Posts tonen met het label deeltijdse arbeid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label deeltijdse arbeid. Alle posts tonen

04 juli 2012

Berekening van de opzeggingsvergoeding bij loopbaanonderbreking/tijdskrediet: Grondwettelijk Hof bestendigt betwistbaar onderscheid

door K. Nevens

1. In zijn arrest nr. 80/2012 van 28 juni laatstleden deed het Grondwettelijk Hof nogmaals uitspraak in een zaak die betrekking had op de wijze waarop de opzeggingsvergoeding moet worden berekend indien een werknemer zijn arbeidsprestaties gedeeltelijk heeft verminderd, met name ingeval van loopbaanonderbreking of tijdskrediet.

De kiem van alle discussies kan worden teruggevonden in het cassatiearrest van 11 december 2006 (nr. S040143N). In dit arrest overwoog het Hof dat de opzeggingsvergoeding ten gunste van een werknemer tewerkgesteld onder het stelsel van de verminderde arbeidsprestaties dient berekend met inachtneming van het loon waarop die werknemer effectief recht heeft op het tijdstip van de kennisgeving van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Hoewel in de lagere rechtspraak en ook in de rechtsleer meteen de vraag rees of deze rechtspraak wel in overeenstemming is met het gelijkheidsbeginsel, gaf het Grondwettelijk Hof in twee arresten zijn aval aan de rechtspraak van het Hof van Cassatie (zie GwH 13 maart 2008, nr. 51/2008 en 8 mei 2008, nr. 77/2008).

Het Hof van Justitie was veel minder enthousiast. In navolging van de conclusie van advocaat-generaal Kokott oordeelde dit supranationaal rechtscollege dat de Europese raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof eraan in de weg staat dat, wanneer een werkgever de arbeidsovereenkomst van een voor onbepaalde tijd voltijds in dienst genomen werknemer tijdens diens deeltijds ouderschapsverlof zonder dringende reden of zonder inachtneming van de wettelijk bepaalde opzeggingstermijn eenzijdig beëindigt, de aan de werknemer te betalen vergoeding wordt bepaald op basis van het verminderde loon dat hij ontvangt op het tijdstip van het ontslag (zie HvJ, nr. 116/08, 22 oktober 2009). Het Hof van Cassatie schikte zich willens nillens naar deze uitspraak van het Hof van Justitie (zie Cass. 15 februari 2010, S.07.0027.N).  

Ondertussen had het Grondwettelijk Hof in een arrest van 28 mei 2009 (nr. 89/2009) ook reeds geoordeeld dat de opzeggingsvergoeding van een arbeidsongeschikte werknemer die deeltijds het werk hervat wel degelijk moet worden berekend op basis van het voltijdse loon. Het Hof rechtvaardigt deze afwijkende oplossing door te verwijzen naar het feit dat een werknemer niet ervoor kiest arbeidsongeschikt te worden en bijgevolg niet uit vrije keuze in een welbepaalde situatie wordt gebracht.

2. In arrest nr. 80/2012 oordeelt het Grondwettelijk Hof nu dat ook bij zorgverlof (een vorm van tijdskrediet) ingeval van een ontslag tijdens de vermindering van de arbeidsprestaties, de opzeggingsvergoeding dient te worden berekend aan de hand van het effectief verdiende loon. 

De Arbeidsrechtbank te Antwerpen had in zijn prejudiciële vraag - in de lijn van de eerdere rechtspraak van het Grondwettelijk Hof - nochtans aangegeven dat de werknemer die zorgverlof neemt, daartoe gedwongen wordt, dit in tegenstelling tot andere werknemers die hun arbeidsprestaties verminderen. Het Grondwettelijk Hof wees die interpretatie van de hand. Volgens het Hof kiest een werknemer er wel degelijk voor om zorgverlof op te nemen.

De vraag kan worden gesteld of het Grondwettelijk Hof eigenlijk zijn boekje niet te buiten is gegaan. De Arbeidsrechtbank te Antwerpen had in zijn prejudiciële vraag immers zelf aangegeven - als uitgangspunt of als premisse - dat een werknemer die zorgverlof opneemt, in tegenstelling tot de andere loopbaanonderbrekers en tijdskredieters, daar wel degelijk (de facto) toe gedwongen wordt. Het lijkt mij niet dat het aan het Grondwettelijk Hof toekomt deze beoordeling van de lagere rechter in vraag te stellen en zodoende eigenlijk de vraag van zijn essentie te beroven. Het Hof moet een antwoord geven op de gestelde vraag, niet de vraagstelling zelf beoordelen.

In elk geval handhaaft het Grondwettelijk Hof minstens impliciet het onderscheid gebaseerd op het al dan niet vrijwillig karakter van de vermindering van arbeidsprestaties, en beslist het vooral zelf te bepalen wanneer het opnemen van loopbaanonderderbreking of tijdskrediet wel of niet uit vrije keuze is geschied. Welke criteria het Hof daarbij hanteert is daarbij onduidelijk. Gaat het bijvoorbeeld om een juridische of een feitelijke vrijheid? In een eerder blogbericht werd reeds gewezen op een vonnis van de Arbeidsrechtbank te Gent van 7 september 2009 waarin als criterium de 'feitelijke vrijheid' werd genomen. In arrest nr. 80/2012 lijkt het Grondwettelijk Hof veeleer te opteren voor de al dan niet aanwezigheid van een 'juridische vrijheid', los van de concrete feitelijke omstandigheden.

3. Nog los van de vraag of er reden bestaat om dergelijk onderscheid te maken, dat nergens in de wet is terug te vinden (zie W. Vandeputte, "Deeltijds hervatten werk na arbeidsongeschiktheid loont weer", Sociaalrecht Blog 3 juni 2009), is het door het Hof gehanteerde criterium nog voor andere redenen voor kritiek vatbaar.

Zo wees ik reeds erop in het arrest nr. 89/2009 ten onrechte ervan uit wordt gegaan dat een arbeidsongeschikte werknemer die deeltijds het werk hervat, dit niet vrijwillig doet. Het onvrijwillige ligt hem in het feit van de ziekte of het ongeval, maar niet in de beslissing om deeltijds het werk te hervatten (zie K. Nevens, "Vrijwillig tijdskrediet, gedwongen tijdskrediet en de berekening van de opzeggingsvergoeding", Sociaalrecht Blog 3 oktober 2009). Hetzelfde kan mijns inziens worden gezegd van de werknemer die wenst zorgverlof op te nemen: ook hij of zij wordt geconfronteerd met een onverwacht feit, waaraan hij/zij zijn arbeidsregime wil aanpassen. Het Grondwettelijk Hof praat een onderscheiden behandeling niettemin goed door erop te wijzen dat de ziekte in het tweede geval niet aan de werknemer zelf overkomt of is overkomen. Deze interpretatie lijkt me nochtans een hinderpaal te zijn of te creëren voor die werknemers die overwegen gebruik te maken van het zorgverlof. Zet het Grondwettelijk Hof zodoende geen hypotheek op het systeem van het zorgverlof?

Voorts wees ik ook reeds erop dat het onderscheid dat het Grondwettelijk Hof maakt helemaal niet wordt bijgetreden door het Hof van Justitie. Het feit dat de opzeggingsvergoeding van werknemers die ouderschapsverlof nemen, moet worden berekend op het voltijds loon, heeft niets van doen met het vermeende onvrijwillige karakter van het ouderschap, maar houdt net verband met de bezorgdheid om de ratio en de finaliteit van het regime van het ouderschapsverlof niet te hypothekeren.  het Hof van Justitie kiest resoluut voor een teleologische interpretatie die gunstig is voor de betrokken werknemers, terwijl de rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof vooral lijkt ingegeven door het oogmerk om de kosten van een ontslag niet te verhogen, hetgeen mogelijk ingaat tegen de wil van de wetgever of de sociale partners.

4. Ik merkte in het verlengde van het arrest van het Hof van Justitie op dat er in de Belgische rechtsorde nu mogelijk sprake is van een ongelijke behandeling tussen werknemers die ouderschapsverlof genieten en andere tijdskredieters. Deze vraag  werd reeds voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof en negatief beantwoord (zie arrest nr. 167/2011, 10 november 2011). Het Grondwettelijk Hof is de mening toegedaan dat de uitspraak van het Hof van Justitie moet worden geplaatst binnen de Europeesrechtelijke context van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof en wees voorts erop dat de wetgever artikel 105, § 3, van de wet van 22 januari 1985 had gewijzigd om zich te conformeren aan de rechtspraak van het Hof van Justitie. Het Grondwettelijke Hof zegt dan, en ik citeer:
"Uit de parlementaire voorbereiding van die bepaling blijkt dat die regeling enkel betrekking heeft op het ouderschapsverlof en niet op andere vormen van deeltijdse arbeid. Een amendement om de regeling uit te breiden tot alle vormen van vermindering van arbeidsprestaties met toepassing van de afdelingen 3 en 3bis van de wet van 22 januari 1985 is niet aangenomen". 
Het Grondwettelijk Hof maakt er zich hier toch wel heel gemakkelijk van af. Alsof het loutere feit dat de wetgever ervoor heeft gekozen een onderscheid te maken, als dusdanig dat onderscheid rechtvaardigt... Zo dat het geval zou zijn, dan is het instituut 'Grondwettelijk Hof' zonder meer overbodig, want dan bestaan er per definitie geen discriminaties meer in de wetgeving. Het lijkt me net de taak van het Grondwettelijk Hof om ten gronde - op basis van de ratio en de finaliteit van een welbepaalde wetgeving - na te gaan of er sprake is van een ongeoorloofde ongelijke behandeling, zonder zich weg te steken achter Europese regelgeving, achter rechtspraak van het Hof van Justitie of achter een noodingreep van de Belgische wetgever.



18 juni 2011

Cassatierechtspraak in sociale zaken 2011 (eerste kwartaal)

Cass., S.10.0046.F, 3 januari 2011

arbeidswegongeval – publieke sector – toepassingsgebied – werking in de tijd

Artikel 23, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, bepaalt dat, onverminderd de verkregen rechten op renten en andere vergoedingen, noch de leden van een personeel waarop een koninklijk besluit de bij deze wet ingestelde regeling toepasselijk heeft verklaard, noch hun rechthebbenden, vanaf de inwerkingtreding van dat koninklijk besluit nog langer in aanmerking komen voor de wetsbepalingen inzake herstel van schade uit arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar of van het werk en beroepsziekten.

Die bepaling, die de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet alleen uitsluit wat betreft de verkregen rechten op de renten en andere vergoedingen, belet de onmiddellijke toepassing niet van een bepaling die deze renten en vergoedingen ten laste legt van een andere uitkeringsplichtige dan die welke deze onder vigeur van de oude wet verschuldigd was.

