Posts tonen met het label handelsvertegenwoordiger. Alle posts tonen
Posts tonen met het label handelsvertegenwoordiger. Alle posts tonen

19 april 2015

Wettelijk vermoeden van arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers is vermoeden van gezag

door K. Nevens

Artikel 4, 2de lid   van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat, niettegenstaande elke uitdrukkelijke bepaling van de overeenkomst of bij het stilzwijgen ervan, de overeenkomst gesloten tussen opdrachtgever en tussenpersoon, welke ook de benaming zij, beschouwd wordt als een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers, tenzij het tegendeel wordt bewezen.

In een arrest van 5 mei 2014 beslecht het Hof van Cassatie een controverse in de rechtspraak en rechtsleer omtrent het voorwerp van dit wettelijk vermoeden van arbeidsovereenkomst. Dit vermoeden werd door een sommige rechtspraak en door een meerderheid van de rechtsleer immers geacht niet alleen te slaan op het bestaan van een arbeidsovereenkomst, maar ook op de activiteit van handelsvertegenwoordiging (zie onder andere Arbh. Gent 10 juni 2005, TGR 2005, 296; Arbh. Gent 9 december 2005, Or. 2006, afl. 1, 1 (katern); H. BUYSSENS, Het bewijs in sociale zaken – arbeidsrecht, Gent, Mys & Breesch, 1999, 60-61; M. JAMOULLE, Le contrat de travail, tome I, Luik, 1982, 389), met name het (bestendig) opsporen en bezoeken van cliëntele met het oog op het onderhandelen over het sluiten van zaken, verzekeringen uitgezonderd (Art. 4, 1ste lid en art. 88 Arbeidsovereenkomstenwet). De kiem van deze strekking kon worden gevonden in het werk van Troclet en Patté, die één van de eerste commentaren schreven op de wet van 30 juli 1963 tot instelling van het statuut der handelsvertegenwoordigers, die het vermoeden indertijd invoerde (Zie L.-E. TROCLET en M. PATTÉ, Statut juridique des représentants de commerce, Brussel, ULB – Institut de sociologie, 1964, 36-37).

De rechtspraktische implicatie van deze controverse bevond zich uiteraard op het vlak van de bewijslast.

Indien wordt aangenomen dat het wettelijk vermoeden ook betrekking heeft op de activiteit van handelsvertegenwoordiging, dan kan een werknemer zich daarop beroepen om het statuut van handelsvertegenwoordiger af te dwingen, en komt het desgevallend aan de werkgever toe om aan te tonen dat er geen sprake is van dergelijke activiteit. De werknemer zou met andere woorden hooguit moeten bewijzen dat hij een ‘tussenpersoon’ is en dat hij dus bemiddelt of contacten legt tussen zijn werkgever en cliënteel (R. BLANPAIN, “Arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers. Begrip en bewijs”, in R. BLANPAIN, e.a., Juridisch statuut van de handelsvertegenwoordiger, Antwerpen, Kluwer, 1980, 10-11; C. ENGELS, Het ondergeschikt verband naar Belgisch arbeidsrecht, Brugge, Die Keure, 1989, 478),  waarna de gehele bewijslast bij de tegenpartij terechtkomt.

Indien wordt aangenomen dat het wettelijk vermoeden enkel betrekking heeft op het bestaan van een arbeidsovereenkomst, en in het bijzonder het bestaan van een gezagsverhouding, dan komt het aan degene die zich op het vermoeden beroept toe eerste te bewijzen dat hij de vereiste activiteit uitoefent, en vervolgens zal zijn hoedanigheid van werknemer worden vermoed tot bewijs van het tegendeel (zie in die zin: Arbh. Antwerpen 21 februari 1984, Limb. Rechtsl. 1984, 90; Arbh. Brussel 25 juni 1997, Soc. Kron. 1999, 186; Arbh. Antwerpen 13 februari 2004, JTT 2004, 361; Arbh. Brussel 23 oktober 2009, JTT 2010, 36, alsook A. en M. COLENS, Le contrat d’emploi, Brussel, Bruylant, 1980, 336; A. HOUTEKIER, “Commentaar op de wet van 30 juli 1963 tot instelling van het statuut der handelsvertegenwoordigers”, RW 1963-64, 331-336; M. STROOBANT, “Het rechtsstatuut van de handelsvertegenwoordiger”, TSR 1964, 209).

