18 september 2010
GwH reikt - wat betreft tewerkstelling in Brussel - oplossing aan voor conflict tussen Taalwet gerechtszaken (1935) en Taalwet bestuurszaken (1966)
de prejudiciële vraag
Schendt artikel 4, § 1, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM,
in zoverre het aan een werknemer die het Nederlands niet beheerst en ten aanzien van wie zijn werkgever, van wie de maatschappelijke zetel in het Nederlandse taalgebied is gevestigd, ertoe is gehouden het Frans te gebruiken voor de arbeidsverhoudingen krachtens de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966, de verplichting oplegt om de gerechtelijke procedure die hij tegen die werkgever aanspant, in te leiden en voort te zetten in het Nederlands, zonder dat hij kan vragen om de taal te veranderen, terwijl, enerzijds, de werknemers die worden tewerkgesteld door een werkgever die eveneens ertoe is gehouden het Frans te gebruiken voor de arbeidsverhoudingen maar van wie de maatschappelijke zetel in het Franse taalgebied of in een gemeente van de Brusselse agglomeratie is gevestigd, rechtsgeldig een gerechtelijke procedure in het Frans tegen hun werkgever kunnen inleiden, en terwijl, anderzijds, de verwerende rechtzoekenden in het kader van een gerechtelijke procedure, in tegenstelling tot de eisers, het recht hebben te vragen dat de rechtspleging in een andere taal zou worden voortgezet?
Het antwoord van het Hof
Artikel 4 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken bepaalt :
« § 1. Behoudens de gevallen van artikel 3 wordt het gebruik der talen voor geheel de rechtspleging in betwiste zaken voor de gerechten van eerste aanleg waarvan de zetel in het arrondissement Brussel is gevestigd, en, wanneer de vordering het bedrag vastgesteld in artikel 590 van het Gerechtelijk wetboek overschrijdt, voor de politierechtbank van Brussel die zitting houdt in de aangelegenheden bedoeld in artikel 601bis van hetzelfde Wetboek geregeld als volgt :
De akte tot inleiding van het geding wordt in het Fransch gesteld, indien de verweerder woonachtig is in het Frans taalgebied; in het Nederlandsch, indien de verweerder woonachtig is in het Nederlands taalgebied; in het Fransch of in het Nederlandsch, ter keuze van den eischer, indien de verweerder woonachtig is in eene gemeente van de Brusselsche agglomeratie of geen gekende woonplaats in België heeft.
De rechtspleging wordt voortgezet in de taal der akte tot inleiding van het geding, tenzij de verweerder, voor alle verweer en alle exceptie, zelfs van onbevoegdheid, vraagt dat de rechtspleging in de andere taal wordt voortgezet.
§ 2. De bij de vorige alinea voorziene aanvraag wordt mondeling gedaan door den verweerder die in persoon verschijnt; zij wordt schriftelijk ingediend, wanneer de verweerder bij lasthebber verschijnt. Het geschrift moet van de hand zijn van verweerder en door hem zelf onderteekend; het blijft aan het vonnis gehecht.
De rechter doet op staanden voet uitspraak. Hij kan weigeren op de aanvraag in te gaan, indien uit de elementen van de zaak blijkt dat de verweerder eene toereikende kennis bezit der taal gebruikt voor het opmaken der akte tot inleiding van het geding. De beslissing van den rechter moet met redenen omkleed zijn; zij is voor verzet noch voor beroep vatbaar. Zij is uitvoerbaar op de minuut en voor registratie, zonder andere rechtspleging noch vormvereischten; de uitspraak van de beslissing, zelfs in afwezigheid van partijen, geldt als beteekening.
§ 3. Dezelfde aanvraag tot voortzetting in de andere taal mag, onder dezelfde voorwaarden, worden gedaan door de verweerders die gedomicilieerd zijn in een der volgende gemeenten: Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel, Wezembeek-Oppem ».
Volgens het Hof van Cassatie is de woonplaats van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid, in de zin van het Gerechtelijk Wetboek, de plaats waar zij haar maatschappelijke zetel heeft gevestigd (Cass., 23 november 1987, Arr. Cass., 1987-1988, p. 382; Cass., 29 mei 1995, Arr. Cass., 1995, p. 522).
De artikelen 1 tot 3 van de in het geding zijnde wet bepalen:
« Artikel 1. Voor de burgerlijke rechtbanken en rechtbanken van koophandel van eerste aanleg, en de arbeidsrechtbanken, die hun zetel hebben in de provincies Henegouwen, Luxemburg en Namen en in de arrondissementen Nijvel, Luik, Hoei en Verviers, wordt de gehele rechtspleging in betwiste zaken in het Frans gevoerd.
Art. 2. Voor de burgerlijke rechtbanken en rechtbanken van koophandel van eerste aanleg, en de arbeidsrechtbanken die hun zetel hebben in de provincies Antwerpen, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Limburg en in het arrondissement Leuven, wordt de gehele rechtspleging in betwiste zaken in het Nederlands gevoerd.
Art. 2bis. Voor de burgerlijke rechtbanken en rechtbanken van koophandel van eerste aanleg, en de arbeidsrechtbank die hun zetel hebben in het arrondissement Eupen wordt de gehele rechtspleging in betwiste zaken in het Duits gevoerd.
Art. 3. De bij artikel 2 vastgestelde regel geldt insgelijks voor de vredegerechten en, wanneer de vordering het bedrag, vastgesteld in artikel 590 van het Gerechtelijk Wetboek, niet overschrijdt, voor de politierechtbanken van het arrondissement Brussel die zitting houden in de aangelegenheden bedoeld in artikel 601bis van hetzelfde Wetboek en wier rechtsgebied uitsluitend uit Vlaamse gemeenten bestaat gelegen buiten de Brusselse agglomeratie.
Hij is eveneens van toepassing op de vorderingen die worden ingesteld voor de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank, de rechtbank van koophandel en, wanneer de vordering het bedrag vastgesteld in artikel 590 van het Gerechtelijk Wetboek overschrijdt, de politierechtbanken die zitting houden in de aangelegenheden bedoeld in artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek, waarvan de zetel in het arrondissement Brussel is gevestigd, wanneer een zaak voor de rechtbank aanhangig wordt gemaakt op grond van een territoriale bevoegdheid bepaald door een plaats welke zich op het grondgebied van een van voormelde gemeenten bevindt ».
Artikel 8 van de in het geding zijnde wet bepaalt:
« Indien de stukken of documenten, in een geding overgelegd, in eene andere taal dan die der rechtspleging gesteld zijn, kan de rechter, op verzoek der partij tegen dewelke die stukken of documenten worden ingeroepen, hiervan de overzetting in de taal der rechtspleging bevelen bij eene met redenen omkleede beslissing. De beslissing van den rechter is noch voor verzet noch voor beroep vatbaar. De kosten van vertaling worden mede begroot ».
Artikel 30 van de in het geding zijnde wet bepaalt :
«Voor al de burgerlijke rechtbanken en rechtbanken van koophandel, gebruiken de persoonlijk ter zitting verschijnende partijen, voor al haar gezegden en verklaringen, de taal die zij verkiezen. Hetzelfde geldt voor het verhoor over feiten en vraagpunten en voor den gedingbeslissenden en den aanvullenden eed.
Wanneer de rechter de door partijen of door een harer gebruikte taal niet verstaat, doet hij een beroep op de medewerking van een beëdigd tolk.
Een partij die in persoon verschijnt en die de taal van de rechtspleging niet begrijpt, wordt bijgestaan door een beëdigd tolk die het geheel van de mondelinge verklaringen vertaalt.
