18 december 2014
Zwaarlijvigheid kan een „handicap” vormen in de zin van de richtlijn betreffende gelijke behandeling inzake arbeid
12 januari 2012
Tegemoetkoming voor gehandicapten hoeft niet voor alle vreemdelingen
Het antwoord van het Hof
Bij zijn arrest nr. 153/2007 van 12 december 2007 heeft het Hof geoordeeld dat artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 een discriminatie inhoudt, in zoverre het de vreemdeling die ingevolge een machtiging om zich in het Koninkrijk te vestigen in het bevolkingsregister is ingeschreven, uitsluit van het voordeel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap. Die discriminatie werd ongedaan gemaakt door het koninklijk besluit van 17 juli 2006, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 9 februari 2009, op grond van de machtiging daartoe aan de Koning verleend.
De vaststelling door het Hof, in het voormelde arrest nr. 153/2007, dat artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 een discriminatie inhield, in zoverre het de vreemdeling die in het bevolkingsregister is ingeschreven, uitsloot van het voordeel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, werd gemotiveerd als volgt :
Het sloot aldus aan bij de wil van de wetgever die in de parlementaire voorbereiding als volgt werd uitgedrukt :
‘ Nieuw is de categorie van de vreemdelingen die ingeschreven is in het bevolkingsregister. Aangezien er geen feitelijke, noch juridische argumenten zijn die een andere behandeling dan de Belgen rechtvaardigen, worden ook zij toegelaten tot het recht op maatschappelijke integratie ’ (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1603/001, p. 12).
Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat, hoewel kan worden aangenomen dat een vreemdeling die ertoe is gemachtigd in België te verblijven, ofwel voor korte duur (hoofdstuk 2 van de vreemdelingenwet), ofwel voor een duur van meer dan drie maanden, en die bijgevolg is ingeschreven in het vreemdelingenregister (artikel 12 van dezelfde wet), geen voldoende sterke band met België vertoont om de tegemoetkomingen te genieten waarin de wet van 27 februari 1987 voorziet, er geen ‘ zeer sterke overwegingen ’ bestaan die het mogelijk maken - en bijgevolg is het niet redelijkerwijze verantwoord - de vreemdeling die ertoe is gemachtigd zich in België te vestigen en bijgevolg in het bevolkingsregister is ingeschreven, en wegens zijn administratief statuut wordt geacht op definitieve wijze of op zijn minst voor een betekenisvolle duur in België te zijn gevestigd, van het voordeel van die tegemoetkomingen uit te sluiten.Uit de motivering van het hierboven geciteerde arrest nr. 153/2007 blijkt dat artikel 4 van de wet van 27 februari 1987, in samenhang gelezen met het koninklijk besluit van 17 juli 2006, geen discriminatie inhoudt, in zoverre het toepassingsgebied van de wet niet werd uitgebreid tot de vreemdelingen die, ingevolge een toelating of een machtiging om in het Koninkrijk te verblijven voor een duur van meer dan drie maanden, in het vreemdelingenregister zijn ingeschreven, aangezien het administratief statuut van die personen aantoont dat zij een band met België hebben die de wetgever als minder sterk kon beschouwen dan die welke de personen die in het bevolkingsregister zijn ingeschreven, vertonen. De gevolgen van dat onderscheid zijn niet onevenredig, nu de vreemdeling aan wie de tegemoetkoming voor gehandicapten wordt geweigerd, in voorkomend geval aanspraak kan maken op maatschappelijke dienstverlening waarbij met zijn handicap rekening wordt gehouden.
11 december 2010
De vereiste van werkelijk verblijf in de Wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap
door K. Nevens
1. Artikel 4, §1 van de Wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap bepaalt dat de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming slechts kunnen worden toegekend aan een persoon die zijn werkelijke verblijfplaats in België heeft.
In de rechtsleer wordt geschreven dat deze verblijfsvoorwaarde géén aanleiding geeft tot rechtsgeschillen (zie in die zin: J. MAES, “Recente rechtspraak betreffende gehandicapten”, RW 2000-2001, 718; G. WEGGE, “De Nederlandstalige rechtspraak inzake de toepassing van de wet van 27 februari 1987…”, BTSZ 1992, 5).
Toch is het niet uitgesloten dat er discussie zou ontstaan omtrent de invulling die moet worden gegeven aan de vereiste van werkelijk verblijf in België, zeker wanneer een persoon niet is ingeschreven in het bevolkings- of vreemdelingenregister.
