever heeft aldus beslist gebruik te maken van de mogelijkheid die de lidstaten hebben in sommige gevallen geen sociale bijstand toe te kennen aan de burger van de Unie en zijn familieleden. Op te merken valt dat momenteel enkel de aanspraak op maatschappelijke dienstverlening aldus werd beperkt.

Voor een verdere toelichting  inzake de toepassing van deze wetsbepaling, zie de Omzendbrief van de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding d.d. 28 maart 2012 (BS 17 april 2012).

04 september 2011

Over de koppeling door het OCMW van financiële hulpverlening aan de voorwaarden uit de RMI-wet.

door K. Nevens


Artikel 60, §3 OCMW-wet bepaalt dat de financiële hulpverlening bij beslissing van het OCMW onderworpen kan worden aan de voorwaarden vermeld in de artikelen 3, 5° en 6°, 4, 11 en 13, §2 van de Wet Maatschappelijke Integratie. Indien deze voorwaarden niet worden nageleefd kan het recht op financiële hulp, op voorstel van de maatschappelijk werker belast met het dossier, worden geweigerd of geheel of gedeeltelijk worden geschorst voor een periode van ten hoogste een maand.

Artikel 3, 6° van de Wet Maatschappelijke Integratie bepaalt bijvoorbeeld dat om het recht op maatschappelijke integratie te kunnen genieten, de persoon onder andere zijn rechten moet laten gelden op uitkeringen die hij kan genieten krachtens de Belgische of buitenlandse sociale wetgeving. Deze toekenningsvoorwaarde strekt ertoe het residuair karakter van het recht op maatschappelijke integratie in de verf te zetten (D. Simoens, Handboek OCMW-dienstverlening, Brugge, Die Keure, losbl., 54).

Wanneer deze voorwaarde gekoppeld wordt aan de toekenning van maatschappelijke dienstverlening in de vorm van financiële hulp, dan leidt dit ertoe dat de toekenning niet langer louter afhangt van de voorwaarde dat de persoon in staat van behoeftigheid verkeert (cf. Cass., AR S.99.0160.F, 28 februari 2000).

Artikel 60, §3 van de OCMW-wet laat er evenwel geen twijfel over bestaan dat het OCMW dergelijke voorwaarde bij de toekenning van financiële hulpverlening kan opleggen, maar dat dit geen automatisme is (zie ook duidelijk in die zin: D. Simoens, Handboek OCMW-dienstverlening, Brugge, Die Keure, losbl., 54). De ‘koppeling’ kan blijken uit de individuele administratieve beslissing tot toekenning van de financiële hulp of uit een algemene beslissing van de OCMW-Raad.

In het geval van een rechtsgeschil lijkt het in elk geval gepast dat het administratief dossier het stuk of de stukken zou bevatten die het bewijs leveren van deze ‘koppeling’. In de praktijk durft men er al eens gemakshalve ervan uit te gaan dat de voorwaarden uit de RMI-wet sowieso van toepassing zijn bij de toekenning van maatschappelijke dienstverlening in de vorm van financiële hulp…

30 oktober 2008

Andere verjaringstermijn voor terugvordering van leefloon versus maatschappelijke dienstverlening in financiële vorm kan niet door de beugel


Het wetgevend kader

1. Artikel 24 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie (hierna : wet van 26 mei 2002) bepaalt de gevallen waarin het OCMW op de betrokkene het eefloon kan verhalen dat hem werd uitgekeerd :

"§ 1. Het leefloon uitgekeerd met toepassing van deze wet wordt op de betrokkene verhaald :
[…]
2° indien hij de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarvoor hem een leefloon werd uitbetaald. In dit geval is de terugvordering beperkt tot beloop van het bedrag waarvoor die inkomsten bij de berekening van het leefloon in aanmerking hadden moeten worden genomen indien hij er te dien tijde reeds de beschikking over zou hebben gehad. In afwijking van artikel 1410 van het Gerechtelijk Wetboek treedt het centrum van rechtswege en tot beloop van dat bedrag in de rechten die de begunstigde op de hierboven bedoelde inkomsten kan doen gelden.
[…]".


Buiten de in artikel 24, § 1, bedoelde gevallen, is geen enkele terugvordering van het leefloon bij de betrokkene mogelijk (artikel 24, § 2, van de wet van 26 mei 2002).

