24 oktober 2013
Internationale arbeidsovereenkomst: Hof van Justitie geeft formele invulling aan 'nauwere band met een ander land'
25 augustus 2013
IJCLLIR, vol 29 (2013): 3de nummer uit
'Labour Trafficking in China: Analysis and Recommendations', Sophia Kagan, Issue 3, pp. 259–282
Despite the likely prevalence of trafficking for labour exploitation in China, law enforcement agencies focus narrowly on the two areas that the government regards as priorities for anti-trafficking activities: the elimination of the illegal adoption of babies and the sexual exploitation of women. Drawing on a review of Chinese legislation, analysis of reports and interviews with experts, this article examines the scale of trafficking for labour exploitation and the scope and effectiveness of the legislation drafted to combat this crime.
'The Principle of Effet Utile and Its Impact on National Methods for Enforcing the Rights of Posted Workers', Miriam Kullmann, Issue 3, pp. 283–303
Although Member States are largely free to decide how to monitor and enforce the rights of posted workers, they are nonetheless bound to comply with EU law. In doing so, Member States must adhere not only to the principle of effet utile, setting minimum requirements, but also to the limits imposed by the freedom to provide services, placing a ceiling on national methods. Member States adopt different enforcement methods, though generally the following three are to be found: the state-oriented, the judicial and the industrial relations enforcement methods. Starting from this distinction, the article analyses the relation between EU law and national law, examining cases in which national methods for enforcing the rights of posted workers have come under the scrutiny of the Court of Justice of the European Union. An attempt is then made to identify the Member States' room for manoeuvre.
'Mandatory Retirement in the EU and the US: The Scope of Protection against Age Discrimination in Employment', Anja Wiesbrock, Issue 3, pp. 305–324
This paper discusses the divergent approaches towards age discrimination in employment and mandatory retirement in the EU and the US. It challenges the perception that older workers seeking to work beyond the retirement age enjoy a significantly higher degree of protection from discrimination in the US. Even though US law strictly outlaws mandatory retirement, it does not adequately protect older employees form employer practices that are indirectly discriminatory and that may have the same effect as mandatory retirement provisions. When aiming for substantive equality, which not only prohibits mandatory retirement by law, but also prevents the practical effect of older employees being forced to retire against their will, it appears that US employees are in a similarly vulnerable position to their European counterparts.
| 'Integrative Employment and Social Security Rights', Lilach Lurie, Issue 3, pp. 325–347 | |||||||||||||||||||
| Workers today face many labour market transitions (e.g., between work and caring for family members). This article is intended to make two main contributions to the ongoing debate on how the law should regulate labour market transitions. First, it aims to promote a better understanding of existing and theoretically possible employment and social security provisions by placing them on a spectrum of regulatory models, from individual to integrative regulation. Second, it examines the concept of Integrative Employment and Social Security Rights (IERs), as one of the models on the spectrum. IERs are legal rights that apply to workers in several or all labour market transitions (e.g., the right to request working reduced hours). The application of IERs has several justifications (e.g., promoting individual autonomy and fighting discrimination) tempered with considerations that would at times limit their usage (e.g., inefficiencies). By presenting the justifications for IERs as well as the limitations on their normative application, the article provides a possible roadmap for rethinking employment and social security law. | |||||||||||||||||||
| De volledige tekst van de artikelen is, tegen betaling, te vinden op de website van Kluwer Law Online. | |||||||||||||||||||
20 december 2012
Hof van Justitie vindt Limosa voor zelfstandigen een onevenredige maatregel
HvJ, C-577/10, Commissie/België
1. In een arrest van 19 december 2012 oordeelde het Hof van Justitie dat de verplichting zelfstandige dienstverrichters die niet in België zijn gevestigd, om vóór de uitoefening van hun activiteit in België een voorafgaande melding te doen, in strijd is met het vrij verkeer van diensten (art. 56 VWEU). Het betreft de zogenaamde limosaverplichting voor zelfstandigen, zoals die is vervat in artikel 153 van de programmawet I van 27 december 2006 en thans is strafbaar gesteld door artikel 182, §2 van het Sociaal Strafwetboek (vóór 1 juli 2011 was dit art. 157 van de reeds genoemde programmawet).
Het Hof is van oordeel dat de meldingsplicht en de daarmee gepaard gaande formaliteiten, een belemmering vormt van het vrij verrichten van diensten. De meldingsplicht maakt het in een andere lidstaat gevestigde zelfstandige dienstverrichters moeilijker om op het Belgische grondgebied diensten te verrichten, aldus het Hof.
Het Hof erkent wel dat de doelstellingen waarop België zich beroept, kunnen gelden als dwingende vereisten van algemeen belang die een beperking van het vrij verrichten van diensten kunnen rechtvaardigen. België beriep zich meer bepaald op de doelstelling van bestrijding van sociale fraude en de voorkoming van misbruiken zoals schijnzelfstandigheid. Het Hof aanvaardt dat deze doelstelling kan samenhangen met het doel het financiële evenwicht van de socialezekerheidsstelsel te vrijwaren, maar ook met het doel oneerlijke concurrentie en sociale dumping te voorkomen en werkenden, met inbegrip van zelfstandigen, te beschermen. het Hof sluit zich zodoende in algemene termen aan bij de conclusie van advocaat-generaal Cruz Villalon, die het volgende stelde:
"Hoewel de wetgever van de Unie tot op heden „schijnzelfstandigheid” blijkbaar nog niet als een specifiek probleem heeft beschouwd of zelfs nog nooit heeft geprobeerd te ontdekken wat achter deze realiteit kan schuilgaan, komt dit fenomeen in talloze documenten ter sprake en zijn cijfers beschikbaar waaruit de omvang ervan blijkt, hetgeen voldoende reden is om de door het Koninkrijk België aangevoerde rechtvaardigingsgrond op zijn waarde te beoordelen.
In casu vormt de noodzaak om het fenomeen van schijnzelfstandigheid te bestrijden en daartoe de nodige controles uit te voeren ontegenzeglijk een dwingend vereiste van algemeen belang dat een beperking van het vrij verrichten van diensten kan rechtvaardigen. Dat vereiste, dat met name de waarborging van naleving van de minimumnormen van richtlijn 96/71 mogelijk maakt, sluit aan bij de bescherming van de werknemers, die sinds lang door het Hof als een dwingend vereiste van algemeen belang is erkend.Ook de doelstelling van bestrijding van schijnzelfstandigheid kan in verband worden gebracht met de doelstelling van voorkoming van oneerlijke concurrentie, die het Hof als een dwingend vereiste van algemeen belang heeft erkend, en meer in het algemeen met de door het Koninkrijk België aangevoerde doelstelling van voorkoming van sociale dumping, voor zover – zoals de Commissie in haar schrifturen heeft benadrukt – deze doelstelling bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstelling van sociale bescherming van de echte werknemers die de schijnzelfstandigen zijn."
"In casu kan in beginsel worden aangenomen dat de verplichting tot voorafgaande melding van de datum en plaats van de dienstverrichting en van de naam van de dienstontvanger die krachtens het Limosa-systeem rust op in een andere lidstaat dan het Koninkrijk België gevestigde dienstverrichters, noodzakelijk is voor de uitvoering van controles die onontbeerlijk zijn ter waarborging van zowel de naleving van de minimumnormen van richtlijn 96/71 inzake de sociale bescherming (bestrijding van schijnzelfstandigheid) als de bescherming van de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden van zelfstandigen (bescherming van echte zelfstandigen). Er dient immers te worden vastgesteld dat zo deze informatie niet beschikbaar is, het voor de lidstaat van bestemming praktisch onmogelijk is om onaangekondigde controles ter plaatse uit te voeren. Bovendien is het bij gebreke van regelingen voor administratieve samenwerking tussen de lidstaten voor de lidstaat van bestemming praktisch onmogelijk, anders dan het geval is voor op zijn grondgebied gevestigde zelfstandigen, om snel de voor dergelijke controles noodzakelijke informatie op te zoeken en in te winnen."
04 oktober 2012
Hof van Justitie verkiest werkelijke situatie boven schriftelijke bedingen bij de toepassing van de detacheringsregels uit de Coordinatieverordening
door K. Nevens
1. Een Poolse beroepsrechter werd geconfronteerd met een geval van grensoverschrijdende tewerkstelling, waarbij een Poolse werknemer tot driemaal toe door een Poolse onderneming naar het buitenland werd gezonden om arbeid te verrichten, telkenmale op basis van een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur. De Poolse onderneming voerde in eigen land geen opdrachten uit.
