Posts tonen met het label overheidspersoneel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label overheidspersoneel. Alle posts tonen

22 juni 2011

De rol van de EU: de ene ambtenaar lijkt steeds meer op de andere, maar we zeggen het hen niet (oratie prof.dr. A. De Becker)

De Belgische professor Alexander De Becker werd door de Universiteit Amsterdam per 1 augustus 2010 benoemd tot het ambt van bijzonder hoogleraar aan de Ien Dales Leerstoel voor het thema ‘de overheid als arbeidsorganisatie’.

Op 19 mei 2011 sprak hij een oratie uit waarin hij ingaat op de complexe juridische wereld van het recht van het overheidspersoneel en het juridisch kader waarin de overheid als arbeidsorganisatie functioneert.

De integrale tekst van de oratie kan u terugvinden door hier te klikken. Ik geef u alvast de inleiding mee:

"Een leerstoel over de overheid als arbeidsorganisatie impliceert onvermijdelijk dat de overheid een bijzondere organisatie is op arbeidsgebied. In de politiek woedt op dit ogenblik een debat in al de door mij reeds onderzochte landen over het bestaan van een absolute noodzaak om de overheid te afficheren als een bijzondere werkgever. Het komt mij als rechtswetenschapper uiteraard niet toe om in dat debat een standpunt in te nemen. De politiek dient te kiezen welke vorm zij prefereert om de tewerkstelling in de publieke sector vorm te geven. Ik dien mijn onderzoek te beperken tot het huidige juridische kader waarin de overheid als arbeidsorganisatie functioneert.

Alleen, dat kader is helemaal niet eenduidig. Meer zelfs, het wemelt van de tegenstrijdigheden, waarvan ik er enkele met u wil delen. Laat ons beginnen met de schijnbaar evidente plaats van de overheid als arbeidsorganisatie in het juridisch spectrum.

Traditioneel wordt “ambtenarenrecht” of de rechtspositie van het overheidspersoneel omschreven als een bevoegdheid die nog behoort tot de soevereiniteit van de onderscheiden lidstaten van de Europese Unie. Dit valt terug te vinden in alle (intussen rechtshistorisch geworden) werken over de status van de ambtenaar op het einde van de negentiende eeuw en in de eerste helft van de twintigste eeuw. Landen als Nederland, België, Frankrijk, Duitsland, Denemarken en Zweden opteerden alle voor een ambtelijke status voor hun personeelsleden. De reden is telkens dezelfde: een overheid kan, gezien haar specifi eke taak, niet in een contractuele arbeidsrelatie zitten met haar personeelsleden. Er is immers geen onderhandelingsruimte voor de overheid omdat zij precies in die zeer ongelijke situatie ten aanzien van haar personeelsleden staat. Bovendien vormt de bijzondere arbeidsrelatie tussen de overheid en haar personeel ook de basis van de ontwikkeling van de zogenaamde orgaantheorie. Dit wordt het mooiste uitgedrukt door Hauriou in Frankrijk die de ambtenaar als de incorporatie van de Staat zag. Soortgelijke invullingen zijn echter ook terug te vinden bij de Deense jurist Poul Andersen. Gillian Morris koppelt de traditionele grondslag voor de specifi eke status van de ambtenaren eveneens aan de specifi eke taak van de overheid, waarbij de overheid geen verantwoording diende af te leggen aan haar personeelsleden, maar enkel aan de primaire wetgevende macht.

Deze oratie wil u meenemen in de complexe juridische wereld van het recht van het overheidspersoneel. Ik herinner me dat de vacature voor deze functie aangaf dat deze leerstoel zich bevindt op het snijpunt van het arbeidsrecht, het bestuursrecht en het grondwettelijk recht. Ik ben het daar volledig mee eens, maar ik zou er aan willen toevoegen dat hij zich ook op het snijpunt met het EU-recht bevindt. Bovendien beïnvloeden landen elkaar bij de ontwikkeling van hun recht van het overheidspersoneel. Niemand leeft op een eiland in deze geglobaliseerde wereld. Niet enkel beïnvloeden landen elkaar: ook internationale organisaties en de rechtspraak van supranationale rechters spelen hun rol.

Ik zou jullie heel graag meenemen voor een rondleiding in de heerlijk complexe wereld van het recht van het overheidspersoneel. Laten we er ons even in onderdompelen en, ik hoop dat ik jullie enigszins kan verrassen, met de rijkdom en de reikwijdte van deze rechtstak."

21 juni 2011

Thuis zitten wachten op werkopdrachten is geen vrijwillig ontslag

RvS, nr. 213.776, 9 juni 2011 (Martens t.\ Stad Antwerpen)

Bij bovenvermeld arrest vernietigt de Raad van State de beslissing waarmee de stad Antwerpen het ontslag van ambtswege oplegt aan een personeelslid dat vijf jaar niet gecontacteerd werd door de stad en al die tijd thuis bleef wachten op nieuwe werkopdrachten. Alhoewel de stad een tuchtprocedure begon, koos zij uiteindelijk voor een ontslag van ambtswege, op grond van artikel 65, 1, van het basisstatuut, wegens tien dagen ongewettigde afwezigheid.

De Raad van State overweegt dat hij reeds in een arrest van 1997, en ook nog meermaals nadien, aan de stad heeft opgemerkt dat die bepaling steunt op het idee dat het betrokken personeelslid vrijwillig ontslag neemt. Van een wil tot vertrek was hier geen sprake,volgens de Raad van State, die zich daarmee op de lijn stelt van eerdere uitspraken van de gewone rechter.

De kernoverweging van het arrest is de volgende:

"verzoekers passiviteit (is) niet op te vatten (...) als een teken van zijn wil tot vertrek uit de dienst. Dat een en ander ongeloofwaardig, zelfs grotesk is en zou getuigen van kwade trouw, doet daar niet aan af. Hoe laakbaar ook verzoekers houding, alleszins kon verwerende partij bij het nemen van de collegebesluiten van 23 december 2005 en 20 januari 2006 niet rechtmatig van mening zijn dat verzoeker op 1 september 2000 uit dienst wou treden en vrijwillig ontslag nam. De door haar ingeroepen statutaire bepaling bood voor de bestreden ontslagbeslissingen dan ook geen rechtsgrond."

18 juni 2011

Cassatierechtspraak in sociale zaken 2011 (eerste kwartaal)

Cass., S.10.0046.F, 3 januari 2011

arbeidswegongeval – publieke sector – toepassingsgebied – werking in de tijd

Artikel 23, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, bepaalt dat, onverminderd de verkregen rechten op renten en andere vergoedingen, noch de leden van een personeel waarop een koninklijk besluit de bij deze wet ingestelde regeling toepasselijk heeft verklaard, noch hun rechthebbenden, vanaf de inwerkingtreding van dat koninklijk besluit nog langer in aanmerking komen voor de wetsbepalingen inzake herstel van schade uit arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar of van het werk en beroepsziekten.

Die bepaling, die de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet alleen uitsluit wat betreft de verkregen rechten op de renten en andere vergoedingen, belet de onmiddellijke toepassing niet van een bepaling die deze renten en vergoedingen ten laste legt van een andere uitkeringsplichtige dan die welke deze onder vigeur van de oude wet verschuldigd was.

Cass., S.09.0102.N, 10 januari 2011

RSZ-wet – dienstbode – huishoudelijke arbeid – begrip inwoning

Krachtens artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt, wat de werknemers betreft die krachtens een arbeidsovereenkomst voor dienstboden, hoofdzakelijk te werk gesteld zijn aan huishoudelijke arbeid van lichamelijke aard voor de behoeften van de huishouding van de werkgever of van zijn gezin, de toepassing van de wet beperkt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, tot de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers, tot de regeling betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers en tot de regeling betreffende de arbeidsvoorziening en de werkloosheid.

Krachtens artikel 18 van voormeld koninklijk besluit, worden aan de toepassing van de wet onttrokken, de in artikel 5 bedoelde werknemers die niet bij hun werkgever inwonen, wanneer zij geen vier uren daags bij eenzelfde werkgever, noch vierentwintig uren per week bij één of verschillende werkgevers tewerkgesteld zijn, alsmede de werkgevers wegens de tewerkstelling van deze werknemers.

Het inwonen in de zin van voormeld artikel 18 veronderstelt niet noodzakelijk dat de dienstbode in dezelfde woning als zijn werkgever leeft.

Cass., S.10.0030.F, 31 januari 2011

Maatschappelijke integratie – leefloon – meerekenbaarheid inkomsten samenwoner – bevoegdheid Koning – wettigheid koninklijk besluit

En vertu de l’article 3, 4°, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l’intégration sociale, une personne peut bénéficier de ce droit si elle ne dispose pas de ressources suffisantes. L’article 14 de cette loi détermine le montant du revenu d’intégration par catégorie de bénéficiaires. En son paragraphe 2, il énonce que ce montant est diminué des ressources de l’assuré social.

Conformément à l’article 16, § 1er, alinéa 1er, deuxième phrase, de la loi, les ressources des personnes avec lesquelles l’assuré social cohabite peuvent être prises en considération dans les limites fixées par le Roi par arrêté délibéré en conseil des ministres.

Cette disposition légale habilite le Roi à déterminer les cas dans lesquels les ressources des cohabitants de l’assuré social doivent être, peuvent être, ou ne sont pas prises en considération.

Tel est l’objet de l’article 34 de l’arrêté royal du 11 juillet 2002 portant règlement général en matière de droit à l’intégration sociale, dont le paragraphe 4 prévoit que, lorsque l’assuré social a droit à un revenu d’intégration visé à l’article 14, § 1er, alinéa 1er, 3°, de la loi, c’est-à-dire lorsqu’il vit avec une famille à sa charge, toutes les ressources du conjoint ou du partenaire de vie sont prises en considération.

En énonçant qu’en arrêtant cette disposition, qui « ne [prévoit] aucune exception ou latitude », le Roi a excédé les limites de l’habilitation qu’il puise dans l’article 16, § 1er, de la loi, lequel « prév[oit] une latitude dans […] la prise en considération des ressources des personnes avec lesquelles [l’assuré social] cohabite », et en décidant pour ce motif d’écarter l’application de

l’article 34, § 4, de l’arrêté royal et de ne pas prendre en considération les ressources de l’épouse du défendeur, l’arrêt viole l’article 16, § 1er, alinéa 1er, deuxième phrase, de la loi du 26 mai 2002.

Cass., S.10.0052.F, 31 januari 2011

RSZ-wet – deeltijdse arbeid – vermoeden van voltijdse arbeid – tegenbewijs

Arbeidsovereenkomst – interpretatie - bewijskracht

Aux termes de l’article 22ter de la loi du 27 juin 1969 révisant l’arrêtéloi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, tel qu’il était applicable au litige, sauf preuve contraire apportée par l’employeur, les travailleurs à temps partiel seront présumés, à défaut d’inscription dans les documents visés aux articles 160, 162, 163 et 165 de la loi-programme du 22 décembre 1989 ou d’utilisation des appareils visés à l’article 164 de la même loi, avoir effectué leur travail effectif normal conformément aux horaires de travail normaux des travailleurs concernés qui ont fait l’objet de mesures de publicité visées aux articles 157 à 159 de cette même loi. A défaut de publicité des horaires de travail normaux des travailleurs concernés, les travailleurs à temps partiel seront présumés avoir effectué leurs prestations dans le cadre d’un contrat de travail en qualité de travailleurs à temps plein.