Het Hof van Cassatie heeft nu duidelijk te kennen gegeven dat de tweede strekking de enige juiste is. Het overweegt dat artikel 4, 2de lid van de Arbeidsovereenkomst “met het oog op het voorkomen van misbruiken, een vermoeden instelt dat de tussenpersoon die voor een opdrachtgever een activiteit van handelsvertegenwoordiging uitoefent, niet als zelfstandige maar als werknemer is tewerkgesteld. Het vermoeden slaat derhalve op het bestaan van de voor een arbeidsovereenkomst kenmerkende gezagsverhouding. De werknemer die zich op de bepalingen van titel IV van de Arbeidsovereenkom-stenwet beroept, moet daarentegen bewijzen dat zijn overeenkomst de handelsvertegenwoordiging als voornaamste voorwerp heeft en kan zich daartoe niet beroepen op het vermoeden ingesteld door artikel 4, tweede lid.
Lees meer en lees verder in RW 2014-2015, 1261.

05 mei 2010

A sales representative is nothing to be!

door Joris Van Camp[1]

Een merkwaardig vonnis van de arbeidsrechtbank te Gent (21 december 2009, A.R. nr. 08/3227 en 08/3228), zet aan tot reflectie over het statuut van handelsvertegenwoordiger en zijn recht op een uitwinningsvergoeding. De feiten kunnen zeer kort worden samengevat. Twee handelsvertegenwoordigers in dienst van een Brits bedrijf werden ontslagen om dringende reden. Zij dagvaardden hun ex-werkgever en vorderden een opzeggings- en een uitwinningsvergoeding. Vermits het ontslag werd gegeven meer dan drie werkdagen nadat de tot ontslag bevoegde persoon kennis had gekregen van de feiten, bevond de arbeidsrechtbank het onregelmatig en kende zij beide werknemers met verwijzing naar de artikelen 39 en 82 van de arbeidsovereenkomstenwet een opzeggingsvergoeding toe. Hun vorderingen tot betaling van een uitwinningsvergoeding werden afgewezen.

Om deze laatste beslissing te motiveren citeerde de arbeidsrechtbank artikel 101 van de arbeidsovereenkomstenwet dat bepaalt dat ”wanneer de overeenkomst wordt beëindigd door de werkgever zonder dringende reden (…)een vergoeding wegens uitwinning verschuldigd (is) aan de handelsvertegenwoordiger (…).” Zij overwoog hierbij dat het ontslag weliswaar laattijdig werd gegeven en dus naar de vorm niet voldeed aan de vereisten van het ontslag om dringende reden, maar deze vormvereisten zegden volgens haar niets over de vraag of er een dringende reden was, met andere woorden of elke professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk was geworden. De rechtbank die, vooraleer tot de laattijdigheid van het ontslag te besluiten, de ingeroepen tekortkoming als een dringende reden had aangemerkt, overwoog dat zij de eis tot betaling van een uitwinningsvergoeding “dus slechts” kon afwijzen omdat het ontslag werd gegeven om dringende reden.

Deze beslissing en de overwegingen waarop zij is gebaseerd kunnen niet worden bijgetreden.
Ten eerste miskent de arbeidsrechtbank artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet door de voorwaarde dat het ontslag om dringende reden moet worden gegeven binnen de drie werkdagen na de kennisname van de feiten, te herleiden tot een loutere vormvoorwaarde. De dringende reden is immers de tekortkoming die dermate ernstig is dat zij elke verdere professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Het begrip dringende reden is derhalve onverenigbaar met het zelfs voor korte tijd voortduren van de dienstbetrekking. De termijn van drie werkdagen wordt niet enkel opgelegd om de ontslaggevende partij de kans te geven de ernst van de feiten in te schatten en hieromtrent een beslissing te nemen; als het ontslag wordt gegeven méér dan drie werkdagen na de kennisname van de tekortkoming, blijkt hieruit dat zij niet van die aard is de professionele samenwerking onmiddellijk onmogelijk te maken en dat zij dus geen dringende reden vormt.