Omdat de schriftelijke arbeidsovereenkomst bepaalde dat de werknemer zou werken "op bouwplaatsen in Polen en op het grondgebied van de Europese Unie (Ierland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Duitsland, Finland), volgens de instructies van de werkgever” had de bevoegde Poolse instelling van sociale zekerheid (de ZUS), voor de eerste twee tewerkstellingen een E101-formulier afgeleverd op basis van het toen geldende artikel 14, lid 2, sub b, van de coördinatieverordening nr. 1408/71. Volgens deze bepaling is bij tewerkstelling in meerdere lidstaten de volgende socialezekerheidswetgeving van toepassing:
Met betrekking tot de derde tewerkstelling veranderde de ZUS echter het geweer van schouder. Een aanvraag voor een E10-formulier werd geweigerd omdat met betrekking tot de vorige tewerkstellingen was gebleken dat de werknemer steeds in één lidstaat buiten Polen werkzaam was. De feitelijke uitvoering van de arbeidsovereenkomst strookte met andere woorden niet met de schriftelijke bedingen ervan."i) de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan zij wonen, indien zij een deel van hun werkzaamheden op dit grondgebied uitoefenen of indien zij verbonden zijn aan meer dan één onderneming of meer dan één werkgever die hun zetel of domicilie op het grondgebied van verschillende lidstaten hebben;ii) de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij zij werkzaam zijn, zich bevindt, indien zij niet wonen op het grondgebied van een der staten waar zij hun werkzaamheden uitoefenen".
De Poolse rechter in eerste aanleg gaf de ZUS gelijk. Van tewerkstelling in meerdere lidstaten was er ook volgens hem geen sprake. Hij ging echter nog een stap verder en oordeelde ook dat er helemaal geen sprake was van een detachering in de zin van artikel 14, lid 1 van de oude coördinatieverordening. De Poolse rechter kwam tot dit besluit omdat de Poolse onderneming geen activiteiten uitoefende in Polen. De economische activiteit was met andere woorden volledig gericht op andere lidstaten. De Poolse rechter stelde zodoende impliciet aan de kaak dat de onderneming slechts een postbusfirma was. Het gevolg van deze beslissing was dat de werknemer onderworpen zou moeten worden aan de socialezekerheidswetgeving van de plaats van gewoonlijke tewerkstelling (in casu Frankrijk en Finland).
Tegen de beslissing van de rechter in eerste aanleg werd zowel door de werkgever als door de werknemer beroep aangetekend. De werkgever voerde aan dat de vereiste van gelijktijdigheid van tewerkstellingen niet wordt gesteld in artikel 14, lid 2. De werknemer voegde daar aan toe dat hij wel degelijk in meerdere landen had gewerkt, met name in het kader van verschillende opeenvolgende arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur.
De beroepsrechter vroeg opheldering aan het Hof van Justitie.
2. Het Hof van Justitie wijst er eerst en vooral op dat de Poolse rechter er terecht van uit ging dat er geen sprake is van detachering in de zin van artikel 14, lid 1 omdat de Poolse onderneming Format doorgaans geen werkzaamheden van betekenis verrichtte in Polen, haar lidstaat van vestiging. Het Hof zet in de verf dat dit een juiste toepassing en interpretatie is van die bepaling, en voegt er verder aan toe dat deze feitelijke vaststelling van de Poolse rechter niet werd betwist voor het Hof. Kortom, uit het arrest valt niet zoveel lering te trekken wat betreft het fenomeen van de postbusfirma's.
Ten tweede zegt het Hof zonder veel omwegen dat voor de toepassing van artikel 14, lid 2 een werknemer werkzaamheden moet plegen uit te oefenen op het grondgebied van twee of meer lidstaten. Wanneer een werknemer gewoonlijk werkzaamheden in loondienst verricht op het grondgebied van één lidstaat, kan hij dus niet onder de werkingssfeer van het voornoemde artikel vallen.
Ten derde zet het Hof in de verf dat de instelling bevoegd voor het afleveren van E10-formulieren zorgvuldig de (verwachte) arbeidssituatie moet analyseren. Het Hof erkent hierbij dat de schriftelijke (arbeids)overeenkomst die bij de aanvang van de arbeidsrelatie worden opgesteld, in de praktijk van bijzonder belang kunnen zijn, maar voegt er wel het volgende aan toe:
"voor zover de bewoordingen van die documenten evenwel overeenkomen met de betrokken te verwachten werkzaamheden op het ogenblik van de aanvraag van de E 101-verklaring of, in voorkomend geval, de vóór of na een dergelijke aanvraag daadwerkelijk uitgeoefende werkzaamheden."
"uit de niet-betwiste inlichtingen die aan het Hof zijn verstrekt door de verwijzende rechter, Format en ZUS, (blijkt dat ) Kita op basis van de betreffende overeenkomsten op permanente basis werkzaamheden (verrichtte) gedurende meerdere maanden of meer dan tien maanden op het grondgebied van één lidstaat, te weten Frankrijk. Voorts werkte Kita in het kader van de volgende overeenkomst, die hij opnieuw voor bepaalde duur met Format sloot, enkel op Fins grondgebied. Blijkens de stukken kreeg Kita in de context van alledrie de overeenkomsten na beëindiging van de werkzaamheden onbetaald verlof, waarna de betrokken overeenkomst in onderlinge overeenstemming voortijdig werd beëindigd.In die omstandigheden kan (...) niet worden geoordeeld dat een werknemer in de situatie van Kita onder het begrip „degene die op het grondgebied van twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt uit te oefenen” in de zin van artikel 14, lid 2, van verordening nr. 1408/71 kan vallen."
"een persoon die in het kader van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten die het grondgebied van meerdere lidstaten als plaats van de werkzaamheden vermelden, feitelijk voor de duur van elke overeenkomst telkens slechts op het grondgebied van een van die staten werkt, (kan) niet onder het begrip „degene die op het grondgebied van twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt uit te oefenen” in de zin van die bepaling (...) vallen."
21 juli 2012
Nieuwe regels EU socialezekerheidscoördinatie
Op 8 juni 2012 werd de nieuwe verordening 465/2012 gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie. Het nieuwe instrument brengt wijzigingen aan in de gemoderniseerde coördinatie van sociale zekerheid van verordeningen 883/2004 en 987/2009. De belangrijkste veranderingen zijn die voor vliegtuigbemanningsleden en zelfstandigen en deze tot wijziging van de regels voor gelijktijdige tewerkstelling voor verschillende werkgevers. De nieuwe regels traden in werking op 28 juni 2012.
Vóór deze wijziging werden de algemene regels voor de aanduiding van de toepasselijke wetgeving bij gelijktijdige tewerkstelling toegepast op vliegtuigbemanningen. Deze regels waren echter niet aangepast aan de manier waarop luchtvaartmaatschappijen doorgaans worden georganiseerd. Veel luchtvaartmaatschappijen bieden hun diensten aan vanuit een zogenaamde "thuisbasis", de plaats waar de bemanning een dienstperiode of een reeks van dienstperioden normaal begint of eindigt en waar, onder normale omstandigheden, de exploitant niet verantwoordelijk is voor hun huisvesting. Dit is ook de locatie waarmee de werknemer de grootste band heeft tijdens zijn / haar werk.
De nieuwe regels erkennen nu deze nauwe band met de opname van het begrip "thuisbasis". Dat betekent dat de persoon zal worden onderworpen aan de sociale zekerheidswetgeving van het land van de "thuisbasis". Nemen we als niet zo fictief voorbeeld de situatie van een piloot die werkt voor een luchtvaartmaatschappij die haar maatschappelijke zetel in Ierland heeft, maar die in België woont en waarvan de 'thuisbasis' in België is. Volgens de nieuwe regels, zal hij onderworpen zijn aan de Belgische sociale zekerheidswetgeving en niet langer aan de Ierse wetgeving. De bijdragen zullen dus aan de R.S.Z. worden betaald.
Verordening 883/2004 heeft het werkloosheidshoofdstuk uitgebreid tot werkloosheidsuitkeringen voor zelfstandigen. Verordening 465/2012 voorziet nu in praktische bepalingen voor werkloze zelfstandige grensarbeiders. Deze zijn van toepassing in het geval dat het woonland geen werkloosheidsuitkeringen voor werkloze zelfstandigen voorziet. In dat geval zal het land van de laatste activiteit de werkloosheidsuitkeringen betalen, op voorwaarde dat de persoon zich daar registreert bij de plaatselijke werkloosheidsbureaus en daar op zoek gaat naar werk. Van de 27 EU-lidstaten, hebben er 18 een werkloosheidsregeling voor zelfstandigen en 9 niet.