La preuve contraire de la présomption que lesdits travailleurs ont effectué leurs prestations dans le cadre d’un contrat de travail à temps plein doit être apportée par l’employeur. Cette preuve contraire consiste à démontrer que les travailleurs à temps partiel n’ont pas effectué de prestations à temps plein dans le cadre d’un contrat de travail à temps plein.

L’arrêt relève qu’« aucun règlement de travail, contrat de travail ou extrait du contrat de travail constatant les horaires de travail n’a pu être présenté à l’inspecteur social », que « les travailleuses ne pointaient pas », que « le 9 mars 2004, un administrateur délégué de [la demanderesse] a déclaré qu’il n’y avait pas d’exemplaire des contrats de travail dans les grands magasins, et qu’il n’y avait pas non plus d’horaire pour une des travailleuses, laquelle avait des horaires variables », que « le 25 septembre 2006, [la demanderesse] a signé [les] déclarations complémentaires pour accord », que, « par une lettre de son avocat du 3 avril 2007, [la demanderesse] a transmis [au défendeur] une copie de contrats de travail des trois travailleuses, ces contrats [étant] datés respectivement du 1er mars 1999 (avec un avenant du 1er mars 2004), du 25 avril 2002 et du 29 avril 2002 » et qu’ « en appel, [la demanderesse] dépose les comptes individuels des travailleuses ».

Il énonce, sans être critiqué, que la demanderesse n’a pas respecté les mesures de publicité prescrites, en cas de travail à temps partiel suivant des horaires fixes, et que les trois travailleuses sont, par conséquent, présumées avoir travaillé à temps plein.

Il considère que « même si la présomption vaut jusqu’à la preuve contraire, les contrats de travail produits après le contrôle, et les comptes individuels ne suffisent pas à prouver le contraire. En effet, les contrats de travail ont pu être établis après le contrôle et antidatés. Quant aux déclarations de l’employeur au secrétariat social puis [au défendeur], elles peuvent être inexactes. Les trois travailleuses ont pu, comme l’expose [le défendeur], avoir été occupées au travail à temps plein et continuer à travailler après 9 heures, ou bien dans les grands magasins où elles ont été trouvées au travail avant 9 heures, ou bien en d’autres lieux, tout en n’étant déclarées que pour quelques heures de prestations par jour ». L’arrêt considère ainsi, de manière certaine, sans méconnaître ni les règles relatives à la charge de la preuve ni l’article 22ter précité, que la demanderesse ne prouve pas que les travailleuses concernées n’effectuaient pas des prestations de travail à temps plein dans le cadre d’un contrat de travail à temps plein.

En énonçant que les contrats de travail ont pu être établis après le contrôle et antidatés, l’arrêt ne donne pas de ceux-ci une interprétation inconciliable avec leurs termes et ne viole dès lors pas la foi qui leur est due. En n’y voyant pas une preuve de l’occupation à temps partiel des travailleuses, il ne refuse pas de donner à ces contrats les effets qu’ils ont légalement à l’égard des tiers et, partant, ne viole pas l’article 1165 du Code civil.

L’arrêt ne déclare pas que les éléments de preuve contraire avancés par la demanderesse sont des faux mais qu’ils n’offrent pas une vraisemblance suffisante pour renverser la présomption instituée par l’article 22ter précité. Il ne peut dès lors violer les règles relatives à la procédure d’inscription de faux. Enfin, l’arrêt, qui était tenu d’appliquer l’article 22ter précité, n’a pas élevé une contestation que les conclusions des parties excluaient en constatant que les éléments de preuve apportés par la demanderesse ne permettaient pas le renversement de la présomption légale.

Cass., S.10.0056.N, 7 februari 2011

RSZ-wet - deeltijdse arbeid – vermoeden van voltijdse arbeid – weerlegbaar karakter

Krachtens artikel 1352, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, ontslaat het wettelijk vermoeden degene in wiens voordeel het bestaat, van ieder bewijs. Krachtens artikel 1352, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, wordt geen bewijs tegen het wettelijk vermoeden toegelaten, wanneer de wet, op grond van dit vermoeden, bepaalde handelingen nietig verklaart of de rechtsvordering ontzegt, tenzij de wet het tegenbewijs heeft vrijgelaten.

Krachtens artikel 22ter, tweede lid, RSZ-wet, zoals vervangen bij artikel 8 van de Programmawet van 27 december 2004, worden behoudens in de door de sociale inspectiediensten vastgestelde gevallen van materiële onmogelijkheid om voltijdse arbeid te verrichten, bij ontstentenis van openbaarmaking van de normale werkroosters van de betrokken werknemers, de deeltijdse werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor arbeid als voltijds werknemer.

Die bepaling die de aard van het vermoeden niet kwalificeert, kan alleen zo worden gelezen dat het ingevoerde vermoeden dat door de deeltijdse werknemers voltijds arbeid werd verricht, wanneer geen normale werkroosters werden bekendgemaakt, niet geldt wanneer door de sociale inspectiediensten is vastgesteld dat het materieel onmogelijk is om voltijdse arbeid te verrichten.

Hieruit volgt dat, waar voormeld artikel 22ter, tweede lid, niet vermeldt dat het vermoeden onweerlegbaar is en de wet op grond van dit vermoeden geen bepaalde handeling nietig verklaart of een rechtsvordering ontzegt, dit wettelijk vermoeden als weerlegbaar moet worden beschouwd, ongeacht de bewoordingen van de memorie van toelichting bij het wetsontwerp, die aan deze wetsbepaling geen draagwijdte kan geven die met de wettekst zelf niet overeenstemt.

Cass., C.10.0520.N, 21 februari 2011

arbeidsongeval – subrogatie verzekeraar t.a.v derde aansprakelijke - omvang

Op grond van artikel 47 Arbeidsongevallenwet treedt de arbeidsongevallenverzekeraar die aan de getroffene of zijn rechthebbenden de wettelijk bepaalde vergoedingen heeft betaald, tot beloop van het betaalde bedrag in de rechten die de getroffene of zijn rechthebbenden hadden kunnen laten gelden tegen de aansprakelijke op grond van het gemene recht.

Dit houdt in dat de arbeidsongevallenverzekeraar die aan de getroffene de wettelijke vergoedingen heeft betaald wegens tijdelijke of blijvende, gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, van de aansprakelijke de betaling kan vorderen van het bedrag van die vergoedingen, met inbegrip van de daarop rustende lasten, tot beloop van de gemeenrechtelijke vergoeding die de getroffene had kunnen verkrijgen voor dezelfde schade. Die gemeenrechtelijke vergoeding mag alleen op basis van het brutoloon berekend worden indien de rechter vaststelt dat de lasten die erop zouden rusten, overeenstemmen met de lasten op het loon dat het slachtoffer ingevolge het ongeval heeft moeten derven.

Door op deze gronden aan de verweerster een vergoeding toe te kennen berekend op basis van het brutoloon, zonder vast te stellen dat de fiscale en sociale lasten op de gemeenrechtelijke vergoeding overeenstemmen met de lasten, niet op de arbeidsongevallenvergoeding, maar op het loon dat het slachtoffer ingevolge het ongeval heeft moeten derven, schenden de appelrechters de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen.

Cass., S.09.0089.F, 14 maart 2011

Werkloosheid – verboden arbeid – terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkeringen

Aux termes de l’article 169, alinéa 1er, de l’arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, toute somme perçue indûment doit être remboursée.

En vertu de l’article 7, § 13, alinéa 2, de l’arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, le droit de l’Office national de l’Emploi, en l’espèce le défendeur, d’ordonner la répétition des allocations de chômage payées indûment se prescrit par trois ans. Suivant l’article 7, § 13, alinéa 3, ce délai de prescription prend cours, en règle, le premier jour du trimestre civil suivant celui au cours duquel le paiement a été effectué.

Il résulte des articles 44 et 45, alinéa 1er, 1°, de l’arrêté royal, que, pour bénéficier des allocations de chômage, l’assuré social ne peut exercer pour son propre compte une activité qui peut être intégrée dans le courant des échanges économiques de biens et de services et qui n’est pas limitée à la gestion normale des biens propres.

Lorsque l’indu découle d’une activité exercée par l’assuré social en violation des articles 44 et 45, alinéa 1er, 1°, le droit du défendeur d’ordonner la répétition des allocations de chômage payées indûment n’est pas soumis à la condition que le défendeur constate les revenus produits par cette activité.

L’arrêt attaqué constate que, par un arrêt du 8 février 2006, la cour du travail a décidé que, du 1er septembre 2001 au 1er septembre 2002, le demandeur ne satisfaisait pas au prescrit des articles 44 et 45, alinéa 1er, 1°, et qu’il ne pouvait, dès lors, pas prétendre aux allocations de chômage pour cette période.

En considérant que la détention par le défendeur des avertissementsextraits de rôle relatifs aux revenus du demandeur pour les périodes concernées est une condition pour que la prescription commence à courir, l’arrêt ne justifie pas légalement sa décision que le droit du défendeur d’ordonner la répétition des allocations de chômage payées indûment n’était pas prescrit à la date du 27 juin 2006.

Cass., S.10.0067.F, 28 maart 2011

arbeidsongeval – plotselinge gebeurtenis – gewone dagtaak (uitvoering arbeidsovereenkomst)

Un accident du travail requiert notamment l'existence d'un événement soudain causant une lésion.

L'exercice habituel et normal de la tâche journalière peut être un événement soudain, à la condition que, dans cet exercice, puisse être décelé un élément qui a pu produire la lésion ; il n'est toutefois pas exigé que cet élément se distingue de l'exécution du contrat de travail.

Après avoir constaté que l’auteur des demanderesses a ressenti un malaise cardiaque après s’être fait intercepter fermement, menotter et mettre à genoux par les élèves de l’académie de police lors d’un exercice d’entraînement, l'arrêt attaqué décide que ce geste ne constitue pas un événement soudain aux motifs qu’ « il est acquis qu’il n’a été soumis à aucun stress particulier engendré par l’exécution du travail ni n’a fourni aucun effort particulier de nature professionnelle pouvant constituer le facteur déterminant ou un facteur co-déterminant de la lésion diagnostiquée ».

En refusant d'admettre que l'action de s’être fait intercepter fermement, menotter et mettre à genoux par les élèves de l’académie de police lors d’un exercice d’entraînement pouvait, à elle seule, constituer l'élément qui a pu produire la lésion, l'arrêt viole la disposition visée au moyen.

Cass., S.10.0147.F, 28 maart 2011

Arbeidsovereenkomst – verjaring

Publieke sector – bestuurshandeling met individuele strekking - ontslag

L’article 15, alinéa 1er, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail dispose que les actions naissant du contrat sont prescrites un an après la cessation de celui-ci ou cinq ans après le fait qui a donné naissance à l’action, sans que ce dernier délai puisse excéder un an après la cessation du contrat.

Aux termes de l’article L 1561-2, 4°, du Code wallon de la démocratie locale et de la décentralisation, afin de fournir au public une information claire et objective sur l’action de l’intercommunale, tout document par lequel une décision ou un acte de portée individuelle émanant d’un de ses services est notifié à un requérant indique les voies éventuelles de recours, les instances compétentes pour en connaître ainsi que les formes et délais à respecter, faute de quoi le délai de prescription pour introduire le recours ne prend pas cours.

Cette disposition, qui ne concerne que d’éventuelles voies de recours, n’impose pas, s’agissant d’une décision mettant fin à un contrat de travail, l’indication sur celle-ci de l’action ouverte au tribunal du travail et du délai de prescription de cette action.