2. Bij de uitlegging van deze vereiste mag §3 van het reeds aangehaalde artikel 4 van de Wet van 27 februari 1987 niet uit het oog worden verloren. Deze paragraaf geeft aan de Koning immers de bevoegdheid te bepalen wat voor de toepassing van die wet onder “werkelijke verblijfplaats” moet worden verstaan.
Artikel 3 van het KB van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming (BS 8 juli 1987) bepaalt dat de gerechtigde die zijn hoofdverblijfplaats in België heeft en die er bestendig en daadwerkelijk verblijft, geacht wordt zijn werkelijke verblijfplaats in België te hebben. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat die ‘concretisering’ op het eerste gezicht weinig verhelderend is. Twee zaken moet echter wel in de verf worden gezet.
Vooreerst is het zo dat dit artikel in zijn oorspronkelijke versie bepaalde dat het werkelijk verblijf wordt bewezen door de inschrijving in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister. De huidige formulering werd geïntroduceerd bij KB van 8 januari 1992 (BS 22 januari 1992). Bijgevolg kan worden aangenomen dat de Koning met deze nieuwe formulering afstand heeft willen nemen van de vereiste van inschrijving in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister.
Ten tweede kan – ter vergelijking – worden opgemerkt dat ook de toekenning van het recht op maatschappelijke integratie vereist dat de aanvrager “zijn werkelijke verblijfplaats in België (heeft) in de door de Koning te bepalen zin” (art. 3, 1° RMI-wet). Art. 2 van het KB van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie (BS 31 juli 2002) verduidelijkt dat een persoon voor de toepassing van die wet geacht wordt zijn werkelijke verblijfplaats in België te hebben wanneer hij gewoonlijk en bestendig in België verblijft, zelfs als hij niet over een woonst beschikt of niet is ingeschreven in de bevolkingsregisters. Het werkelijk verblijf mag dan ook met alle rechtsmiddelen worden bewezen. Het werkelijk verblijf kan uiteraard dikwijls worden vastgesteld aan de hand van de inschrijving in het bevolkingsregister van een Belgische gemeente, maar dergelijke inschrijving kan niet worden geëist. Die inschrijving geldt echter ook niet als onweerlegbaar vermoeden van werkelijk verblijf. Het OCMW kan dus het bewijs van het tegendeel leveren (D. SIMOENS, Handboek OCMW-dienstverlening, Brugge, Die Keure, 2009, nr. 15).
Die interpretatie wordt overigens bevestigd door artikel 9, §2 van het KB van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap (BS 27 juni 2003), dat bepaalt dat de informatiegegevens verkregen bij het Rijksregister van de natuurlijke personen bewijskracht hebben tot bewijs van het tegendeel.
Samenvattend kan dan ook worden gesteld dat het door artikel 4, §1 van de Wet van 27 februari 1987 vereiste werkelijk verblijf – naar analogie met het bepaalde in artikel 3, 1° RMI-wet – op een feitelijke wijze moet worden beoordeeld, waarbij de inschrijving in het bevolkingsregister kan gelden als weerlegbaar vermoeden van bestendig en daadwerkelijk verblijf in België, maar zonder dat de inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister noodzakelijk is. Het Arbeidshof te Luik oordeelde reeds in dezelfde zin in een arrest van 19 oktober 1992, zaak die net betrekking had op een persoon met een handicap die ambtshalve was afgevoerd in het bevolkingsregister, maar die bijna ononderbroken in een psychiatrisch ziekenhuis en in een provinciaal tehuis te Luik verbleef (Soc. Kron. 1995, 181, noot D. PLAS).
3. Wat betreft de inschrijving in het bevolkingsregister, die geldt als een weerlegbaar vermoeden van werkelijk verblijf in België, kan erop worden gewezen dat het Hof van Cassatie in een arrest van 19 april 2002 heeft overwogen dat een referentieadres, zoals bedoeld in artikel 1, §2 van de Wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, etc. (BS 3 september 1991), gelijkstaat aan een inschrijving in het bevolkingsregister (Cass. 19 april 2002, Arr. Cass. 2002, 1053, concl. Adv.-Gen. WERQUIN), tenminste voor wat betreft het woonplaatsbegrip uit artikel 36 Ger.W.