Artikel 29 van de wet van 26 mei 2002 bepaalt :

"§ 1. De terugvordering bedoeld in artikel 24, § 1 en de vordering bedoeld in artikel 27, eerste lid, verjaren overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.
[…]".
Het betreft de tienjarige verjaringstermijn voor persoonlijke rechtsvorderingen.

Artikel 99 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna : wet van 8 juli 1976) voorziet in de mogelijkheid om de uitbetaalde maatschappelijke dienstverlening als volgt op de betrokkene te verhalen:

"§ 1. Wanneer een persoon de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarvoor hem hulp werd verleend door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, vordert dit laatste de kosten van de hulpverlening van hem terug tot beloop van het bedrag van de bovenbedoelde inkomsten, rekening houdende met de vrijgestelde minima. […]".

Artikel 102 van dezelfde wet bepaalt :

"De vordering tot terugbetaling bedoeld in de artikelen 98 en 99 verjaart overeenkomstig artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek." Het betreft een vijfjarige verjaringstermijn.

De prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof

3. De Arbeidsrechtbank te Brussel stelde het Grondwettelijk Hof een vraag over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 29, § 1, van de wet van 26 mei 2002, in zoverre het een verschil in behandeling creëert tussen de rechthebbenden op maatschappelijke integratie en de rechthebbenden op maatschappelijke dienstverlening, wat betreft de verjaringstermijn van de vordering tot terugbetaling van het recht dat werd uitbetaald aan een persoon die de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarin hem het recht op maatschappelijke integratie of het recht op maatschappelijke dienstverlening werd uitbetaald : terwijl de eerstgenoemden zijn onderworpen aan een verjaringstermijn van tien jaar, zijn de laatstgenoemden onderworpen aan een verjaringstermijn van vijf jaar. Het geschil voor de verwijzende rechter heeft betrekking op de terugbetaling van geldsommen die werden uitbetaald als bestaansminimum, en daarna als leefloon.

Het oordeel van het Hof: een discriminatie

4. Het Grondwettelijk Hof wijst erop dat vóór de aanneming van de wet van 26 mei 2002 de verjaringstermijn van de vordering tot terugbetaling van het uitgekeerde bestaansminimum – en, de verjaringstermijn van de vordering tot terugbetaling van de uitbetaalde maatschappelijke dienstverlening bouwt erop voort – werd vastgelegd onder verwijzing naar de vijfjarige verjaringstermijn bedoeld in artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek voor de periodieke schulden.

De kortere verjaring waarin artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek voorziet, wordt verantwoord door de bijzondere aard van de schuldvorderingen die zij beoogt : het gaat erom, wanneer de schuld betrekking heeft op de uitkeringen van inkomsten die bij het jaar of bij kortere termijnen betaalbaar zijn, ofwel de kredietnemers te beschermen en de schuldeisers tot zorgvuldigheid aan te zetten, ofwel te vermijden dat het totaalbedrag van de periodieke schuldvorderingen voortdurend aangroeit. De kortere verjaring maakt het ook mogelijk de schuldenaars te beschermen tegen de opeenstapeling van periodieke schulden die, na verloop van tijd, een aanzienlijke kapitaalschuld zouden kunnen worden.

5. De wet van 26 mei 2002 bepaalt dat de betrokkene, overeenkomstig de bij de wet gestelde voorwaarden, recht heeft op een leefloon in afwachting van een tewerkstelling in het kader van een arbeidsovereenkomst of een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie of ook wanneer hij wegens gezondheids- of billijkheidsredenen niet kan werken (artikel 10).
Overeenkomstig artikel 3 van diezelfde wet, moet de aanvrager van een leefloon aan een aantal voorwaarden voldoen; zo mag hij, onder andere, niet over toereikende bestaansmiddelen beschikken, noch er aanspraak op kunnen maken, noch in staat zijn deze hetzij door eigen inspanningen, hetzij op een andere manier te verwerven; daarnaast moet de aanvrager werkbereid zijn, onder voorbehoud van de bovenvermelde gezondheids- of billijkheidsredenen.

Het leefloon is een "geïndexeerd inkomen dat de persoon in staat moet stellen om een menswaardig bestaan te leiden" (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1603/001, p. 7).
Krachtens artikel 23, § 1, tweede lid, van de wet van 26 mei 2002 wordt het leefloon, na de eerste betaling die volgt op de aanvraag tot toekenning, betaald per week, per veertien dagen of per maand naar keuze van het centrum, zoals bepaald in de toekenningsbeslissing.
Het leefloon wordt dus toegekend in de vorm van periodieke betalingen.