L’arrêt constate, d’une part, que, par lettre du 9 mai 2006, la demanderesse a licencié le défendeur avec effet au 15 mai 2006, d’autre part, que celui-ci a introduit par une citation du 27 juillet 2007 une action en réintégration et, subsidiairement, en paiement d’une indemnité pour licenciement abusif et de dommages-intérêts réparant des fautes alléguées dans la procédure de licenciement.

En disant cette action non prescrite au motif que « la lettre de congé ne mentionne que les modalités relatives au recours interne devant le conseil d’administration » et non « l’existence d’un recours contre la décision de licenciement devant la juridiction du travail, la forme et le délai à respecter pour introduire ce recours », l’arrêt viole les dispositions légales précitées .

28 augustus 2010

Britse Supreme Court vraagt aan Hof van Justitie of magistraten werknemers zijn in de communautaire zin

door K. Nevens

Het oogt en klinkt niet echt Brits, maar sinds 1 oktober 2009 heeft ook het Verenigd Koninkrijk zijn Supreme Court. Dit opperste gerechtshof, dat de rechtsprekende taken van de House of Lords heeft overgenomen, werd opgericht door de Constitutional Reform Act 2005. Net zoals het Belgische Grondwettelijk Hof van tijd tot tijd zijn licht laat schijnen over aspecten van het sociaal recht, valt ook te verwachten dat het UK Supreme Court dit mettertijd meer en meer zal (moeten) doen.

In één van de eerste sociale zaken die aan het Britse hooggerechtshof werd voorgelegd (O’Brien v. Ministry of Justice), besliste zij meteen twee prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, kwestie van de Britse soevereiniteit nog even in de verf te zetten.

1) Moet het naar nationaal recht worden bepaald of rechters werknemers zijn in de zin van clausule 2.1 van de Raamovereenkomst betreffende deeltijdarbeid?

2) Zo ja, mag het nationaal recht wat betreft pensioenrechten, discrimineren tussen voltijdse en deeltijdse rechters, of tussen verschillende categorieën deeltijdse rechters?

Het Britse Hof moet immers uitspraak doen in een zaak waarbij een advocaat die jarenlang actief was als deeltijds magistraat, een pensioen eist à rato van het overheidspensioen waarop een voltijdse magistraat gerechtigd is.

In het tussenarrest van het Britse hooggerechtshof passeren heel wat arresten van het Hof van Justitie de revue, gaande van Martinez Sala en Allonby tot Jaeger, Pfeiffer, Wippel en Del Cerro Alonso. Toch blijft het hooggerechtshof op zijn honger zitten wat betreft de concrete betekenis van de uitdrukking “in accordance with national laws and/or practice” die in vele Europese richtlijnen gebruikt wordt om het werknemersbegrip te definiëren.

De discussie draait dus rond de vraag of het werknemersbegrip in de Raamovereenkomst enige gemeenschapsrechtelijke autonomie heeft, vergelijkbaar met de autonomie die daaraan wordt toegekend in het contentieux betreffende het vrij verkeer van werknemers, en dit tegen de achtergrond van het feit dat magistraten naar nationaal recht in de regel als ambtenaren of ‘office holders’ worden beschouwd.

14 mei 2010

De bepaling van de anciënniteit bij de berekening van de opzeggingstermijn: ook statutaire dienstperiodes tellen mee

GwH 12 mei 2010, nr. 54/2010

De prejduciële vraag

Schendt artikel 82, §§ 2 tot 4, van de Arbeidsovereenkomstenwet, in die zin geïnterpreteerd dat het alleen toestaat de periodes die zijn gepresteerd in het kader van een arbeidsovereenkomst, met uitsluiting van de periodes die daarvóór onder statuut zijn gepresteerd, in aanmerking te nemen voor de vaststelling van de anciënniteit met het oog op de berekening van de opzeggingstermijn van de werknemer, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de werknemer die gedurende een deel van zijn tewerkstelling onder statuut heeft gewerkt anders behandelt dan diegene die uitsluitend in het kader van een arbeidsovereenkomst heeft gewerkt, terwijl beiden tijdens hun hele tewerkstelling aan het gezag van de werkgever waren onderworpen ?

Het antwoord van het Hof

Met de regeling voor de berekening van de opzeggingstermijn voor bedienden in artikel 82 van de arbeidsovereenkomstenwet, in samenhang gelezen met artikel 131 ervan, beoogt de wetgever de gevolgen van de beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor de partijen bij die overeenkomst op te vangen. In geval van opzegging door de werkgever - zoals te dezen - moet de opzeggingstermijn het voor de betrokken werknemer mogelijk maken een aangepaste en evenwaardige betrekking te vinden, rekening houdend met zijn anciënniteit, zijn leeftijd, het belang van zijn functie en het bedrag van zijn loon.

Die maatregel is geïnspireerd op de wet van 7 augustus 1922 op het bediendencontract, waarvan de artikelen 12 tot 17 de opzeggingen en opzeggingstermijnen hebben geregeld; die artikelen, zoals wordt opgemerkt in de parlementaire voorbereiding van de wet van 3 juli 1978 (Parl. St. Senaat, 1977-1978, nr. 258/2, p. 12), preciseerden "de schadevergoeding die moet worden toegekend wanneer die termijnen niet worden in acht genomen. In tegenstelling tot de wet van 1900 worden de opzeggingstermijnen imperatief vastgesteld door de wet". Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 augustus 1922 heeft de Regering de opzeggingstermijnen als volgt becommentarieerd :
"Het wetsontwerp neemt zeer eenvoudige regels aan. Is het loon 250 frank of minder, dan bedraagt de opzeggingstermijn één maand; ligt het loon hoger dan die som, dan bedraagt de opzeggingstermijn drie maanden. Die termijn wordt gebracht op zes maanden, zonder onderscheid ten aanzien van de omvang van die wedden, wanneer het een klerk betreft die sinds minstens tien jaar in dienst is in hetzelfde huis. Het is gerechtvaardigd gebleken dat, na zovele jaren te kunnen hebben samenleven, iets meer geduld aan de dag wordt gelegd wanneer men uit elkaar gaat" (Hand. Senaat, 1921-1922, zitting van 15 maart 1922, p. 367).
In dezelfde zin is tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 11 maart 1954 tot wijziging en aanvulling van de wet van 7 augustus 1922 op het bediendencontract en tot wijziging van de wet van 16 december 1851 op de voorrechten en hypotheken, gewijzigd bij de besluitwet van 28 februari 1947 gepreciseerd :
"Anderzijds meent de Commissie dat de bedienden die lange jaren dienstprestaties in dezelfde onderneming geleverd hebben, om hun trouw aan deze laatste moeten worden beloond. Zulks kan geschieden door hiermede rekening te houden bij de vaststelling van de opzeggingstermijn" (Parl. St. Kamer, 1952-1953, nr. 287, p. 12).

Om de grondwettigheid van artikel 82, §§ 2 tot 4, van de wet van 3 juli 1978 te beoordelen in de interpretatie die de verwijzende rechter aan het Hof heeft voorgelegd, dient te worden nagegaan of het, ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen, redelijk is verantwoord de anciënniteit die een werknemer daarvóór als statutair personeelslid bij dezelfde werkgever heeft verworven, uit te sluiten van de berekening van diens opzeggingstermijn, terwijl voor de werknemer wiens anciënniteit uitsluitend in het kader van een arbeidsovereenkomst is verworven, integraal met die anciënniteit rekening wordt gehouden.

De verwijzende rechter heeft geoordeeld dat De Post en de Bank van De Post dezelfde werkgever zijn in de zin van artikel 82 van de wet van 3 juli 1978, zodat, voor het personeel dat betrokken is bij de voortzetting van de activiteiten tussen beide entiteiten, de bij De Post verworven anciënniteit moet worden nageleefd door de Bank van de Post. Het Hof dient niet de omstandigheden te onderzoeken waarin de geïntimideerde voor de verwijzende rechter ontslag heeft genomen uit haar statutaire betrekking bij De Post en een arbeidsovereenkomst met de nv Bank van De Post heeft gesloten. Ten slotte beperkt het Hof zijn onderzoek tot de aan de verwijzende rechter voorgelegde hypothese, namelijk de vraag van de inaanmerkingneming van een statutaire anciënniteit, verworven bij dezelfde werkgever, voor de vaststelling van de duur van de opzeggingstermijn, waarbij de opzegging door de werkgever is gegeven.

De specifieke kenmerken die het statuut ten opzichte van de arbeidsovereenkomst vertoont, kunnen naar gelang van het geval worden geanalyseerd als voordelen (dat is met name het geval voor de grotere vastheid van betrekking of de pensioenregeling, die voordeliger zijn), of als nadelen (zoals het veranderlijkheidsbeginsel, de discretie- en neutraliteitsplicht of de regeling inzake de cumulatie of de onverenigbaarheden). Die specifieke kenmerken dienen evenwel alleen in aanmerking te worden genomen in het licht van het onderwerp en de finaliteit van de in het geding zijnde bepaling : de ontslagen werknemer, door hem een toereikende opzeggingstermijn toe te kennen, in staat stellen een nieuwe aangepaste en evenwaardige betrekking te vinden, en daarbij rekening te houden met het aantal jaren dat hij in dienst van zijn voormalige werkgever is geweest. In dat opzicht blijkt niet dat de werknemer die zijn opzegging krijgt, zich in een verschillende situatie bevindt naargelang de bij zijn werkgever verworven anciënniteit al dan niet gedeeltelijk als statutair personeelslid is verworven : immers, in de veronderstelling dat de andere criteria die op het vlak van de opzegging relevant zijn (leeftijd, belang van de functie en bedrag van het loon), identiek zijn en dat de anciënniteit in de onderneming dezelfde is, blijkt niet dat een werknemer die die anciënniteit gedeeltelijk als statutair heeft verworven, over meer kansen beschikt om een nieuwe betrekking te vinden dan een werknemer die uitsluitend in het kader van een arbeidsovereenkomst is tewerkgesteld geweest; overigens wordt niet ingezien om welke reden de trouw van een werknemer aan dezelfde werkgever zou moeten worden beloond wanneer de diensten uitsluitend in het kader van een arbeidsovereenkomst zijn gepresteerd, maar dat niet zou moeten wanneer die diensten gedeeltelijk onder statuut zijn gepresteerd.

Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat artikel 82, §§ 2 tot 4, van de wet van 3 juli 1978, niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat het voor de vaststelling van de anciënniteit met het oog op de berekening van de opzeggingstermijn van de werknemer enkel toestaat periodes in aanmerking te nemen die zijn gepresteerd in het kader van een arbeidsovereenkomst, met uitsluiting van de periodes die daarvóór onder statuut zijn gepresteerd bij dezelfde werkgever.

Het Hof merkt evenwel, samen met de verwijzende rechter, op dat de in het geding zijnde bepaling anders kan worden geïnterpreteerd. Het kan immers worden aangenomen dat de wetgever, wanneer hij verwijst naar de periodes "in dienst bij dezelfde werkgever", niet heeft willen uitsluiten dat voor de berekening van de opzeggingstermijn van een werknemer de anciënniteit in aanmerking wordt genomen die hij daarvóór onder statuut heeft verworven.
In die interpretatie bestaat het aan het Hof voorgelegde verschil in behandeling niet en is het artikel 82, §§ 2 tot 4, niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

26 februari 2010

Gerechtskosten voor sociaal verzekerden: contractuelen en statutairen gelijk

GwH, nr. 18/2010, 25 februari 2010.


De prejudiciële vraag

Schendt artikel 1017, lid 2, Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zover het haar toepassing beperkt tot de overheid of de instelling, belast met het toepassen van de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen (579, 6°,) 580, 581 en 582, 1° en 2°, en niet uitbreidt tot de overheid of de instellingen belast met het toepassen van de gelijkaardige wetten en verordeningen inzake de sociale zekerheid van het overheidspersoneel ?