De arbeidsrechtbank had dit inhoudelijke aspect nochtans in haar beoordeling betrokken door te overwegen dat het vereiste dat het ontslag binnen de drie werkdagen moet worden gegeven logisch is omdat het niet ernstig zou zijn een tekortkoming te laten bestaan en dan later te gaan beweren dat de samenwerking onmiddellijk onmogelijk was geworden. De overweging van de arbeidsrechtbank dat uit de laattijdigheid niet mag worden afgeleid ”dat het bedrijf niet zwaar tilde aan de tekortkomingen en liet betijen”, is dan ook volstrekt irrelevant. Zo mogelijk nog onbegrijpelijker zijn de opmerking dat men ”integendeel” de arbeidsovereenkomsten ”meteen” had geschorst en het besluit dat “Hoewel het ontslag laattijdig was, blijkt dat de samenwerking niet meer mogelijk was”. Aldus lijkt de arbeidsrechtbank, wars van de wettelijke omschrijving van het begrip ‘dringende reden’ en wars van de al even wettelijke vormvereisten, een nieuwe ontslagregeling te willen concipiëren. Opdat een tekortkoming een dringende reden vormt, volstaat het dat de samenwerking onmogelijk is en hoeft men niet ‘onmiddellijk’, dat wil zeggen binnen de drie werkdagen, te ontslaan; men kan er evengoed voor opteren op één of ander wijze duidelijk te maken dat men ‘zwaar tilt’ aan de tekortkoming en/of de arbeidsovereenkomst vervolgens te schorsen. Zonder zich nog verder om die vervelende driedagentermijn te bekommeren, kan men dan nadien nog altijd ontslaan ‘om dringende reden’. Om het met Toon Hermans te zeggen : “Het zou misschien veel leuker zijn, maar ja, je moet maar op het idee komen.”

Om de laattijdigheid van het ontslag te omzeilen overwoog de arbeidsrechtbank verder dat het ”bovendien” een Brits bedrijf betrof wat ”de mindere vertrouwdheid met de Belgische wetgeving kan verklaren.” Hallo ! Nemo censetur ignorare legem. Het algemeen rechtsbeginsel dat iedereen wordt geacht de wet te kennen, mag dan al enige nuance behoeven, de voorwaarde dat een ontslag om dringende reden binnen de drie werkdagen na de kennisname van de feiten moet worden gegeven, werd niet bedisseld in een obscuur achterkamertje van ons arbeidsrecht. Zij is klaar en duidelijk terug te vinden in één van de basisteksten ervan, namelijk de arbeidsovereenkomstenwet van 1978 waarvan toch mag worden aangenomen dat wie personeel tewerkstelt in België er enige notie van heeft. Het einde is zoek als men zich aan wettelijke voorschriften mag onttrekken omwille van de ‘mindere vertrouwdheid’ ermee. Voor de gemoedsrust van de natie valt het te hopen dat mijn collega’s strafpleiters deze overweging niet al te ernstig nemen.

Ten tweede staat de afwijzing van de vordering tot betaling van een uitwinningsvergoeding haaks op de toekenning van een opzeggingsvergoeding. De libellering ”zonder dringende reden” in artikel 39 van de arbeidsovereenkomstenwet is namelijk identiek aan deze in artikel 101. Had de arbeidsrechtbank haar redenering consequent gevolgd, dan had zij dus ook de vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding moeten afwijzen. Er is immers geen enkele reden om binnen dezelfde wet een in letterlijk dezelfde bewoordingen gestelde voorwaarde verschillend in te vullen naargelang de vergoeding die wordt gevorderd.