De kosten van vertaling zijn ten laste der Schatkist ».
De verwijzende rechter vraagt aan het Hof of het voormelde artikel 4 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre, enerzijds, enkel de verweerder is gemachtigd om een verandering van de taal van de rechtspleging te vragen (eerste onderdeel) en in zoverre, anderzijds, een werknemer tot wie zijn werkgever zich krachtens artikel 52, § 1, van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken in het Frans moet richten, verplicht is om zijn vordering in het Nederlands in te stellen en voort te zetten indien zijn werkgever in het Nederlandse taalgebied woont, terwijl dat niet het geval zou zijn indien deze laatste in het Franse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad zou wonen (tweede onderdeel). In dat verband vraagt de verwijzende rechter zich meer in het bijzonder af of het criterium dat steunt op de plaats van de maatschappelijke zetel van de werkgever een relevant criterium is teneinde, binnen het gerechtelijk arrondissement Brussel, de taal te bepalen waarin een van zijn werknemers tegen die werkgever in rechte kan optreden.
Artikel 52, § 1, van de voormelde gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 bepaalt :
«Voor de akten en bescheiden, die voorgeschreven zijn bij de wetten en reglementen en voor die welke bestemd zijn voor hun personeel, gebruiken de private nijverheids-, handels- of financiebedrijven de taal van het gebied waar hun exploitatiezetel of onderscheiden exploitatiezetels gevestigd zijn.
In Brussel-Hoofdstad stellen de bedrijven die bescheiden in het Nederlands wanneer zij bestemd zijn voor het nederlandssprekend personeel en in het Frans wanneer zij bestemd zijn voor het franssprekend personeel ».
Bij de regeling van het taalgebruik in gerechtszaken dient de wetgever de individuele vrijheid van de rechtsonderhorige om zich van de taal van zijn keuze te bedienen te verzoenen met de goede werking van de rechtsbedeling. Bovendien dient de wetgever daarbij rekening te houden met de taalverscheidenheid die verankerd is in artikel 4 van de Grondwet, dat vier taalgebieden vastlegt, waarvan er één tweetalig is. Hij vermag dan ook de individuele vrijheid van de rechtsonderhorige ondergeschikt maken aan de goede werking van de rechtsbedeling.
Dat neemt niet weg dat, wanneer de wetgever, ter uitvoering van artikel 30 van de Grondwet, het gebruik van de talen regelt voor gerechtszaken, hij hierbij het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gewaarborgde beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dient te eerbiedigen.
Uit de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling blijkt dat de regel volgens welke enkel de verweerder, krachtens artikel 4, § 1, derde lid, van de in het geding zijnde wet, kan vragen om de taal te veranderen van de rechtspleging voor een gerecht van eerste aanleg waarvan de zetel in het arrondissement Brussel is gevestigd, in het verlengde ligt van artikel 4, § 1, tweede lid, van dezelfde wet krachtens hetwelk de akte tot inleiding van het geding voor een dergelijk rechtscollege in het Frans wordt gesteld indien de verweerder in het Franse taalgebied woont en in het Nederlands indien de verweerder in het Nederlandse taalgebied woont. Zodoende geeft de wetgever « voorrang aan de taal van den verweerder. Deze moet dus vóór alles weten wat men van hem vergt » (Parl. St., Senaat, 1934-1935, nr. 86, p. 14; Hand., Senaat, 11 april 1935, p. 516).
Het gebruik van de talen maakt evenwel het voorwerp uit van bijzondere bepalingen inzake de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel. Met toepassing van het voormelde artikel 52, § 1, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken gebruiken de werkgevers, voor de akten en bescheiden die bij de wet en de reglementen zijn voorgeschreven en voor die welke bestemd zijn voor hun personeel, de taal van het gebied waar « hun exploitatiezetel of onderscheiden exploitatiezetels » gevestigd zijn, waarbij die bescheiden, in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, in het Frans of in het Nederlands worden gesteld naargelang het personeel voor wie zij bestemd zijn, Frans of Nederlands spreekt.
Bovendien bepaalt artikel 627, 9°, van het Gerechtelijk Wetboek dat, voor de geschillen inzake arbeidsovereenkomsten, enkel « de rechter van de plaats waar de mijn, de fabriek, de werkplaats, het magazijn, het kantoor gelegen is en in het algemeen, van de plaats die bestemd is voor de exploitatie van de onderneming, de uitoefening van het beroep of de werkzaamheid van de vennootschap » bevoegd is om kennis te nemen van de vordering, en het is op diezelfde plaatsen dat de werkgever kan worden gedagvaard of opgeroepen bij verzoekschrift op tegenspraak (artikel 704, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek).
Indien artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in die zin moet worden geïnterpreteerd dat, wanneer de verweerder een rechtspersoon is, de taal van het gedinginleidende exploot wordt bepaald op grond van zijn maatschappelijke zetel, zelfs in de geschillen met betrekking tot het arbeidsrecht, terwijl de
partijen er op geen enkele wijze « sociale betrekkingen » hebben aangeknoopt, brengt het, ten nadele van de werknemers die hun prestaties in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad verrichten, een verschil in behandeling teweeg dat niet redelijk is verantwoord.
Niets verantwoordt immers dat het proces waarin een werknemer en een werkgever tegenover elkaar staan die, overeenkomstig hun wettelijke verplichtingen, het Frans of het Nederlands hebben gebruikt in hun sociale betrekkingen - ook in de geschillenfase van die betrekkingen -, in de andere taal dient plaats te vinden, waarbij de maatschappelijke zetel van de vennootschap die de werknemer tewerkstelt als lokalisatiecriterium wordt genomen, terwijl zij er geen sociale betrekkingen hebben aangeknoopt. Die verplichting om die rechtspleging in een andere taal te voeren dan die van de arbeidsverhoudingen is niet in overeenstemming met de rechten van de verdediging van de werknemer, die zich zal moeten verantwoorden in een taal die niet de zijne is, noch met de goede werking van het gerecht, aangezien de rechters de zaak in een andere taal zullen moeten behandelen dan die van de stukken die hun worden voorgelegd, en zij riskeert kosten en onnodige traagheid met zich mee te brengen, aangezien zij het noodzakelijk kan maken dat een beroep wordt gedaan op beëdigde vertalers en tolken, zoals de artikelen 8 en 30 van de in het geding zijnde wet bepalen.
De maatregel is des te minder verantwoord daar de werkgever, rechtspersoon, per definitie heeft aangetoond dat hij in staat is om de taal van de werknemer te begrijpen en te gebruiken door zich in die taal tot hem te richten, zoals bij artikel 52 van de voormelde gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 wordt vereist.
In deze interpretatie dient het tweede onderdeel van de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.
De in het geding zijnde bepaling kan evenwel op een andere manier worden geïnterpreteerd in zoverre zij van toepassing is op de sociale betrekkingen tussen een werkgever en zijn personeel.
Gelezen in het licht van de desbetreffende teksten, kunnen de bewoordingen « indien de verweerder woonachtig is in het […] taalgebied […] » in die zin worden geïnterpreteerd dat zij, in de geschillen met betrekking tot het arbeidsrecht, de plaats aanwijzen waar de partijen sociale betrekkingen hebben aangeknoopt, namelijk op de exploitatiezetel.
Het criterium van de exploitatiezetel is overigens eveneens het criterium dat moet worden toegepast om de sociale betrekkingen te lokaliseren in de zin van artikel 129, § 1, 3°, van de Grondwet, dat aan de gemeenschappen de bevoegdheid verleent om het gebruik van de talen in de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel te regelen.