Cass., S.09.0102.N, 10 januari 2011

RSZ-wet – dienstbode – huishoudelijke arbeid – begrip inwoning

Krachtens artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt, wat de werknemers betreft die krachtens een arbeidsovereenkomst voor dienstboden, hoofdzakelijk te werk gesteld zijn aan huishoudelijke arbeid van lichamelijke aard voor de behoeften van de huishouding van de werkgever of van zijn gezin, de toepassing van de wet beperkt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, tot de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers, tot de regeling betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers en tot de regeling betreffende de arbeidsvoorziening en de werkloosheid.

Krachtens artikel 18 van voormeld koninklijk besluit, worden aan de toepassing van de wet onttrokken, de in artikel 5 bedoelde werknemers die niet bij hun werkgever inwonen, wanneer zij geen vier uren daags bij eenzelfde werkgever, noch vierentwintig uren per week bij één of verschillende werkgevers tewerkgesteld zijn, alsmede de werkgevers wegens de tewerkstelling van deze werknemers.

Het inwonen in de zin van voormeld artikel 18 veronderstelt niet noodzakelijk dat de dienstbode in dezelfde woning als zijn werkgever leeft.

Cass., S.10.0030.F, 31 januari 2011

Maatschappelijke integratie – leefloon – meerekenbaarheid inkomsten samenwoner – bevoegdheid Koning – wettigheid koninklijk besluit

En vertu de l’article 3, 4°, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l’intégration sociale, une personne peut bénéficier de ce droit si elle ne dispose pas de ressources suffisantes. L’article 14 de cette loi détermine le montant du revenu d’intégration par catégorie de bénéficiaires. En son paragraphe 2, il énonce que ce montant est diminué des ressources de l’assuré social.

Conformément à l’article 16, § 1er, alinéa 1er, deuxième phrase, de la loi, les ressources des personnes avec lesquelles l’assuré social cohabite peuvent être prises en considération dans les limites fixées par le Roi par arrêté délibéré en conseil des ministres.

Cette disposition légale habilite le Roi à déterminer les cas dans lesquels les ressources des cohabitants de l’assuré social doivent être, peuvent être, ou ne sont pas prises en considération.

Tel est l’objet de l’article 34 de l’arrêté royal du 11 juillet 2002 portant règlement général en matière de droit à l’intégration sociale, dont le paragraphe 4 prévoit que, lorsque l’assuré social a droit à un revenu d’intégration visé à l’article 14, § 1er, alinéa 1er, 3°, de la loi, c’est-à-dire lorsqu’il vit avec une famille à sa charge, toutes les ressources du conjoint ou du partenaire de vie sont prises en considération.

En énonçant qu’en arrêtant cette disposition, qui « ne [prévoit] aucune exception ou latitude », le Roi a excédé les limites de l’habilitation qu’il puise dans l’article 16, § 1er, de la loi, lequel « prév[oit] une latitude dans […] la prise en considération des ressources des personnes avec lesquelles [l’assuré social] cohabite », et en décidant pour ce motif d’écarter l’application de

l’article 34, § 4, de l’arrêté royal et de ne pas prendre en considération les ressources de l’épouse du défendeur, l’arrêt viole l’article 16, § 1er, alinéa 1er, deuxième phrase, de la loi du 26 mai 2002.

Cass., S.10.0052.F, 31 januari 2011

RSZ-wet – deeltijdse arbeid – vermoeden van voltijdse arbeid – tegenbewijs

Arbeidsovereenkomst – interpretatie - bewijskracht

Aux termes de l’article 22ter de la loi du 27 juin 1969 révisant l’arrêtéloi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, tel qu’il était applicable au litige, sauf preuve contraire apportée par l’employeur, les travailleurs à temps partiel seront présumés, à défaut d’inscription dans les documents visés aux articles 160, 162, 163 et 165 de la loi-programme du 22 décembre 1989 ou d’utilisation des appareils visés à l’article 164 de la même loi, avoir effectué leur travail effectif normal conformément aux horaires de travail normaux des travailleurs concernés qui ont fait l’objet de mesures de publicité visées aux articles 157 à 159 de cette même loi. A défaut de publicité des horaires de travail normaux des travailleurs concernés, les travailleurs à temps partiel seront présumés avoir effectué leurs prestations dans le cadre d’un contrat de travail en qualité de travailleurs à temps plein.

La preuve contraire de la présomption que lesdits travailleurs ont effectué leurs prestations dans le cadre d’un contrat de travail à temps plein doit être apportée par l’employeur. Cette preuve contraire consiste à démontrer que les travailleurs à temps partiel n’ont pas effectué de prestations à temps plein dans le cadre d’un contrat de travail à temps plein.

L’arrêt relève qu’« aucun règlement de travail, contrat de travail ou extrait du contrat de travail constatant les horaires de travail n’a pu être présenté à l’inspecteur social », que « les travailleuses ne pointaient pas », que « le 9 mars 2004, un administrateur délégué de [la demanderesse] a déclaré qu’il n’y avait pas d’exemplaire des contrats de travail dans les grands magasins, et qu’il n’y avait pas non plus d’horaire pour une des travailleuses, laquelle avait des horaires variables », que « le 25 septembre 2006, [la demanderesse] a signé [les] déclarations complémentaires pour accord », que, « par une lettre de son avocat du 3 avril 2007, [la demanderesse] a transmis [au défendeur] une copie de contrats de travail des trois travailleuses, ces contrats [étant] datés respectivement du 1er mars 1999 (avec un avenant du 1er mars 2004), du 25 avril 2002 et du 29 avril 2002 » et qu’ « en appel, [la demanderesse] dépose les comptes individuels des travailleuses ».

Il énonce, sans être critiqué, que la demanderesse n’a pas respecté les mesures de publicité prescrites, en cas de travail à temps partiel suivant des horaires fixes, et que les trois travailleuses sont, par conséquent, présumées avoir travaillé à temps plein.

Il considère que « même si la présomption vaut jusqu’à la preuve contraire, les contrats de travail produits après le contrôle, et les comptes individuels ne suffisent pas à prouver le contraire. En effet, les contrats de travail ont pu être établis après le contrôle et antidatés. Quant aux déclarations de l’employeur au secrétariat social puis [au défendeur], elles peuvent être inexactes. Les trois travailleuses ont pu, comme l’expose [le défendeur], avoir été occupées au travail à temps plein et continuer à travailler après 9 heures, ou bien dans les grands magasins où elles ont été trouvées au travail avant 9 heures, ou bien en d’autres lieux, tout en n’étant déclarées que pour quelques heures de prestations par jour ». L’arrêt considère ainsi, de manière certaine, sans méconnaître ni les règles relatives à la charge de la preuve ni l’article 22ter précité, que la demanderesse ne prouve pas que les travailleuses concernées n’effectuaient pas des prestations de travail à temps plein dans le cadre d’un contrat de travail à temps plein.

En énonçant que les contrats de travail ont pu être établis après le contrôle et antidatés, l’arrêt ne donne pas de ceux-ci une interprétation inconciliable avec leurs termes et ne viole dès lors pas la foi qui leur est due. En n’y voyant pas une preuve de l’occupation à temps partiel des travailleuses, il ne refuse pas de donner à ces contrats les effets qu’ils ont légalement à l’égard des tiers et, partant, ne viole pas l’article 1165 du Code civil.

L’arrêt ne déclare pas que les éléments de preuve contraire avancés par la demanderesse sont des faux mais qu’ils n’offrent pas une vraisemblance suffisante pour renverser la présomption instituée par l’article 22ter précité. Il ne peut dès lors violer les règles relatives à la procédure d’inscription de faux. Enfin, l’arrêt, qui était tenu d’appliquer l’article 22ter précité, n’a pas élevé une contestation que les conclusions des parties excluaient en constatant que les éléments de preuve apportés par la demanderesse ne permettaient pas le renversement de la présomption légale.

Cass., S.10.0056.N, 7 februari 2011

RSZ-wet - deeltijdse arbeid – vermoeden van voltijdse arbeid – weerlegbaar karakter

Krachtens artikel 1352, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, ontslaat het wettelijk vermoeden degene in wiens voordeel het bestaat, van ieder bewijs. Krachtens artikel 1352, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, wordt geen bewijs tegen het wettelijk vermoeden toegelaten, wanneer de wet, op grond van dit vermoeden, bepaalde handelingen nietig verklaart of de rechtsvordering ontzegt, tenzij de wet het tegenbewijs heeft vrijgelaten.

Krachtens artikel 22ter, tweede lid, RSZ-wet, zoals vervangen bij artikel 8 van de Programmawet van 27 december 2004, worden behoudens in de door de sociale inspectiediensten vastgestelde gevallen van materiële onmogelijkheid om voltijdse arbeid te verrichten, bij ontstentenis van openbaarmaking van de normale werkroosters van de betrokken werknemers, de deeltijdse werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor arbeid als voltijds werknemer.

Die bepaling die de aard van het vermoeden niet kwalificeert, kan alleen zo worden gelezen dat het ingevoerde vermoeden dat door de deeltijdse werknemers voltijds arbeid werd verricht, wanneer geen normale werkroosters werden bekendgemaakt, niet geldt wanneer door de sociale inspectiediensten is vastgesteld dat het materieel onmogelijk is om voltijdse arbeid te verrichten.

Hieruit volgt dat, waar voormeld artikel 22ter, tweede lid, niet vermeldt dat het vermoeden onweerlegbaar is en de wet op grond van dit vermoeden geen bepaalde handeling nietig verklaart of een rechtsvordering ontzegt, dit wettelijk vermoeden als weerlegbaar moet worden beschouwd, ongeacht de bewoordingen van de memorie van toelichting bij het wetsontwerp, die aan deze wetsbepaling geen draagwijdte kan geven die met de wettekst zelf niet overeenstemt.

Cass., C.10.0520.N, 21 februari 2011

arbeidsongeval – subrogatie verzekeraar t.a.v derde aansprakelijke - omvang

Op grond van artikel 47 Arbeidsongevallenwet treedt de arbeidsongevallenverzekeraar die aan de getroffene of zijn rechthebbenden de wettelijk bepaalde vergoedingen heeft betaald, tot beloop van het betaalde bedrag in de rechten die de getroffene of zijn rechthebbenden hadden kunnen laten gelden tegen de aansprakelijke op grond van het gemene recht.

Dit houdt in dat de arbeidsongevallenverzekeraar die aan de getroffene de wettelijke vergoedingen heeft betaald wegens tijdelijke of blijvende, gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, van de aansprakelijke de betaling kan vorderen van het bedrag van die vergoedingen, met inbegrip van de daarop rustende lasten, tot beloop van de gemeenrechtelijke vergoeding die de getroffene had kunnen verkrijgen voor dezelfde schade. Die gemeenrechtelijke vergoeding mag alleen op basis van het brutoloon berekend worden indien de rechter vaststelt dat de lasten die erop zouden rusten, overeenstemmen met de lasten op het loon dat het slachtoffer ingevolge het ongeval heeft moeten derven.