Het antwoord van het Hof

Artikel 1017 Ger.W. bepaalt :
"Tenzij bijzondere wetten anders bepalen, verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de
overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.
Behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is, wordt de overheid of de instelling, belast met het toepassen van de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen 579, 6°, 580, 581 en 582, 1° en 2°, ter zake van vorderingen ingesteld door of tegen de sociaal verzekerden persoonlijk, steeds in de kosten verwezen.
Met sociaal verzekerden worden bedoeld : de sociaal verzekerden in de zin van
artikel 2, 7°, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het ‘ Handvest ’
van de sociaal verzekerde.
De kosten kunnen worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, hetzij wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, hetzij over echtgenoten, bloedverwanten in de opgaande lijn, broeders en zusters of aanverwanten in dezelfde graad.
In een onderzoeksvonnis wordt de beslissing inzake kosten steeds aangehouden".
Uit de feiten van het geding, de motivering van de verwijzingsbeslissing en de bewoordingen van het geheel van de bepalingen bedoeld in artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van die wetsbepaling, in zoverre zij, door de verwijzing erin naar artikel 580, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, een verschil in behandeling invoert tussen twee categorieën van sociaal verzekerden : enerzijds, de werknemer die een rechtsvordering instelt tegen de overheid of de instelling belast met de toepassing van de wetten en verordeningen bedoeld in artikel 580, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en, anderzijds, het statutair personeelslid van het openbaar ambt dat een rechtsvordering instelt tegen de overheid of de instelling belast met de toepassing van de gelijksoortige wetten en verordeningen inzake de sociale zekerheid eigen aan dat type van personeel. Alleen de eerste heeft de waarborg dat hij, behoudens in geval van een roekeloze of tergende vordering, niet in de kosten zal worden veroordeeld.

Artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde oorspronkelijk in algemene termen dat ieder eindvonnis de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst, onverminderd de overeenkomst tussen partijen. De uitzondering daarop, vervat in de in het geding zijnde bepaling, werd ingevoerd bij artikel 15 van de wet van 24 juni 1970 tot wijziging van de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek en van sommige bepalingen betreffende de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken en de burgerlijke rechtspleging. In de parlementaire voorbereiding van die bepaling werd hieromtrent het volgende verklaard :

"Artikel 14 [thans 15] verhelpt een leemte die aan de opstellers van het Wetboek
en aan de wetgever was ontgaan. Naar luid van artikel 1017 van het
Gerechtelijk Wetboek wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten
verwezen. Deze regel heeft een algemene strekking. Daarop zijn echter
uitzonderingen mogelijk indien bijzondere wetten daarvan uitdrukkelijk afwijken.
Dit is het geval ter zake van arbeidsongevallen en beroepsziekten (zie de wet
van 20 maart 1948 tot aanvulling, wat betreft de kosten van rechtspleging, van
de gecoördineerde wetten op de arbeidsongevallen).
In de huidige stand van de wetgeving bestaan er echter gevallen waarin aan de uitkeringsgerechtigden kosteloze procedure wordt gewaarborgd, onder meer ter zake van de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit. De geneeskundige onderzoeken waaraan de verzekerden kunnen worden onderworpen, zijn voor de betrokkenen kosteloos.
Er bestaat geen enkele reden om die regel naar aanleiding van de instelling van de arbeidsgerechten te wijzigen. Het ontwerp heeft dus enkel tot doel
inzake sociale zekerheid te handhaven wat steeds werd aanvaard" (Parl. St., Senaat, 1969-1970, nr. 11, p. 8).
Daaruit blijkt dat de wetgever met de in het geding zijnde bepaling aanvankelijk heeft beoogd te vermijden dat partijen die vóór de overheveling van socialezekerheidsgeschillen naar de arbeidsgerechten een kosteloze procedure genoten, door die bevoegdheidsoverdracht in de kosten zouden kunnen worden verwezen wanneer ze in het ongelijk worden gesteld.

Vóór de overheveling van de socialezekerheidsgeschillen naar de arbeidsgerechten, genoten onder meer de slachtoffers van arbeidsongevallen van een kosteloze procedure, en dit krachtens de wet van 20 maart 1948 tot aanvulling wat betreft de kosten van rechtspleging van de samengeschakelde wetten op de arbeidsongevallen. Uit de parlementaire voorbereiding van die wet kan worden afgeleid dat de wetgever heeft willen voorkomen dat de slachtoffers van arbeidsongevallen ertoe zouden worden gebracht "een onvoldoende aanbod [van vergoeding] te aanvaarden uit vrees van gerechtskosten te dragen te hebben"(Parl. St., Senaat, 1946-1947, nr. 153, p. 2).

Dat de wetgever met de in het geding zijnde bepaling meer in het algemeen de toegang tot het gerecht van de sociaal verzekerde wiens sociale rechten in betwisting zijn, gemakkelijker heeft willen maken, wordt uitdrukkelijk bevestigd in de parlementaire voorbereiding van artikel 129 van de wet van 13 december 2006 houdende diverse bepalingen betreffende gezondheid, dat het tweede lid van artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek heeft vervangen, onder meer om te preciseren dat enkel sociaal verzekerden in de zin van artikel 2, eerste lid, 7°, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het handvest van de sociaal verzekerde zich op die bepaling kunnen beroepen. Tijdens de parlementaire voorbereiding werd hieromtrent het volgende verklaard :

"In toepassing van artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek zijn de instellingen van sociale zekerheid, behalve wanneer het geding tergend of roekeloos is, steeds gehouden tot betaling van de gerechtskosten, ter zake van vorderingen ingesteld door of tegen de gerechtigden. Aldus heeft de wetgever oorspronkelijk de sociaal verzekerden de toegang tot het gerecht zo gemakkelijk mogelijk willen maken. De domeinen waarin in de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen geschillen kunnen ontstaan hebben de laatste jaren een grote uitbreiding gekend en betreffen meer en meer diverse problemen die vreemd zijn aan de verzekerden stricto sensu. Andere partijen trachten met alle middelen de notie van gerechtigde uit te breiden om ook te kunnen genieten van de kosteloze procedure. De rechtspraak heeft wel aanvaard dat de notie gerechtigde strikt moet worden geïnterpreteerd maar is niet eenstemmig.
De voorgestelde wijziging heeft tot doel een einde te stellen aan de discussie of verzorgingsinstellingen en zorgverleners kunnen worden beschouwd als gerechtigden in de zin van artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Het beroep op de notie sociaal verzekerde beantwoordt aan de oorspronkelijke wil van de wetgever de kosteloosheid van de procedure te waarborgen voor de sociaal verzekerden wiens sociale rechten in betwisting zijn"(Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2594/001, pp. 62-63).

Volgens artikel 2, eerste lid, 7°, van de wet van 11 april 1995 dient onder sociaal verzekerden te worden verstaan : "de natuurlijke personen die recht hebben op sociale prestaties, er aanspraak op maken of er aanspraak op kunnen maken, hun wettelijke vertegenwoordigers en hun gemachtigden".

Met sociale prestaties worden prestaties van sociale zekerheid bedoeld, zoals opgesomd in artikel 2, eerste lid, 1°, van de wet van 11 april 1995.
Dat artikel bepaalt :

"Voor de uitvoering en de toepassing van deze wet en van haar uitvoeringsmaatregelen wordt verstaan onder :
1° ‘ sociale zekerheid ’ :
a) alle regelingen opgesomd in artikel 21 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, alsmede die van de sociale zekerheid voor de zeelieden ter koopvaardij en voor de mijnwerkers;
b) alle regelingen bedoeld onder a) waarvan de toepassing is uitgebreid tot de personen tewerkgesteld in de openbare sector, en de regelingen van de openbare sector die een gelijkwaardige functie vervullen als de regelingen bedoeld onder a); […]".


Uit het voorgaande volgt dat de regelingen van de openbare sector die een gelijkwaardige functie vervullen als de socialezekerheidsregelingen die gelden voor werknemers (artikel 21 van de wet van 29 juni 1981), dienen te worden beschouwd als behorend tot de sociale zekerheid, en dat de personen die recht hebben op die prestaties van sociale zekerheid dienen te worden beschouwd als sociaal verzekerden in de zin van artikel 2, eerste lid, 7°, van de wet van 11 april 1995.

In zoverre de in het geding zijnde bepaling van toepassing is in geschillen tussen sociaal verzekerden en de overheid of de instelling die belast is met de toepassing van de wetten en de verordeningen betreffende de sociale zekerheid van werknemers bedoeld in artikel 580, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, maar niet in geschillen tussen sociaal verzekerden en de overheid of de instelling die belast is met de toepassing van de gelijksoortige wetten en verordeningen betreffende de sociale zekerheid van het statutair overheidspersoneel, roept die bepaling een verschil in behandeling in het leven tussen twee categorieën van sociaal verzekerden, dat ten aanzien van het met de in het geding zijnde bepaling nagestreefde doel - meer bepaald het vereenvoudigen van de toegang tot het gerecht voor sociaal verzekerden wier rechten in betwisting zijn -, niet redelijk is verantwoord. Het risico te worden verwezen in de kosten van het geding, vormt voor de statutaire leden van het overheidspersoneel wier sociale rechten worden betwist, immers evenzeer als voor werknemers een beperking van de toegang tot het gerecht.

In zoverre de in het geding zijnde bepaling niet erin voorziet dat, behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is, de overheid of de instelling belast met het toepassen van de wetten en de verordeningen betreffende de sociale zekerheid van het statutair personeel van de openbare sector die gelijkwaardig zijn met de in artikel 580, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde wetten en verordeningen betreffende de sociale zekerheid van werknemers, ter zake van vorderingen ingesteld door de sociaal verzekerden, steeds in de kosten wordt verwezen, is ze niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Nu die leemte zich bevindt in de aan het Hof voorgelegde tekst, komt het de verwijzende rechter toe een einde te maken aan de door het Hof vastgestelde ongrondwettigheid, vermits die vaststelling is uitgedrukt in voldoende precieze en volledige bewoordingen om toe te laten dat de in het geding zijnde bepaling wordt toegepast met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

05 januari 2010

Bibberen op het werk

door K. Nevens

1. "Ambtenaren in de kou", het was een rubriek in het avondnieuws van VTM. Het gaat meer bepaald om een aantal ambtenaren van de FOD Financiën die gehuisvest zijn in één welbepaald gebouw in Brussel. "Het personeel klaagt dat het niet gezond is om de hele dag in de kou voor de pc stil te zitten", aldus de VTM-nieuwsredactie. Toen ik het hoorde, dacht ik: het is maar tot 16u. Toen verdrong ik die kwajongensgedachte en herinnerde ik mij de volgende informatie over de "thermische (werk)omgeving" en "koude temperaturen op het werk", die op de website van de FOD WASO is te vinden, en uiteraard is gebaseerd op het ARAB (het nieuwe KB over de thermische omgeving, dat onderdeel zal uitmaken van de Codex Welzijn op het Werk, is er nog niet).