Bij zijn arrest nr. 9/86 van 30 januari 1986 heeft het Hof geoordeeld dat om aan de grondwettelijke vereisten te beantwoorden, de lokalisatiecriteria het mogelijk moeten maken om « de plaats te situeren waar de sociale betrekkingen tussen de werkgever en zijn personeel hoofdzakelijk tot stand komen »
Bij zijn arrest nr. 10/86 van 30 januari 1986 heeft het Hof geoordeeld dat het criterium van de « exploitatiezetel » in overeenstemming was met de grondwettelijke vereisten aangezien « daar […] doorgaans de opdrachten en instructies aan het personeelslid [worden] gegeven, […] hem alle mededelingen [worden] gedaan en […] hij zich tot zijn werkgever [wendt] » en aangezien « de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen […] zich normaal in de exploitatiezetel [bevinden] of […] tenminste daar [kunnen] worden gesitueerd »
Bij zijn arrest nr. 29/86 van 18 november 1986 heeft het Hof de criteria « plaats van tewerkstelling van het personeel », « maatschappelijke zetel » en « woonplaats van de werkgever » verworpen aangezien zij « telkens slechts één van de partijen bij de sociale betrekkingen binnen het bedoelde bevoegdheidsgebied, te weten voor het eerste het personeel, en voor de beide andere de werkgever, en niet zoals grondwettelijk vereist, de ‘ sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel ’ zelf » lokaliseren, waarbij opnieuw wordt beklemtoond dat de exploitatiezetel, met andere woorden « iedere vestiging of centrum van activiteit met enige standvastigheid », het grondwetsconforme criterium is.
Aangezien in deze interpretatie het in het tweede onderdeel van de prejudiciële vraag beschreven verschil in behandeling onbestaande is, dient dat onderdeel ontkennend te worden beantwoord.
18 december 2009
Het personele toepassingsgebied van het Vlaamse Taaldecreet: de Grondwet voorbij?
Inleiding
1. De Gemeenschappen zijn overeenkomstig artikel 129, §1, 3° G.W. bevoegd om het gebruik van de talen voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel, alsmede de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen, te regelen([1]). De Vlaamse Gemeenschap was de eerste die bij decreet van 19 juli 1973([2]) haar bevoegdheid uitoefende. De Franse Gemeenschap riposteerde bij decreet van 30 juni 1982([3]). Er moet ook wel rekening worden gehouden met de Taalwet Bestuurszaken die nog steeds het gebruik van de talen regelt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de rand- en de taalgrensgemeenten en het Duitse taalgebied([4]).
LENAERTS kwalificeert de taalbevoegdheid van de Gemeenschappen uitdrukkelijk als een sociaalrechtelijke bevoegdheid([5]). Deze materie wordt vaak besproken door de arbeidsrechtelijke doctrine([6]). De taalvoorschiften hebben immers onmiskenbaar een juridische weerslag op de arbeidsverhoudingen, zo wordt gezegd([7]) BLANPAIN meent dan ook dat ze intergrerend deel uitmaken van het arbeidsrecht([8]). Nochtans moet worden vastgesteld dat het personele toepassingsgebied van het Vlaams Taaldecreet tenminste vanuit een arbeidsrechtelijk perspectief enkele eigenaardigheden vertoont, die steeds vragen van grondwettigheid oproepen.
Hierna volgt een bespreking van dit toepassingsgebied en worden die eigenaardigheden toegelicht. Waar mogelijk zal worden vergeleken met het Taaldecreet van de Franstalige Gemeenschap en met de Taalwet Bestuurszaken.
Werkgevers en daarmee gelijkgestelden: het gezagsbegrip voorbij…
2. Volgens artikel 1, eerste lid is het Vlaams Taaldecreet van toepassing op de natuurlijke personen en de rechtspersonen die een exploitatiezetel([9]) in het Nederlandse taalgebied hebben([10]). Deze natuurlijke en rechtspersonen moeten de hoedanigheid van werkgever hebben([11]). Het begrip ‘werkgever’ wordt niet door het decreet gedefinieerd. Wel kan worden gesteld dat de aard van de bedrijvigheid geen enkele rol speelt([12]) In tegenstelling tot de Taalwet Bestuurszaken([13]) wordt het toepassingsgebied van het Vlaams Taaldecreet niet beperkt tot de private nijverheids-, handels- of financiebedrijven([14]). In zijn gangbare juridische betekenis is een werkgever een persoon die krachtens een arbeidsovereenkomst een ander persoon tewerkstelt([15]).
Personen die met werknemers gelijkgestelden tewerkstellen, worden echter ook als werkgever beschouwd([16]). De met werknemers gelijkgestelden zijn de personen, die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder gezag van een persoon of die arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst([17]). Aldus worden volgens BLANPAIN de begrippen werkgever en werknemer in de meest ruime arbeidsrechtelijke zin van het woord gehanteerd([18]). Zodanige invulling kwam er op voorstel van de parlementsleden Claeys, Declercq en De Clercq, die zich naar eigen zeggen lieten inspireren door de Arbeidswet, die toen net was uitgevaardigd([19]).
Toch valt het op dat het begrip ‘met werknemer gelijkgestelde’ in het Vlaams Taaldecreet ruimer is gedefinieerd dan in artikel 1, 1° Arbeidswet([20]) De definitie die men in het decreet terugvindt komt veeleer overeen met deze uit artikel 2, §1, 1° RSZ-wet([21]) Anders dan wat DE VOS([22]) laat uitschijnen omvat deze gelijkstelling wel degelijk twee onderscheiden categorieën([23]) en gaat het niet om cumulatieve voorwaarden. Ook VANACHTER slaat mijns inziens de bal mis wanneer hij concludeert dat het Vlaams Taaldecreet enkel van toepassing is wanneer arbeid onder gezag wordt verricht([24]). Men moet wel erkennen dat het begrip ‘sociale betrekkingen’ uit het Vlaams Taaldecreet door het Hof van Cassatie wordt omschreven als “alle verhoudingen die plaatsvinden in het ondergeschikt verband of nog in het hiërarchisch verband tussen de werkgever of zijn aangestelden en de werknemer”([25]).
Inzake artikel 2, §1, 1° RSZ-wet heeft het Hof van Cassatie echter reeds aangegeven dat het verrichten van arbeid in gelijkaardige voorwaarden als een arbeidsovereenkomst niet de aanwezigheid van gezag vereist([26]). Ook de rechtsleer aanvaardt dat in dit artikel aan het juridische concept gezag een onderscheiden en meer realiteitsgebonden criterium werd gesubstitueerd([27]). Kortom, personen die arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als een arbeidsovereenkomst zijn te onderscheiden van die personen die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten onder gezag. Het tegendeel voorhouden zou het decretale onderscheid overigens compleet overbodig maken.
3. Welke arbeidsrelaties in deze twee categorieën moeten worden ondergebracht, moet in laatste instantie worden uitgemaakt door de hoven en rechtbanken. De decreetgever vult deze categorieën niet in. TAQUET en WANTIEZ([28]) geven aan dat de gelijkstelling van personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, onder gezag arbeid verrichten geen enkel nut heeft. Volgens hen kunnen alle relaties van dien aard als arbeidsovereenkomst worden gekwalificeerd([29]). Dat de gelijkstelling geen loon als tegenprestatie voor de arbeid vereist en dit toch wel een essentieel element is van elke arbeidsovereenkomst([30]), ontging hen blijkbaar. Daarenboven wordt statutair (overheids)personeel gewoonlijk ook ondergebracht in deze gelijkstellingscategorie. Zo is de Arbeidswet niet van toepassing op het overheidspersoneel, maar enkel omdat voor deze categorie in een uitzondering op de regel wordt voorzien([31]) Het Vlaams Taaldecreet nam de uitzonderingen echter niet over. Toch schrijft BLANPAIN dat het decreet niet van toepassing is op statutaire arbeidsrelaties([32]).