Ten slotte heeft de nieuwste regeling het criterium van de "substantiële activiteiten" uitgebreid tot gelijktijdige tewerkstellingssituaties waarin een werknemer in dienst is van twee of meer werkgevers die hun zetel in verschillende lidstaten hebben. Als gevolg daarvan zullen werknemers die werken voor verschillende werkgevers die gevestigd zijn in twee lidstaten, waarvan er één hun woonland is, substantiële activiteiten (gelijk of meer dan 25% van de arbeidstijd en/of verloning) in dat woonland moeten uitoefenen opdat de wetgeving van dat land van toepassing zou zijn. Als dit niet het geval is, zijn zij voortaan onderworpen aan de wetgeving van de lidstaat waar de andere werkgever is gevestigd. Echter, van zodra een persoon in verschillende lidstaten werkt voor verschillende werkgevers die gevestigd zijn in twee of meer lidstaten die niet het woonland zijn, zal hij/zij nog steeds onderworpen zijn aan de wetgeving van de woonlidstaat.
Een overgangsperiode van maximaal 10 jaar zal zorgen voor een zachte landing van de nieuwe regels. Personen die door de nieuwe regels worden geraakt, kunnen dus de huidig toepasselijke wetgeving handhaven, tenzij hun situatie verandert of indien zij uitdrukkelijk kiezen voor de toepassing van de nieuwe regels.
24 juni 2012
Welk socialezekerheidsregime toe te passen voor personeel van een baggerschip onder EU-vlag, dat actief is buiten EU-grondgebied?
03 april 2012
Switzerland applies modernised social security coordination regulations
Regulations (EC) Nos 883/2004 and 987/2009, the legislative package known as modernised social security coordination, have been applied within the EU since 1 May 2010.
The entry into force of these new regulations triggered an update of the Swiss agreement with the EU and its Member States on the free movement of persons, namely of its annex on social security coordination. The process has lead to the adoption of Decision No 1/2012 by the EU-Swiss Joint Committee on 31 March marking the extension of modernised coordination rules to Switzerland.
Until then, Regulations (EEC) Nos 1408/71 and 574/72 were still applied in the relations with the Swiss confederation.
Regulations (EEC) Nos 1408/71 and 574/72 still apply in relations with three EEA countries: Iceland, Liechtenstein and Norway.
17 januari 2012
Werknemers die werkzaam zijn op gasboorplatformen op het tot een lidstaat behorende gedeelte van het continentaal plat vallen in beginsel onder het Unierecht
Op 10 september 2004 is Salemink van Nederland naar Spanje verhuisd. Vóór zijn vertrek naar Spanje was Salemink verplicht verzekerd overeenkomstig de Nederlandse wettelijke socialezekerheidsregeling, volgens welke degene die zijn dienstbetrekking buiten Nederland vervult, niet als werknemer wordt beschouwd, tenzij hij in Nederland woont en zijn werkgever eveneens in die lidstaat woont of gevestigd is. Vanwege zijn verhuizing naar Spanje voldeed Salemink niet meer aan dit woonplaatsvereiste en was hij bijgevolg niet langer verplicht verzekerd, met name tegen arbeidsongeschiktheid.
Nadat Salemink zich op 24 oktober 2006 ziek had gemeld, heeft hij op 11 september 2007 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen aangevraagd, met ingang van 24 oktober 2008.
Die aanvraag werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen afgewezen omdat Salemink, na zijn verhuizing naar Spanje, (vanaf 10 september 2004) niet meer verplicht verzekerd was en niet langer in aanmerking kwam voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering.
In die omstandigheden heeft de Rechtbank Amsterdam (Nederland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie gevraagd of het Unierecht zich ertegen verzet dat een werknemer die werkzaam is op een vaste installatie op het tot een lidstaat behorende gedeelte van het continentaal plat, in die lidstaat niet verplicht verzekerd is ingevolge de nationale wettelijke regeling, uitsluitend omdat hij niet woonachtig is in die lidstaat, maar in een andere lidstaat.
Het Hof onderzoekt om te beginnen of het Unierecht van toepassing is op de situatie van Salemink. In dit verband herinnert het Hof eraan dat uit het internationaal zeerecht volgt dat de kuststaat over het continentaal plat soevereine rechten uitoefent ter exploratie en exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van het plat. Die rechten zijn exclusief in die zin dat, indien de kuststaat het continentaal plat niet exploreert of de natuurlijke rijkdommen ervan niet exploiteert, niemand deze werkzaamheden mag gaan verrichten dan met de uitdrukkelijke toestemming van de kuststaat. Wat de kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen op het continentaal plat betreft, heeft de kuststaat het uitsluitende recht om deze te bouwen en de bouw, de werkzaamheden en het gebruik ervan te machtigen en te regelen. De kuststaat bezit dus de uitsluitende rechtsmacht over die kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen.
Aangezien het tot een lidstaat behorende gedeelte van het continentaal plat onder de, zij het functionele en beperkte, soevereiniteit van die staat valt, moet arbeid die een werknemer op vaste of drijvende installaties die zich op het continentaal plat bevinden, in het kader van de exploratie en/of exploitatie van natuurlijke rijkdommen verricht, voor de toepassing van het Unierecht worden aangemerkt als arbeid verricht op het grondgebied van die staat.
Nu is vastgesteld dat het Unierecht van toepassing is, onderzoekt het Hof vervolgens of het Unierecht zich ertegen verzet dat een persoon in de situatie van Salemink, nadat hij zijn woonplaats naar Spanje heeft verplaatst, wordt uitgesloten van het stelsel van verplichte verzekering.
In dit verband beklemtoont het Hof dat het aan de wettelijke regeling van elke lidstaat staat om vast te stellen onder welke voorwaarden het recht of de verplichting tot aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid of een bepaalde tak van een dergelijk stelsel ontstaat. Niettemin moeten de lidstaten, die weliswaar bevoegd blijven om de voorwaarden voor aansluiting bij hun stelsels van sociale zekerheid in te richten, bij de uitoefening van deze bevoegdheid het Unierecht eerbiedigen. Die voorwaarden mogen, enerzijds, niet tot gevolg hebben dat van het toepassingsgebied van een nationale wettelijke regeling worden uitgesloten de personen op wie diezelfde wettelijke regeling krachtens het Unierecht van toepassing is. Anderzijds moeten de stelsels van aansluiting bij verplichte verzekeringen verenigbaar zijn met de bepalingen inzake het vrije verkeer van werknemers.
Het Unierecht bepaalt uitdrukkelijk dat op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing is, „zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont”. Dat recht zou niet worden geëerbiedigd indien het woonplaatsvereiste waarvan de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan de werkzaamheden in loondienst worden verricht, de aansluiting bij de aldaar geldende verplichte verzekeringsregeling afhankelijk stelt, kan worden tegengeworpen aan personen die in die lidstaat werken maar in een andere lidstaat wonen. Het Unierecht heeft tot gevolg dat voor deze personen het woonplaatsvereiste wordt vervangen door de voorwaarde die berust op de uitoefening van werkzaamheden in loondienst op het grondgebied van de betrokken lidstaat.
Bovendien moet worden vastgesteld dat een dergelijke nationale wettelijke regeling niet-ingezeten werknemers, zoals Salemink, wat hun sociale verzekering in Nederland betreft in een minder gunstige situatie plaatst dan ingezeten werknemers, en daardoor inbreuk maakt op het door het Unierecht gegarandeerde beginsel van vrij verkeer.
Derhalve antwoordt het Hof dat het Unierecht zich ertegen verzet dat een werknemer die werkzaam is op een vaste installatie op het tot een lidstaat behorende gedeelte van het continentaal plat, in die lidstaat niet verplicht verzekerd is ingevolge de nationale wettelijke werknemersverzekeringen, uitsluitend omdat hij niet woonachtig is in die lidstaat, maar in een andere lidstaat.