Op de website van de FOD WASO vind je de volgende tabel met temperatuurminima en -maxima in gesloten lokalen:
- zeer licht werk (ongeveer 90 kcal/uur): 20°C 30°C
- licht werk (ongeveer 150 kcal/uur): 18°C 30°C
- halfzwaar werk (ongeveer 250 kcal/uur): 15°C 26,7°C
- zwaar werk (ongeveer 350 kcal/uur): 12°C 25°C

2. In Zelzate mocht de griffie van het Vredegerecht trouwens ook effectief het werk staken (cf. De Morgen 5 januari 2010). De temperatuur in de werklokalen bedroeg er slechts 10°C. Het Laatste Nieuws kwalificeert dit nieuws trouwens als "bizar". Allicht vind de redactie van HLN het vooral bizar dat de verwarming in het vredegerecht niet werkt (geen wc-papier in de rechtbank van Brugge, geen verwarming in het vredegerecht van Zelzate,...: u ziet de teneur), want als werkgever het werk doen staken bij te koude temperaturen is verplicht en niet bizar. Voor wie eraan zou twijfelen, de Welzijnswet is ook van toepassing in de publieke sector (zie hieromtrent K. Reyniers, "Enkele knelpunten bij de implementatie en toepassing van de welzijnsregelementering in de publieke sector", TSR 2006, 491-546).

27 november 2009

GwH over de subrogatievordering van de arbeidsongevallenverzekeraar in de publieke sector tegen de derde aansprakelijke bij een verkeersongeval


GwH, nr. 190/09, 26 november 2009

De prejudiciële vraag

Schendt artikel 14bis, § 3, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het de arbeidsongevallenverzekeraars van de in artikel 1 van die wet bedoelde rechtspersonen of instellingen, alsook van diegenen die in artikel 1bis bedoelde personeelscategorieën tewerkstellen niet toelaat om op dezelfde wijze als het slachtoffer of zijn rechthebbende een rechtsvordering te kunnen instellen tegen de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de gebruiker van het motorvoertuig en tegen het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds (bedoeld in artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen) en deze arbeidsongevallenverzekeraars niet vervangen worden in de rechten die het slachtoffer of zijn rechthebbenden bij niet-vergoeding overeenkomstig artikel 14bis, § 1, van voormelde wet van 3 juli 1967]hadden kunnen uitoefenen krachtens artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, terwijl de arbeidsongevallenverzekeraar in de privésector krachtens artikel 48ter van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 wel een rechtsvordering kan stellen tegen de verzekeringsonderneming die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, bestuurder of van de houder van het motorvoertuig of tegen het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds (bedoeld in artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen) krachtens artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorvoertuigen ?

Het antwoord van het Hof

Uit artikel 48ter van de wet van 10 april 1971 volgt dat de arbeidsongevallenverzekeraar van een privéwerkgever wordt gesubrogeerd in de rechten die het slachtoffer van een arbeidsongeval of zijn rechthebbenden, bij niet-vergoeding overeenkomstig de arbeidsongevallenregeling, hadden kunnen uitoefenen krachtens artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, en dat hij de door hem gedane uitkeringen en de ermee overeenstemmende kapitalen kan verhalen op de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de gebruiker van het desbetreffende motorrijtuig.

Volgens de in het geding zijnde bepaling worden enkel « de in artikel 1 bedoelde rechtspersonen of instellingen alsook degenen die de in artikel 1bis bedoelde personeelscategorieën tewerkstellen » gesubrogeerd in de rechten die het slachtoffer van een arbeidsongeval of zijn rechthebbenden, bij niet-vergoeding overeenkomstig de arbeidsongevallenregeling, hadden kunnen uitoefenen krachtens artikel 29bis van de wet van 21 november 1989. De « in artikel 1 bedoelde rechtspersonen of instellingen alsook degenen die de in artikel 1bis bedoelde personeelscategorieën tewerkstellen » betreffen de tewerkstellende overheidsbesturen die onder de toepassing vallen van de wet van 3 juli 1967. Vermits de in het geding zijnde bepaling geen melding maakt van de arbeidsongevallenverzekeraar van de overheid, komt de desbetreffende subrogatoire vordering niet toe aan die verzekeraar. Aldus roept die bepaling een verschil in behandeling in het leven tussen arbeidsongevallenverzekeraars, naargelang zij een privéwerkgever dan wel een publieke werkgever verzekeren.

De regeling van de arbeidsongevallen in de overheidssector heeft eigen kenmerken. Zo heeft het slachtoffer van een arbeidsongeval in het stelsel van de wet van 3 juli 1967 als schuldenaar de overheid die hem tewerkstelde op het ogenblik van het ongeval. Die overheid kan zich verzekeren om dat risico te dekken, maar zelfs in dat geval heeft het slachtoffer geen rechtstreekse vordering op de arbeidsongevallenverzekeraar van de overheid waarvan hij afhangt. Dat de overheid de schuldenaar van de arbeidsongevallenvergoedingen is, blijkt niet alleen uit artikel 14bis, § 1, maar ook uit artikel 16 van de wet van 3 juli 1967, dat, sinds de vervanging ervan bij artikel 17 van de wet van 17 mei 2007 tot wijziging van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector en van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, bepaalt :
« De renten, bijslagen en vergoedingen toegekend aan de personeelsleden van de besturen, diensten of instellingen vermeld in artikel 1, 1°, 3° tot 7° en 10°, alsook aan de in artikel 1bis, 1° en 2°, bedoelde personen vallen ten laste van de Schatkist. Dit geldt eveneens voor de procedurekosten, behalve wanneer het gaat om een tergende en roekeloze eis.
De rechtspersonen vermeld in artikel 1, 2°, 8° en 9°, de korpsen van de lokale politie vermeld in artikel 1, 11°, alsook de instellingen vermeld in artikel 1bis, 3°, dragen de last van de renten, bijslagen en vergoedingen, toegekend aan hun personeelsleden met toepassing van deze wet. Dit geldt eveneens voor de procedurekosten, behalve wanneer het gaat om een tergende en roekeloze eis. De Koning legt daartoe, indien nodig, de verplichting op een verzekering aan te gaan. In dat geval kunnen zowel het slachtoffer als de herverzekeraar geen rechtsvordering tegen elkaar instellen ».

In tegenstelling tot de overheid is de arbeidsongevallenverzekeraar niet de schuldenaar van het slachtoffer van een arbeidsongeval in de overheidssector. Tussen het slachtoffer en de arbeidsongevallenverzekeraar bestaat geen rechtstreekse rechtsverhouding, terwijl zulks wel het geval is tussen het slachtoffer en de overheid die hem tewerkstelt.

In de voor de privésector geldende arbeidsongevallenregeling, vervat in de wet van 10 april 1971, is de werkgever verplicht een arbeidsongevallenverzekering aan te gaan bij een verzekeringsonderneming die aan bepaalde voorwaarden voldoet (artikel 49) en heeft het slachtoffer van een arbeidsongeval in beginsel die verzekeringsonderneming als schuldenaar (artikelen 46, § 2, en 73). In tegenstelling tot het in de overheidssector tewerkgesteld personeelslid, heeft het in de privésector tewerkgesteld personeelslid bijgevolg een rechtstreekse vordering op de arbeidsongevallenverzekeraar van zijn werkgever.

Een door de overheid gesloten arbeidsongevallenverzekering is een verzekering tot vergoeding van schade, in de zin van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst. Op grond van artikel 41 van die wet, wordt de verzekeraar door de betaling aan de verzekerde, te dezen het overheidsbestuur, gesubrogeerd in diens verhaalsrechten tegen de aansprakelijke derde, maar niet in diens verhaalsrechten tegen degene die gehouden is op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989.

Vermits het overheidsbestuur, op grond van artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967, wordt gesubrogeerd in de rechten van het slachtoffer ten aanzien van de verantwoordelijke voor het ongeval, wordt de arbeidsongevallenverzekeraar van het overheidsbestuur, ofschoon er tussen hem en het slachtoffer geen rechtstreekse rechtsverhouding bestaat, gesubrogeerd in de rechten van het slachtoffer of diens rechthebbenden ten aanzien van de derde die aansprakelijk is voor het ongeval.

Daaruit volgt dat het verschil in rechtspositie van beide categorieën van arbeidsongevallenverzekeraars het in het geding zijnde verschil in behandeling niet kan verantwoorden. Ermee rekening houdend dat de in artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 vervatte regeling is gebaseerd op de gedachte dat de erin bedoelde schade van zwakke weggebruikers moet worden toegerekend aan de collectiviteit van diegenen die, door het in het verkeer brengen van een motorrijtuig, bijdragen tot het verhoogde verkeersrisico, is het niet redelijk verantwoord dat de arbeidsongevallenverzekeraar van een publieke werkgever, in tegenstelling tot de arbeidsongevallenverzekeraar van een privéwerkgever, niet automatisch wordt gesubrogeerd in de rechten die het slachtoffer of zijn rechthebbenden hadden kunnen uitoefenen krachtens artikel 29bis van de wet van 21 november 1989.

In zoverre de in het geding zijnde bepaling niet erin voorziet dat de arbeidsongevallenverzekeraar van de in artikel 1 van de wet van 3 juli 1967 bedoelde rechtspersonen of instellingen, alsook van degenen die de in artikel 1bis bedoelde personeelscategorieën tewerkstellen, wordt gesubrogeerd in de rechten die het slachtoffer of zijn rechthebbenden bij niet-vergoeding overeenkomstig artikel 14bis, § 1, van de wet van 3 juli 1967 hadden kunnen uitoefenen krachtens artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 en evenmin dat die arbeidsongevallenverzekeraar wordt toegelaten om op dezelfde wijze als het slachtoffer of zijn rechthebbenden een rechtsvordering in te stellen tegen de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de houder van het motorrijtuig of tegen het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds, tot beloop van de gedane uitkeringen en de ermee overeenstemmende kapitalen, is zij niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Nu die leemte zich bevindt in de aan het Hof voorgelegde tekst, komt het de verwijzende rechter toe een einde te maken aan de door het Hof vastgestelde ongrondwettigheid, vermits die vaststelling is uitgedrukt in voldoende precieze en volledige bewoordingen om toe te laten dat de in het geding zijnde bepaling wordt toegepast met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

31 juli 2009

Cassatierechtspraak in sociale zaken: juni 2009

Cass. S.08.0142.N, 8 juni 2009

Geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk – Ontslagverbod – Noodzaak van een voldoende gemotiveerde klacht

Krachtens artikel 32tredecies, §1, 1°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, mag de werkgever, behalve om redenen die vreemd zijn aan de klacht, de arbeidsverhouding niet beëindigen met de werknemer die op het vlak van de onderneming of instelling die hem tewerkstelt, overeenkomstig de vigerende procedures een met redenen omklede klacht heeft ingediend. Ook voor de inwerkingtreding van artikel 27 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 betreffende de voorkoming van de psychosociale belasting veroorzaakt door het werk, waaronder geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, diende de voormelde met redenen omklede klacht van de werknemer voldoende duidelijk de omschrijving te geven van de als geweld, pesterij of seksueel gedrag ingeroepen feiten, met vermelding van de identiteit van de aangeklaagde dader en van het ogenblik en de plaats waar deze feiten zich hebben voorgedaan.
Deze toen reeds bestaande verplichting tot duidelijke omschrijving van de ingeroepen feiten wordt verantwoord door de omstandigheid dat overeenkomstig artikel 32tredecies, §2, van de voormelde wet, de bewijslast van de in paragraaf 1 van dit artikel bedoelde redenen die vreemd zijn aan de klacht van de werknemer, bij de werkgever berust.

De appelrechters oordelen dat:
- de voormelde aangetekende brief bij gebreke van afdoende motivering niet kan worden aangezien als een met redenen omklede klacht, zoals bedoeld in voormeld artikel 32tredecies, §1, 1°, omdat in die brief zelf niet de elementen kunnen worden teruggevonden die het de preventieadviseur mogelijk moeten maken zich een beeld te vormen omtrent de feiten die door de klager als pestgedrag werden ervaren en die het hem ook mogelijk moet maken de werkgever in te lichten en hem passende maatregelen voor te stellen om hieraan te verhelpen;
- de verwijzing in de brief naar de niet bijgevoegde opmerkingen bij het evaluatieformulier hieraan niet kan verhelpen;
- ten overvloede, de zeer uitvoerige opmerkingen van de eiser op zijn evaluatieverslag evenmin verduidelijken wat hij precies als pestgedrag heeft ervaren en wenst aan te klagen.