Het vonnis van de arbeidsrechtbank te Gent van 21 december 2009 zou dus best met de mantel der liefde en beter nog met deze van de vergetelheid bedekt worden, ware het niet dat het koren op de molen kan zijn van zij die in rechtspraak en rechtsleer een zekere aversie ontwaren ten opzichte van het statuut van de handelsvertegenwoordiger in het algemeen en het daaraan gekoppelde recht op een uitwinningsvergoeding in het bijzonder. Het neemt immers nog een tweede keer een loopje met artikel 101 van de arbeidsovereenkomstenwet door te overwegen dat “niet (is) aangetoond dat de eisers nadeel hadden door het ontslag” hoewel dit artikel toch op - zelfs voor Britse werkgevers en Gentse rechters – duidelijke wijze bepaalt dat het de werkgever is die moet bewijzen dat uit de beëindiging van de arbeidsovereenkomst géén nadeel volgt voor de handelsvertegenwoordiger.

Het begrip ‘handelsvertegenwoordiger’ zoals gedefinieerd in artikel 4 van de arbeidsovereenkomstenwet, werd overgenomen uit de wet van 30 juli 1963 tot instelling van het statuut van handelsvertegenwoordigers. Tijdens de besprekingen van het wetsontwerp dat uiteindelijk zou leiden tot deze wet, was het bon ton onder onze toenmalige kamerleden en senatoren om hun kennis van La comédie humaine van Honoré de Balzac te etaleren en te refereren aan diens personage Gaudissart om het archétype van de ‘commis – voyageur’ oftewel de handelsvertegenwoordiger te borstelen. Meer recent heeft ook Petit deze figuur aangehaald om te illustreren hoezeer het traditionele beeld van de handelsvertegenwoordiger is veranderd en erop te wijzen dat de man die het goed kan zeggen, die overtuigingskracht heeft en met een bepaalde zin voor avontuur het land intrekt, eigenschappen die hij aantrof in Gaudissart, niet meer van deze tijd is.

Reeds kort na de totstandkoming van de arbeidsovereenkomstenwet van 1978 werd betreurd dat zij geen enkele substantiële wijziging heeft aangebracht aan de juridische situatie van de handelsvertegenwoordigers, waarbij er onder meer voor werd gepleit om de wettelijke omschrijving van het begrip aan te passen aan de feitelijke evolutie. Enerzijds ontneemt de onaangepaste definitie van artikel 4 van de arbeidsovereenkomstenwet bepaalde commerciële buitenmedewerkers de mogelijkheid zich erop te beroepen omdat zij niet kunnen aantonen dat het opsporen en bezoeken van cliënteel hun hoofdzakelijke taak is. Anderzijds gaat zij eraan voorbij dat in het moderne handelsverkeer ook tal van sedentaire bedienden cliënteel opsporen en benaderen met het oog op het afsluiten of het onderhandelen van zaken en dit niet zelden met meer succes dan hun uithuizige, rondreizende collega’s. Aldus leidt de onaangepaste en achterhaalde omschrijving tot tal van betwistingen over de hoedanigheid van handelsvertegenwoordiger.