Door op deze gronden aan de verweerster een vergoeding toe te kennen berekend op basis van het brutoloon, zonder vast te stellen dat de fiscale en sociale lasten op de gemeenrechtelijke vergoeding overeenstemmen met de lasten, niet op de arbeidsongevallenvergoeding, maar op het loon dat het slachtoffer ingevolge het ongeval heeft moeten derven, schenden de appelrechters de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen.

Cass., S.09.0089.F, 14 maart 2011

Werkloosheid – verboden arbeid – terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkeringen

Aux termes de l’article 169, alinéa 1er, de l’arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, toute somme perçue indûment doit être remboursée.

En vertu de l’article 7, § 13, alinéa 2, de l’arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, le droit de l’Office national de l’Emploi, en l’espèce le défendeur, d’ordonner la répétition des allocations de chômage payées indûment se prescrit par trois ans. Suivant l’article 7, § 13, alinéa 3, ce délai de prescription prend cours, en règle, le premier jour du trimestre civil suivant celui au cours duquel le paiement a été effectué.

Il résulte des articles 44 et 45, alinéa 1er, 1°, de l’arrêté royal, que, pour bénéficier des allocations de chômage, l’assuré social ne peut exercer pour son propre compte une activité qui peut être intégrée dans le courant des échanges économiques de biens et de services et qui n’est pas limitée à la gestion normale des biens propres.

Lorsque l’indu découle d’une activité exercée par l’assuré social en violation des articles 44 et 45, alinéa 1er, 1°, le droit du défendeur d’ordonner la répétition des allocations de chômage payées indûment n’est pas soumis à la condition que le défendeur constate les revenus produits par cette activité.

L’arrêt attaqué constate que, par un arrêt du 8 février 2006, la cour du travail a décidé que, du 1er septembre 2001 au 1er septembre 2002, le demandeur ne satisfaisait pas au prescrit des articles 44 et 45, alinéa 1er, 1°, et qu’il ne pouvait, dès lors, pas prétendre aux allocations de chômage pour cette période.

En considérant que la détention par le défendeur des avertissementsextraits de rôle relatifs aux revenus du demandeur pour les périodes concernées est une condition pour que la prescription commence à courir, l’arrêt ne justifie pas légalement sa décision que le droit du défendeur d’ordonner la répétition des allocations de chômage payées indûment n’était pas prescrit à la date du 27 juin 2006.

Cass., S.10.0067.F, 28 maart 2011

arbeidsongeval – plotselinge gebeurtenis – gewone dagtaak (uitvoering arbeidsovereenkomst)

Un accident du travail requiert notamment l'existence d'un événement soudain causant une lésion.

L'exercice habituel et normal de la tâche journalière peut être un événement soudain, à la condition que, dans cet exercice, puisse être décelé un élément qui a pu produire la lésion ; il n'est toutefois pas exigé que cet élément se distingue de l'exécution du contrat de travail.

Après avoir constaté que l’auteur des demanderesses a ressenti un malaise cardiaque après s’être fait intercepter fermement, menotter et mettre à genoux par les élèves de l’académie de police lors d’un exercice d’entraînement, l'arrêt attaqué décide que ce geste ne constitue pas un événement soudain aux motifs qu’ « il est acquis qu’il n’a été soumis à aucun stress particulier engendré par l’exécution du travail ni n’a fourni aucun effort particulier de nature professionnelle pouvant constituer le facteur déterminant ou un facteur co-déterminant de la lésion diagnostiquée ».

En refusant d'admettre que l'action de s’être fait intercepter fermement, menotter et mettre à genoux par les élèves de l’académie de police lors d’un exercice d’entraînement pouvait, à elle seule, constituer l'élément qui a pu produire la lésion, l'arrêt viole la disposition visée au moyen.

Cass., S.10.0147.F, 28 maart 2011

Arbeidsovereenkomst – verjaring

Publieke sector – bestuurshandeling met individuele strekking - ontslag

L’article 15, alinéa 1er, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail dispose que les actions naissant du contrat sont prescrites un an après la cessation de celui-ci ou cinq ans après le fait qui a donné naissance à l’action, sans que ce dernier délai puisse excéder un an après la cessation du contrat.

Aux termes de l’article L 1561-2, 4°, du Code wallon de la démocratie locale et de la décentralisation, afin de fournir au public une information claire et objective sur l’action de l’intercommunale, tout document par lequel une décision ou un acte de portée individuelle émanant d’un de ses services est notifié à un requérant indique les voies éventuelles de recours, les instances compétentes pour en connaître ainsi que les formes et délais à respecter, faute de quoi le délai de prescription pour introduire le recours ne prend pas cours.

Cette disposition, qui ne concerne que d’éventuelles voies de recours, n’impose pas, s’agissant d’une décision mettant fin à un contrat de travail, l’indication sur celle-ci de l’action ouverte au tribunal du travail et du délai de prescription de cette action.

L’arrêt constate, d’une part, que, par lettre du 9 mai 2006, la demanderesse a licencié le défendeur avec effet au 15 mai 2006, d’autre part, que celui-ci a introduit par une citation du 27 juillet 2007 une action en réintégration et, subsidiairement, en paiement d’une indemnité pour licenciement abusif et de dommages-intérêts réparant des fautes alléguées dans la procédure de licenciement.

En disant cette action non prescrite au motif que « la lettre de congé ne mentionne que les modalités relatives au recours interne devant le conseil d’administration » et non « l’existence d’un recours contre la décision de licenciement devant la juridiction du travail, la forme et le délai à respecter pour introduire ce recours », l’arrêt viole les dispositions légales précitées .

28 augustus 2010

Britse Supreme Court vraagt aan Hof van Justitie of magistraten werknemers zijn in de communautaire zin

door K. Nevens

Het oogt en klinkt niet echt Brits, maar sinds 1 oktober 2009 heeft ook het Verenigd Koninkrijk zijn Supreme Court. Dit opperste gerechtshof, dat de rechtsprekende taken van de House of Lords heeft overgenomen, werd opgericht door de Constitutional Reform Act 2005. Net zoals het Belgische Grondwettelijk Hof van tijd tot tijd zijn licht laat schijnen over aspecten van het sociaal recht, valt ook te verwachten dat het UK Supreme Court dit mettertijd meer en meer zal (moeten) doen.

In één van de eerste sociale zaken die aan het Britse hooggerechtshof werd voorgelegd (O’Brien v. Ministry of Justice), besliste zij meteen twee prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, kwestie van de Britse soevereiniteit nog even in de verf te zetten.

1) Moet het naar nationaal recht worden bepaald of rechters werknemers zijn in de zin van clausule 2.1 van de Raamovereenkomst betreffende deeltijdarbeid?

2) Zo ja, mag het nationaal recht wat betreft pensioenrechten, discrimineren tussen voltijdse en deeltijdse rechters, of tussen verschillende categorieën deeltijdse rechters?

Het Britse Hof moet immers uitspraak doen in een zaak waarbij een advocaat die jarenlang actief was als deeltijds magistraat, een pensioen eist à rato van het overheidspensioen waarop een voltijdse magistraat gerechtigd is.

In het tussenarrest van het Britse hooggerechtshof passeren heel wat arresten van het Hof van Justitie de revue, gaande van Martinez Sala en Allonby tot Jaeger, Pfeiffer, Wippel en Del Cerro Alonso. Toch blijft het hooggerechtshof op zijn honger zitten wat betreft de concrete betekenis van de uitdrukking “in accordance with national laws and/or practice” die in vele Europese richtlijnen gebruikt wordt om het werknemersbegrip te definiëren.

De discussie draait dus rond de vraag of het werknemersbegrip in de Raamovereenkomst enige gemeenschapsrechtelijke autonomie heeft, vergelijkbaar met de autonomie die daaraan wordt toegekend in het contentieux betreffende het vrij verkeer van werknemers, en dit tegen de achtergrond van het feit dat magistraten naar nationaal recht in de regel als ambtenaren of ‘office holders’ worden beschouwd.

28 juni 2009

Cassatierechtspraak in sociale zaken: februari en maart 2009

Cass. 2 februari 2009, S.08.0091.N

Sociaal statuut zelfstandigen – Bijdragen - Vrijstelling

Krachtens artikel 91, §4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, hebben de door de Commissie voor vrijstelling van bijdragen genomen beslissingen betrekking (1°) op de bijdragen die vervallen zijn op het ogenblik van de aanvraag en uitdrukkelijk bedoeld werden door deze aanvraag en (2°) op de bijdragen die vervallen zijn tussen het ogenblik van de aanvraag en het ogenblik waarop de Commissie beslist Uit deze bepaling volgt dat de enkele omstandigheid dat de aanvraag tot vrijstelling slechts de op het ogenblik van de aanvraag vervallen bijdragen uitdrukkelijk viseert, niet inhoudt dat de Commissie voor vrijstelling van bijdragen niet rechtsgeldig vrijstelling zou kunnen verlenen voor de bijdragen die vervallen zijn tussen het ogenblik van de aanvraag en het ogenblik waarop zij haar beslissing neemt.

Cass. 9 februari 2009, S.07.0096.F

Arbeidsongevallen – Publieke sector – Vrij gesubsidieerd onderwijs – Rechtstreeks uitbetaling subsidie aan onderwijspersoneel – Subjectief recht

En vertu de son article 1er, 6°, le régime institué par la loi du 3 juillet 1967 sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public est rendu applicable, aux conditions et dans les limites fixées par le Roi, aux membres du personnel qui appartiennent aux établissements d'enseignement subventionnés. L'arrêté royal du 24 janvier 1969 relatif à la réparation, en faveur de membres du personnel du secteur public, des dommages résultant des accidents du travail et des accidents survenus sur le chemin du travail, qui concerne notamment, suivant son article 1er, 3°, dans la version applicable au litige, les membres qui appartiennent aux établissements d'enseignement subventionnés régis par la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, dispose, en son article 32, que ces membres du personnel conservent pendant la période de l'incapacité temporaire la rémunération due en raison de leur contrat de travail ou de leur statut.

L'article 25, alinéa 2, de la loi du 29 mai 1959 prévoit que l'Etat accorde notamment les subventions-traitements aux établissements et sections d'établissements d'enseignement visés à l'article 24 dans certaines conditions. Aux termes de l'article 36, alinéa 2, de cette loi, l'Etat paie directement et mensuellement les subventions-traitements aux membres du personnel des établissements subventionnés. A cette obligation de l'Etat, auquel ont été substituées ensuite les communautés, envers ces membres du personnel correspond, dans le chef de ceux-ci, un droit subjectif à l'égard de ces autorités. En condamnant la demanderesse à payer au défendeur un montant correspondant à la différence entre l'intégralité de la subvention-traitement et 80% de celle-ci, afin de permettre au défendeur de conserver la rémunération due pendant la période d'incapacité temporaire, l'arrêt attaqué ne viole aucune des dispositions visées par le moyen.