Wat betreft de groep van personen die arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als een arbeidsovereenkomst, kan men allicht inspiratie putten uit artikel 3 K.B. ter uitvoering van de RSZ-wet, al verzetten TAQUET en WANTIEZ zich daartegen omdat de Koning niet de bevoegdheid heeft een decreet te interpreteren, laat staan uit te voeren([33]) TAQUET en WANTIEZ hebben overigens ook kritiek op deze gelijkstelling. Met enige vooruitziendheid concludeerden zij reeds dat het allicht arbeidsverhoudingen moest betreffen die verstoken blijven van een gezagsverhouding([34]). Naar hun mening is de uitbreiding tot zodanige arbeidsrelaties ongrondwettig, omdat artikel 129, §1, 3° G.W. (toen artikel 59bis, §3 G.W.) refereert immers aan het klassieke begrip werkgever([35]).
Mijns inziens kan het Vlaams Taaldecreet op dit vlak inderdaad enkel de grondwettigheidstoets doorstaan wanneer de grondwetgever het begrip werkgever in zijn socialezekerheidsrechtelijke betekenis zou hebben gebruikt. Waarom de decreetgever trouwens de gelijkstelling uit de RSZ-wet kopieerde, is onduidelijk. “Om niemand te vergeten”, antwoordt VANACHTER…([36])
Ook potentiële werkgevers in het vizier
3. Sedert een decreet van 1 juni 1994 is in de Vlaamse Gemeenschap ook het taalgebruik in de precontractuele fase van de arbeidsovereenkomst of –verhouding gereglementeerd([37]). Artikel 4, §4 van het Vlaams Taaldecreet beschouwd thans ook als “sociale betrekkingen” de betrekkingen tussen werkgevers en sollicitanten, voorafgaande aan het arbeidscontract en de eigenlijke tewerkstelling, ongeacht het feit of er al dan niet een arbeidscontract tot stand komt. Het betreft een onmiskenbare uitbreiding van de personele werkingssfeer van het Vlaams Taaldecreet, hoewel de decreetgever het niet nodig achtte artikel 1 van het decreet aan te passen([38]).
Volgens het Arbitragehof betreft deze uitbreiding van de notie ‘sociale betrekkingen’ alvast geen bevoegdheidsoverschrijding([39]). De gesprekken en geschriften die een betrekking tot stand brengen tussen een potentiële werkgever en een bepaalde persoon, te weten elke persoon van wie de kandidaatsteling in aanmerking is genomen, zijn volgens het Hof begrepen in de notie “sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel”([40]). DE KOCK schreef indertijd: “Zodra één persoon tewerkgesteld is, is het decreet [...] toepasselijk”([41]). Vandaag moeten we vaststellen dat een persoon gehouden kan zijn de verplichtingen van het decreet toe te passen, ook al overweegt hij slechts iemand tewerk te stellen. DE VOS merkt nochtans terecht op dat van werkgeverschap slechts sprake kan zijn eens een arbeidsovereenkomst is tot stand gekomen en niet voordien([42]).
Het is trouwens niet toevallig dat het Arbitragehof zich taalkundig genoodzaakt zag de term “potentiële werkgever” te gebruiken. Het Arbitragehof heeft zodoende mijns inziens (minstens onrechtstreeks) aan het begrip “werkgever” uit artikel 129, §1, 3° een interpretatie gegeven die zijn klassieke betekenis overstijgt. Allicht wordt het werkgeversbegrip uit artikel 1 van het Vlaams Taaldecreet thans ook best in deze uitgebreidere zin opgevat. In het begrip “werknemer” uit datzelfde artikel moeten in dat geval ook consequent de sollicitanten vermeld in artikel 4, §4 van het decreet, worden begrepen. Het zou de Vlaamse decreetgever niettemin sieren, mocht hij dit naar de toekomst toe willen expliciteren in het eerste artikel van het Vlaams Taaldecreet.
---
[1] Zie ook het vroegere art. 59bis, §3, 3° G.W.
[2] Decreet van 19 juli 1973 tot regeling van het gebruik van de talen voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers, alsmede van de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen, B.S. 6 september 1973. Hierna Vlaamse Taaldecreet
[3] Decreet van 30 juni 1982 inzake de bescherming van de vrijheid van het taalgebruik van de Franse taal in de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel, alsook van akten en documenten van ondernemingen opgelegd door de wet en de reglementen, B.S. 27 augustus 1982. Hierna Taaldecreet van de Franstalige Gemeenschap.
Dit decreet was een reactie op het Vlaams Taaldecreet en haar extraterritoriale werking evenals op een arrest van het Hof van Cassatie van 30 maart 1981 (R.W. 1981-82, 104, noot P. VAN ORSHOVEN) waarbij werd geoordeeld dat, wanneer een taalregeling voor Brussel-hoofdstad en een taalregeling voor een ééntalig Nederlands of Frans taalgebied tegelijk toepasselijk zijn, de regeling voor het ééntalig gebied de voorrang heeft op die voor het tweetalig gebied Brussel-hoofdstad. Volgens LAGASSE, toenmalig lid van de Franse Gemeenschapsraad kwam dit neer op het verplicht stellen van het Nederlands aan Waalse en Brusselse ondernemingen, zelfs wanneer de werknemers van zo een onderneming slechts gedeeltelijk in Vlaanderen zijn tewerkgesteld (Développements chez la proposition de décret relatif à la protection de la liberté de l’emploi des langues et de l’usage de la langua française en matière de relations sociales entre les employeurs et leur personnel ainsi que d’actes et documents des entreprises imposés par la loi et les règlements, Parl. St. Fr.Gem.R. 1981-1982, nr.62/1, 2). Het Taaldecreet van de Franse Gemeenschap kende zichzelf eveneens extraterritoriale werking toe. Aan de wederzijdse bevoegdheidsoverschrijdingen werd een einde gesteld door het Arbitragehof (zie arresten nrs. 9/86 en 10/86 van 30 januari 1986).
[4] Zie meer uitgebreid J. PONET, “De taalwet in bestuurszaken en de decreten tot regeling van het taalgebruik in de sociale betrekkingen” in M. RIGAUX (ed.), Actuele problemen van het arbeidsrecht, Antwerpen, Kluwer, 1984, 256-257; B. VANSCHOEBEKE, “Het taalgebruik in de onderneming”, Or. 1994, 264-265.
[5] H. LENAERTS, “De sociaalrechtelijke bevoegdheid van de Gemeenschappen en Gewesten” in X.(ed.), Liber Amicorum Frédéric Dumon, deel II, Antwerpen, Kluwer, 1983, 928. Zie ook E. VAN DEN BERGHE, “Het taaldecreet in de praktijk” in R. BLANPAIN, e.a., Taaldecreet in de praktijk, Antwerpen, Kluwer, 1978, 29.
[6] Zie bijvoorbeeld J. STEYAERT, C. DE GANCK, L. DE SCHRYVER, Arbeidsovereenkomst, in A.P.R., Brussel, Story-Scientia, 1990, 787-794; O. VANACHTER, “Het taalgebruik bij aanwerven, tewerkstellen, ontslaan”, A.T.O., I-400; W. VAN EECKHOUTTE, Sociaal compendium arbeidsrecht 2005-2006, Mechelen, Kluwer, 2005 58-59 en 189-202.