16 maart 2011
Hof van Justitie over IPR-regels betreffende de arbeidsovereenkomst
Het Verdrag van Rome inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst in burgerlijke en handelssituaties bepaalt met betrekking tot de arbeidsovereenkomst dat deze in beginsel wordt beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen. Deze keuze mag er echter niet toe leiden dat de werknemer de minimumbescherming verliest welke hij geniet op grond van de dwingende bepalingen van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze op hem van toepassing zou zijn (artikel 6). Wanneer partijen geen rechtskeuze hebben gemaakt, wordt de arbeidsovereenkomst aldus beheerst door het recht van het land waar de werknemer „gewoonlijk zijn arbeid verricht” of, subsidiair, door het recht van het land waar zich de vestiging van de werkgever bevindt wanneer de werknemer zijn arbeid niet gewoonlijk in één land verricht. Bij uitzondering wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waarmee de overeenkomst het nauwst is verbonden.
Heiko Koelzsch, woonachtig in Duitsland, is in 1998 als internationaal chauffeur in dienst getreden van de vennootschap naar Luxemburgs recht Gasa Spedition Luxembourg SA – overgenomen door de vennootschap naar Luxemburgs recht Ove Ostergaard Luxembourg SA – die is gespecialiseerd in het vervoer van bloemen en andere planten vanuit Denemarken naar bestemmingen voornamelijk gelegen in Duitsland maar ook in andere Europese landen. De vrachtwagens van Gasa hebben hun standplaats in Duitsland, waar de vennootschap geen zetel en geen kantoor heeft. De vrachtwagens zijn geregistreerd in Luxemburg en de chauffeurs zijn aangesloten bij de Luxemburgse sociale zekerheid. De in 1998 ondertekende arbeidsovereenkomst van Koelzsch bepaalde dat in geval van geschil het Luxemburgse recht van toepassing zou zijn.
Na de aankondiging van de herstructurering van Gasa en van de vermindering van de transportactiviteiten vanuit Duitsland hebben de werknemers in 2001 in Duitsland een ondernemingsraad („Betriebsrat”) opgericht waarvan Koelzsch deel uitmaakte als vervangend lid. Bij brief van 13 maart 2001 heeft de directeur van Gasa de arbeidsovereenkomst van Koelzsch per 15 mei 2001 beëindigd.
Na eerst beroep te hebben ingesteld bij de Duitse rechter, die zich onbevoegd heeft verklaard, heeft Koelzsch de vennootschap Ove Ostergaard Luxembourg SA, de rechtsopvolger van Gasa, voor het tribunal du travail de Luxembourg gedaagd, opdat zij zou worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding wegens onrechtmatig ontslag en van een opzeggingsvergoeding enachterstallig loon. Hij betoogde dat het Luxemburgse recht weliswaar van toepassing was op de arbeidsovereenkomst doch dat krachtens het verdrag van Rome van 1980 hem niet de bescherming uit hoofde van de toepassing van dwingende bepalingen van het Duitse recht, op grond waarvan het ontslag van leden van de ondernemingsraad („Betriebsrat”) is verboden, mocht worden ontnomen, bij gebreke van een keuze door de partijen. Hij voert derhalve aan dat zijn ontslag krachtens de Duitse wettelijke regeling en de rechtspraak van het Bundesarbeidsgericht, waarin het ontslagverbod is uitgebreid tot plaatsvervangende leden, onregelmatig is.
Het tribunal du travail (Luxemburg) stelde vast dat het geding uitsluitend door het Luxemburgse recht werd beheerst, hetgeen door de cour d’appel en de Cour de cassation werd bevestigd. Koelzsch heeft daarop in maart 2007 bij het tribunal d’arrondissement de Luxembourg beroep tot schadevergoeding ingesteld tegen de Luxemburgse staat wegens onjuiste toepassing van het verdrag van Rome van 1980 door de nationale rechterlijke instanties. De cour d’appel de Luxembourg, waarbij Koelzsch hoger beroep had ingesteld, besloot het Hof van Justitie de vraag te stellen of in het geval waarin een werknemer zijn arbeid in verschillende landen verricht maar systematisch naar een daarvan terugkeert, het recht van dat land dient te worden toegepast als „het recht van het land waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht” in de zin van het verdrag van Rome van 1980.
Het Hof brengt in zijn arrest van heden in herinnering dat artikel 6 van het verdrag van Rome van 1980 speciale collisieregels in verband met individuele arbeidsovereenkomsten geeft. Deze regels vormen een afwijking van de regels betreffende respectievelijk de vrije keuze van het toepasselijke recht en de criteria ter bepaling daarvan bij gebreke van een dergelijke keuze. Artikel 6 van dat verdrag beperkt aldus de vrije keuze van het toepasselijke recht. Het bepaalt dat de partijen bij de overeenkomst niet in onderlinge overeenstemming de toepassing van de dwingende bepalingen van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze op de overeenkomst van toepassing zou zijn, kunnen uitsluiten. Vervolgens geeft dit artikel specifieke aanknopingscriteria, te weten, ten eerste het land waar de werknemer „gewoonlijk zijn arbeid verricht” en, ten tweede, bij gebreke van een dergelijke plaats, dat van de zetel van „de vestiging die de werknemer in dienst heeft genomen”.
In dit verband stelt het Hof vast dat het verdrag van Rome van 1980 een passende bescherming van de werknemer tot doel heeft. Wanneer de werknemer zijn werkzaamheden in meer dan een verdragsluitende staat verricht, moet het verdrag derhalve aldus worden gelezen dat het de toepassing waarborgt van het eerste criterium, dat verwijst naar het recht van de staat waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult en dus naar het recht van de plaats waar of van waaruit de werknemer daadwerkelijk zijn beroepswerkzaamheden verricht en, bij gebreke van een zakencentrum, het recht van de plaats waar hij het grootste deel van zijn werkzaamheden verricht.
Het toepasselijke recht wordt immers bepaald door de staat waarin de werknemer zijn economische en sociale functie uitoefent, want zijn arbeid ondergaat daar de invloed van de politiek en het bedrijfsleven. Bijgevolg moet de eerbiediging van de voorschriften ter bescherming van de arbeid door het recht van dat land zo veel mogelijk worden gewaarborgd.
Dit criterium van de plaats van uitoefening van de beroepswerkzaamheden moet ruim worden uitgelegd en moet worden toegepast wanneer, zoals in het onderhavige geval, de werknemer zijn werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, voor zover de aangezochte rechter kan bepalen met welke staat de arbeid een duidelijk aanknopingspunt heeft.
Bijgevolg staat het aan de cour d’appel dit aanknopingscriterium in het verdrag van Rome van 1980 ruim uit te leggen om vast te stellen of Koelzsch zijn arbeid gewoonlijk in een van de verdragsluitende staten heeft verricht en om te bepalen welke van die staten dat is.
10 april 2010
Europese Commissie stoort zich aan woonplaatsvereiste in Vlaamse regeling inzake opleidingscheques voor werknemers
Artikel 5 van het Besl. Vl. Reg. van 18 juli 2003 betreffende de opleidings- en begeleidingscheques voor werknemers, bepaalt dat een werknemer, binnen de perken van het daartoe bestemd begrotingskrediet, per kalenderjaar voor een maximaal volume van 250 euro aan opleidings- en begeleidingscheques kan aankopen. Het is genoegzaam geweten dat met die cheques op een financieel voordelige wijze een opleiding kan worden aangevat. De Vlaamse Gemeenschap levert in beginsel immers een bijdrage van 50 % in het totaalbedrag van de opleidings- en begeleidingscheque (art. 6). Onder een opleiding verstaat het Besluit trouwens "onderricht dat niet uitsluitend of hoofdzakelijk op de huidige of toekomstige functie van de werknemer gericht is, maar door middel waarvan bekwaamheden worden verkregen die in ruime mate naar andere ondernemingen of werkgebieden overdraagbaar zijn, zodat de brede inzetbaarheid van de werknemer op de arbeidsmarkt rechtstreeks of onrechtstreeks wordt verbeterd" (art. 1, 8°).
Niet onbelangrijk is echter ook dat de definitie van het begrip 'werknemer' in het Besluit een woonplaatsvereiste bevat, zodat personen die in Vlaanderen werken, maar in Wallonnië of in het buitenland wonen geen opleidings- of begeleidingscheques kunnen aankopen. Artikel 1, 4° van het Besluit definieert het werknemersbegrip immers als volgt:"de persoon, die op het ogenblik van de aanvraag van de opleidings- en/of begeleidingscheque in de private en de publieke sector, tewerkgesteld is krachtens een arbeidsovereenkomst of die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verricht onder het gezag van een ander persoon, en die zijn/haar woonplaats heeft op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brussels Hoofdstedelijk Gewest."