De wet van 8 juli 1976 bepaalt dat elke persoon recht heeft op maatschappelijke dienstverlening (artikel 1). De wetgever kent hieraan een verstrekkende doelstelling toe door te bepalen dat zij tot doel heeft "eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid"; voor het overige preciseert de wetgever niet onder welke voorwaarden die maatschappelijke dienstverlening wordt toegekend.
Die dienstverlening, kan, overeenkomstig artikel 57 van de wet van 8 juli 1976, onder verschillende vormen worden toegekend, zoals hulp in contanten of in natura, en kan zowel van lenigende als van curatieve of preventieve aard zijn (artikel 57, § 1, tweede lid); de dienstverlening kan van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn (artikel 57, § 1, derde lid); bovendien is bepaald dat de materiële hulp in de meest passende vorm wordt verstrekt (artikel 60, § 3). Bovendien bepaalt artikel 60, § 3, tweede lid, van die wet, zoals gewijzigd bij artikel 58 van de wet van 26 mei 2002, dat de financiële hulpverlening bij beslissing van het centrum kan worden onderworpen aan de voorwaarden vermeld in de artikelen 3, 5° en 6°, 4, 11 en 13, § 2, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie; de financiële maatschappelijke hulp wordt meestal vastgelegd onder verwijzing naar de bedragen van het leefloon.

Hoewel de maatschappelijke dienstverlening niet noodzakelijk financieel of periodiek is, geven de artikelen 99, § 1, en 102, eerste lid, van de wet van 8 juli 1976 met de nodige aanpassingen de artikelen 12 en 15 weer van de wet op het bestaansminimum (Parl. St., Senaat, 1975-1976, nr. 581/1, p. 28) : ongeacht de vorm waarin de maatschappelijke dienstverlening wordt toegekend, heeft de wetgever dus ervoor gekozen de verjaring van de vordering tot terugbetaling van de kosten van de maatschappelijke dienstverlening af te stemmen op de kortere verjaring van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, zoals hij dat heeft gedaan voor de terugbetaling van het bestaansminimum, indien de persoon de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarin hem een dienstverlening werd toegekend door het OCMW.

6. Hoewel er tussen het stelsel van het recht op maatschappelijke integratie en dat van de maatschappelijke dienstverlening objectieve verschillen bestaan die betrekking hebben op zowel het doel en de toekenningsvoorwaarden als de aard en de omvang van de toegekende steun, kan de terugvordering in beide stelsels betrekking hebben op periodiek uitbetaalde geldsommen waarvan het bedrag toeneemt naarmate de tijd verstrijkt, en waarop, indien die sommen dienen te worden terugbetaald, in beginsel de kortere verjaringstermijn vastgelegd in artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek bijgevolg van toepassing zou moeten zijn.

Bij de aanneming van de wet van 26 mei 2002 werd in de parlementaire voorbereiding echter geen enkele verantwoording gegeven wat betreft de verlenging, van vijf tot tien jaar, van de verjaringstermijn van de vordering tot terugbetaling ten laste van de rechthebbende, in zoverre de in het geding zijnde bepaling verwijst naar de tienjarige verjaring bedoeld in artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek en niet meer, zoals dat het geval was in de wet van 7 augustus 1974 voor het bestaansminimum, naar de vijfjarige verjaring bedoeld in artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek.

Die afwijking van de in artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde kortere verjaringstermijn, die ten doel heeft de schuldenaars te beschermen tegen de opeenstapeling van periodieke schulden over een te lange periode, is in dergelijke omstandigheden niet verantwoord daar de terugvordering van het leefloon dat werd uitgekeerd tijdens een lange periode betrekking kan hebben op bedragen die, op termijn, een dermate grote schuld zijn geworden dat zij de schuldenaar zouden kunnen ruïneren, wat volledig in strijd zou zijn met de doelstelling zelf van maatschappelijke integratie die wordt nagestreefd door de wet van 26 mei 2002.

Het verschil in behandeling, wat de verjaringstermijn van de vordering tot terugbetaling betreft, tussen de rechthebbenden op een leefloon en de rechthebbenden op periodieke financiële maatschappelijke hulp of, algemeen genomen, het verschil in behandeling tussen de rechthebbenden op een leefloon die de uitbetaalde sommen dienen terug te betalen en de schuldenaars van periodieke schulden bedoeld in artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, is dus niet verantwoord.