[7] M.L. MORGENTHAL, “Relations sociales, juridictions du travail et Cour d’Arbitrage”, J.T.T. 1986, 489.
[8] R. BLANPAIN, “Het taalgebruik voor de arbeidsverhoudingen. Het decreet van 19 juli 1973”, R.W. 1973-74, 1471.
[9] Dit is iedere vestiging of elk centrim met enige standvastigheid waaraan het personeelslid gehecht is en waar de sociale betrekkingen tussen de werkgever en de werknemer in principe plaatshebben (Cass. 22 april 2002, R.W. 2002-03, 1542; Arbh. Bergen 28 september 1989, J.T.T. 1990, 428; Arbh. Brussel 2 juni 1987, T.Aann. 1988, 331; Arbrb. Brussel 16 maart 1987, Rechtspr.Arb.Br. 1987, 136. Zie ook Arbitragehof , nr. 10/86, 30 januari 1986).
[10] Zie ook Arbh. Gent 19 maart 2003, Soc. Kron. 2004, 450.
[11] R. BLANPAIN, “Toepasselijkheid van het taaldecreet van 13 juli 1973”, T.S.R. 1981, 257.
[12] M. DE KOCK, “Het taaldecreet van 19 juli 1973 en de sociale betrekkingen”, R.W. 1973-1974, 1572.
[13] Zie art. 52 Taalwet Bestuurszaken.
[14] Toelichting bij het voorstel van decreet tot regeling van de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeelsleden, alsmede van de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen, Parl. St. Ned. Cult.R. 1971-1972, nr.26/1, 1-2. Zie ook R. RENARD, Talen, in A.P.R., Gent, Story-Scientia, 1983, 238. Zie ook J. EECKHOUT, “Les langues des entreprises”, J.T. 1973, 484 en “Le décret de septembre et le barreau”, J.T. 1973, 697, die hierin een ongrondwettigheid ziet. Niets laat evenwel uitschijnen dat het begrip “werkgever” door de decreetgever op eenzelfde enge wijze moet worden ingevuld als de wetgever heeft gedaan in de Taalwet Bestuurszaken.
[15] M. DE VOS, “Werving en selectie onder het Vlaams taaldecreet: de decreetgever loopt zichzelf voorbij”, Soc. Kron. 1994, 339; J. STEYAERT, C. DE GANCK, L. DE SCHRYVER, Arbeidsovereenkomst, in A.P.R., Brussel, Story-Scientia, 1990, 789.
[16] Art. 1, tweede lid, 2° Vlaams Taaldecreet.
[17] Art. 1, tweede lid, 1° Vlaams Taaldecreet.
[18] R. BLANPAIN, “Het taalgebruik voor de arbeidsverhoudingen. Het decreet van 19 juli 1973”, R.W. 1973-74, 1476.
[19] Zie Toelichting bij het voorstel van Decreet tot vernederlandsing van het bedrijfsleven, Parl. St. Ned. Cult.R. 1972-1973, nr.60/1, 4; M. DE KOCK, “Het taaldecreet van 19 juli 1973 en de sociale betrekkingen”, R.W. 1973-1974, 1578.
[20] DE KOCK’s bewering dat art. 1, tweede lid Vlaams Taaldecreet een “letterlijke weergave” van artikel 1 van de Arbeidswet is, doet de wenkbrauwen fronsen. Zie M. DE KOCK, “Het taaldecreet van 19 juli 1973 en de sociale betrekkingen”, R.W. 1973-1974, 1578.
[21] Cf. O. VANACHTER, “Het taalgebruik bij aanwerven, tewerkstellen, ontslaan”, A.T.O., I-403, 40.
[22] Deze auteur vervangt ten onrechte het door mij onderlijnde woord “of” door “doch”, hetgeen zonder twijfel de betekenis van de definitie wezenlijk veranderd. Zie M. DE VOS, “Werving en selectie onder het Vlaams taaldecreet: de decreetgever loopt zichzelf voorbij”, Soc. Kron. 1994, 339.
[23] R. RENARD, Talen, in A.P.R., Gent, Story-Scientia, 1983, 241.
[24] O. VANACHTER, “Het taalgebruik bij aanwerven, tewerkstellen, ontslaan”, A.T.O., I-403, 40.
[25] Cass. 22 april 2002, R.W. 2002-03, 1542.
[26] Cass. 9 april 1979, Arr. Cass. 1978-1979, 944. Zie ook meer uitgebreid over de betekenis van de notie ‘gelijkaardige voorwaarden als een arbeidsovereenkomst’: K. NEVENS, “De uitbreiding van de socialezekerheidsregeling voor werknemers”, Soc. Kron. 2005, afl.9, 497-505.
[27] H. LENAERTS, Inleiding tot het sociaal recht, Diegem, Kluwer, 1995, 217; K. NEVENS, “De uitbreiding van de socialezekerheidsregeling voor werknemers”, Soc. Kron. 2005, afl.9, 501; D. SIMOENS, “Knelpunten in het toepassingsgebied van de sociale zekerheidsregelingen voor werknemers en zelfstandigen”, T.P.R. 1987, 122, M. WESTRADE, “A la recherche des modalités similaires”, (noot onder Cass. 8 maart 2004), J.L.M.B. 2004, 825.
[28] M. TAQUET en C. WANTIEZ, “Le décret du 19 juillet 1973 (décret de septembre)”, J.T.T. 1973, 278.
[29] Men mag echter niet vergeten dat zij dit schrijven aan het begin van de jaren ’70 en in die tijd de idee van de gradaties in ondergeschiktheid nog leefde. In die gedachtegang maakte men een onderscheid tussen de arbeidsovereenkomst voor arbeiders en bedienden, die een enge band van ondergeschiktheid vereiste en andere arbeidsovereenkomsten, die gekenmerkt werden door een losse band van ondergeschiktheid.
[30] Zie Cass. 2 oktober 1968, Pas. 11968, I, 129; Cass. 25 mei 1998, R.W. 1998-99, 918; Cass. 6 maart 2000, J.T.T. 2000, 227; Cass. 29 oktober 2001, R.W. 2002-03, 462.
[31] Zie art. 3, §1, 1° Arbeidswet.
[32] R. BLANPAIN, “Het taalgebruik voor de arbeidsverhoudingen. Het decreet van 19 juli 1973”, R.W. 1973-74, 1478.
[33] M. TAQUET en C. WANTIEZ, “Le décret du 19 juillet 1973 (décret de septembre)”, J.T.T. 1973, 279.
[34] M. TAQUET en C. WANTIEZ, “Le décret du 19 juillet 1973 (décret de septembre)”, J.T.T. 1973, 278-279.
[35] M. TAQUET en C. WANTIEZ, “Le décret du 19 juillet 1973 (décret de septembre)”, J.T.T. 1973, 275. Contra R. RENARD, Talen, in A.P.R., Gent, Story-Scientia, 1983, 242.
[36] O. VANACHTER, “Het taalgebruik bij aanwerven, tewerkstellen, ontslaan”, A.T.O., I-403, 40.