Het Nederlandse europarlementslid Ria Oomen-Ruijten (CDA) vroeg aan de Europese Commissie of Nederlanders en andere buitenlandse die in België werken, ook aanspraak kunnen maken op deze cheques, en dit op grond van de Verordening 1612/68 inzake het vrij verkeer van werknemers. De Commissie antwoordde dat "deze opleidingscheques kunnen worden aangemerkt als een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1612/68(1). Met betrekking tot de woonplaatsvereiste kan worden gesteld dat een dergelijke voorwaarde, tenzij zij objectief gerechtvaardigd is, in eerste instantie migrerende werknemers benadeelt, ook als zij gelijkelijk van toepassing is op onderdanen en niet-onderdanen: binnenlandse werknemers kunnen er immers gemakkelijker aan voldoen dan werknemers uit andere lidstaten. In het bijzonder benadeeld zijn grensarbeiders, die per definitie niet wonen in de lidstaat waar zij werken. Deze woonplaatsvereiste kan derhalve een inbreuk vormen op het beginsel van het vrije verkeer van werknemers zoals neergelegd in artikel 45 VWEU en Verordening (EEG) nr. 1612/68."
Het ziet dus ernaar uit dat het Vlaams-Vlaamse beleid opnieuw tegen een Europese muur aanloopt, waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat ook een Waals werknemer die gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer tot de Europese "beschermden" behoort (cf.HvJ 1 april 2008, C-212/06, Vlaamse zorgverzekering). De vraag dringt zich toch op of de Belgische rechtsorde wat betreft met arbeid aanverwante aangelegenheden nog lang(er) kan vasthouden aan het woonplaatscriterium ter verdeling van de bevoegdheidssferen van de Gemeenschappen en Gewesten.
23 januari 2010
Aantekeningen vanuit ipr-perspectief bij Viking, Laval, Rüffert en C./Luxemburg
Ziehier alvast de abstract van de tekst:
"In this article the author focuses on the Private International Law issues raised by the judgements of the Court of Justice in the cases, Viking, Laval, Rüffert and C./Luxembourg. The approach is the following: the "country of origin" principle created an intense controversy when it was presented as part of the proposal of the European Commission for a Directive on Services in the internal market (COM(2004)final, 13.1.2004). In the final version of the Services Directive, the principle has disappeared. But the question arises whether the principle of origin has "resurrected" in the recent judgments of the Court? In her discussion of this issue and the impact of the liberalization of the provision of services in the EU, the author includes the Rome Convention, The Rome I Regulation and the Posting Directive."
02 januari 2010
De ontbinding van de arbeidsovereenkomst krachtens artikel 7:685 Ned. BW voor de Belgische rechter
De ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen in artikel 7:685 BW
1. Naar Nederlands recht is de ontbinding van de arbeidsovereenkomst ex artikel 7:685 BW de zeer frequent voorkomende beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter op grond van de brede categorie van de gewichtige redenen, vaak met toekenning van een vergoeding aan de werknemer, niet zozeer gericht op de beslechting van een rechtsstrijd maar ter vaststelling van een billijke regeling, in het raam van een snelle procedure ingeleid bij verzoekschrift, principieel zonder de mogelijkheid van hoger beroep of cassatieberoep, waarbij de rechter niet volledig gebonden is aan de normale wettelijke bewijsregels[1] [2].
De ontbinding is een frequent voorkomende beëindigingswijze van de arbeidsovereenkomst. Ongeveer de helft van de beëindigingen van de arbeidsovereenkomst, de beëindiging met onderlinge toestemming buiten beschouwing gelaten, geschiedt door ontbinding door de kantonrechter. De andere helft zijn de ontslagen, meestal na het bekomen van een administratieve ontslagvergunning afgeleverd door het CWI[3]. Opgemerkt moet worden dat de kantonrechter thans geïntegreerd is in de rechtbank op arrondissementeel niveau. De ontbindende rechter heet dus nu officieel 'de rechtbank, sector kanton'.
Zoals al opgemerkt vormen de gewichtige redenen een brede beëindigingsgrond. Gewichtige redenen kunnen bestaan uit dringende redenen. Daarnaast kunnen gewichtige redenen ook bestaan uit een verandering van omstandigheden. Artikel 7:685 vereist voor de verandering van omstandigheden als beëindigingsgrond dat ze van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst "billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen"[4]. Verandering van omstandigheden kunnen bestaan uit een verstoring van de arbeidsrelatie, economische veranderingen, arbeidsongeschiktheid, of onvoldoende functioneren van de werknemer. Wel moet worden opgemerkt dat er een zekere reflexwerking uitgaat van de ontslagverboden, onder meer bij ziekte. Dit betekent dat de rechter in beginsel alleen zal ontbinden om een reden vreemd aan de door het ontslagverbod beschermde ontslaggrond, dit wil dus bijvoorbeeld zeggen om een reden vreemd aan de ziekte[5].
In vele geschillen van ontbinding wegens gewichtige reden kent de kantonrechter een billijke vergoeding toe aan de werknemer. Deze billijke vergoeding wordt door de kantonrechter meestal begroot volgens de zogenaamde 'kantonrechtersformule'. Deze kantonrechtersformule werd vastgesteld in de plenaire vergadering van de kring van de kantonrechters van 1996 en laatst gewijzigd in 2004[6]. De kantonrechtersformule luidt : A x B x C, waarbij A[7]= het aantal gewogen dienstjaren; B= het maandelijks brutosalaris en C= de correctiefactor. De correctiefactor steunt vooral op de risicosfeer en de verwijtbaarheid, maar ook de overige bijzondere omstandigheden moeten worden gewogen. De facto schommelt de correctiefactor tussen 0 en 4[8].
2. Een origineel kenmerk van de ontbindingsprocedure is dat, alvorens een ontbinding uit te spreken waaraan een vergoeding verbonden wordt, de kantonrechter de partijen van zijn voornemen in kennis stelt en hij een termijn bepaalt binnen welke de verzoeker de bevoegdheid heeft zijn verzoek in te trekken[9]. Zoals al opgemerkt is de ontbindingsprocedure wegens gewichtige redenen opgevat als een snelle procedure. In beginsel is de termijn tussen de binnenkomst van het verzoekschrift en de verzending van de beschikking niet langer dan 8 weken[10]. De snelle procedure wordt uiteraard ook gewaarborgd door de ontstentenis van hoger beroep en in beginsel ook van cassatieberoep[11]. De beschikking van de kantonrechter levert een executoriale titel op[12]. Dat de ontbindingsprocedure een snelle procedure is, is ook logisch omdat gedurende de ontbindingsprocedure de arbeidsovereenkomst blijft bestaan en partijen zich in een oncomfortabele positie bevinden en de onzekerheid over het al dan niet eindigen van de arbeidsovereenkomst niet langdurig mag zijn[13].
Opgemerkt werd reeds dat in beginsel geen hoger beroep en cassatieberoep mogelijk is. Uitzonderlijk heeft de Hoge Raad cassatieberoep toch toegelaten, bijvoorbeeld indien de kantonrechter het beginsel van 'hoor en wederhoor' (de tegensprekelijkheid) heeft miskend. Cassatieberoep is ook toegelaten indien de ontbindingsrechter artikel 7:685 buiten toepassing heeft gelaten ofwel het ten onrechte niet heeft toegepast door zich bijvoorbeeld onbevoegd te verklaren[14]. In deze gevallen is ook uitzonderlijk hoger beroep mogelijk[15]. En uitzonderlijk is het buitengewoon rechtsmiddel van de herroeping van gewijsde mogelijk in geval door bedrog van één van de partijen die voor de wederpartij een gunstige afloop van de procedure heeft verhinderd[16] [17].
De ontbindingsprocedure heeft deels een zogenaamd 'extra-judicieel karakter'. Het is een procedure om een billijkheidsbeslissing van de rechter te verkrijgen en geen normale procedure ter beslechting van een rechtsstrijd. De normale bewijsregels zijn niet strikt van toepassing[18]. En een ontbindingsbeschikking heeft zelfs geen gezag van gewijsde. Aldus besliste de Hoge Raad dat de omstandigheid dat de kantonrechter niet om een dringende reden had ontbonden, niet betekent dat in een volgend geding moet worden geoordeeld dat er geen dringende reden was[19].