Cass. 16 februari 2009, S.08.0132.N

Deeltijdse arbeid – Niet-openbaarmaking werkrooster – Vermoeden van voltijdse tewerkstelling - Draagwijdte

Het in artikel 22ter van de RSZ-wet van 27 juni 1969 bepaalde vermoeden van voltijdse tewerkstelling van de deeltijdse werknemers hij ontstentenis van openbaarmaking van hun normale werkroosters geldt niet alleen voor de dag van de vaststelling van de bedoelde ontstentenis, maar voor de ganse voorafgaande periode van tewerkstelling.

Cass. 16 februari 2009, S.08.0071.N

Bevordering tewerkstelling – Vermindering wergeversbijdragen RSZ bij netto-aangroei personeel – Terugbetaling ingeval van overdracht van personeel – Begrip ‘overdracht van personeel’

Krachtens artikel 2, §1, eerste lid, van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling, hebben de werkgevers die ter uitvoering van een akkoord gesloten overeenkomstig de bepalingen van de CAO nr. 60, gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 20 december 1994, een netto-aangroei van het aantal werknemers en daarenboven tenminste een gelijkwaardig arbeidsvolume kunnen aantonen, dit in vergelijking met het overeenstemmende kwartaal van 1994, voor elke nieuw aangeworven werknemer, aangeworven na 31 december 1994, recht op een vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid van "37.500 frank" per trimester. Krachtens artikel 6, eerste lid, van de voormelde wet van 3 april 1995, zoals gewijzigd bij wet van 13 februari 1998 met uitwerking vanaf 1 januari 1995, zal de werkgever tot terugbetaling van het geheel of het gedeelte van de ten onrechte ontvangen voordelen gehouden zijn, indien wordt vastgesteld dat de netto-aangroei van het aantal werknemers het gevolg is van een overdracht van personeel die in hoofde van de overdragende werkgever aanleiding gaf tot een vermindering van het arbeidsvolume in vergelijking met het kwartaal dat aan de overdracht voorafgaat.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat deze bepaling onder meer tot doel heeft te verhinderen dat een loutere wijziging van de werkgever zonder enige reële werkgelegenheidsschepping, recht geeft op het voordeel van de in artikel 2, §1, van de wet van 3 april 1995 bepaalde maatregel.
Onder "overdracht van personeel" in de zin van die bepaling dient dan ook te worden verstaan, elke feitelijke overgang van personeel tussen werkgevers. De appelrechters stellen vast dat de verweerster de handelszaak van E.S. heeft overgenomen en dat zij drie werkneemsters die bij E.S. in dienst waren, verder heeft tewerkgesteld. Ze oordelen vervolgens dat een overdracht van personeel in de zin van artikel 6 van de wet van 3 april 1995 niet bewezen is, zodat de sanctie ervan niet op de verweerster kan worden toegepast, omdat er geen bewijs is van een wilsovereenstemming tussen de verweerster en E.S. om het personeel over te dragen. Aldus schenden de appelrechters het begrip "overdracht van personeel" in de zin van artikel 6, eerste lid, van de wet van 3 april 1995.

Cass. 2 maart 2009, S.08.0119.N

ZIV-wet – Weigering uitkeringen – Opzettelijke gepleegde fout – Verkeersongeval – roekeloze rijwijze

Krachtens artikel 70, §3, in fine, van de ZIV-wet 1963, zoals gewijzigd bij artikel 1 van de wet van 8 juli 1987, wordt de toekenning van de in titel IV van deze wet bedoelde prestaties geweigerd in geval de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een door de gerechtigde opzettelijk gepleegde fout. Krachtens artikel 27, b) van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandige, zoals gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 11 december 1987, worden de uitkeringen geweigerd in geval de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een door de gerechtigde opzettelijk gepleegde fout. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever heeft bedoeld dat de arbeidsongeschiktheid door een opzettelijke fout is veroorzaakt, wanneer de gerechtigde die fout willens heeft begaan, ook al heeft hij de gevolgen ervan niet gewild. Dit houdt in dat wanneer de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van letsels opgelopen bij een verkeersongeval, de uitkeringen moeten worden geweigerd wanneer het ongeval door de gerechtigde willens werd veroorzaakt, ook al heeft hij de gevolgen ervan niet gewild.

Het arrest stelt vast dat de eiser naar aanleiding van het ongeval werd veroordeeld tot één straf wegens alcoholintoxicatie en het toebrengen van onopzettelijke slagen en verwondingen, op grond dat de aanrijding geen andere oorzaak had dan de roekeloze rijwijze van de eiser, die duidelijk beïnvloed was door zijn toestand van alcoholintoxicatie. Het oordeelt dat de eiser door zijn roekeloze rijwijze die beïnvloed werd door zijn toestand van alcoholintoxicatie, een opzettelijke fout heeft begaan en de schade die hij heeft geleden daarvan het gevolg is, zodat hij geen recht heeft op prestaties van de uitkerings- en ziektekostenverzekering.

Louter op grond van het feit dat de aanrijding het gevolg was van de roekeloze rijwijze onder invloed van alcohol, zonder vast te stellen dat de eiser de aanrijding willens heeft veroorzaakt, vermocht het arrest niet te oordelen dat de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een opzettelijk gepleegde fout zoals bedoeld in de vermelde wettelijke bepalingen.


Cass. 9 maart 2009, C.07.0511.F

Betaalde vakantie – Arbeidsongeval – Periode van volledige tijdelijke arbeidsongeschiktheid – Gelijkstelling met gewerkte dagen

L'article 1er, alinéa 1er, 1°, des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, dispose que celles-ci sont, en règle, applicables aux personnes assujetties aux régimes de sécurité sociale des travailleurs. Suivant l'article 11 de ces lois, le Roi détermine pour les travailleurs intellectuels les jours d'inactivité à assimiler à des jours de travail effectif ou de travail effectif normal, les conditions dans lesquelles ils peuvent être pris en considération ainsi que la rémunération fictive qui doit servir de base pour le calcul du pécule de vacances afférent aux jours assimilés. En vertu de l'article 38 de l'arrêté royal du 30 mars 1967, l'employeur paie à l'employé qui prend ses vacances la rémunération normale afférente aux jours de vacances ainsi qu'un supplément. L'article 41 du même arrêté dispose que pour le calcul du montant du pécule de vacances, certaines journées d'interruption de travail sont assimilées aux jours de travail effectif ; parmi ces journées figurent celles résultant d'un accident du travail donnant lieu à réparation. Suivant l'article 43, 1°, a), dudit arrêté, l'intégralité de la période d'incapacité temporaire totale résultant d'un tel accident est prise en considération dans le cadre de cette assimilation.

Il résulte de ces dispositions, d'une part, que l'obligation de payer ces pécules de vacances dus à un employé qui est en incapacité temporaire totale à la suite d'un accident du travail est étrangère à la réparation du dommage organisée par la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail et, d'autre part, que ce paiement incombe à l'employeur. L'arrêt constate que le demandeur, employé de la défenderesse, a été victime d'un accident du travail, que l'assureur-loi a admis une incapacité temporaire totale du 12 août 1999 au 31 mars 2003, que le demandeur réclame le paiement de pécules de vacances pour les années 2000 à 2003 et qu'il étend sa demande, en degré d'appel, à l'année 2004. Par aucune de ses considérations, qu'il fonde sur la loi du 10 avril 1971 et, en particulier, sur l'interdiction de déroger au régime de la réparation forfaitaire du dommage par l'assureur-loi que cette loi institue, l'arrêt ne justifie légalement sa décision de refuser les pécules de vacances demandés.

Cass. 23 maart 2009, S.08.0122.F

PWA – Arbeidsongeval – behoud werkloosheidsuitkering tijdens tijdelijke arbeidsongeshiktheid
ZIV-wet – Cumulatie uitkeringen – Subrogatierecht mutualiteit

En vertu de l'article 136, § 2, alinéa 4, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, l'organisme assureur est subrogé de plein droit au bénéficiaire, à concurrence du montant des prestations octroyées, pour la totalité des sommes qui sont dues en vertu d'une législation belge, d'une législation étrangère ou du droit commun et qui réparent partiellement ou totalement le dommage découlant d'une maladie, de lésions, de troubles fonctionnels ou du décès, pour autant que la victime remplisse les conditions pour l'obtention des indemnités de l'assurance contre la maladie et l'invalidité.
L'article 79, § 10, alinéa 3, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage dispose qu'en cas d'incapacité temporaire de travail résultant d'un accident survenu dans le cadre d'une activité visée à cet article, le chômeur continue à avoir droit aux allocations de chômage par dérogation notamment à l'article 61, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté, qui prévoit que ne peut bénéficier de ces allocations le travailleur qui perçoit une indemnité en vertu d'un régime belge d'assurance contre la maladie et l'invalidité.

L'article 79, § 10, alinéa 3, établit en faveur du travailleur d'une agence locale pour l'emploi, victime d'un accident du travail dans le cadre de son activité, un régime expressément dérogatoire à la condition d'aptitude au travail, qui lui permet de conserver le droit aux allocations de chômage en cas d'incapacité temporaire de travail résultant de cet accident. Il suit de l'ensemble de ces dispositions que l'organisme assureur qui a octroyé à un travailleur d'une agence locale pour l'emploi, victime d'un accident du travail, des prestations de l'assurance alors que celui-ci n'y avait pas droit, n'est pas subrogé à la victime pour réclamer le remboursement de ces prestations à la société d'assurance garantissant une protection équivalente à celle qu'accorde la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.

L'arrêt constate que la demanderesse, qui a payé des indemnités de l'assurance contre la maladie et l'invalidité à une travailleuse d'une agence locale pour l'emploi, victime dans le cadre de son activité d'un accident couvert par une assurance souscrite auprès de la défenderesse, réclame à celle-ci, sur la base de la subrogation, le remboursement des sommes payées à cette travailleuse alors que celle-ci avait droit à des allocations de chômage. En constatant, sans être critiqué par le moyen, en cette branche, que les prestations litigieuses étaient « indues », l'arrêt justifie légalement sa décision de refuser à la demanderesse le bénéfice de la subrogation dont elle se prévalait.