[37] De decreetgever wou vooral komaf maken met de publicatie van anderstalige personeelsadvertenties in Vlaamse dag- en weekbladen (Verslag namens de Commissie voor Binnenlandse Aangelegenheden en Ambtenarenzaken (Van Vaerenbergh) inzake het voorstel van decreet houdende wijziging van het decreet van 19 juli 1973 tot regeling van het gebruik van de talen voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en werknemers, alsmede van de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen, Parl. St. Vl. R. 19993-1994, nr. 427/3, 2). Art.4, §3 Vlaams Taaldecreet die deze verplichting oplegde, werd evenwel vernietigd door het Arbitragehof (arrest nr. 72/95, 9 november 1995).
[38] M. DE VOS, “Werving en selectie onder het Vlaams taaldecreet: de decreetgever loopt zichzelf voorbij”, Soc. Kron. 1994, 340.
[39] Arbitragehof nr. 72/95, 9 november 1995.
[40] Overweging B.12.2.
[41] M. DE KOCK, “Het taaldecreet van 19 juli 1973 en de sociale betrekkingen”, R.W. 1973-1974, 1578.
[42] M. DE VOS, “”Taalgebruik bij werving en selectie: terug naar af”, R.W. 1995-1996, 1258. Zie ook B. VANSCHOEBEKE, “Het taalgebruik in de onderneming”, Or. 1994, 267. Rekening houdende met de hoger beschreven gelijkstellingen in het Vlaams Taaldecreet, en voor zover deze grondwettig zijn, zou men hieraan kunnen toevoegen: of dat minstens een met een arbeidsovereenkomst gelijkaardige of door gezag gekenmerkte arbeidsverhouding is tot stand gekomen.
11 juli 2008
Vlaamse Wooncode: ontbindende voorwaarde in sociale huurovereenkomst schendt grondrecht op huisvesting wel, taalbereidheidsvereiste doet dat niet
1. In het arrest nr. 101/2008 deed het Grondwettelijk Hof uitspraak over de beroepen tot vernietiging gericht tegen enkele van de nieuwe bepalingen van de Vlaamse Wooncode, die ondermeer een taalbereidheidsvereiste opleggen aan kandidaat-sociale huurders. Het arrest ligt wat betreft de voorzieningen die werden ingesteld door de Franse Gemeenschapsregering in de lijn van het arrest nr. 104/2007 waarin het schorsingsverzoek van deze regering werd afgewezen en dat in een eerder blogbericht reeds werd becommentarieerd. In het recente arrest antwoordt het Hof evenwel ook op de argumenten die door de Liga voor de Mensenrechten werden naar voor geschoven met verwijzing naar artikel 23 van de Grondwet, in samenhang met sommige bepalingen uit internationale verdragen en het Europees recht.
2. Het Grondwettelijk Hof acht artikel 92, § 1, eerste lid, 6°, van de Vlaamse Wooncode in strijd met artikel 23 GW. Dit artikel bepaalt, in afwijking van artikel 1762bis BW, dat de huurovereenkomsten voor sociale woningen in ontbindende voorwaarden kunnen voorzien. In concreto betekent dit dus dat deze huurders de waarborg kan worden ontnomen van het voorafgaand optreden van een rechter in geval van ontbinding van de huurovereenkomst door de verhuurder wegens een tekortkoming aan hun verplichtingen. Volgens het Hof is dit, gelet op de andere mogelijke sancties waarover de sociale huisvestingsmaatschappij beschikt, waaronder de mogelijkheid tot opzegging van de overeenkomst, niet redelijk verantwoord. De maatregel is niet evenredig met het doel de leefbaarheid in de sociale woonwijken te waarborgen.
3. Met betrekking tot de taalbereidheidsvereiste en de verplichting om het inburgeringstraject te volgen, zo men is onderworpen aan het decreet van 28 februari 2003 betreffende het Vlaamse inburgeringsbeleid erkent het Hof dat deze het recht op een behoorlijke huisvesting aantasten omdat zij impliceren dat de kandidaat-huurders die niet aan die voorwaarden voldoen, het recht om een sociale woning te betrekken, kan worden ontnomen. Doordat de personen die een sociale woning huren doorgaans tot de meest kansarme groepen van de bevolking behoren, is het risico dat hun elke behoorlijke huisvesting wordt ontnomen, wanneer zij geen toegang krijgen tot een sociale woning, reëel.
Toch meent het Hof dat, rekening houdende met de aard ervan (enkel elementaire kennis van de taal, kosteloze taallessen, geen resultaatsverbintenis), deze verplichtingen niet in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel en het grondrecht op behoorlijke huisvesting, weliswaar onder voorbehoud dat de sancties die worden opgelegd bij het niet-nakomen van deze verplichtingen. Zo sluit het Grondwettelijk Hof zich aan bij het advies van de Raad van State “dat een opzegging van de huurovereenkomst die zou worden geëist door de verhuurder wegens verzuim of weigering vanwege de huurder om de taal te leren, klaarblijkelijk onevenredig zou zijn wanneer de verhuurder niet zou kunnen aantonen dat dit verzuim of die weigering ernstige hinder of een reële aantasting van de leefbaarheid voor andere huurders heeft veroorzaakt” (Parl. St. Vlaams Parlement, 2005-2006, nr. 824/1, p. 58).
Het Grondwettelijk oordeelt wel dat de taalbereidheidsvereiste niet geldt in faciliteitengemeenten en sluit andermaal aan bij het advies van de Raad van State: “Het opleggen van het vereiste de bereidheid aan te tonen Nederlands aan te leren ten aanzien van personen die zich wensen te beroepen op de bij de bestuurstaalwet toegekende taalfaciliteiten, is niet pertinent in de mate dat de beoogde doelstelling om een behoorlijke communicatie te waarborgen tussen de verhuurder en de huurder van de sociale huurwoning, ook is bereikt wanneer de contacten tussen die partijen effectief in het Frans verlopen.”(Parl. St. Vlaams Parlement, 2005-2006, nr. 824/1, p. 59).
Kortom, de taalbereidheidsvereiste wordt hier plots niet meer gezien als een middel tot integratie en leefbaarheid, maar als een loutere voorwaarde die communicatie met de sociale huisvestingsmaatschappij mogelijk moet maken, hetgeen mijns inziens toch een wereld van verschil is. De in het Frans te voeren kolderieke briefwisseling tussen een sociale huisvestingsmaatschappij uit de rand en een franstalige (kandidaat-)huurder omtrent diens kennis van het Nederlands (zie mijn kritiek in een eerder blogbericht) wordt zo vermeden.
4. Het Grondwettelijk Hof ging tenslotte niet in op de vraag van de Franse gemeenschapsregering om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Deze regering argumenteerde immers dat de taalbereidheidsvereiste uit de Vlaamse Wooncode onder meer in strijd is met het europeesrechtelijke beginsel van het vrij verkeer van werknemers (art. 39 en 43 EG-Verdrag en verordening nr. 1612/68). Artikel 9 van de voormelde verordening vermeldt immers het recht op toegang tot een woning, op dezelfde wijze als de nationale werknemers.
Het argument van het Hof dat er geen sprake is van een discriminatie omdat zowel Belgen als EU-onderdanen onderworpen zijn aan de verplichting, is nogal formeel en volledig geënt op directe discriminatie. De taalbereidheidsvereiste mag wel neutraal geformuleerd zijn, maar omvat naar alle waarschijnlijkheid wel een vorm van indirecte discriminatie, aangezien een veel groter deel van de EU-burgers erdoor wordt getroffen in vergelijking met Belgische onderdanen, in het bijzonder Vlamingen. Het gaat met andere woorden om een verkapte vorm van discriminatie (zie omtrent het begrip "indirecte discriminatie": K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 1999, 153). Zodanige discriminatie kan enkel gerechtvaardigd worden indien zij beantwoordt aan dwingende redenen van algemeen belang, de verwezenlijking van het nagestreefde doel waarborgt en niet verder gaat dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is. Volgens het Grondwettelijk Hof is dit ook zo, maar zeer omstandig wordt dit niet meer gemotiveerd.