Uiteraard kan niet worden ontkend dat de inschrijving op een referentieadres een juridische en administratieve fictie is, aangezien dit adres niet overeenstemt met de plaats waar een persoon zijn hoofdverblijf heeft (zie in die zin: Adv.-Gen. WERQUIN, concl. Bij Cass. 19 april 2002, Arr. Cass. 2002, 1056; V. D’HUART, “Inconnu à cette adresse”, (noot onder Cass. 19 april 2002), JLMB 2003, 1009; E. LEROY, “Repenser le formalisme”, (noot onder Cass. 19 april 2002), RCJB 2003, 333). Onder referentieadres wordt immers verstaan “het adres van ofwel een natuurlijke persoon die is ingeschreven in het bevolkingsregister op de plaats waar hij zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd, ofwel een rechtspersoon en waar, met de toestemming van deze natuurlijke persoon of deze rechtspersoon, een natuurlijke persoon zonder vaste verblijfplaats is ingeschreven” (art. 1, §2 Wet 19 juli 1991 (eigen onderlijning)).
Zo bepaalt dit artikel sedert de Wet van 24 januari 1997 (BS 6 maart 1997) uitdrukkelijk dat personen die bij gebrek aan voldoende bestaansmiddelen geen verblijfplaats hebben of meer hebben en die bij gebrek aan inschrijving in de bevolkingsregisters geen maatschappelijke bijstand kunnen genieten van een OCMW of om het even welk ander sociaal voordeel, ingeschreven kunnen worden op het adres van het OCMW van de gemeente waar zij gewoonlijk vertoeven. Het betrof een nieuwe maatregel om de toestand van daklozen te verbeteren (Omzendbr. 24 mei 1997 betreffende de invoering van de mogelijkheid voor daklozen een referentieadres bij het OCMW te bekomen, BS 24 mei 1997; Omzendbr. 13 september 2006 betreffende daklozen – bevoegd OCMW – referentieadres – inschrijving en schrapping van een inschrijving, BS 12 oktober 2006).
De inschrijving op een referentieadres vereist wel dat men bij geen enkele gemeente is ingeschreven in het bevolkingsregister. In de praktijk betekent dit dat, zo een persoon wil ingeschreven worden op een referentieadres, maar hij wel nog in het bevolkingsregister van een gemeente is ingeschreven, hij door dat gemeentebestuur eerst van ambstwege moet worden afgevoerd. De reeds aangehaalde Omzendbrief van 13 september 2006 bepaalt ter zake:
“Sommige OCMW’s roepen het feit in dat een dakloze nog is ingeschreven in een andere gemeente, om inschrijving te weigeren op een referentieadres. Om de dakloze te helpen (…), moet het centrum bij de gemeente stappen ondernemen voor de schrapping van de vroegere inschrijving van de betrokkene (…).”
4. Het fictieve karakter van het referentieadres neemt niet weg dat daaruit een vermoeden van werkelijk verblijf in België kan worden afgeleid, omdat zodanig adres enkel kan worden bekomen door Belgen en door vreemdelingen die toegelaten of gemachtigd zijn om voor een langere termijn dan drie maanden in het Rijk te verblijven of die gemachtigd zijn zich er te vestigen (art. 1, §2 in samenlezing met art. 1, §1, 1° Wet 19 juli 1991). en waarvan dus mag worden vermoed dat zij in principe in het land verblijven Een referentieadres bij het OCMW van een gemeente kan daarenboven slechts bekomen worden indien men gewoonlijk vertoeft in die gemeente.
Verder mag niet uit het oog worden verloren dat de mogelijkheid voor personen zonder vaste verblijfplaats om zich in te schrijven op een referentieadres net werd ingevoerd om te vermijden dat mensen hun band met hun gemeentebestuur, en ruimer gesteld, met sociale en gerechtelijke instanties zouden verliezen (Parl. St. Kamer 1995-1996, nr. 122/1, 2-3; Adv.-Gen. WERQUIN, concl. Bij Cass. 19 april 2002, Arr. Cass. 2002, 1055-1056). De toekenning van een referentieadres bij het OCMW strekt in het bijzonder ertoe een betere integratie van deze personen in de maatschappij te verwezenlijken, en vooral, hun rechten op sociale uitkeringen te vrijwaren (Omzendbr. 24 mei 1997 betreffende de invoering van de mogelijkheid voor daklozen een referentieadres bij het OCMW te bekomen, BS 24 mei 1997; Omzendbr. 13 september 2006 betreffende daklozen – bevoegd OCMW – referentieadres – inschrijving en schrapping van een inschrijving, BS 12 oktober 2006. Zie ook Arbrb. Gent (10e k.) 8 april 2005, OCMW-Visies 2005, afl. 3, 60; Arbrb. Brussel 17 juni 2008, Soc. Kron. 2010, 110).