Zie ook:
- integraal arrest nr. 147/2008, 30 oktober 2008.

06 juli 2008

Cassatierechtspraak in sociale zaken: mei 2008/deel1


Cass., S.06.0034.F, 5 mei 2008 (DR t./ Belgische Staat)

Arbeidsovereenkomst - Verjaring

Overeenkomstig artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet varjaren vorderingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst door verloop van één jaar na het einde van de overeenkomst of vijf jaar na het feit waarop de vordering is gesteund, zonder dat deze laatste termijn één jaar na het einde van de overeenkomst mag overschrijden. Deze bepaling is van toepassing op vorderingen betreffende de uitvoering van verplichtingen die hun bron vinden in de arbeidsovereenkomst.

Door te overwegen dat de vordering gegrond is op verplichtingen die de werkgever op zich heeft genomen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, ook al werden deze in omzendbrieven van reglementaire aard bepaald, rechtvaardigt de feitenrechter zijn beslissing dat de vordering haar oorsprong vindt in de arbeidsovereenkomst, ook al bevindt de juridische oorzaak zich niet in de bedingen van de overeenkomst, zodat de verjaringstermijn van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet van toepassing is.


Cass., S.06.0036.F, 5 mei 2008, DD t/ Suez-Tractebel

Arbeidsovereenkomst – Verjaring

Overeenkomstig artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet varjaren vorderingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst door verloop van één jaar na het einde van de overeenkomst of vijf jaar na het feit waarop de vordering is gesteund, zonder dat deze laatste termijn één jaar na het einde van de overeenkomst mag overschrijden. Deze bepaling is van toepassing op vorderingen betreffende de uitvoering van verplichtingen die hun bron vinden in de arbeidsovereenkomst.

Het arrest van de feitenrechter stelt vast dat de partijen verbonden door een arbeidsovereenkomst bij de beëindiging hiervan een overeenkomst hebben gesloten die bepaalt dat de werknemer het recht heeft deel te nemen aan het aandelenoptieplan die de werkgever zou uittekenen voor de leden van het directiecomité. Door te overwegen dat de vordering die ertoe strekt de uitvoering van deze overeenkomst af te dwingen, onderworpen is aan artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet schendt de feitenrechter deze bepaling. De overeenkomst werd immers aangegaan bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en vindt hierin niet haar oorsprong.


Cass., S.07.0004.N,19 mei 2008 (RSZ t./ JM)

1. Arbeidsovereenkomst – Arbeid
2. RSZ-wet – toepassingsgebied – Occasionele arbeid


1. Krachtens artikel 2 van de Arbeidsovereenkomstenwet, is een arbeidsovereenkomst voor werklieden, de overeenkomst waarbij een werknemer, de werkman, zich verbindt, tegen loon en onder gezag van een werkgever in hoofdzaak handarbeid te verrichten. Als arbeid in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet dient te worden aangezien, de arbeid die een werknemer die zich daartoe bij overeenkomst heeft verbonden, tegen loon en onder het gezag van een werkgever verricht, onverschillig of de aldus gepresteerde arbeid in tijd en omvang beperkt is.

De appelrechters die de door arbeiders tegen loon en onder het gezag van de verweerder gepresteerde arbeid uit het toepassingsveld van de Arbeidsovereenkomstenwet sluiten op grond van de vaststelling dat die arbeid in tijd en omvang beperkt was, schenden artikel 2 van deze wet.

2. Krachtens artikel 1, §1, eerste lid, van de RSZ-wet is die wet van toepassing op de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden. Krachtens artikel 2, §1, 4°, van zelfde wet, kan de Koning, bij in Ministerraad overgelegd besluit, en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, aan de toepassing van deze wet onttrekken de categorieën van werknemers, tewerkgesteld aan een arbeid die voor hen een bijkomstige betrekking is of die wezenlijk van korte duur is, evenals de werkgevers uit hoofde van de tewerkstelling van die werknemers.

Krachtens het artikel 16, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de RSZ-wet worden aan de toepassing van de wet onttrokken de werknemers die occasionele arbeid verrichten, evenals de werkgevers uit hoofde van die werknemers.
Krachtens het tweede lid van hetzelfde artikel, wordt beschouwd als occasionele arbeid, de arbeid verricht voor de behoeften van de huishouding van de werkgever of van zijn gezin, voor zover die arbeid niet meer bedraagt dan acht uren per week bij één of verschillende werkgevers.