29 juni 2008
Over het verband tussen kennis van de Nederlandse taal en sociale rechten
1. In een eerder blogbericht werd gewezen op het “taalbeleid” dat HP Pelzer voert en misschien nog steeds voert. Ter herinnering, werknemers worden of werden er verplicht “in de refter” de Nederlandse taal te gebruiken, ook onderling. Enkele dagen geleden verscheen dan weer het bericht dat voetbalclub RSC Anderlecht haar spelers verplicht zich te verdiepen in de kennis van het Frans: “voor wie geen Frans leert, volgen boetes”. Allicht vreest RSCA, net zoals tal van Amerikaanse werkgevers, die daarom ook “english only-policies” uittekenen, dat Spaans wel eens de voertaal van het personeel zou kunnen worden. De instroom aan Argentijnse spelers gaat immers door bij paars-wit.
2. Dat Belgische werkgevers weinig graten zien in het opleggen van taallesverplichtingen hoeft niet te verwonderen, nu in het bijzonder Vlaamse overheden de toekenning van zekere rechten reeds afhankelijk hebben durven stellen van vereisten inzake het verwerven van kennis van de Nederlandse taal.
Zo bepalen artikel 92, §3, 6° en 7° van de Vlaamse Wooncode dat de huurder van een sociale woning de verplichting heeft om een “bereidheid te tonen om Nederlands aan te leren”. Het Arbitragehof heeft reeds geoordeeld dat het zevende lid, dat deze taalvereiste oplegt in de rand- en taalgrensgemeenten noch in strijd is met artikel 16bis van de Bijzondere Wet Hervorming Instellingen de dato 8 augustus 1980, noch afbreuk doet aan de door de Grondwet gegarandeerde taalvrijheid (art. 30 GW) (zie het arrest nr. 104/2007). Volgens het Hof zijn de sociale huisvestingsmaatschappijen nog steeds ertoe gehouden, en heeft de Vlaamse decreetgever dit ook niet willen tenietdoen, de regeling inzake de facilteiten te respecteren, zodat een huurder wel verplicht kan worden het Nederlans te leren.
“Indien de kandidaat-huurders of de huurders gevestigd in de faciliteitengemeenten daarom verzoeken, moeten de schriftelijke en mondelinge contacten met de hiervoor bedoeldeverhuurders in het Frans verlopen (artikel 12 en artikel 25 van de bestuurstaalwet). De in de randgemeenten door de verhuurders uitgereikte getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen moeten in het Frans worden gesteld indien de kandidaat-huurders of de huurders daarom verzoeken (artikel 26 van de bestuurstaalwet). Dezelfde regeling geldt voor de getuigschriften afgegeven door de verhuurders in de taalgrensgemeenten (artikel 14 van de bestuurstaalwet).”Met betrekking tot artikel 30 GW zegt het Arbitragehof verder: “(de bepalingen van het decreet) verplichten (de huurder) overigens niet die taal te gebruiken, noch in zijn betrekkingen met andere particulieren, noch in zijn betrekkingen met de verhuurder van de sociale woning.”
Men kan zich de kolder al voorstellen: een sociale huisvestingsmaatschappij uit een randgemeente die in het Frans briefwisseling voert over de verplichting tot het aantonen van een zekere bereidheid om het Nederlands aan te leren, ontvangt de volgende brief van een huurder (fictie!):
“Cher monsieur le locateur,
Je vous affirme que je peux parler le néerlandais (ci-joint les attestations nécessaires), mais envers vous, je ne le veux pas. Tant pis pour vous parce que selon la Cour d’Arbitrage, cela est légale!
Sincères salutations et sentiments distingués,”
De bepalingen van de Vlaamse Wooncode: niet meer dan een pyrrhus-overwinning voor de bevordering van de Vlaamse taal.
3. De stad Gent wil in navolging van de gemeente Geraardsbergen dan weer de toekenning van het leefloon schorsen indien de gerechtigde teveel spijbelt tijdens de opgelegde lessen Nederlands. Deze verplichting maakt, zo vermoed ik, allicht deel ik uit van het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie, dat wordt geformaliseerd in een contract (zie artt. 6, §2 en 13, §2 Wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en hoofdstuk IV KB van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie [beiden BS 31 juli 2002]). Of er van het sluiten van een werkelijke overeenkomst sprake is, kan worden betwijfeld (zie hieromtrent P. Sichien, “De activeringsfunctie van de sociale zekerheid: een juridische analyse”, Jura Falconis 2005-2006, aflevering 2).
Gents OCMW-voorzitter Geert Versnick vindt dit maar logisch: “Mensen hebben rechten, maar ze hebben ook de plicht om de kansen te grijpen die we hen geven” ("OCMW wil leefloners strenger controleren", Het Nieuwsblad Online, 27 juni 2008). Dit antwoord is vandaag haast cliché geworden. Het is als het ware een volkse omschrijving van het concept activering, dat ondertussen niet meer uit het Vlaamse arbeidsmarktbeleid en het Belgische sociale zekerheidsrecht is weg te denken. Sichien definieert activering als “een geheel van positieve en negatieve incentives die de overschakeling van een passieve uitkeringssituatie naar een actieve participatie aan de arbeidsmarkt helpen te bevorderen (cf. “De activeringsfunctie van de sociale zekerheid: een juridische analyse”, Jura Falconis 2005-2006, aflevering 2).
Het Genste OCMW wil taallessen verplichtend opleggen en met de stok zwaaien wanneer iemand heeft gespijbeld. Een onderzoek van het Centrum voor Sociaal Beleid (UA), toevallig ook deze week bekend gemaakt, toont nochtans aan dat het leefloon maar een mager bedrag is, ja zelfs “flagrant te laag is” in vergelijking met de Europese armoedegrens! (zie De Tijd Online, 26 juni 2008) Voor alle duidelijkheid, een alleenstaande persoon ontvangt volgens de wet 6.666,00 euro op jaarbasis (art. 14, §1, 2° RMI-wet): 555, 50 euro per maand, of in de huidige context: ongeveer 351,6 liter super95-benzine. Geconfronteerd met zulke cijfers rijst de vraag of in plaats van de stok, niet eerder de wortel zou kunnen worden gebruikt. Kan de gerechtige op een leefloon misschien niet een extraatje krijgen omdat hij zeer getrouw lessen Nederlands volgt, of is “de armen straffen”, om Loïc Wacquants woorden te gebruiken(cf. zijn boek Straf de armen. Het nieuwe beleid van de sociale zekerheid, Berchem, Epo, 2006), zoveel dankbaarder?
4. De Vlaamse overheden en bijna alle politieke partijen denken met de taallesverplichtingen de sociale en maatschappelijke integratie te stimuleren (zie hieromtrent het artikel van Liesbeth Van Impe, "De taal is nooit meer gansch het volk", De Morgen Online, 28 juni 2008). Welke bijdrage een dakloze anderstalige zonder leefloon aan de Vlaamse samenleving levert, moet echter nog worden ontdekt. Niemand zal ontkennen dat kennis van de Nederlandse taal een element is dat integratie vergemakkelijkt. Honderden en meer Vlamingen volgen met veel plezier en zonder dat iemand hen verplicht lessen Italiaans, Spaans, etc. om eens “een klapke” te kunnen doen op vakantie.