Specifiek met betrekking tot de uitwinningsvergoeding moet erop worden gewezen dat de arbeidsovereenkomst een inspanningsverbintenis is. Een commerciële bediende, handelsvertegenwoordiger of niet, wordt voor zijn prestaties vergoed met het overeengekomen loon, met commissies voor de aanvaarde orders of via één of andere bonusregeling in functie van gerealiseerde omzetten of targets. De vruchten van zijn arbeid en meer bepaald de aangebrachte of uitgebouwde klantenkring, komen op grond van de arbeidsovereenkomst toe aan de werkgever, net zoals dit het geval is bij intellectuele creaties of uitvindingen gedaan in dienstverband. Met de uitwinningsvergoeding heeft de wetgever de handelsvertegenwoordiger willen vergoeden voor het verlies van de vrucht van zijn inspanningen en dit lijkt het belangrijkste voordeel verbonden aan dit statuut. Het is dan ook logisch dat de hoedanigheid van handelsvertegenwoordiger vooral ter discussie staat als dergelijke vordering wordt gesteld. Bepaalde rechtsleer komt hierbij zelfs tot de vaststelling dat “werknemers die, al was het maar van ver, een commerciële functie uitoefenen, na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vaak plots stellen dat zij eigenlijk handelsvertegenwoordigers waren om aldus de uitwinningsvergoeding uit de wacht te kunnen slepen”(S. Cockx, “De uitwinningsvergoeding uitgeteld ?” in Claeys & Engels (ed.), De Arbeidsovereenkomstenwet na 30 jaar … anders bekeken. La loi du 3 juillet 1978 30 ans après … vue sous un angle différent, Brussel - Gent, De Boeck – Larcier, 2008, 304). Met evenveel of even weinig gezag kan echter worden ‘vastgesteld’ dat ‘vertegenwoordigers’, na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst of wanneer zij zich op het statuut beroepen, voor de voeten geworpen wordt dat zij de hoedanigheid niet of niet meer bezitten, en dit niettegenstaande hierover tijdens hun tewerkstelling nooit betwisting heeft bestaan.

Ook als er geen betwisting bestaat over de hoedanigheid van handelsvertegenwoordiger, zoals in het besproken vonnis, laten sommige uitspraken uitschijnen dat men vindt dat de ontslagen handelsvertegenwoordiger met zijn opzeggingsvergoeding al voldoende werd bedeeld. Het bochtenwerk van de Gentse abeidsrechtbank in het besproken vonnis is niet van aard deze indruk te weerleggen.De vraag of een afzonderlijk statuut voor de ‘handelsvertegenwoordiger’ nog van deze tijd is dringt zich op. Tot nader order geldt echter nog steeds de huidige wettelijke regeling. En dus verdient het aanbeveling deze toe te passen, zo correct mogelijk en met zo min mogelijk creativiteit pour les besoins de la cause, óók bij een flagrante doch laattijdig ingeroepen ‘dringende reden’ en óók ten aanzien van buitenlandse werkgevers.

-
[1] Advocaat en plaatsvervangend rechter Arbeidsrechtbank te Antwerpen.

11 januari 2010

Handelsvertegenwoordiger of -agent?

door Pieterjan Naeyaert


1. De activiteiten van een handelsvertegenwoordiger en een handelsagent lijken sterk op elkaar. Beide tussenpersonen onderhandelen met potentiële klanten en sluiten eventueel zaken af in naam en voor rekening van hun opdrachtgever. Het grootste verschil tussen beide statuten is dat een handelsvertegenwoordiger onder het gezag staat van zijn opdrachtgever (werkgever) en een handelsagent niet. De vraag of een tussenpersoon al dan niet onder het gezag van zijn opdrachtgever staat, is dus vaak beslissend om te oordelen of hij een zelfstandige is die een beroep kan doen op de Handelsagentuurwet dan wel een werknemer die van een sociaalrechtelijke bescherming kan genieten.

Er bestaat een wettelijk vermoeden dat een overeenkomst tussen een opdrachtgever en een tussenpersoon een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordiger is (art. 4, tweede lid Arbeidsovereenkomstenwet). Dit vermoeden, dat uiteraard enkel geldt ten aanzien van een natuurlijke persoon, is weerlegbaar en geldt “niettegenstaande elke uitdrukkelijke bepaling van de overeenkomst” en “ongeacht de contractuele benaming”. Dit wil zeggen dat zelfs als de partijen uitdrukkelijk in hun contract bedingen dat ze een handelsagentuurovereenkomst sluiten, dus toch vermoed wordt dat het om een arbeidsovereenkomst gaat. Men kan dit vermoeden weerleggen door te bewijzen dat er geen ondergeschikte band is en dat de partijen bijgevolg gebonden zijn door een agentuurovereenkomst (zie ook art. 4, derde lid Arbeidsovereenkomstenwet).