Op grond hiervan vermochten de appelrechters te oordelen dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door verweerder, met opzegging op 25 juni 2003 en met onmiddellijke ingang op 30 juni 2003, met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding, niet in strijd was met voormeld artikel 32tredecies, §1, 1°, van de Wet Welzijn Werknemer en de vordering tot veroordeling tot betaling van de "forfaitaire vergoeding ontslagbescherming na klacht wegens pesten" af te wijzen.

Cass. C.08.0568.N, 8 juni 2009

Arbeidsovereenkomst – Aansprakelijkheid werknemer – Eigen fout van de werknemer

Krachtens artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet, is de werknemer in geval hij bij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst de werkgever of derden schade berokkent, enkel aansprakelijk voor zijn bedrog of zijn zware schuld. Voor lichte schuld is hij enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt. Deze bepaling beperkt de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de werknemer wanneer hij bij de uitvoering van zijn arbeid schade berokkent aan zijn werkgever of aan derden. Zij is niet van toepassing ingeval een werknemer zichzelf schade berokkent.

Wanneer de schade veroorzaakt is door samenlopende fouten, waaronder deze van de getroffene, mag degene die de schade heeft veroorzaakt niet tot de volledige vergoeding van de schade ten aanzien van de getroffene worden veroordeeld. Voor het bepalen van de desgevallend gedeelde aansprakelijkheid van een derde voor de schade geleden door een werknemer, dient derhalve de fout van die werknemer in aanmerking te worden genomen.

Cass. S.08.0130.F, 15 juni 2009

Conventioneel brugpensioen - Inhouding

L'article 1er, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal n° 33 du 30 mars 1982 relatif à une retenue sur des indemnités d'invalidité et des prépensions dispose qu'une retenue de 3,5 p.c. est effectuée sur la prépension conventionnelle, dont la première partie vaut allocation de chômage et dont l'indemnité complémentaire est payée soit par l'employeur, soit par le fonds de sécurité d'existence dont relève l'employeur, soit par le Fonds d'indemnisation des travailleurs licenciés en cas de fermeture d'entreprises.
Cette indemnité complémentaire est l'indemnité visée par la convention collective de travail n° 17 conclue le 19 décembre 1974 au sein du Conseil national du travail instituant un régime d'indemnité complémentaire pour certains travailleurs âgés, en cas de licenciement, rendue obligatoire par l'arrêté royal du 16 janvier 1975, ou l'indemnité visée soit dans une convention collective de travail, soit dans un accord collectif approuvé par le ministre de l'Emploi et du Travail, pour autant qu'ils accordent des avantages au moins équivalents à ceux prévus par la convention collective de travail n° 17.
Après avoir constaté que l'indemnité complémentaire allouée au défendeur a été déterminée sur la base de la convention collective n°17, d'une convention collective de travail d'entreprise plus avantageuse, ainsi que d'une convention individuelle encore plus avantageuse pour le défendeur que les deux premières conventions, l'arrêt considère que les avantages octroyés par la convention collective d'entreprise, qui devraient en principe être inclus dans l'assiette servant de calcul pour les retenues, sont « aspirés » par l'accord individuel encore plus avantageux conclu entre le défendeur et son employeur.
En décidant, par ces motifs, que les avantages octroyés au défendeur par cette convention collective d'entreprise ne sont pas soumis à la retenue visée par l'article 1er, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal n° 33 du 30 mars 1982 précité, l'arrêt viole cette disposition.

Cass. P.08.1773.N, 30 juni 2009

Arbeidsongevallen – Publieke sector – Uitbetaling rente door (overheids)werkgever – Terugvordering van aansprakelijke derde

Het middel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, artikel 14, § 3, eerste lid, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel en artikel 41 Wet Landverzekeringsovereenkomst: de arbeidsongevallenrenten die de overheidswerkgever wegens de blijvende arbeidsongeschiktheid van een personeelslid moet betalen, kunnen als een eigen schade van die werkgever verhaald worden op de aansprakelijke derde op grond van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, daar uit geen enkele bepaling van de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel volgt dat die arbeidsongevallenrenten definitief ten laste moeten blijven van de overheidswerkgever in wiens rechten de eiseres is getreden.
Krachtens de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, is degene die door zijn schuld aan een ander schade berokkent, verplicht deze schade integraal te vergoeden. Dit impliceert dat de benadeelde teruggeplaatst wordt in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien die daad waarover hij zich beklaagt, niet was gesteld.
Krachtens artikel 14, § 2, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel, zijn de in artikel 1 bedoelde personen of instellingen verplicht de vergoedingen en renten die voortvloeien uit deze wet, te betalen. Krachtens artikel 14, § 3, eerste lid, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel, brengt de toepassing van het bepaalde in deze wet van rechtswege mee dat de hierboven bedoelde rechtspersonen of instellingen die de last van de rente dragen, in alle rechten, vorderingen en rechtsmiddelen treden welke het slachtoffer of zijn rechthebbenden overeenkomstig § 1 konden doen gelden tegen de persoon die verantwoordelijk is voor het arbeidsongeval of de beroepsziekte, en dit tot het bedrag van de renten en vergoedingen door deze wet bepaald en van het bedrag gelijk aan het kapitaal dat die renten vertegenwoordigt. Wanneer de overheid als werkgever wettelijk of reglementair verplicht is om zijn personeelslid een rente uit te keren wegens een blijvende arbeidsongeschiktheid te wijten aan de fout van een derde, dan is de betaling van die rente of het kapitaal dat daartoe is gevestigd, voor de schuldenaar van de rente geen scha-de in de zin van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek.

Cassatierechtspraak in sociale zaken: april en mei 2009

Cass. S.08.0002.F, 6 april 2009

Arbeidsongevallen – Publieke sector - Toepassingsgebied

Aux termes de l'article 2bis, alinéa 1er, de la loi du 3 juillet 1967 sur la prévention ou la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public, lorsque l'autorité désignée par le Roi pour recevoir les déclarations d'accident refuse de prendre en charge le cas d'un membre du personnel qui n'a pas la qualité d'agent définitif, ou qu'elle estime qu'il existe un doute quant à l'application de la loi à l'accident de ce membre du personnel, elle prévient, dans les trente jours de la réception de la déclaration, la victime ou son ayant droit et l'organisme assureur auquel la victime est affiliée ou auprès duquel elle est inscrite conformément à la législation sur l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité.

Cette disposition, qui impose à l'autorité d'avertir l'organisme assureur notamment en cas de refus, quel qu'en soit le motif, de prendre un cas en charge, est applicable aussi bien lorsque l'autorité est avertie de la survenance de l'accident que lorsqu'elle est informée de l'existence, après la reprise du travail, d'une nouvelle incapacité de travail que le travailleur attribue à l'accident. Partant, l'arrêt, qui décide que la demande de la demanderesse d'obtenir de la défenderesse le remboursement des indemnités versées au membre du personnel n'est pas fondée, au motif que la défenderesse n'a l'obligation d'avertir l'organisme assureur que dans « l'hypothèse où elle reçoit la déclaration d'accident du travail », viole l'article 2bis précité.

Cass. S.08.0080.N, 4 mei 2009

Kinderbijslag werknemers – Bijslagtrekkende – Aanduiding door arbeidsrechtbank

Krachtens artikel 69, §1, derde lid, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, hierna Kinderbijslagwet Werknemers, wordt de kinderbijslag integraal aan de moeder uitbetaald, wanneer de twee ouders die niet samenwonen het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen in de zin van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek en het kind niet uitsluitend of hoofdzakelijk door een andere bijslagtrekkende wordt opgevoed. Toch wordt de kinderbijslag op zijn vraag integraal aan de vader uitbetaald, wanneer het kind en hijzelf dezelfde hoofdverblijfplaats hebben in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. Op verzoek van de beide ouders kan de uitbetaling gebeuren op een rekening waartoe zij beide toegang hebben. Wanneer de ouders niet overeenkomen over de toekenning van de kinderbijslag, kunnen zij de arbeidsrechtbank vragen om de bijslagtrekkende aan te duiden en dit in het belang van het kind.
Hieruit volgt dat elk van de beide ouders, wanneer zij niet overeenkomen met betrekking tot de verschillende hypothesen van het derde lid van voormeld artikel 69, §1, zich tot de arbeidsrechtbank kunnen wenden om de bijslagtrekkende te doen aanduiden in het belang van het kind. De arbeidsrechtbank beschikt bij deze aanduiding van de bijslagtrekkende over een beoordelingsbevoegdheid die haar toelaat, in het belang van het kind, de andere ouder aan te duiden dan diegene die uit de loutere toepassing van de voormelde wetsbepaling zou volgen.

Cass. S.07.0112.F, 11 mei 2009

Beroepsziekte – Tijdelijke of definitieve stopzetting van het werk – Recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering –Zwangerschap

Aux termes de l'article 37, § 1er, alinéa 1er, des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, sur avis du médecin désigné par le Roi, le Fonds peut, s'il le juge nécessaire, proposer à toute personne atteinte ou menacée par une maladie professionnelle de s'abstenir soit temporairement, soit définitivement, de toute activité qui puisse l'exposer encore aux risques de cette maladie et de cesser soit temporairement, soit définitivement, l'activité qu'elle exerce.
L'article 37, § 2, dans sa version applicable au litige, dispose, à l'alinéa 1er, que la personne qui accepte la proposition de cessation temporaire a droit aux indemnités d'incapacité temporaire totale de travail pendant la période de cessation temporaire qui peut débuter au plus tôt trois cent soixante-cinq jours avant la date de la demande ; il précise, à l'alinéa 2, que lorsqu'il s'agit de travailleuses enceintes, le droit aux allocations est limité à la période s'écoulant entre le début de la grossesse et le début des sept semaines préalables à la date présumée de l'accouchement.
Suivant l'article 1er de l'arrêté royal du 9 mars 1965 fixant les règles à suivre lors de la proposition de cessation du travail à faire aux personnes atteintes ou menacées par une maladie professionnelle, toute personne atteinte ou menacée par une maladie professionnelle, ou son mandataire, peut demander au Fonds des maladies professionnelles le bénéfice de l'article 37 précité ; après consultation de l'intéressé, la requête peut être introduite par les médecins-inspecteurs du travail chargés de la surveillance de l'application des dispositions légales et réglementaires relatives à la sécurité et à l'hygiène du travail ; les requêtes sont introduites par écrit et accompagnées d'un certificat médical.

En vertu de ces dispositions, lorsqu'une demande de cessation temporaire des activités est introduite alors que la travailleuse est enceinte, la grossesse a pour conséquence de limiter le droit aux allocations durant celle-ci à la période s'écoulant entre son début et le début des sept semaines qui précèdent la date présumée de l'accouchement. Par contre, il ne se déduit d'aucune des dispositions invoquées par le moyen que cette demande ne peut, à défaut d'avoir été renouvelée après l'accouchement, entraîner le paiement des indemnités d'incapacité temporaire totale de travail au-delà de la période précitée.