Het denkbeeld dat elke anderstalige per definitie onwillig en lui is om het Nederlands te leren, klopt niet en is volledig afgestemd op het in Vlaanderen gekoesterde beeld van de Franstalige bewoner uit de Brussel rand die inderdaad misschien wel kan, maar niet wil. Deze bewoner is echter naar alle waarschijnlijkheid niet degene die een sociale woning of een leefloon aanvraagt. Ook de Franstalige bourgeoisie uit Gent zal trouwens niet meteen wakker liggen van het taalbeleid van het stedelijk OCMW. Het verband tussen de onwil om het Nederlands te leren en sociale fraude is allesbehalve evident en de noodzaak om de toekenning van sociale rechten te koppelen aan een anti-franskiljons beleid is bedenkelijk.
Tenslotte, hoeveel tolerantie blijft er in Vlaanderen voor zij die gebrekkig Nederlands praten, want hoe goed moet het Nederlands van de anderstalige zijn? Als inwoner van Oostkamp (West-Vlaanderen), doch geboren en getogen in Aalst (Oost-Vlaanderen) geraak ik ondertussen eraan gewend dat ze bij de bakker opkijken als ik een bruin brood in plaats van een “brun” brood bestel. Sommige Vlamingen lachen heimelijk als een franstalige weervrouw in Zomer 2008 vertelt communicatiewetenschappen te hebben “bestudeerd” in plaats van “gestudeerd”. Een Franstalige vrouw, woonachtig in het noorden van Henegouwen - nabij Geraardsbergen, durft sedert enkele jaren in het publiek geen Nederlands meer te praten nadat ze ooit bij een Vlaamse beenhouwer verschrikkelijk werd uitgelachen toen ze vroeg naar 150gram “gekakt”, terwijl ze uiteraard “gehakt” bedoelde. Maar ondertussen is de kennis van de Franse taal bij de Vlaamse scholier en student nochtans ook niet zo uitmuntend... (Persmededeling Vlaams minister van Onderwijs, 12 maart 2008)
17 mei 2007
Taalgebruik op de werkvloer
1. Het Genkse bedrijf HP Pelzer haalde enkele weken geleden het nieuws met haar arbeidsreglement, waarin aan de werknemers wordt opgelegd, zelfs onderling "in de refter". Het ACV voelde zich schijnbaar geviseerd - het arbeidsreglement is immers langs de ondernemingsraad gepasseerd - en verdedigde het beleid van de werkgever. De maatregel zou zijn genomen uit "veiligheidsoverwegingen" en uit "respect voor de collega's".
Hoewel iedereen ergens wel aanvoelt dat het verplicht opleggen van een taal in interpersoonlijke relaties een brug te ver is, schijnt niemand - zelfs niet de vakverenigingen - op de barricaden te springen om het op te nemen voor de grondwettelijk erkende taalvrijheid van de werknemer. Bepaalt artikel 30 G.W. immers niet: "Het gebruik van de in België gesproken talen is vrij; het kan niet worden geregeld dan door de wet en alleen voor handelingen van het openbaar gezag en voor gerechtszaken"?
Het Vlaams Taaldecreet
2. De Grondwet laat in haar artikel 129, §1, 3°, wat betreft de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel, aan de decreetgevers van respectievelijk de Vlaamse en Franse gemeenschap wel toe de taal te regelen. Zo legde het Vlaamse parlement (toen Nederlandse Cultuurraad) bij decreet van 19 juli 1973 de Nederlandse taal verplicht op in sociale betrekkingen tussen werkgevers en werknemers én daarmee gelijkgestelden (het betreft personen die onder gezag of in gelijkaardige voorwaarden als een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden en hun opdrachtgevers). Later, in 1994, werd het gebruik van de Nederlandse taal zelfs opgelegd in de sollicitatieprocedure voorafgaand aan de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst.
Hoewel er hieromtrent enige controverse bestaat, lijkt een meerderheid van de rechtspraak aan te nemen dat het Taaldecreet slechts een verplichting oplegt aan de werkgever. Deze éénzijdigheid wordt door sommige auteurs beargumenteerd op grond van hoger vermeld artikel 30 G.W. (cf. J. Ponnet, "De taalwet in bestuurzaken en de decreten tot regeling van het taalgebruik in de sociale betrekkingen", in M. Rigaux, Actuele problemen van het arbeidsrecht, Antwerpen, Kluwer, 1984, 245-282). De werknemer is - op basis van het decreet - niet gehouden de Nederlandse taal te gebruiken ten aanzien van zijn werkgever en ook niet ten aanzien van zijn collega's. Men kan zich overigens de vraag stellen of de regeling van dit laatste wel tot de bevoegdheid van de decreetgever behoort.
Sommigen zien er weinig graten in dat de werkgever op welke wijze dan ook (eventueel via arbeidsreglement goedgekeurd door de ondernemingsraad) het taalgebruik zou regelen. Men moet echter voor ogen houden dat de werkgever bij de uitoefening van zijn werkgeversgezag rechstconform moet handelen. Ook het arbeidsreglement moet, als wettelijke erkende rechtsbron in het sociaal recht, in overeenstemming zijn met de hogere rechtsnormen (cf. art. 51 CAO-wet). Er kunnen dus alleen al juridisch ernstige vraagtekens worden geplaatst bij de wettigheid van een patronaal taalgebod dat verder reikt dan hetgeen het Vlaams Taaldecreet heeft voorzien.
Een rechtsvergelijkende blik
3. Vanuit rechtsvergelijkend oogpunt kan erop worden gewezen dat in de Verenigde Staten patronale "English-only-policies" niet ongewoon zijn en vrij radicaal worden bestreden door de EEOC (Equal Employment Opportunity Commission). Deze commissie heeft reeds verschillende rechtszaken aangespannen tegen "anglofiele" werkgevers. Volgens de EEOC is een taalgebod in strijd met titel VII van de Civil Rights Act, dat elke vorm van discriminatie in de arbeidsrelatie verbiedt. Op grond van deze titel voerden sommige werknemers zelfs reeds aan dat zij gediscrimineerd werden omwille van het spreken van Engels met een "vreemd accent" (cf. G.B. Smith, "I want to speak like a native speaker: the case for lowering the plaintiff's burden of proof in title VII accent discrimination cases", Ohio St. L. J. 2005, vol. 66, 231 ev.) Wanneer de werkgever geen reëel ondernemings- of commercieel belang kan aantonen, verliest hij meestal het pleit. Zo bekwamen Latino-werknemers in Texas een schadevergoeding van maar liefst 700.000$ omdat de werkgever hen het verbod had opgelegd Spaans te spreken, niet alleen tijdens het werk, maar ook "in de refter" en hen vervolgens had ontslagen omwille van protest tegen dit beleid.
Het staat vast, het door sommige werkgevers gevoerde taalbeleid is aan de andere kant van de Atlantische oceaan geen onbesproken en uitgeklaarde materie, noch in de jurisprudentie, noch in de doctrine. Er is dan ook geen reden om in ons land of onze regio voor te houden dat een patronale taalregeling juridisch en andersgewijs aanvaardbaar is.
Om af te sluiten met de woorden van Cristina M. Rodriguez, die in de VS belangwekkend onderzoek heeft verricht naar taaldiversiteit op de werkvloer: "The dissonance or alienation associated with hearing an unfamiliar language is precisely the cost that the monolingual (...) majority should be expected to bear in a society that (...) claims to value tolerance" ("Language diversity in the workplace", Nw. U. L. Rev. 2006, vol. 100, 1715, te raadplegen op SSRN).