Een tussentijdse conclusie luidt dat de ontbinding wegens gewichtige reden een specifieke rechtsfiguur is die haar gelijke niet kent in het Belgische recht[20].
Ontbinding voor de Belgische rechter
3. Vele ontbindingszaken worden ingeleid door de werkgever. Indien de vordering wordt ingeleid tegen een werknemer die bijvoorbeeld werkt in Nederland en woont in België, zal de werkgever krachtens artikel 20 van de EG-Verordening 44/2001 van 22 december
In dergelijke situatie zal het Nederlandse arbeidsrecht van toepassing zijn, hetzij omdat Nederland het gewoonlijke werkland is ('lex loci laboris') hetzij omdat er een expliciete rechtskeuze is ten voordele van het Nederlandse arbeidsrecht[24]. Nederland is zich bewust dat de EG-Verordening in de praktijk ongelukkig uitpakt en heeft al een wijzigingsvoorstel geformuleerd om ook het gerecht van de gewoonlijke werkplaats bevoegd te maken om kennis te nemen van een ontbindingsverzoek van de arbeidsovereenkomst door de werkgever ingesteld[25]. Hierop is blijkbaar terughoudend gereageerd en blijkbaar is een initiatief van de Europese Commissie vereist[26].
4. Op het eerste gezicht wordt het proces voor de Belgische rechter beheerst door de lex fori, dit wil zeggen het Belgisch procesrecht[27]. Hierna moet worden nagegaan in hoeverre de regels van het civiele Belgische procesrecht van toepassing zijn op de originele Nederlandse rechtsfiguur van de ontbinding wegens gewichtige redenen wanneer dergelijke ontbindingsverzoek aanhangig wordt gemaakt bij de Belgische rechter. Maar gelet op het feit dat de Nederlandse ontbindingsprocedure een extra-judicieel karakter van een snelle ontbindingsprocedure vertoont, is de toepassing van het gewone Belgisch procesrecht in arbeidszaken op zich reeds een betwistbaar uitgangspunt.
Receptie van vreemd recht en buitenlandse rechtsfiguren in het Belgisch IPR
5. Het beginsel van de 'lex fori' moet echter gesitueerd worden in het raam van een belangrijk uitgangspunt van het internationaal privaatrecht. Een internationale samenleving en IPR zijn maar mogelijk bij onderlinge permeabilteit van de verschillende rechtsbegrippen en rechtsfiguren[28]. Dit uitgangspunt van het IPR heeft belangrijke gevolgen.
Wanneer een Belgische rechtbank ertoe geroepen wordt de buitenlandse wet toe te passen, zal hij er soms toe gebracht worden een handeling te stellen die niet tot haar gebruikelijke werkwijze behoort[29].
Een tweede gevolg van de permeabiliteit van de rechtsordeningen onderling, maakt het mogelijk gevolgen te erkennen aan een buitenlandse instelling of rechtsfiguur die in het recht van het forum onbekend is. De verwijzingscategorie moet aldus worden opgevat dat zij ruimte biedt voor de erkenning van een buitenlandse rechtsfiguur [30].
Het hier geschetste uitgangspunt van de permeabiliteit van de rechtsordening vinden we thans terug in artikel 15, §1 van het Wetboek Internationaal Privaatrecht: "Het buitenlands recht wordt toegepast volgens de in het buitenland gevolgde interpretatie"[31] [32]. Indien de Belgische rechter derhalve de arbeidsovereenkomst ontbindt op basis van de in Belgische rechtsorde onbekende figuur van de ontbinding omwille van gewichtige redenen, dan moet hij die rechtsfiguur in zijn geheel toepassen, zoals geïnterpreteerd naar Nederlands recht, en niet in geamputeerde of gedenatureerde vorm. Vreemd recht wordt niet toegepast wanneer het foutief wordt toegepast[33] Dit impliceert dat het ook voor de Belgische rechter om een snelle billijkheidsprocedure moet gaan, met uitsluiting van hoger beroep en in beginsel ook cassatieberoep, en met ongebondenheid t.a.v. de gewone bewijsregels. M.b.t. artikel 7:685 BW is duidelijk dat de regels van het materieel recht en het procesrecht dermate nauw met elkaar verbonden zijn dat ze niet kunnen worden gescheiden[34].
Verfijning van de 'lex fori' m.b.t. artikel 7:685 BW
6. Hierboven werd al opgemerkt dat de Belgische procesregels niet gewoon transponeerbaar zijn op de procedure van artikel 7:685 BW omdat ze deels een extra-judicieel kararakter heeft. Maar niettemin moet de betekenis van het Belgische procesrecht als 'lex fori' in het IPR worden toegelicht. Twee vragen dringen zich op. De eerste vraag is hoe de verwijzingscategorie van de procesregels moet worden geïnterpreteerd, extensief of limitatief. En een tweede vraag is na te gaan wat precies onder procesregels moet worden verstaan. Met andere woorden welke rechtsregels moeten als processuele regels worden gekwalificeerd, wat een delicate aangelegenheid blijkt te zijn.
F. Rigaux betoogde dat als eerste beginsel van het procesrecht als lex fori de fundamentele regel van de beperking van het domein van de procesregels moet worden aangenomen. Deze gezaghebbende auteur opteert duidelijk voor een limitatieve interpretatie van het concept 'procedure'[35]. Hij vindt bv. navolging bij J. Meeusen[36]. Een tweede probleem is de kwalificatie van de categorie van de procesregels. Sommige auteurs hebben erop gewezen dat bepaalde regels , die tot dusverre werden beschouwd als zijnde van processuele aard, wegens hun nauwe samenhang met het materiële recht moeten worden geacht daartoe te behoren[37]. Aldus dient de opvatting te worden verlaten dat elke rechter alleen zijn eigen procesrecht toepast. Ook Rigaux heeft opgemerkt dat een toepassing van buitenlandse procesregels niet a priori moet worden uitgesloten[38]. Het moge duidelijk zijn dat de processuele aspecten van artikel 7:685 BW dermate nauw verbonden zijn met de materieelrechtelijk aspecten van de snelle ontbindingsprocedure wegens gewichtige redenen dat ze niet kunnen worden afgesplitst en dus beheerst blijven door het Nederlandse recht wanneer het ontbindingsverzoek wordt aanhangig gemaakt voor de Belgische (arbeids)rechter. Hoewel de lex fori in beginsel bepaalt welke rechtsmiddelen tegen een vonnis open staan[39], is het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een ontbindingsuitspraak op grond van artikel 7:685 BW door een Belgische rechter derhalve uitgesloten. Overigens is het recht van dubbele aanleg niet erkend als algemeen rechtsbeginsel[40].
7. De categorie van de procesregels lijkt bovendien duidelijk te zijn, maar is dat niet. Zo kan worden gedacht aan de verjaringsregels[41]. Ondanks het feit dat de bevrijdende verjaring niet het bestaan van de verbintenis zelf aantast, maar enkel de opeisbaarheid of de rechtsvordering tot betaling[42], worden verjaringsregels[43] en vervaltermijnen in het continentaal recht meestal beschouwd als behorend tot het materiële recht maar in het Anglo-Amerikaanse als zijnde van procedurele aard[44].
De bewijsregels zijn moeilijk in hun geheel onder te brengen bij het procesrecht of het materieel recht. Traditioneel wordt aangenomen dat de regels betreffende de bewijslast en de regels die de toelaatbaarheid van de bewijsmiddelen voor een welbepaalde materie beperken, behoren tot het materieel recht[45]. Algemene regels over toelaatbare bewijsmiddelen, zoals artikel 1341 BW voor overeenkomsten, vallen dan weer onder de lex fori[46]. De nauwe samenhang tussen de materiële en processuele regels impliceert m.i. dat de Nederlandse regel dat de rechter in de ontbindingsprocedure niet gebonden is door de normale bewijsregels ook zijn gelding behoudt voor de Belgische rechter.
De openbare orde-exceptie
8. Artikel 21 Wetboek Internationaal Privaatrecht en artikel 16 EVO-Verdrag bepalen dat de toepassing van een bepaling uit het door deze wet aangewezen buitenlands recht wordt geweigerd voor zover zij tot een resultaat zou leiden dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Artikel 21 is gesteund op de gangbare rechtspraktijk in België en de ons omringende landen met betrekking tot de zogenaamde exceptie van internationaal privaatrechtelijke openbare orde[47]. "De exceptie van internationale openbare orde is een techniek waardoor geen toepassing wordt gegeven aan een bepaling van het op grond van het verwijzingsrecht aangeduide vreemde recht omdat de toepassing van die vreemde bepaling in het concrete geval voor onze rechtsorde onaanvaardbare gevolgen zou hebben"[48]. Het gaat om een exceptie op de normale toepassing van de verwijzingsregels. Men spreekt van de negatieve internationale openbare orde.