Cass. 23 maart 2009, S.08.0136.F

Arbeidsrelatie – Kwalificatie – Onverenigbare elementen

Lorsque les éléments soumis à son appréciation ne permettent pas d'exclure la qualification donnée par les parties à la convention qu'elles ont conclue, le juge du fond ne peut y substituer une qualification différente. Pour écarter la qualification de contrat d'entreprise que, selon ses constatations, les parties ne contestaient pas avoir donnée à leur convention lors de sa conclusion, l'arrêt se fonde sur les circonstances, relevées dans la relation contractuelle entre les parties, qu'il est demandé à la défenderesse de faire établir des cartes de visite, qu'elle reçoit des instructions pour faire suivre le courrier et pour les provisions à demander aux membres, qu'elle retravaille des lettres du président, doit achever des tâches, transmettre l'information et agir dans le cadre des structures de la demanderesse en relation avec le président et le conseil d'administration de la demanderesse. Ni séparément ni conjointement, ces éléments ne sont incompatibles avec l'existence d'un contrat d'entreprise. Les éléments relevés par l'arrêt dans la relation contractuelle précédente entre la défenderesse et le groupement d'intérêt économique ne peuvent, dès lors, servir à confirmer la qualification qu'il retient. Partant, l'arrêt ne décide pas légalement que les parties étaient liées par un contrat de travail.

Cass. 30 maart 2009, S.08.0088.N

Bedrijfsorganisatie – Ondernemingsraad en Preventiecomité – Getalsterkte personeelsafvaardiging – Bepaling met in acht name aantal tewerkgestelde uitzendkrachten

Krachtens artikel 25, eerste lid, van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, hierna Uitzendarbeidswet genoemd, komen voor de toepassing van de bepalingen van de wetten en verordeningen die steunen op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, de ter beschikking van een gebruikende onderneming gestelde uitzendkrachten eveneens in aanmerking voor de berekening van de personeelssterkte, tewerkgesteld door die onderneming. Krachtens artikel 25, tweede lid, van de Uitzendarbeidswet, geldt het eerste lid niet voor de uitzendkrachten die vaste werknemers vervangen als bedoeld in artikel 1, §2, 1°, van die wet. Artikel 25, derde lid, van de Uitzendarbeidswet bepaalt: "Wat de wetgeving op de ondernemingsraden en de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen betreft, bepaalt de Koning de wijze van berekening van het gemiddelde van de uitzendkrachten die door een gebruiker worden tewerkgesteld."
Het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet geldt blijkens zijn uitdrukkelijke bewoordingen voor alle wettelijke bepalingen die steunen op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, dit is zowel voor wettelijke bepalingen die de drempel bepalen voor de oprichting van een orgaan als voor wettelijke bepalingen die de drempel bepalen voor andere of ondergeschikte verplichtingen. Het geldt ook zowel voor wettelijke bepalingen die steunen op het "aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld als voor wettelijke bepalingen die steunen op het "gemiddeld aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld. Artikel 25, derde lid, van de Uitzendarbeidswet verleent aan de Koning de bevoegdheid te bepalen hoe de gemiddelde tewerkstelling van uitzendkrachten moet worden berekend voor de erin aangeduide wetgeving welke bepalingen bevat die steunen op het gemiddeld aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld. Het strekt er niet toe de toepassing van artikel 25 van de Uitzendarbeidswet te beperken tot alleen die wettelijke bepalingen welke steunen op het "gemiddeld aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld.

Krachtens artikel 23, eerste lid, van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008, is de personeelsafvaardiging in de raad en in het comité samengesteld uit: "4 gewone leden voor een onderneming met minder dan 101 werknemers; 6 gewone leden voor een onderneming met 101 tot 500 werknemers; (...), op de datum van aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd". Krachtens artikel 23, vijfde lid, van deze wet bestaat de afvaardiging bovendien uit plaatsvervangende leden waarvan het aantal gelijk is aan dat van de gewone leden. Artikel 23, eerste lid, van de voormelde wet van 4 december 2007 is een wetsbepaling die steunt op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet. Hieruit volgt dat de uitzendkrachten die op de datum van aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd, ter beschikking van een gebruikende onderneming zijn gesteld, eveneens in aanmerking komen voor de berekening van de personeelssterkte van die onderneming en dus voor de vaststelling van het aantal leden en plaatsvervangende leden van de personeelsafvaardiging in de ondernemingsraad en in het comité voor preventie en bescherming op het werk.

03 juni 2009

Deeltijds hervatten werk na arbeidsongeschiktheid loont weer

door Wim Vandeputte

1. Werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die na een periode van volledige arbeidsongeschiktheid het werk geleidelijk aan kunnen hervatten, doen dat in eerste instantie vaak noodgedwongen deeltijds in afwachting van een volledig herstel. Wanneer een werknemer in een dergelijke situatie van deeltijdse arbeid door de werkgever ontslagen wordt, stelt zich een probleem in verband met de berekening van de opzeggingsvergoeding. Dient deze berekend te worden op basis van het loon dat de werknemer verdient op het ogenblik dat hij deeltijds werkt, of moet daarvoor teruggegrepen worden naar het voltijdse loon van vóór de periode van volledige arbeidsongeschiktheid?

Dit laatste is alleszins de regel voor werknemers wiens arbeidsovereenkomst volledig geschorst is ingevolge arbeidsongeschiktheid op het ogenblik van de verbreking van de arbeidsovereenkomst door de werkgever. Ook voor een werknemer die het werk gedeeltelijk hervat na een periode van volledige arbeidsongeschiktheid, lijkt deze oplossing de meest logische. Toch staken ernstige twijfels over de juistheid van deze oplossing de kop op als gevolg van enkele dubieuze uitspraken van ‘s lands hoogste rechtscolleges in het kader van de wettelijke regeling inzake loopbaanonderbreking. In de situatie van een werknemer die zijn arbeidsprestaties met toepassing van deze regeling tijdelijk vermindert, doet zich namelijk een gelijkaardig probleem voor.

Artikel 39 §1 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat de opzeggingsvergoeding in beginsel berekend moet worden op basis van het lopende loon en de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst. Onder het begrip “lopend loon” wordt verstaan het loon waarop de werknemer recht heeft op het ogenblik van het beëindigen van de arbeidsrelatie. Een strikte interpretatie van dit artikel leidt tot de conclusie dat een werknemer met verminderde arbeidsprestaties in geval van ontslag door de werkgever slechts aanspraak kan maken op een opzeggingsvergoeding berekend op het lagere, deeltijdse loon. Hierdoor kan een ontslag voor de werkgever beduidend goedkoper uitvallen tijdens de periode van gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de overeenkomst dan daarbuiten.

2. In het kader van de regeling loopbaanonderbreking is de afgelopen jaren gebleken dat noch het Hof van Cassatie, noch het Grondwettelijk Hof graten ziet in de toekenning van een lagere opzeggingsvergoeding aan de werknemer die zijn arbeidsprestaties tijdelijk heeft verminderd (zie Cass. 11 december 2006, nr. S040143N; GWH 13 maart 2008, nr. 51/2008 en 8 mei 2008, nr. 77/2008). Het resultaat van deze rechtspraak van het Hof van Cassatie en van het Grondwettelijk Hof deed niettemin menig arbeidsjurist de wenkbrauwen fronsen. Met betrekking tot het specifieke geval van ouderschapsverlof, is in dit verband overigens nog een prejudiciële vraag van het Hof van Cassatie hangend voor het Hof van Justitie (zie de zaak C-116/08).

De mogelijkheid om dezelfde redenering toe te passen in de situatie van de deels werkende, deels arbeidsongeschikte werknemer, blijkt nu volgens het Grondwettelijk Hof een brug te ver. In een arrest van 28 mei 2009 (nr. 89/2009) verwerpt het hof de door de verwijzende rechter voorgelegde interpretatie dat een arbeidsongeschikte werknemer die verkeert in een situatie van deeltijdse hervatting van het werk, enkel recht zou hebben op een proportioneel verminderde opzeggingsvergoeding. Het hof is van oordeel dat een strikte interpretatie van artikel 39 §1 van de Arbeidsovereenkomstenwet onevenredige gevolgen met zich zou meebrengen voor de deels arbeidsongeschikte werknemer. Een alternatieve interpretatie van het artikel dringt zich op: de werknemer die met toestemming van de adviserend geneesheer van zijn ziekenfonds zijn arbeidsprestaties deeltijds hervat, heeft bij ontslag door de werkgever recht op een opzeggingsvergoeding bepaald op grond van het loon voor volledige arbeidsprestaties. In die interpretatie stelt zich dan ook geen probleem van verschil in behandeling ten aanzien van de werknemer waarvan de uitvoering van de arbeidsovereenkomst volledig geschorst is wegens arbeidsongeschiktheid.

Men kan zich de vraag stellen of het Grondwettelijk Hof met deze uitspraak afstand neemt van zijn eerdere rechtspraak in het kader van loopbaanonderbreking. Het hof sluit echter zelf een dergelijke interpretatie van het arrest uit. Een arbeidsongeschikte werknemer die verkeert in een situatie van deeltijdse hervatting van het werk heeft volgens het hof niet voor deze situatie gekozen, maar is zonder het te willen daarin beland als gevolg van zijn precaire gezondheidstoestand. Bij een vermindering van de arbeidsprestaties in het kader van loopbaanonderbreking heeft een werknemer daarentegen wel uitdrukkelijk voor deeltijdse tewerkstelling gekozen.

Het nieuwe onderscheid dat het Grondwettelijk Hof met dit arrest in het leven roept, is op zijn minst betwistbaar. Het gehanteerde onderscheidingscriterium overtuigt niet: het valt moeilijk in te zien waarom een werknemer die op vrijwillige basis zijn arbeidsprestaties tijdelijk vermindert, zijn rechten bij ontslag herleid ziet tot een proportioneel verminderde opzeggingsvergoeding, terwijl dat niet het geval is voor een deeltijds arbeidsongeschikte werknemer. In beide gevallen gaat het om een tijdelijke gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Ubi lex non distinguit,…

28 maart 2009

Voor regeling ouderschapsverlof is (deeltijdse betrekking x 2) = voltijdse betrekking

GwH, nr. 63/2009, 25 maart 2009

1. Het Grondwettelijk Hof werd door het Arbeidshof te Luik ondervraagd over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 GW, van artikel 102 van de herstelwet 1985, waarnaar het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 en het koninklijk besluit van 2 januari 1991 verwijzen, indien die bepaling zo wordt geïnterpreteerd dat ze het recht op een uitkering voor onderbreking van de beroepsloopbaan enkel opent voor de voltijds tewerkgestelde werknemers wanneer zij bij één enkele werkgever zijn tewerkgesteld, en niet wanneer zij ten minste twee deeltijdse betrekkingen cumuleren : in die interpretatie zouden de werknemers die voltijds zijn tewerkgesteld bij verschillende werkgevers verstoken zijn van het recht op een deeltijds ouderschapsverlof gedurende meer dan drie maanden.