Cass. S.08.0095.F, 11 mei 2009

Zelfstandige – Ziekte en invaliditeit – Beoordeling invaliditeit – Tijdstip – Geen retroactieve werking

En vertu de l'article 7, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants, la période d'invalidité prend cours lorsque la période d'incapacité primaire indemnisable est révolue.
L'article 62 du même arrêté prévoit que les décisions au sujet de l'incapacité de travail au cours de la période d'invalidité sont régies par les dispositions qui concernent la même matière dans le régime des indemnités organisé par la loi du 9 août 1963 et notamment par les articles 51 et 52 de ladite loi et par le chapitre III de l'arrêté royal du 4 novembre 1963.
En vertu de l'article 94, alinéa 1er, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, le conseil médical de l'invalidité constate, sur la base d'un rapport établi par le médecin-conseil de l'organisme assureur, l'état d'invalidité et en fixe la durée.
Aux termes de l'article 95, alinéa 1er, de cette loi, le Roi fixe des indemnités relatives à la reconnaissance et à la prolongation de l'état d'invalidité.
En exécution de cette disposition légale, l'article 177, § 1er, 1°, alinéa 2, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 prévoit que les décisions du conseil médical de l'invalidité sur la reconnaissance d'invalidité sont prises, au vu du rapport du médecin-conseil, dans les quatre dernières semaines de la période d'incapacité primaire.
En son paragraphe 2, alinéa 2, cet article dispose que les rapports visés notamment au paragraphe 1er, 1°, doivent parvenir à la commission supérieure du conseil médical au plus tard quatre semaines avant la date limite à laquelle la décision, sur la base de ces rapports, doit intervenir.
La décision sur la reconnaissance de l'état d'invalidité devant être prise avant le début de la période de l'invalidité, il est inconciliable avec ladite réglementation que la reconnaissance soit refusée avec effet rétroactif après l'expiration de la période d'incapacité de travail primaire.
La décision du conseil médical de l'invalidité prise en violation desdites dispositions ne peut, dès lors, avoir pour effet que l'état d'invalidité ne soit pas reconnu pour la période précédant la décision.

Cass. S.08.0216.F, 11 mei 2009

Gehandicapten – Integratie-uitkering –Tussenkomst in kosten – Gedekte kosten

L'article 29 de l'arrêté du collège de la Commission communautaire française du 25 février 2000 relatif aux dispositions individuelles d'intégration sociale et professionnelle des personnes handicapées mises en œuvre par le service bruxellois francophone des personnes handicapées dispose que, dans les limites budgétaires, une intervention peut être accordée aux personnes handicapées dans le coût d'aides individuelles à l'intégration dans les cas et aux conditions prévues à l'annexe 1. L'article 5.1, g), de cette annexe prévoit que les accessoires de voiturette ne sont accordés que s'ils ne sont pas codifiés et qu'ils consistent à servir soit en tant qu'éclairage, porte-appareil indispensable à la personne (canne, respirateur, ...), fixation-taxi ou en tant que chauffage pour les mains. En vertu de l'article 29bis, alinéa 1er, du même arrêté, pour les cas non prévus à l'annexe 1 et dans les limites budgétaires, l'équipe pluridisciplinaire est compétente pour déterminer si l'intervention demandée répond aux conditions générales du décret du 4 mars 1999 de l'assemblée de la Commission communautaire française et de l'arrêté et si elle est nécessaire et indispensable à l'intégration sociale et professionnelle. Contrairement à ce que soutient la demanderesse, les cas non prévus à l'annexe 1, visés à l'article 29bis, alinéa 1er, de l'arrêté précité, ne se limitent pas à ceux où l'intervention n'a pas été envisagée au moment de l'élaboration de cette annexe parce que l'équipement concerné n'était pas connu de l'administration mais ils comprennent tous les accessoires de voiturette qui ne sont pas énumérés à l'article 5.1, g), de ladite annexe 1.
L'arrêt, qui constate que les accessoires litigieux ne sont pas repris à l'article 5.1, g), de l'annexe 1 de l'arrêté du 25 février 2000, ne viole aucune des dispositions légales visées au moyen en appliquant, pour dire la demande fondée, l'article 29bis de cet arrêté.

Cass. S.08.0082.F, 25 mei 2009

Arbeidsrelatie – Kwalificatie – Elementen die wijzen op een arbeidsovereenkomst

Lorsque les éléments soumis à son appréciation permettent d'exclure la qualification donnée par les parties à la convention qu'elles ont conclue, le juge du fond peut y substituer une qualification différente. Pour écarter la qualification de contrat d'entreprise que la demanderesse et la défenderesse ont donnée à leur convention et retenir l'existence d'un lien de subordination, l'arrêt se fonde sur la manière dont le contrat a été exécuté et, en particulier, sur les éléments de fait suivants : 1°) l'exercice par la demanderesse du pouvoir de donner des ordres à la défenderesse en ce qui concerne les horaires des prestations, spécialement celles du samedi en vue d'assurer les permanences, la rédaction d'un compte rendu précis des tâches et du temps imparti quotidiennement à leur réalisation, la production d'un certificat médical lors d'une incapacité de travail, l'assistance obligatoire à des formations et, en cas d'impossibilité d'y être présente, l'obtention de l'accord du responsable du service ; 2°) l'exercice par la demanderesse de son pouvoir de surveillance de l'activité de la défenderesse en obligeant celle-ci à compléter un « registre de présence » détaillé mentionnant l'heure d'arrivée et de fin des prestations, la durée de la pause à midi, le nombre d'heures prestées et le temps presté en plus ou en moins, et à remplir des « feuilles d'emploi du temps ».
L'arrêt décide ainsi légalement que ces parties étaient liées par un contrat de travail.

Sur la base de la constatation que la demanderesse a imposé unilatéralement à la défenderesse de compléter des feuilles de contrôle de son temps de travail à partir du mois de mars 1997, l'arrêt a pu légalement décider que la qualification donnée par les parties à leur convention ne correspondait plus à l'exécution qui en était faite depuis ce moment.

28 juni 2009

Cassatierechtspraak in sociale zaken: februari en maart 2009

Cass. 2 februari 2009, S.08.0091.N

Sociaal statuut zelfstandigen – Bijdragen - Vrijstelling

Krachtens artikel 91, §4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, hebben de door de Commissie voor vrijstelling van bijdragen genomen beslissingen betrekking (1°) op de bijdragen die vervallen zijn op het ogenblik van de aanvraag en uitdrukkelijk bedoeld werden door deze aanvraag en (2°) op de bijdragen die vervallen zijn tussen het ogenblik van de aanvraag en het ogenblik waarop de Commissie beslist Uit deze bepaling volgt dat de enkele omstandigheid dat de aanvraag tot vrijstelling slechts de op het ogenblik van de aanvraag vervallen bijdragen uitdrukkelijk viseert, niet inhoudt dat de Commissie voor vrijstelling van bijdragen niet rechtsgeldig vrijstelling zou kunnen verlenen voor de bijdragen die vervallen zijn tussen het ogenblik van de aanvraag en het ogenblik waarop zij haar beslissing neemt.

Cass. 9 februari 2009, S.07.0096.F

Arbeidsongevallen – Publieke sector – Vrij gesubsidieerd onderwijs – Rechtstreeks uitbetaling subsidie aan onderwijspersoneel – Subjectief recht

En vertu de son article 1er, 6°, le régime institué par la loi du 3 juillet 1967 sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public est rendu applicable, aux conditions et dans les limites fixées par le Roi, aux membres du personnel qui appartiennent aux établissements d'enseignement subventionnés. L'arrêté royal du 24 janvier 1969 relatif à la réparation, en faveur de membres du personnel du secteur public, des dommages résultant des accidents du travail et des accidents survenus sur le chemin du travail, qui concerne notamment, suivant son article 1er, 3°, dans la version applicable au litige, les membres qui appartiennent aux établissements d'enseignement subventionnés régis par la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, dispose, en son article 32, que ces membres du personnel conservent pendant la période de l'incapacité temporaire la rémunération due en raison de leur contrat de travail ou de leur statut.

L'article 25, alinéa 2, de la loi du 29 mai 1959 prévoit que l'Etat accorde notamment les subventions-traitements aux établissements et sections d'établissements d'enseignement visés à l'article 24 dans certaines conditions. Aux termes de l'article 36, alinéa 2, de cette loi, l'Etat paie directement et mensuellement les subventions-traitements aux membres du personnel des établissements subventionnés. A cette obligation de l'Etat, auquel ont été substituées ensuite les communautés, envers ces membres du personnel correspond, dans le chef de ceux-ci, un droit subjectif à l'égard de ces autorités. En condamnant la demanderesse à payer au défendeur un montant correspondant à la différence entre l'intégralité de la subvention-traitement et 80% de celle-ci, afin de permettre au défendeur de conserver la rémunération due pendant la période d'incapacité temporaire, l'arrêt attaqué ne viole aucune des dispositions visées par le moyen.

Cass. 16 februari 2009, S.08.0132.N

Deeltijdse arbeid – Niet-openbaarmaking werkrooster – Vermoeden van voltijdse tewerkstelling - Draagwijdte

Het in artikel 22ter van de RSZ-wet van 27 juni 1969 bepaalde vermoeden van voltijdse tewerkstelling van de deeltijdse werknemers hij ontstentenis van openbaarmaking van hun normale werkroosters geldt niet alleen voor de dag van de vaststelling van de bedoelde ontstentenis, maar voor de ganse voorafgaande periode van tewerkstelling.

Cass. 16 februari 2009, S.08.0071.N

Bevordering tewerkstelling – Vermindering wergeversbijdragen RSZ bij netto-aangroei personeel – Terugbetaling ingeval van overdracht van personeel – Begrip ‘overdracht van personeel’

Krachtens artikel 2, §1, eerste lid, van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling, hebben de werkgevers die ter uitvoering van een akkoord gesloten overeenkomstig de bepalingen van de CAO nr. 60, gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 20 december 1994, een netto-aangroei van het aantal werknemers en daarenboven tenminste een gelijkwaardig arbeidsvolume kunnen aantonen, dit in vergelijking met het overeenstemmende kwartaal van 1994, voor elke nieuw aangeworven werknemer, aangeworven na 31 december 1994, recht op een vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid van "37.500 frank" per trimester. Krachtens artikel 6, eerste lid, van de voormelde wet van 3 april 1995, zoals gewijzigd bij wet van 13 februari 1998 met uitwerking vanaf 1 januari 1995, zal de werkgever tot terugbetaling van het geheel of het gedeelte van de ten onrechte ontvangen voordelen gehouden zijn, indien wordt vastgesteld dat de netto-aangroei van het aantal werknemers het gevolg is van een overdracht van personeel die in hoofde van de overdragende werkgever aanleiding gaf tot een vermindering van het arbeidsvolume in vergelijking met het kwartaal dat aan de overdracht voorafgaat.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat deze bepaling onder meer tot doel heeft te verhinderen dat een loutere wijziging van de werkgever zonder enige reële werkgelegenheidsschepping, recht geeft op het voordeel van de in artikel 2, §1, van de wet van 3 april 1995 bepaalde maatregel.
Onder "overdracht van personeel" in de zin van die bepaling dient dan ook te worden verstaan, elke feitelijke overgang van personeel tussen werkgevers. De appelrechters stellen vast dat de verweerster de handelszaak van E.S. heeft overgenomen en dat zij drie werkneemsters die bij E.S. in dienst waren, verder heeft tewerkgesteld. Ze oordelen vervolgens dat een overdracht van personeel in de zin van artikel 6 van de wet van 3 april 1995 niet bewezen is, zodat de sanctie ervan niet op de verweerster kan worden toegepast, omdat er geen bewijs is van een wilsovereenstemming tussen de verweerster en E.S. om het personeel over te dragen. Aldus schenden de appelrechters het begrip "overdracht van personeel" in de zin van artikel 6, eerste lid, van de wet van 3 april 1995.