Het spreekt voor zich dat niet iedere bepaling van Belgisch recht van openbare orde moet ondergebracht worden onder het concept van de internationale privaatrechtelijke openbare orde[49]. Het Hof van Cassatie heeft immers beslist dat "een wet van innerlijke openbare orde slechts van privaat internationale openbare orde is voor zoveel de wetgever door de bepalingen van die wet een principe heeft willen huldigen dat hij als hoofdzakelijk voor de gevestigde zedelijke, politieke of economische orde beschouwt en om deze reden, naar zijn mening, noodzakelijk in België, de toepassing van elke regel moet uitsluiten die er mede in strijd is of ervan verschilt"[50]. Derhalve is de internationale openbare orde waarover artikel 21 WIPR het heeft minder ruim dan de interne openbare orde[51]. Een klassiek voorbeeld van internationale openbare orde is dat de Belgische rechtsorde zich er tegen verzet dat een vreemde man , wiens personeel statuut de polygamie toestaat, in België een tweede huwelijk zou sluiten. Maar de rechtspraak heeft al wel aanvaard dat vrouwen van een polygaam huwelijk van hun echtgenoten onderhoudsgeld kunnen vorderen[52].
9. De voorbeelden in de rechtspraak van processuele regels die behoren tot de openbare internationale openbare orde zijn schaars. Als voorbeeld kan worden gegeven dat de onmogelijkheid voor een partij om toegang te hebben tot een rechter, zelfs een arbitrale, strijdig is met de internationale openbare orde[53]. Het Arbeidshof te Gent oordeelde dat de rechtstreekse verwijzing van het geschil bij toepassing van artikel 660 Gerechtelijk Wetboek strijdig is met het principe van de territorialiteit van de rechtsmacht , dat tot de internationale openbare behoort[54]. Er zijn geen aanwijzingen te vinden voor de opvatting dat de procesregels die een arbeidsrechtelijk geding voor de arbeidsgerechten beheersen van internationale openbare zijn. De rechtsingang van de ontbindingsprocedure krachtens art. 7:685 BW voor de Belgische rechter. Naar Belgisch recht kan een arbeidszaak bij dagvaarding en thans ook bij tegensprekelijk verzoekschrift worden ingeleid (principe van de lex fori)[55]. De betekening van het verzoek zal moeten gebeuren volgens de regels van het internationaal recht [56]. Naar Nederlands recht is tussen haakjes een verkeerde rechtsingang, bv. een dagvaarding in plaats van een verzoekschrift, reparabel[57].
10. Nu de ontbindingsprocedure een snelle deels extra-judiciële billijkheidsprocedure is, is er voor de Belgische rechter in beginsel geen reden om zijn eigen nationaal procesrecht, gericht op het beslechten van een rechtsstrijd, toe te passen. De Belgische rechter is integendeel gehouden het Nederlandse recht in zijn geheel toe te passen, zoals het in Nederland wordt geïnterpreteerd. Het procesrecht van de lex fori is restrictief toe te passen. Nu in deze uiteraard een onlosmakelijk en intrinsiek innig verband bestaat tussen de processuele aspecten en de materiële rechtsregels, moet het recht vervat in artikel 7:685 BW integraal worden toegepast door de Belgische rechter. De exceptie van internationale openbare orde noopt niet tot een ander besluit. Door in de huid van de Nederlandse kantonrechter te kruipen en zich open te stellen voor een toepassing van het Nederlands recht voorkomt de rechter niet alleen een 'denaturering' van de in Belgisch recht ongekende ontbinding wegens gewichtige redenen, maar ook praktische en theoretische onoplosbare problemen. De snelle procedure wordt gevrijwaard door hoger beroep en cassatieberoep in beginsel ontoelaatbaar te verklaren.
[1] Zie onder meer A. Luttmer-Kat in Arbeidsrecht: Tekst en Commentaar, Deventer, Kluwer, 2006, 175-185; L.H. Van den Heuvel, Ontslagrecht, Studiepockets privaatrecht, Zwolle, Tjeenk Willink, 1996, 100-112; J.J. Groen, Rechterlijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst, Arnhem, Gouda Quint, 1989, 172, met verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij de wet van
[2] Wat de bewijsvoering betreft zie: art. 284 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering: " (…), tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet."; Kamerstukken II, 1999-2000, 26855, nr.3, p. 158; P.G. Vestering, "Ontbinding inclusief ontbinding op grond van wanprestatie", in: SDU Commentaar Arbeidsrecht, C. Loonstra en W. Zondag (eds.), Den Haag, SDU uitgevers, 2006, 800; Cremers Burgerlijke rechtsvordering, Deventer, Gouda Quint, losbl., art. 284 Rv., p. 242 . Zo is bewijslevering met getuigen zeer zeldzaam.
[3] In 2005 vonden 67.608 ontbindingsprocedures plaats, tegen 74.450 ontslagaanvragen bij het CWI.
[4] Art. 7:685, lid 2 BW.
[5] Art. 7:685, lid 1 BW.
[6] Zie de publicaties van de kantonrechtersformule in het Nederlands juristenblad (NJB) 1996, 838.
[7] Dienstjaren voor het 40e levensjaar tellen voor 1, van het 40e tot het 50e voor 1.5 en elk dienstjaar vanaf het 50e telt voor 2.
[8] Indien de ontbindingsgrond geheel in de risicosfeer van de werkgever valt en verwijtbaarheid niet aan de orde is, is de correctiefactor voor deze zogenaamde 'neutrale ontbinding' gelijk aan 1.
[9] Art. 7:685, lid 9 BW.
[10] De zogenaamde 'doorlooptijd' : aanbeveling 1.1 van de kantonrechtersformule.
[11] Art. 7:685, lid 11 BW.
[12] P.G. Vestering, "Ontbinding inclusief ontbinding op grond van wanprestatie", in: SDU Commentaar Arbeidsrecht, C. Loonstra en W. Zondag (eds.), Den Haag, SDU uitgevers, 2006, 801.
[13] P.A. Stein en A.S. Rueb, Compendium van het burgerlijk procesrecht, Deventer, Kluwer, 2003, 235; Vgl. inzake de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens wanprestatie naar Belgisch recht: W. Rauws, Civielrechtelijke beëindigingswijzen van de arbeidsovereenkomst: nietigheid, ontbinding en overmacht, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1987, 515.
[14] Zie P.G. Vestering, "Ontbinding inclusief ontbinding op grond van wanprestatie", in: SDU Commentaar Arbeidsrecht, C. Loonstra en W. Zondag (eds.), Den Haag, SDU uitgevers, 2006, 809.
[15] Hoge Raad (HR), 12 maart 1982, Nederlandse Jurisprudentie (NJ), 1992, 672, met noot P.A. Stein; W.C.L. Van der Grinten en W. H.A. Bouwens, Arbeidsovereenkomstenrecht, Deventer, Kluwer, 2005, 426-428.
[16] Art. 382 en 390 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, voorheen 'request civiel' genoemd; W.C.L. Van der Grinten en W. H.A. Bouwens, Arbeidsovereenkomstenrecht, Deventer, Kluwer, 2005, 428. Een voorbeeld is het geval van de werknemer die tijdens de ontbindingsprocedure verzwijgt dat hij reeds elders ander werk heeft gevonden.
[17] Voor de herroeping van gewijsde in het Belgische procesrecht: zie J. Laenens, K. Broeckx en D. Scheers, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2004, nrs. 1212-1219.
[18] Hoge Raad (HR) 21 oktober 1983, Nederlandse Jurisprudentie (NJ), 1984, 296, met conclusie Adv.-Gen. Leijten; HR 28 mei 1999, NJ, 1999, 694 (bewijsaanbod in een verzoekschriftprocedure); conclusie Adv.-Gen. Vranken conclusie bij Hoge Raad, 23 april 1993, Jurisprudentie Arbeidsrecht (JAR) 1993, 123; Adv.-Gen. Bakels bij HR 16 april 1999, JAR 1999, nr. 104; L. Van den Heuvel, o.c., 102.