2. Er bestaat evenwel nog een andere wet in verband met het onderscheid tussen werknemers en zelfstandigen, namelijk de inmiddels beruchte Arbeidsrelatiewet. Deze wet formaliseert een aantal – in de rechtspraak ontwikkelde – criteria om te beoordelen of er een ondergeschikte band bestaat tussen de partijen. Het uitgangspunt is dat de partijen vrij de aard van hun arbeidsrelatie kiezen, zonder de openbare orde, de goede zeden en de dwingende wetten te kunnen overtreden (art. 331 Arbeidsrelatiewet). Indien de uitoefening van de arbeidsrelatie evenwel voldoende elementen naar voor brengt die onverenigbaar zijn met de kwalificatie die de partijen aan de arbeidsrelatie hebben gegeven, moet er in beginsel een herkwalificatie gebeuren (art. 332 Arbeidsrelatiewet). De wet somt een aantal algemene criteria op die het mogelijk maken om het bestaan of de afwezigheid van een gezagsrelatie te beoordelen (art. 333 Arbeidsrelatiewet – zie de blog van K. NEVENS, “Nogmaals geknoei met uiterlijke datum van inwerkintreding Arbeidsrelatiewet” over de inwerkingtreding van de overige bepalingen in verband met de specifieke criteria).

Men kan evenwel aannemen dat de Arbeidsrelatiewet het bovenvermelde wettelijke vermoeden, dat immers van toepassing is “niettegenstaande elke uitdrukkelijke bepaling van de overeenkomst”, niet terzijde schuift. Dit betekent dat wanneer de partijen een agentuurcontract ondertekenen en de feitelijke uitoefening met dit contract overeenstemt, het niet volstaat dat de opdrachtgever louter verwijst naar het ondertekende contract met als argumentatie dat de partijen volgens de Arbeidsrelatiewet vrij de aard van hun arbeidsrelatie kunnen kiezen. De Arbeidsrelatiewet ontslaat hem er immers niet van om het vermoeden van artikel 4, tweede lid van de Arbeidsovereenkomstenwet te weerleggen.

3. Hij kan dit vermoeden weerleggen door te bewijzen dat de tussenpersoon niet onder het gezag van de opdrachtgever staat, aan de hand van feitelijke elementen in verband met de werkelijke uitvoering van de overeenkomst. De feitenrechter beoordeelt daarbij soeverein of het vermoeden al dan niet weerlegd is. Het lijkt logisch om de elementen die volgens de Arbeidsrelatiewet al dan niet wijzen op een gezagsrelatie (zie art. 333 §1) en die aanleiding kunnen geven tot een herkwalificatie van een overeenkomst per analogie toe te passen op de beoordeling van de vraag of het tegenbewijs geleverd is en het wettelijk vermoeden weerlegd is. Het is immers weinig coherent om een onderscheid te maken tussen de herkwalificatie van een overeenkomst die men op conventionele wijze kwalificeert enerzijds en van een overeenkomst die op grond van een weerlegbaar wettelijk vermoeden gekwalificeerd wordt anderzijds. Enkel het element in verband met ‘de wil van de partijen zoals die in hun overeenkomst werd uitgedrukt’ (art. 333 §1, eerste streepje) is niet van toepassing in het kader van de weerlegging van het wettelijk vermoeden aangezien dat element zowel strijdig is met de huidige rechtspraak van het Hof van Cassatie als met het feit dat het wettelijk vermoeden van toepassing is “niettegenstaande elke uitdrukkelijke bepaling van de overeenkomst”.

De overige wettelijke algemene criteria lijken echter per analogie relevant. Ook een analoge toepassing van de wettelijke opsomming in de Arbeidsrelatiewet van de elementen die op zich niet van aard zijn om de arbeidsrelatie adequaat te kwalificeren (art. 333 §3), lijkt verantwoord. Dit alles is echter geenszins verwonderlijk aangezien de Arbeidsrelatiewet een bekrachtiging is van de bestaande rechtspraak in verband met de afwezigheid of het bestaan van een band van ondergeschiktheid binnen een arbeidsrelatie.