Het hangende geschil voor de verwijzende rechter betreft de situatie van een werkneemster die twee halftijdse betrekkingen cumuleert en die een halftijds ouderschapsverlof aanvroeg gedurende zes maanden; na een ouderschapsverlof te hebben verkregen van drie maanden voor één van haar halftijdse betrekkingen, wenste zij een ouderschapsverlof van drie maanden te genieten voor haar andere halftijdse betrekking.

2. Uit de bewoordingen zelf van artikel 102 van de herstelwet vloeit voort dat de vermindering van de arbeidsprestaties en de uitkering voor loopbaanonderbreking die wordt toegekend aan de werknemer die zijn arbeidsprestaties deeltijds vermindert, enkel werden opgevat ten aanzien van de werknemer die "voltijds is tewerkgesteld". Ofschoon de vermindering van de arbeidsprestaties in het raam van een deeltijds ouderschapsverlof een voltijds tewerkgestelde werknemer beoogt, lijken de bewoordingen van artikel 102 van de herstelwet, alsmede de KB's in verband met het ouderschapsverlof, echter niet de situatie te hebben beoogd van een werknemer die voltijds is tewerkgesteld door twee halftijdse betrekkingen bij twee werkgevers te cumuleren.

Door te stellen dat de werknemer een vermindering van zijn arbeidsprestaties kan afspreken met "zijn werkgever", kan de in het geding zijnde bepaling niet alle werkgevers beogen die een werknemer tewerkstellen die verschillende deeltijdse betrekkingen cumuleert, die overeenstemmen met een voltijdse betrekking. Het halftijds ouderschapsverlof gedurende zes maanden kan dus enkel ten goede komen aan de werknemer die voltijds is tewerkgesteld bij één enkele werkgever en niet aan de werknemer die voltijds is tewerkgesteld bij twee werkgevers die hem ieder halftijds tewerkstellen.

3. Het Hof onderzocht daarom of de in het geding zijnde bepaling een discriminatie in het leven roept tussen voltijds tewerkgestelde werknemers. Voltijds tewerkgestelde werknemers bij één enkele werkgever en voltijds tewerkgestelde werknemers om reden van cumulatie van twee halftijdse betrekkingen bij twee werkgevers bevinden zich in een vergelijkbare situatie wat betreft de duur van de arbeidstijd. Krachtens de vermelde bepalingen inzake ouderschapsverlof, is het ouderschapsverlof een individueel recht dat aan alle werknemers wordt toegekend, ongeacht de duurtijd, deeltijds of voltijds, van hun arbeidsprestaties en dat recht kan worden toegekend in de vorm van een vermindering van de arbeidsprestaties.

Artikel 4 van de wet van 5 maart 2002 betreffende het beginsel van non-discriminatie ten gunste van deeltijdwerkers bepaalt : "Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden worden deeltijdse werknemers niet minder gunstig behandeld dan voltijdse werknemers in een vergelijkbare situatie louter op grond van het feit dat zij in deeltijd werkzaam zijn, tenzij het verschil in behandeling om objectieve redenen gerechtvaardigd is. Wanneer zulks passend is, kunnen hun rechten worden vastgesteld in verhouding tot hun arbeidsduur. Indien zulks om objectieve redenen gerechtvaardigd is, kan de toegang tot bepaalde arbeidsvoorwaarden afhankelijk worden gesteld van een bepaalde diensttijd, arbeidsduur of beloning". Die bepaling strekt ertoe de richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, waarvan clausule 4 een beginsel van non-discriminatie vaststelt, ten uitvoer te leggen.

Door werknemers die voltijds worden tewerkgesteld door de cumulatie van twee halftijdse betrekkingen bij twee werkgevers, van het voordeel van het recht op halftijds ouderschapsverlof gedurende een periode van zes maanden uit te sluiten, behandelt de in het geding zijnde bepaling werknemers die voltijds zijn tewerkgesteld, om de enkele reden dat zij twee halftijdse betrekkingen hebben, op een andere wijze dan de werknemers die voltijds zijn tewerkgesteld bij één enkele werkgever, zonder dat dat verschil in behandeling is verantwoord.

Voor een werknemer die halftijds wordt tewerkgesteld bij twee werkgevers bestaat er immers geen enkele praktische moeilijkheid, noch enig risico dat de goede werking van de ondernemingen wordt verstoord, waardoor de weigering om gedurende zes maanden een halftijds ouderschapsverlof en de aan dat verlof verbonden uitkeringen toe te kennen, kan worden verantwoord : het is aldus voor de werknemer mogelijk een ouderschapsverlof van drie maanden af te spreken met één van zijn werkgevers die hem halftijds tewerkstellen, en vervolgens dat ouderschapsverlof aan te vullen met een ouderschapsverlof van drie maanden, dat wordt afgesproken met zijn tweede werkgever.

Aldus moet elk van de werkgevers de vermindering van de arbeidstijd dragen ten belope van de gepresteerde arbeidstijd. De vermindering van de arbeidstijd van de werknemer en de uitkeringen die hem zullen worden gestort, zullen aldus dezelfde zijn als mocht hij voltijds zijn tewerkgesteld bij één enkele werkgever.

03 februari 2009

Cassatierechtspraak in sociale zaken: november 2008

Cass., S.08.0056.N, 3 november 2008, H.M t./ D.I en W.G.

Deeltijdse arbeid – minimale arbeidsduur – verschuldigd loon – dwingend recht
Deeltijdse arbeid – minimale arbeidsduur – afwijking bij KB of CAO – vaststelling daarvan door rechter - motiveringsverplichting


Artikel 11bis van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat in de regel de wekelijkse arbeidsduur van de deeltijds tewerkgestelde werknemer niet lager mag liggen dan een derde van de wekelijkse arbeidsduur van de voltijds tewerkgestelde werknemers. De Koning of een collectieve arbeidsovereenkomst kunnen van deze regel afwijken. Wanneer de overeenkomst prestaties vastlegt die lager liggen dan de grenzen die door of krachtens deze wet zijn vastgesteld, is het loon nochtans verschuldigd op basis van deze minimumgrenzen.
Deze bepaling is van dwingend recht in het voordeel van de werknemer.

Hieruit volgt dat als de eiseres die deeltijds is tewerkgesteld voor een vijfde van een voltijdse betrekking, niettemin recht heeft op een loon verschuldigd voor een werknemer die een derde van de normale arbeidsduur presteert als niet blijkt dat van deze regel van de minimale tewerkstelling voor een derde is afgeweken door de Koning of een collectieve arbeidsovereenkomst.

De appelrechters die niet vaststellen dat de Koning of een collectieve arbeidsovereenkomst van de algemene regel van artikel 11bis van de Arbeidsovereenkomstenwet is afgeweken en niettemin bij de beoordeling van de aanspraken van de eiseres uitgaan van een vijfde tewerkstelling en niet van een derde tewerkstelling, laten het Hof niet toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen, zodat zij hun beslissing niet naar recht verantwoorden, mitsdien artikel 149 van de Grondwet schenden.


Cass., S.08.0007.N, 3 november 2008, B.A. t. FAO en V.M.

Sociaal strafrecht – Arbeidsongevallenwet – Begrip ‘Werkgever’

Krachtens artikel 49, eerste lid, van de Arbeidsongevallenwet, is de werkgever verplicht een arbeidsongevallenverzekering aan te gaan bij een verzekeringsonderneming, die aan de in dit artikel bepaalde voorwaarden moet voldoen. Krachtens artikel 60, heeft het Fonds voor arbeidsongevallen voor bepaalde uitkeringen, kapitalen en bedragen, een verhaalsrecht op de in gebreke zijnde werkgever. Met werkgever wordt in deze wetsbepalingen diegene bedoeld die in eigen naam en voor eigen rekening werknemers in het kader van een arbeidsovereenkomst tewerkstelt of hiermede gelijkgestelde personen.

Door, enerzijds, te aanvaarden dat de eiser als werknemer en aangestelde van de Belgische Staat verantwoordelijk was voor de arbeidsrechtelijke en sociaalrechtelijke verplichtingen met betrekking tot de tewerkstelling van B.V.H., en, anderzijds, te oordelen dat de eiser zelf de werkgever was van B.V.H., miskent het arrest het begrip "werkgever", zoals bedoeld in de artikelen 49, eerste lid, en 60 van de Arbeidsongevallenwet.

Cass., C.08.0117.N, 17 november 2008, Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds t./ LCM

Verkeersongeval – tussenkomst van Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds – eigen recht van ziekenfonds voor terugvordering verleende prestaties – draagwijdte van bij KB bepaalde uitsluiting

Artikel 80, §1, eerste lid, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen, zoals in deze zaak van toepassing, bepaalt de gevallen waarin elke benadeelde van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds de vergoeding kan verkrijgen van de schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels die door een motorrijtuig zijn veroorzaakt. Krachtens artikel 80, §1, eerste lid, 3°, van deze wet, kan elke benadeelde van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds vergoeding bekomen van de schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels die door een motorrijtuig zijn veroorzaakt wanneer in geval van diefstal, geweldpleging of heling, de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig aanleiding kan geven, niet verzekerd is overeenkomstig de wettelijk geoorloofde uitsluiting. Krachtens artikel 80, §1, tweede lid, van deze wet, worden de omvang en de voorwaarden tot toekenning van dit recht op vergoeding bepaald door de Koning. Artikel 17, §1, 5°, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 79 en 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals in deze zaak van toepassing, bepaalt dat het Fonds niet gehouden is tot vergoeding tegenover de persoon die zich van het motorrijtuig dat de schade veroorzaakt heeft meester gemaakt door diefstal of geweldpleging, de heler van het motorrijtuig en de mededader of de medeplichtige van de diefstal, het geweld of de heling.

Artikel 136, §2, achtste lid, van de ZIV-wet, verleent aan de verzekeringsinstelling een eigen recht van terugvordering van de verleende prestaties tegenover het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds in de gevallen bedoeld in artikel 50 (artikel 80 ingevolge hernummering bij koninklijk besluit van 12 augustus 1994) van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen. Uit deze bepalingen volgt dat de verzekeringsinstelling alleen over een eigen recht van terugvordering beschikt in de gevallen en in dezelfde mate als de benadeelde recht zou hebben op vergoeding ten laste van het Fonds. De omstandigheid dat de verzekeringsinstelling van haar eigen recht gebruik maakt, kan de verplichtingen van het Fonds niet verzwaren in vergelijking met de verplichtingen die het zou hebben indien de benadeelde zelf vergoeding van zijn schade zou vorderen. Wanneer de benadeelde uitgesloten is van het recht van vergoeding ten laste van het Fonds op grond van artikel 17, §1, van het koninklijk besluit van 16 december 1981, kan het Fonds derhalve niet gehouden zijn tot terugbetaling aan de verzekeringsinstelling van de prestaties die deze heeft verleend aan de benadeelde.