Cass. 2 maart 2009, S.08.0119.N

ZIV-wet – Weigering uitkeringen – Opzettelijke gepleegde fout – Verkeersongeval – roekeloze rijwijze

Krachtens artikel 70, §3, in fine, van de ZIV-wet 1963, zoals gewijzigd bij artikel 1 van de wet van 8 juli 1987, wordt de toekenning van de in titel IV van deze wet bedoelde prestaties geweigerd in geval de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een door de gerechtigde opzettelijk gepleegde fout. Krachtens artikel 27, b) van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandige, zoals gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 11 december 1987, worden de uitkeringen geweigerd in geval de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een door de gerechtigde opzettelijk gepleegde fout. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever heeft bedoeld dat de arbeidsongeschiktheid door een opzettelijke fout is veroorzaakt, wanneer de gerechtigde die fout willens heeft begaan, ook al heeft hij de gevolgen ervan niet gewild. Dit houdt in dat wanneer de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van letsels opgelopen bij een verkeersongeval, de uitkeringen moeten worden geweigerd wanneer het ongeval door de gerechtigde willens werd veroorzaakt, ook al heeft hij de gevolgen ervan niet gewild.

Het arrest stelt vast dat de eiser naar aanleiding van het ongeval werd veroordeeld tot één straf wegens alcoholintoxicatie en het toebrengen van onopzettelijke slagen en verwondingen, op grond dat de aanrijding geen andere oorzaak had dan de roekeloze rijwijze van de eiser, die duidelijk beïnvloed was door zijn toestand van alcoholintoxicatie. Het oordeelt dat de eiser door zijn roekeloze rijwijze die beïnvloed werd door zijn toestand van alcoholintoxicatie, een opzettelijke fout heeft begaan en de schade die hij heeft geleden daarvan het gevolg is, zodat hij geen recht heeft op prestaties van de uitkerings- en ziektekostenverzekering.

Louter op grond van het feit dat de aanrijding het gevolg was van de roekeloze rijwijze onder invloed van alcohol, zonder vast te stellen dat de eiser de aanrijding willens heeft veroorzaakt, vermocht het arrest niet te oordelen dat de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een opzettelijk gepleegde fout zoals bedoeld in de vermelde wettelijke bepalingen.


Cass. 9 maart 2009, C.07.0511.F

Betaalde vakantie – Arbeidsongeval – Periode van volledige tijdelijke arbeidsongeschiktheid – Gelijkstelling met gewerkte dagen

L'article 1er, alinéa 1er, 1°, des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, dispose que celles-ci sont, en règle, applicables aux personnes assujetties aux régimes de sécurité sociale des travailleurs. Suivant l'article 11 de ces lois, le Roi détermine pour les travailleurs intellectuels les jours d'inactivité à assimiler à des jours de travail effectif ou de travail effectif normal, les conditions dans lesquelles ils peuvent être pris en considération ainsi que la rémunération fictive qui doit servir de base pour le calcul du pécule de vacances afférent aux jours assimilés. En vertu de l'article 38 de l'arrêté royal du 30 mars 1967, l'employeur paie à l'employé qui prend ses vacances la rémunération normale afférente aux jours de vacances ainsi qu'un supplément. L'article 41 du même arrêté dispose que pour le calcul du montant du pécule de vacances, certaines journées d'interruption de travail sont assimilées aux jours de travail effectif ; parmi ces journées figurent celles résultant d'un accident du travail donnant lieu à réparation. Suivant l'article 43, 1°, a), dudit arrêté, l'intégralité de la période d'incapacité temporaire totale résultant d'un tel accident est prise en considération dans le cadre de cette assimilation.

Il résulte de ces dispositions, d'une part, que l'obligation de payer ces pécules de vacances dus à un employé qui est en incapacité temporaire totale à la suite d'un accident du travail est étrangère à la réparation du dommage organisée par la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail et, d'autre part, que ce paiement incombe à l'employeur. L'arrêt constate que le demandeur, employé de la défenderesse, a été victime d'un accident du travail, que l'assureur-loi a admis une incapacité temporaire totale du 12 août 1999 au 31 mars 2003, que le demandeur réclame le paiement de pécules de vacances pour les années 2000 à 2003 et qu'il étend sa demande, en degré d'appel, à l'année 2004. Par aucune de ses considérations, qu'il fonde sur la loi du 10 avril 1971 et, en particulier, sur l'interdiction de déroger au régime de la réparation forfaitaire du dommage par l'assureur-loi que cette loi institue, l'arrêt ne justifie légalement sa décision de refuser les pécules de vacances demandés.

Cass. 23 maart 2009, S.08.0122.F

PWA – Arbeidsongeval – behoud werkloosheidsuitkering tijdens tijdelijke arbeidsongeshiktheid
ZIV-wet – Cumulatie uitkeringen – Subrogatierecht mutualiteit

En vertu de l'article 136, § 2, alinéa 4, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, l'organisme assureur est subrogé de plein droit au bénéficiaire, à concurrence du montant des prestations octroyées, pour la totalité des sommes qui sont dues en vertu d'une législation belge, d'une législation étrangère ou du droit commun et qui réparent partiellement ou totalement le dommage découlant d'une maladie, de lésions, de troubles fonctionnels ou du décès, pour autant que la victime remplisse les conditions pour l'obtention des indemnités de l'assurance contre la maladie et l'invalidité.
L'article 79, § 10, alinéa 3, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage dispose qu'en cas d'incapacité temporaire de travail résultant d'un accident survenu dans le cadre d'une activité visée à cet article, le chômeur continue à avoir droit aux allocations de chômage par dérogation notamment à l'article 61, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté, qui prévoit que ne peut bénéficier de ces allocations le travailleur qui perçoit une indemnité en vertu d'un régime belge d'assurance contre la maladie et l'invalidité.

L'article 79, § 10, alinéa 3, établit en faveur du travailleur d'une agence locale pour l'emploi, victime d'un accident du travail dans le cadre de son activité, un régime expressément dérogatoire à la condition d'aptitude au travail, qui lui permet de conserver le droit aux allocations de chômage en cas d'incapacité temporaire de travail résultant de cet accident. Il suit de l'ensemble de ces dispositions que l'organisme assureur qui a octroyé à un travailleur d'une agence locale pour l'emploi, victime d'un accident du travail, des prestations de l'assurance alors que celui-ci n'y avait pas droit, n'est pas subrogé à la victime pour réclamer le remboursement de ces prestations à la société d'assurance garantissant une protection équivalente à celle qu'accorde la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.

L'arrêt constate que la demanderesse, qui a payé des indemnités de l'assurance contre la maladie et l'invalidité à une travailleuse d'une agence locale pour l'emploi, victime dans le cadre de son activité d'un accident couvert par une assurance souscrite auprès de la défenderesse, réclame à celle-ci, sur la base de la subrogation, le remboursement des sommes payées à cette travailleuse alors que celle-ci avait droit à des allocations de chômage. En constatant, sans être critiqué par le moyen, en cette branche, que les prestations litigieuses étaient « indues », l'arrêt justifie légalement sa décision de refuser à la demanderesse le bénéfice de la subrogation dont elle se prévalait.

Cass. 23 maart 2009, S.08.0136.F

Arbeidsrelatie – Kwalificatie – Onverenigbare elementen

Lorsque les éléments soumis à son appréciation ne permettent pas d'exclure la qualification donnée par les parties à la convention qu'elles ont conclue, le juge du fond ne peut y substituer une qualification différente. Pour écarter la qualification de contrat d'entreprise que, selon ses constatations, les parties ne contestaient pas avoir donnée à leur convention lors de sa conclusion, l'arrêt se fonde sur les circonstances, relevées dans la relation contractuelle entre les parties, qu'il est demandé à la défenderesse de faire établir des cartes de visite, qu'elle reçoit des instructions pour faire suivre le courrier et pour les provisions à demander aux membres, qu'elle retravaille des lettres du président, doit achever des tâches, transmettre l'information et agir dans le cadre des structures de la demanderesse en relation avec le président et le conseil d'administration de la demanderesse. Ni séparément ni conjointement, ces éléments ne sont incompatibles avec l'existence d'un contrat d'entreprise. Les éléments relevés par l'arrêt dans la relation contractuelle précédente entre la défenderesse et le groupement d'intérêt économique ne peuvent, dès lors, servir à confirmer la qualification qu'il retient. Partant, l'arrêt ne décide pas légalement que les parties étaient liées par un contrat de travail.

Cass. 30 maart 2009, S.08.0088.N

Bedrijfsorganisatie – Ondernemingsraad en Preventiecomité – Getalsterkte personeelsafvaardiging – Bepaling met in acht name aantal tewerkgestelde uitzendkrachten

Krachtens artikel 25, eerste lid, van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, hierna Uitzendarbeidswet genoemd, komen voor de toepassing van de bepalingen van de wetten en verordeningen die steunen op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, de ter beschikking van een gebruikende onderneming gestelde uitzendkrachten eveneens in aanmerking voor de berekening van de personeelssterkte, tewerkgesteld door die onderneming. Krachtens artikel 25, tweede lid, van de Uitzendarbeidswet, geldt het eerste lid niet voor de uitzendkrachten die vaste werknemers vervangen als bedoeld in artikel 1, §2, 1°, van die wet. Artikel 25, derde lid, van de Uitzendarbeidswet bepaalt: "Wat de wetgeving op de ondernemingsraden en de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen betreft, bepaalt de Koning de wijze van berekening van het gemiddelde van de uitzendkrachten die door een gebruiker worden tewerkgesteld."
Het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet geldt blijkens zijn uitdrukkelijke bewoordingen voor alle wettelijke bepalingen die steunen op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, dit is zowel voor wettelijke bepalingen die de drempel bepalen voor de oprichting van een orgaan als voor wettelijke bepalingen die de drempel bepalen voor andere of ondergeschikte verplichtingen. Het geldt ook zowel voor wettelijke bepalingen die steunen op het "aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld als voor wettelijke bepalingen die steunen op het "gemiddeld aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld. Artikel 25, derde lid, van de Uitzendarbeidswet verleent aan de Koning de bevoegdheid te bepalen hoe de gemiddelde tewerkstelling van uitzendkrachten moet worden berekend voor de erin aangeduide wetgeving welke bepalingen bevat die steunen op het gemiddeld aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld. Het strekt er niet toe de toepassing van artikel 25 van de Uitzendarbeidswet te beperken tot alleen die wettelijke bepalingen welke steunen op het "gemiddeld aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld.

Krachtens artikel 23, eerste lid, van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008, is de personeelsafvaardiging in de raad en in het comité samengesteld uit: "4 gewone leden voor een onderneming met minder dan 101 werknemers; 6 gewone leden voor een onderneming met 101 tot 500 werknemers; (...), op de datum van aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd". Krachtens artikel 23, vijfde lid, van deze wet bestaat de afvaardiging bovendien uit plaatsvervangende leden waarvan het aantal gelijk is aan dat van de gewone leden. Artikel 23, eerste lid, van de voormelde wet van 4 december 2007 is een wetsbepaling die steunt op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet. Hieruit volgt dat de uitzendkrachten die op de datum van aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd, ter beschikking van een gebruikende onderneming zijn gesteld, eveneens in aanmerking komen voor de berekening van de personeelssterkte van die onderneming en dus voor de vaststelling van het aantal leden en plaatsvervangende leden van de personeelsafvaardiging in de ondernemingsraad en in het comité voor preventie en bescherming op het werk.