[19] HR, 23 april 1993, JAR 1993, 123; zie ook L. Van den Heuvel, "Artikel 7A:1639w BW kan worden afgeschaft", in Sociaal recht: de grenzen verkend. Liber amicorum L.J.M. De Leede, Zwolle, Tjeenk Willink, 1994, 151-152, die echter ongelukkigerwijze spreekt van "kracht van gewijsde".
[20] Zie H. Lenaerts, "Eenheid en verscheidenheid in het Nederlands en Belgisch arbeidsrecht", R.W. 1959-60, 675
[21] EG- verordening 44/2001 van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, de zogenaamde EEX-Verordening (Brussel I); zie I. Couwenberg, “Commentaar bij art. 18-21 EEX-Verordening”, Artikelsgewijze Commentaar Gerechtelijk recht, J. Laenens e.a. (ed.), Mechelen, Kluwer, 2004, nrs. 42-48; zie ook R. Geimer, “Salut für die Verordnung (EG) Nr. 44/2001 (Brüssel I-VO)”, Praxis des Internationalen Privat- und Verfahrensrecht, 2002, nr. 2, 69-74.
[22] J. Even, E. van Kampen, en E. de Wind, "Internationale aspecten", in: SDU Commentaar Arbeidsrecht II, C. Loonstra en W. Zondag (eds.), Den Haag, SDU uitgevers, 2006, 462-463.
[23] Art. 97, Wetboek Internationaal Privaatrecht van 16 juli 2004; T. Kruger in Het Wetboek Internationaal Privaatrecht becommentarieerd, Antwerpen, Intersentia, 2006, 499-500; J. Van Slooten en G. Heerma van Voss, "Kroniek van het sociaal recht", NJB, 2002, 1522.
[24] Art. 98 Wetboek Internationaal Privaatrecht en art. 6 van het EVO, dit is het verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst; zie H. Van Houtte, in Het Wetboek Internationaal Privaatrecht becommentarieerd, Antwerpen, Intersentia, 2006, 501-506.
[25] E. Jayme en C. Kohler, “Europaïsches Kollisionsrecht
[26] Art. 67, lid 5 en 251 EG-Verdrag; Jayme en Kohler, “Der Verfassungskonvent und das Internationale Privat- und Verfahrensrecht”, Praxis des Internationalen Privat- und Verfahrensrecht, 2003, nr. 6, 488.
[27] Cass., 11 januari 1979, Arr. Cass. 1978-79, 524, Bull. , 1979, 521 met conclusie Adv.-Gen. Velu; G. Van Hecke, Internationaal privaatrecht, Gent, 1989, Story-Scientia, 1989, nr. 813.
[28] G. Van Hecke, o.c., nrs. 86 en 87.
[29] G. Van Hecke, o.c., nr. 87. Van Hecke vermeldt bv. de medewerking aan de oneigenlijke rechtspraak ('juridiction gracieuse') waarbij de rechter geen geding beslecht, maar aan het tot stand brengen van een nieuwe rechtstoestand meewerkt.
[30] G. Van Hecke, o.c., nr. 96. Van Hecke verwijst naar de toepassing van de Aglo-Amerikaanse figuur van de trust.
[31] Cass., 18 april 2005, NjW 2005, 1167, met noot H. Storme, Pas., I, 2005, 895 (art. 1080 Gerechtelijk Wetboek). Zie voor een recente toepassing van dit principe: Arbh. Brussel, 2 mei 2007, J.T.T. 2007, 276 (Congolees recht).
[32] Vgl. art. 15, §2 WIPR voor het uitzonderlijke geval dat het kennelijk onmogelijk is tijdig de inhoud van het buitenlands recht toe te passen: M. Pertegas, in Het Wetboek Internationaal Privaatrecht becommentarieerd, Antwerpen, Intersentia, 2006, 88.
[33] J. Meeusen, Nationalisme en internationalisme in het Internationaal Privaatrecht, Antwerpen, Intersentia, 1997, nr. 387.
[34] Vgl F. Rigaux, Droit international privé, II, Brussel , Larcier, 1979, nr. 840.
[35] F. Rigaux, o.c., II, nr. 842: "Le principe d'interprétation ainsi dégagé tend à faire la place la plus large aux diverses lois régissant le fond, la technique des conflits de lois permettant aux parties de prévoir plus tôt et avec plus de sécurité laquelle de ces lois est compétente et quel en est le champ d'application. Il inclut, de prime abord, une interprétation du concept 'procédure' qu'il convient de limiter à ce qu'exige le fonctionnement de l'appareil judiciaire et administratif. En de nombreux cas la loi étrangère applicable au fond fournit au juge la solution d'une question de droit qui, selon une méthode conceptuelle, au demeurant arbitraire, de qualification, pourrait être estimée 'de nature procédurale'." (eigen onderlijning).
[36] J. Meeusen, Nationalisme en internationalisme in het Internationaal Privaatrecht, nr .343.
[37] J. Kropholler, Internationales privatrecht, Tubingen, J.C.B. Mohr, 2001, 553: " Die kollisionsrechtliche Frage nach dem anwendbaren Verfahrensrecht ist lange kaum als Problem angesehen worden. Vielmehr ist man fast allgemein davon ausgegangen, dass jedes Gericht nur seines eigenes Verfahrensrecht anwendet. Dem sind jedoch mehrere Punkte entgegenzuhalten: 1. Im Wege der funktionellen Qualifikation lassen sich die traditionellen Grenzen zwischen Verfahrens- und materiellen Recht so verschieben, dass Vorschriften, die bisher als prozessuale angesehen wurden, wegen ihres engen Zusammenhangs mit dem materiellen Recht diesem zugeschlagen und daher nach Massgabe des IPR angewandt werden."
[38] F. Rigaux, o.c., II, nr. 839.
[39] G. Van Hecke, o.c., nr. 841
[40] Cass., 2 november 1989, Bull. 1990, nr. 135; A. Bossuyt, "Algemene rechtsbeginselen", Verslag van het Hof van Cassatie 2003, Belgisch Staatsblad, 2003, 137.
[41] Bv. art. 15 Arbeidsovereenkomstenwet.
[42] Cass., 25 september 1970, Arr. Cass. 1971, met conclusie eerste Adv.-Gen. Mahaux, R.W. 1970-71, 845; W. Rauws, "Actualia inzake de verjaring in het arbeidsrecht", R.W. 2002-2003, 361, met andere verwijzingen.
[43] Cass., 29 november 1990, Arr. Cass., 1990-91, 356, nr. 170.
[44] G. Van Hecke, o.c., nr. 814; J. Meeusen, Nationalisme en internationalisme in het Internationaal Privaatrecht, nr. 344 en nr.
[45] G. Van Hecke, o.c., nrs. 828-830; J. Meeusen, Nationalisme en internationalisme in het Internationaal Privaatrecht, nr .344.
[46] G. Van Hecke, o.c., nr. 830.
[47] M.Traest in Het Wetboek Internationaal Privaatrecht becommentarieerd, Antwerpen, Intersentia, 2006, 112-113.
[48] M.Traest in Het Wetboek Internationaal Privaatrecht becommentarieerd, Antwerpen, Intersentia, 2006, 112-113.
[49] M. Traest, o.c.,
[50] Cass., 4 mei 1950, Arr. Cass. 1950, 557, Pas., 1950, I, 624; Cass., 17 december 1990, Arr. Cass. 1990-91, 432, Bull., 1991, 381.
[51] Arbh. Antwerpen, 19 november 2001, R.W. 2003-2004, 821.
[52] M. Traest, o.c., 114.
[53] Cass. fr., 1 februari 2005, Rev. crit. dr. intern. privé, 2006, 140, met noot T. Clay.
[54] Arbh. Gent, 3 februari 1978, R.W. 1977-78, 2220.
[55] Art. 700 en 704, §1, Gerechtelijk Wetboek.
[56] Verordening (EG) nr. 1393/2007 van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, met ingang van 13 november 2008. Vervangt de Verordening (EG) nr. 1348/2000: zie desbetreffende A. Smets en B. Volders, “Commentaar Verordening nr. 1348/2000”, in: Artikelsgewijze Commentaar Gerechtelijk recht, J. Laenens e.a. (ed.), Mechelen, Kluwer, 2004, VIII.
[57] Art. 69 (Ned.) Rv; Snijders, Ynzonides en Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer, Kluwer, 2002, nr. 296.