De appelrechters die de door werknemers geleverde prestaties uit het toepassingsveld sluiten van de RSZ-wet op grond van de beperkte en occasionele aard van die prestaties, zonder vast te stellen dat het prestaties zijn in de zin van artikel 16, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, schenden de in het onderdeel vermelde wettelijke bepalingen.


Cass., S.07.0078.N, 19 mei 2008 (PG t./ OCMW Oostende)

Maatschappelijke dienstverlening – Leefloon – Onderscheiden rechtsregeling

De wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie, zijn niet van toepassing op de maatschappelijke dienstverlening door het O.C.M.W. die wordt geregeld door de Organieke Wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.


Cass., S.07.0068.N, 19 mei 2008 (Flightcare t./ ACV)

1. Ontslag – Overmacht – Onderscheid
2. Antidiscriminatiewet – Stakingsvordering – Oordeel over al dan niet beëindiging arbeidsovereenkomst


1. Het ontslag is de handeling waarbij de werkgever aan de werknemer ter kennis brengt dat hij de arbeidsovereenkomst beëindigt. De vaststelling dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd wegens overmacht is niet gelijk te stellen met een ontslag. Indien de als overmacht ingeroepen feiten geen overmacht uitmaken, heeft de werkgever in de voormelde omstandigheden niet zijn wil uitgedrukt zelf de arbeidsovereenkomst te beëindigen.

Als de werkgever zich ten onrechte op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht beroept, kan de werknemer dit beschouwen als een onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Bij betwisting van de overmacht staat het dan aan de werknemer de eenzijdige onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever vast te stellen. Bij gebreke hiervan blijft de arbeidsovereenkomst dan in beginsel bestaan.

2. Artikel 19, §1, van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van de discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, hierna genoemd Antidiscriminatiewet, voor de opheffing ervan bij artikel 51 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie bepaalt dat, op verzoek van het slachtoffer of van een van de bij artikel 31 van die wet bedoelde groeperingen, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg of, naar gelang de aard van de daad, de voorzitter van de arbeidsrechtbank of van de rechtbank van koophandel, het bestaan vaststelt van een zelfs onder het strafrecht vallende daad waardoor de bepalingen van die wet worden overtreden en de staking ervan beveelt.

Krachtens artikel 587bis, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen door artikel 28 van de voormelde Antidiscriminatiewet en voor de vervanging ervan door artikel 10 van de wet van 10 mei 2007 tot aanpassing van het Gerechtelijk Wetboek aan de wetgeving ter bestrijding van discriminatie en tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, doet de voorzitter van de arbeidsrechtbank uitspraak over de vorderingen tot staking en legt hij de maatregelen van openbaarmaking van zijn beslissing op die hij nodig acht.

Uit die wetsbepalingen volgt dat de voorzitter van de arbeidsrechtbank die moet oordelen over een vordering van een werknemer tot staking van discriminerende verhindering door de werkgever van zowel de uitvoering van de arbeidsovereenkomst als van een syndicaal mandaat, bevoegd is te oordelen over het door de werkgever ingeroepen verweer dat de arbeidsovereenkomst beëindigd werd door voorhanden zijnde overmacht of ingevolge ontslag als relevant gegeven bij de beoordeling van de gevorderde maatregelen om de discriminatoire handelingen te doen ophouden.

Het arrest van het Arbeidshof te Brussel stelt vast dat de verweerders in hoofdzaak beogen het bestaan te horen vaststellen van jegens hen discriminatoire prakrijken uitgaande van de nv B.G.S., rechtsvoorganger van de eiseres, waaronder de inhouding van de badge, de verhindering van de mandaten van personeelsafgevaardigde, de verhindering van de toegang tot de werkomgeving en de verhindering van de uitoefening van de bedongen arbeid en de staking ervan te horen bevelen onder verbeurte van een dwangsom van 10.000 euro per dag.
Aldus was het noodzakelijk voor het nut van de gevorderde stakingsmaatregelen te onderzoeken en te beslissen of er overmacht was en of de arbeidsovereenkomst al dan niet was beëindigd, zodat het arbeidshof bevoegd was daarover te oordelen in het kader van de stakingsvordering.