In het tussenvonnis van 21 december 2004 oordelen de appelrechters dat de verzekerde van de verweerder, zich minstens medeplichtig had gemaakt aan de diefstal of heling van het gestolen voertuig dat het verkeersongeval veroorzaakte. In het bestreden vonnis oordelen de appelrechters dat de uitsluitingsgronden van artikel 17 van het koninklijk besluit van 16 december 1981 niet kunnen worden tegengeworpen aan de verweerder, aangezien deze een eigen recht uitoefent en dus niet in de plaats treedt van haar verzekerde, en de verweerder zelf niet onder een van deze uitsluitingsgronden valt en volledig vreemd is aan het verkeersongeval en zijn gevolgen. Door op grond hiervan de eiser te veroordelen tot terugbetaling aan de verweerder van de bedragen die door de verweerder aan zijn verzekerde werden uitbetaald, schenden de appelrechters de voornoemde wettelijke bepalingen.


Cass., C.08.0259.N,17 november 2008, V.M. t./ Argenta

Loonbescherming – Loonoverdracht – Vermelding in de akte van loonoverdracht
Nietigheid van proceshandelingen - Akte van loonoverdracht – geen proceshandeling

Luidens artikel 27 van de Loonbeschermingswet, moet de overdracht van loon gebeuren bij een akte onderscheiden van die welke de hoofdverbintenis bevat waarvan zij de uitvoering waarborgt. De gewaarborgde verbintenis en de overeenkomst van loonoverdracht zijn nauw met elkaar verbonden. De overeenkomst staat niet los van de basisovereenkomst. Uit de voormelde wetsbepaling en de bedoeling van de wetgever om aan de overdrager een afdoende rechtsbescherming te bieden, vloeit voort dat de akte van loonoverdracht dient te vermelden welke hoofdverbintenis wordt gewaarborgd en ten belope van welk bedrag.

Krachtens artikel 867 van het Gerechtelijk Wetboek, kan het verzuim of de onregelmatigheid van de vorm van een proceshandeling niet tot nietigheid leiden, wanneer uit de gedingstukken blijkt dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt. Door dit artikel in ondergeschikte orde toe te passen op de loonoverdracht, die een overeenkomst is en geen proceshandeling, past het bestreden vonnis deze wetsbepaling toe buiten zijn toepassingsgebied.

Cass., S.08.0070.N, 17 november 2008, M.D. en W.C. t/ European Support Ltd.

Arbeidsovereenkomst van bepaalde duur – vergoeding bij voortijdige beëindiging – akkoord na het einde van de overeenkomst – afstand van recht

Na een onderzoek van de feitelijke omstandigheden van de zaak, oordelen de appelrechters dat gelet op de inhoud van de voorliggende stukken, de uitvoering die daar verder aan is gegeven en het uitblijven van enige betwisting gedurende zeven maanden, er reden is om aan te nemen dat er een akkoord tot stand kwam, waarbij voor wat de heer M. betreft minstens overeenstemming bestond over de omvang van de ontslagvergoeding en van de bijkomende bonus. Door deze overweging geven de appelrechters te kennen dat de eiser afstand heeft gedaan van de rechten die artikel 40, §1, van de Arbeidsovereenkomstenwet hem toekent.

Uit de vaststellingen dat er een akkoord is tot stand gekomen over de ontslagvergoeding na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, dat door de partijen is uitgevoerd en door de eiser niet werd betwist gedurende zeven maanden, hoewel hij de hele tijd werd bijgestaan door een raadsman, konden de appelrechters zonder schending van het algemeen rechtsbeginsel dat de afstand van recht niet kan worden vermoed en enkel kan afgeleid worden uit feiten die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn, afleiden dat de eiser afstand heeft gedaan van de rechten die hij haalt uit artikel 40, §1, van de Arbeids-overeenkomstenwet.

Cass., S.08.0085.N, 17 november 2008, RIZIV t./ D.N.

ZIV-wet – invaliditeit gevolgd door primaire arbeidsongeschiktheid – noodzakelijkheid van een verslag van de adviserende geneesheer van het ziekenfonds

Het arrest bevestigt de beslissing van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit, volgens dewelke de verweerster vanaf 27 augustus 2001 geen graad van arbeidsongeschiktheid had in de zin van de criteria van artikel 100 van de Z.I.V.- Wet van 14 juli 1994. Overeenkomstig het advies van de door het arbeidshof aangestelde deskundige, beslist het arrest ten aanzien van de eiser dat de verweerster vanaf 1 januari 2004 een graad van arbeidsongeschiktheid had overeenkomstig de criteria van voormeld artikel 100. Krachtens artikel 93, tweede lid, van de Z.I.V.-Wet wordt het tijdvak van invaliditeit onderbroken, wanneer de gerechtigde gedurende drie maanden of langer niet meer de staat van invaliditeit bezit, bedoeld in artikel 100 van dezelfde wet. Hieruit volgt dat de gerechtigde die na zulke periode opnieuw als arbeidsongeschikt wordt erkend, zich alsdan bevindt in de staat van primaire arbeidsongeschiktheid, bepaald bij de artikelen 87, eerste lid, en 100 van de Z.I.V.-Wet.

Zoals blijkt uit artikel 90 van de Z.I.V.-Wet, komt de beslissing omtrent het bestaan van de primaire arbeidsongeschiktheid, behoudens het te dezen niet toepasselijk geval, bepaald in het tweede lid van dit artikel, toe aan de adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling van de gerechtigde, zodat zonder verslag van deze geneesheer de eiser niet vermag zodanige staat te erkennen, noch de duur ervan vast te stellen. Door zonder voorafgaandelijk verslag van de adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling van de verweerster ten aanzien van de eiser te beslissen dat de verweerster, wiens staat van invaliditeit op 27 augustus 2001 een einde nam, vanaf 1 januari 2004 arbeidsongeschikt was in de zin van artikel 100 van de Z.I.V.-Wet, schendt het arrest de in het onderdeel als geschonden aangewezen wetsbepalingen.

14 december 2008

Cassatierechtspraak in sociale zaken oktober 2008


Cass., S.08.0017.F, 13 oktober 2008, RIZIV t./ BVBA Collard

Ziekte- en invaliditeit – algemene raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging – instelling van rechtsvordering

RIZIV – beheerscomité –subrogatie door minister

L'article 16, § 1er, 5°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, dans sa version antérieure à la loi du 27 avril 2005, dispose que le conseil général de l'assurance soins de santé décide des actions en justice dans le cadre de sa compétence; qu'en cas d'urgence, le fonctionnaire dirigeant du service des soins de santé peut décider l'action en justice; que cette action est soumise à l'approbation du conseil général lors de sa plus prochaine séance, et que, si cette approbation est refusée, il y aura lieu à désistement de l'action intentée.

Il résulte de cette disposition, d'une part, que l'approbation par le conseil général de la décision du fonctionnaire dirigeant du service des soins de santé d'interjeter appel en cas d'urgence constitue une condition de la régularité de l'intentement de cet appel, d'autre part, que le délai dans lequel doit être saisi le conseil général est de rigueur et que, en cas d'inobservation de celui-ci, le conseil général est dessaisi, dans le cadre de l'application de cet article 16, § 1er, 5°, de son pouvoir d'approuver, lors d'une séance ultérieure à sa plus prochaine séance, la décision du fonctionnaire dirigeant d'interjeter appel.

Aux termes de l'article 21, alinéa 1er, de la loi du 25 avril 1963 sur la gestion des organismes d'intérêt public de sécurité sociale et de prévoyance sociale, lorsque le comité est en défaut de prendre une mesure ou d'accomplir un acte prescrit par la loi ou les règlements, le ministre dont l'organisme relève peut se substituer à lui après l'avoir invité à prendre les mesures ou à accomplir les actes nécessaires dans le délai qu'il fixe, sans que celui-ci puisse être inférieur à huit jours.

Lorsque, en application de l'article 16, § 1er, 5°, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994, le fonctionnaire dirigeant du service des soins de santé décide d'interjeter appel et que cette décision doit être approuvée par le conseil général lors de sa plus prochaine séance, cette approbation constitue un acte prescrit par la loi au sens de l'article 21, alinéa 1er, précité.

De la circonstance que le conseil général s'est à deux reprises trouvé dans l'impossibilité de prendre une mesure ou d'accomplir un acte prescrit par la loi ou les règlements en raison de l'absence de quorum, il ne se déduit pas que l'obligation du ministre d'inviter ce conseil à prendre les mesures ou à accomplir les actes nécessaires serait dénué d'objet.

Pour le surplus, l'arrêté du ministre du 31 juillet 2001 approuvant la décision du fonctionnaire dirigeant du service des soins de santé d'interjeter appel constitue un arrêté au sens de l'article 159 de la Constitution. En considérant que cet arrêté procède d'un excès de pouvoir résultant de l'inobservation de l'article 21 de la loi du 25 avril 1963, l'arrêt attaqué motive régulièrement et justifie légalement sa décision qu'il ne peut recevoir application et que, dès lors, l'appel est irrecevable.

Cass., S.06.0086.F 13 oktober 2008, R.G. t./ anderen

Ziekte en invaliditeit – nomenclatuur – prestaties door geneesheer-specialist

L'article 24 de la loi du 9 août 1963 instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités dispose, en ses deux premiers alinéas, dans leur version applicable au litige, que la nomenclature, établie par le Roi, énumère les prestations de santé, en fixe la valeur relative et précise notamment ses règles d'application ainsi que la qualification requise de la personne habilitée à effectuer chacune d'elles.

Suivant l'article 10, § 1er, de l'annexe à l'arrêté royal du 16 novembre 1973 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, les prestations techniques médicales spéciales mentionnées au chapitre V sont prises en charge par l'assurance lorsqu'elles sont effectuées par un médecin agréé par le ministre de la Santé publique à un des titres que cette disposition énumère.

Aux termes du paragraphe 4 du même article, les actes connexes à la pratique d'une spécialité déterminée sont également honorés lorsqu'ils sont effectués par un médecin agréé au titre de spécialiste en cette spécialité.

Il résulte de ces dispositions de l'article 10 que les prestations d'un médecin agréé au titre de spécialiste qui sont prises en charge par l'assurance sont celles qui relèvent de sa propre spécialité ainsi que celles qui sont connexes à la pratique de celle-ci. Cette connexité ne peut exister que si une prestation relevant de la spécialité du médecin agréé est également effectuée.

L'article 20, § 2, de l'annexe précitée ne déroge pas à ce principe dès lors qu'il précise seulement les prestations qui, tout en relevant d'une autre spécialité, sont toujours admises comme connexes à celles effectuées par le médecin dans le cadre de sa spécialité.