Zie voor meer informatie: P. NAEYAERT en E. TERRYN, “Kwalificatieproblemen bij de beëindiging van overeenkomsten met handelstussenpersonen” in P. NAEYAERT en E. TERRYN (eds.), Beëindiging van overeenkomsten met handelstussenpersonen, Brugge, die Keure, 2009, 105 e.v.

29 mei 2009

Beëindiging van overeenkomsten met handelstussenpersonen: studiedag


1. In het handelsleven doet men zeer vaak een beroep op handelstussenpersonen en distributeurs om producten of diensten te commercialiseren, denk maar aan handelsagenten, concessiehouders, handelsvertegenwoordigers, commissionairs, franchisehouders of makelaars. De juridische verhouding tussen de tussenpersonen en de opdrachtgever is soms echter bijzonder gespannen, vooral als één van hen beslist heeft om de overeenkomst te beëindigen. Het bestaan van verspreide en uiteenlopende wetgeving voor de afzonderlijke categorieën van tussenpersonen of zelfs het ontbreken van elk wetgevend initiatief voor andere groepen, maakt het er niet eenvoudiger op.

Omdat de exacte kwalificatie van de overeenkomst belangrijke gevolgen heeft voor de toepasselijke rechten en verplichtingen van beide partijen, ontstaan hierover veel discussies na de beëindiging van de overeenkomst. Deze discussies zijn niet louter theoretisch, maar kunnen belangrijke verschillen tot gevolg hebben voor de opzeggings- en/of uitwinningsvergoedingen die de rechter toekent. Om een inzicht te krijgen in het kwalificatievraagstuk en de diverse statuten van de handelstussenpersonen en distributeurs, is het daarom nuttig om stil te staan bij de steeds evoluerende rechtspraak en rechtsleer in dit vakgebied.

2. De subfaculteit Rechtsgeleerdheid van de K.U.Leuven Campus Kortrijk organiseert op 11 juni 2009 van 9u tot 17u een studiedag die de beëindiging van overeenkomsten met handelstussenpersonen en distributeurs onder de loep neemt. Niet alleen de recente rechtspraak en de algemene ontwikkelingen, maar ook tal van concrete aanbevelingen voor de dagdagelijkse praktijk komen aan bod. Tijdens de voormiddag schetsen de sprekers een duidelijk algemeen verbintenisrechtelijk beeld van de beëindiging van overeenkomsten van bepaalde en onbepaalde duur en gaan ze nader in op de kwalificatiemoeilijkheden en de mededingingsrechtelijke problemen die kunnen ontstaan bij de beëindiging van overeenkomsten met handelstussenpersonen.

In de namiddag spitsen zij zich toe op de beëindiging van de diverse overeenkomsten met de verschillende tussenpersonen, namelijk de commissionair, makelaar, franchisehouder, handelsagent, handelsvertegenwoordiger en de concessiehouder. Zij analyseren telkens op diepgaande wijze de juridische gevolgen van de beëindiging van overeenkomsten met elk van deze tussenpersonen afzonderlijk en focussen op de meest recente evoluties in de rechtspraak en rechtsleer. De sprekers zijn zowel specialisten uit de academische en gerechtelijke wereld als toonaangevende advocaten met een jarenlange ervaring in het distributierecht.

Het volledige programma, met onder andere een lezing van drs. Pieterjan Naeyaert over de arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers, vindt u terug door hier te klikken.

Inschrijven?

3. Inschrijven gebeurt door het ingevuld terugsturen van het inschrijvingsformulier dat u hier kan vinden. Betaling gebeurt onmiddellijk na onze bevestiging van uw inschrijving waarbij u een kostennota wordt toegestuurd. Annuleren kan tot 2 werkdagen voorafgaand aan de studiedag. Na deze datum is het volledige bedrag verschuldigd. Annulaties dienen schriftelijk te gebeuren. De inschrijver kan zich door een collega laten vervangen.

Elektronisch inschrijven: http://pav.kuleuven-kortrijk.be/
Betalingen via opleidingscheques of de KMO-portefeuille is mogelijk.

PRIJS: € 170 (verslagboek, koffiepauze & lichte lunch inbegrepen)