Cass., S.08.0014.N, 20 oktober 2008, RSZ t./ Lederwaren Jama

RSZ – deeltijdse arbeid – vermoeden van voltijdse tewerkstelling

Het in artikel 22ter van de R.S.Z.-wet van 27 juni 1969 bepaalde vermoeden van voltijdse tewerkstelling van de deeltijdse werknemers bij ontstentenis van openbaarmaking van hun normale werkroosters geldt niet alleen voor de dag van de vaststelling van de bedoelde ontstentenis, maar voor de ganse periode van tewerkstelling.

Cass., S.08.0008.N, 30 oktober 2008, RSZ t./ Assem Packing Subcontractors

Huisarbeid – arbeidsovereenkomst – gezagsvereiste

RSZ – toepassingsgebied (uitbreiding) - huisarbeid – gelijkaardige voorwaarden – geen gezagsvereiste

1. Voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst is vereist dat een werknemer zich ertoe verbindt, tegen loon, onder gezag van een werkgever arbeid te verrichten. Krachtens artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, ingevoerd bij de wet van 6 december 1996 en in werking getreden op 1 maart 1997, is voor de huisarbeiders die tegen loon arbeid verrichten onder het gezag van een werkgever niet vereist dat zij onder het toezicht of de rechtstreekse controle van de werkgever staan.

Krachtens artikel 2, §1, van de RSZ-wet van 27 juni 1969, kan de Koning, bij in ministerraad overlegd besluit en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, de toepassing van deze wet uitbreiden "tot de personen die, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, tegen loon arbeidsprestaties onder het gezag van een ander persoon verrichten of die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst" en alsdan de persoon aanwijzen "die als werkgever wordt beschouwd".

In uitvoering van deze bepaling heeft de Koning in artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 de toepassing van de wet van 27 juni 1969 verruimd tot "de personen die op een door hen gekozen plaats, in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte producten bewerken die één of verschillende handelaars hun hebben toevertrouwd en die alleen werken of gewoonlijk ten hoogste vier helpers tewerkstellen, alsmede tot die handelaars".

Uit de voornoemde bepalingen volgt dat de verruiming van de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot de personen bedoeld in artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, van toepassing is op personen die niet onder het gezag van een werkgever arbeid verrichten.

Vermits de personen bedoeld in artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 niet de huisarbeiders zijn omschreven in artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet, moet bij de beoordeling van de gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst in het kader van artikel 3, 4°, van het voormeld uitvoeringsbesluit bijgevolg geen rekening worden gehouden met het gezagselement, zoals dit besloten ligt in artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet.

Het arrest dat oordeelt dat artikel 119.1 geen enkele vorm van huisarbeid van haar toepassingsgebied uitsluit en dus ook niet de categorie die beoogd wordt in artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 en op die gronden de vordering van de eiser ongegrond verklaart omdat geen gezagsverhouding tussen de verweerster en de thuiswerkende medewerkers werd aangetoond, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

2. De grondwettelijke regels van de gelijkheid der Belgen voor de wet en van de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover voor het criterium van dat onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met inachtneming van het doel en de gevolgen van de ter beoordeling staande maatregel. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel geen redelijk verband van evenredigheid bestaat.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met de in artikel 2, §1, van de RSZ-wet van 27 juni 1969 bedoelde "personen die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst", de zogenaamde marginale arbeidskrachten uit de privé-sector worden beoogd. Dit zijn de personen die in sociaal-economisch opzicht in een zelfde toestand verkeren als de werknemers maar die wegens de aard van de door hen gesloten overeenkomst juridisch niet kunnen aangezien worden als arbeidend onder het gezag van een ander persoon.

De uitbreiding van het toepassingsgebied van de RSZ-wet van 27 juni 1969 heeft tot doel deze personen die in sociaal-economisch opzicht in een zelfde toestand verkeren als de werknemers, dezelfde sociale bescherming te verlenen. Deze gelijkstelling met werknemers, die beperkt is tot de socialezekerheidswetgeving en niet raakt aan de bestaande rechtsverhouding tussen partijen, is geen maatregel die ertoe strekt de bewijslast van de eiser bij "de aanpak van schijnzelfstandigheid" te verlichten.

Artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 strekt er aldus toe de huisarbeiders die niet onder het gezag van een werkgever werken in omstandigheden die gelijkaardig zijn aan die van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet, dezelfde sociale bescherming te verlenen als de huisarbeiders die wel door een arbeids-overeenkomst verbonden zijn.

De omstandigheid dat de eiser bij het invorderen van socialezekerheidsbijdragen voor gewone werknemers het bewijs moet leveren van een gezagsverhouding en dat hij voor de huisarbeiders bedoeld in artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, slechts moet bewijzen dat die huisarbeiders in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst werken, houdt op zich geen verboden ongelijke behandeling of discriminatie van hun opdrachtgevers in, vermits de bedoelde werknemers en huisarbeiders zich niet in dezelfde situatie bevinden.

Het onderscheid in de behandeling ten aanzien van de gewone werknemers en de in voormeld artikel 3, 4°, bedoelde huisarbeiders is ook objectief en redelijk verantwoord. Het verschil in behandeling van de opdrachtgevers dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, is dienvolgens niet in strijd met het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod, vastgelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Cass., S.07.0077.N, 20 oktober 2008, RSZ t./ Dupont de Nemours, e.a.

RSZ – bijdragen - loon - aandelenopties

Krachtens de artikelen 23, eerste lid, en 38, §1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, hierna Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid genoemd, en artikel 14, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hierna RSZ-wet genoemd, worden de socialezekerheidsbijdragen berekend op basis van het loon van de werknemer.

Krachtens artikel 23, tweede lid, van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid en artikel 14, §2, van de RSZ-wet, wordt het begrip loon, dat voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen in aanmerking wordt genomen, bepaald bij artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, hierna Loonbeschermingswet genoemd, dit is het geld en de in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer "ingevolge de dienstbetrekking" recht heeft ten laste van zijn werkgever.

Om te bepalen of een aan de werknemer toegekende aandelenoptie, dit is het recht om, gedurende een welbepaalde termijn, een bepaald aantal aandelen aan te kopen of, naar aanleiding van de verhoging van het kapitaal van een vennootschap, op een bepaald aantal aandelen in te schrijven tegen een vastgestelde of een nog vast te stellen prijs, een in geld waardeerbaar voordeel is waarop de werknemer "ingevolge de dienstbetrekking" recht heeft ten laste van zijn werkgever in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet, dient het tijdstip van de toekenning van de optie in aanmerking te worden genomen.

Wanneer de werknemer de optie licht en de aandelen sinds de toekenning van de aandelenoptie een grotere waarde hebben dan de te betalen optieprijs, geniet de werknemer weliswaar een voordeel. De bedoelde aandelen kunnen echter ook in waarde dalen zodat het verkrijgen zelf van de aandelenoptie voor de werknemer louter een kans op winst uitmaakt. Het in geld waardeerbaar voordeel dat de werknemer geniet wanneer hij de optie licht en de marktwaarde van het aandeel op dat ogenblik hoger ligt dan de vastgestelde uitoefenprijs, is uitsluitend het gevolg van de fluctuaties van de aandelenkoers en van de hoedanigheid van optie- of aandeelhouder van de betrokken werknemer en is niet het gevolg van zijn dienstbetrekking.

Noch het feit dat de aandelenoptie onverhandelbaar en slechts beperkt overdraagbaar is, noch het feit dat zij slechts kan gelicht worden op voorwaarde dat er nog een op de arbeidsovereenkomst gestoelde band bestaat tussen de werknemer en de werkgever, doet daaraan af.

Cass., C.07.0315.F, 27 oktober 2008, L.P., M.M.F. t./ F.M.

Loonbescherming – overdracht van loon

L'article 29, alinéa 1er, de la loi du 12 avril 1965 dispose que, dans les dix jours de l'envoi de la notification visée à l'article 28, 1°, le cédant peut s'opposer à l'intention d'exécution à condition d'en aviser le débiteur cédé. La loi ne prévoit pas que le délai de dix jours est établi à peine de déchéance, de sorte que, conformément à l'article 860, alinéa 3, du Code judiciaire, le droit d'opposition du cédant peut être valablement exercé après son expiration. La circonstance que l'intention d'exécution du cessionnaire ait entre-temps été mise en œuvre n'a pas pour effet de priver l'opposition d'objet.

Cass., S.08.0076.F, 27 oktober 2008, CSC t./ Caterpillar

Bedrijfsorganisatie - sociale verkiezingen – technische bedrijfseenheid - betwisting

En vertu des articles 12 de la loi du 4 décembre 2007 relative aux élections sociales de l'année 2008 et 3 de la loi du 4 décembre 2007 réglant les recours judiciaires introduits dans le cadre de la procédure relative aux élections sociales de l'année 2008, un recours peut être introduit contre la décision ou l'absence de décision de l'employeur concernant le nombre d'unités techniques d'exploitation ou d'entités juridiques pour lesquelles des organes doivent être institués et la division de l'entité juridique en unités techniques d'exploitation. Ce recours doit être introduit à l'égard de toutes les entités juridiques que concernent les prétentions de la partie requérante.

Aux termes des articles 24, § 2, alinéa 1er, 3°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie et 79, § 2, alinéa 1er, 3°, de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail, qui s'appliquent audit recours, la partie requérante est tenue de déposer in limine litis, au greffe de la juridiction du travail saisie, l'identité et l'adresse complète des parties intéressées. Le second alinéa du même paragraphe de ces deux articles précise que, pour l'application de l'alinéa 1er, il faut entendre par « partie intéressée » toute personne, organisation représentative des travailleurs ou organisation représentative des cadres mise en cause dans le cadre de la procédure.

Ces dispositions tendent à permettre, pour garantir les droits de la défense dans le cadre d'une procédure requérant d'ailleurs célérité, la convocation utile de toutes les parties mises à la cause. Elles doivent, dès lors, être entendues comme visant tant les parties à l'égard desquelles le recours doit être introduit pour être recevable que d'autres parties que la partie requérante a également mises à la cause.

Le jugement attaqué constate que le recours de la demanderesse tend à entendre dire pour droit que la deuxième défenderesse, d'une part, les quatre autres sociétés défenderesses, d'autre part, constituent deux unités techniques d'exploitation distinctes et que la requête introductive d'instance mentionne la première défenderesse « comme unique partie défenderesse » et les autres défenderesses comme « autres parties à convoquer ». Le jugement attaqué, qui, pour dire le recours irrecevable, considère que, n'ayant été mises à la cause que comme parties intéressées, les deuxième, troisième, quatrième et cinquième défenderesses ne peuvent être considérées comme des parties défenderesses à l'égard desquelles le recours est introduit, viole les articles 24, § 2, alinéas 1er, 3°, et 2, de la loi du 20 septembre 1948 et 79, § 2, alinéas 1er, 3°, et 2, de la loi du 4 août 1996.