Posts tonen met het label personen met een handicap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label personen met een handicap. Alle posts tonen

18 december 2014

Zwaarlijvigheid kan een „handicap” vormen in de zin van de richtlijn betreffende gelijke behandeling inzake arbeid

HvJ, C-354/13, 18 december 2014

De Europese richtlijn 2000/78 heeft tot doel met betrekking tot arbeid en beroep een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op een van de in dat artikel genoemde gronden, waaronder handicap.

Volgens artikel 2, lid 2, sub a, van voormelde richtlijn is er sprake van directe discriminatie wanneer iemand op basis van, onder meer, een handicap ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld.

Na de ratificatie door de Unie van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, dat namens de Europese Gemeenschap werd goedgekeurd bij besluit 2010/48/EG van de Raad van 26 november 2009 (PB 2010, L 23, blz. 35), heeft het Hof geoordeeld dat het begrip „handicap” in de zin van richtlijn 2000/78/EG moet worden opgevat als een beperking die met name het gevolg is van langdurige lichamelijke, geestelijke of psychische aandoeningen die in wisselwerking met diverse drempels de betrokkene kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen (zie arresten HK Danmark, EU:C:2013:222, punten 37‑39; Z., C‑363/12, EU:C:2014:159, punt 76, en Glatzel, C‑356/12, EU:C:2014:350, punt 45).

Dit begrip „handicap” heeft niet enkel betrekking op de onmogelijkheid om een beroepsactiviteit uit te oefenen, maar ook op belemmeringen bij het uitoefenen van een dergelijke activiteit. Een andere uitlegging zou onverenigbaar zijn met de doelstelling van die richtlijn, die onder meer beoogt dat een persoon met een handicap toegang tot arbeid krijgt of daarin kan participeren (zie arrest Z., EU:C:2014:159, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Bovendien zou het in strijd zijn met de doelstelling van voormelde richtlijn, namelijk de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling, indien deze toepasselijk zou zijn naargelang van de oorzaak van de handicap (zie arrest HK Danmark, EU:C:2013:222, punt 40).

Het begrip „handicap” in de zin van richtlijn 2000/78 hangt immers niet af van de vraag in welke mate de betrokkene eventueel heeft bijgedragen tot het ontstaan van zijn handicap.

Verder gaat de definitie van het begrip „handicap” in de zin van artikel 1 van richtlijn 2000/78 aan de vaststelling en de beoordeling van de passende maatregelen tot aanpassing als bedoeld in artikel 5 van deze richtlijn vooraf. Volgens punt 16 van de considerans van deze richtlijn beogen dergelijke maatregelen immers rekening te houden met de behoeften van personen met een handicap en derhalve zijn zij het gevolg en niet het wezenlijke bestanddeel van het begrip „handicap” (zie in die zin arrest HK Danmark, EU:C:2013:222, punten 45 en 46). Daarom is het enkele feit dat dergelijke maatregelen tot aanpassing ten aanzien van Kaltoft niet waren genomen, niet voldoende om te oordelen dat hij geen persoon met een handicap in de zin van voormelde richtlijn kon zijn.

Vastgesteld dient te worden dat zwaarlijvigheid als zodanig geen „handicap” vormt in de zin van richtlijn 2000/78, omdat zij van nature niet noodzakelijk tot gevolg heeft dat er sprake is van een beperking als bedoeld in punt 53 van het onderhavige arrest.

Daarentegen valt de zwaarlijvigheid van de betrokken werknemer onder het begrip „handicap” in de zin van richtlijn 2000/78 indien zij, gezien de omstandigheden, leidt tot een beperking die met name het gevolg is van lichamelijke, geestelijke of psychische aandoeningen die in wisselwerking met diverse drempels deze persoon kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen, en die beperking langdurig is (zie in die zin arrest HK Danmark, EU:C:2013:222, punt 41).

Dat zou met name het geval zijn als de zwaarlijvigheid van de werknemer hem belet volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen als gevolg van een verminderde mobiliteit of van het feit dat zich bij deze persoon ziekteverschijnselen voordoen die hem beletten zijn werk te verrichten of hem belemmeren bij de uitoefening van zijn beroepsactiviteit.

12 januari 2012

Tegemoetkoming voor gehandicapten hoeft niet voor alle vreemdelingen


De prejudiciële vraag

Schendt artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in ‘ samenhang ’ gelezen met artikel 191 ervan, met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, doordat het een onderscheid maakt tussen een vreemdeling die ingevolge een machtiging om zich in het koninkrijk te vestigen in het bevolkingsregister is ingeschreven en een vreemdeling die ingevolge een machtiging om in het koninkrijk onbeperkt te verblijven in het vreemdelingenregister is ingeschreven ?

Het antwoord van het Hof

Artikel 4, § 1, van de wet van 27 februari 1987 somt de categorieën van personen op aan wie een tegemoetkoming voor gehandicapten kan worden toegekend, waartoe ook verschillende categorieën van vreemdelingen behoren. Artikel 4, § 2, machtigt de Koning ertoe om, onder bepaalde voorwaarden, het toepassingsgebied van de wet uit te breiden tot andere categorieën van personen. Het toepassingsgebied van de wet wordt aldus bepaald door, enerzijds, artikel 4, § 1, en door, anderzijds, artikel 4, § 2, van de wet van 27 februari 1987, in samenhang gelezen met de koninklijke besluiten uitgevaardigd op grond van die wetsbepaling.

Bij zijn arrest nr. 153/2007 van 12 december 2007 heeft het Hof geoordeeld dat artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 een discriminatie inhoudt, in zoverre het de vreemdeling die ingevolge een machtiging om zich in het Koninkrijk te vestigen in het bevolkingsregister is ingeschreven, uitsluit van het voordeel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap. Die discriminatie werd ongedaan gemaakt door het koninklijk besluit van 17 juli 2006, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 9 februari 2009, op grond van de machtiging daartoe aan de Koning verleend.

De vaststelling door het Hof, in het voormelde arrest nr. 153/2007, dat artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 een discriminatie inhield, in zoverre het de vreemdeling die in het bevolkingsregister is ingeschreven, uitsloot van het voordeel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, werd gemotiveerd als volgt :
De vaststelling door het Hof, in het voormelde arrest nr. 153/2007, dat artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 een discriminatie inhield, in zoverre het de vreemdeling die in het bevolkingsregister is ingeschreven, uitsloot van het voordeel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, werd gemotiveerd als volgt :
Het sloot aldus aan bij de wil van de wetgever die in de parlementaire voorbereiding als volgt werd uitgedrukt :
‘ Nieuw is de categorie van de vreemdelingen die ingeschreven is in het bevolkingsregister. Aangezien er geen feitelijke, noch juridische argumenten zijn die een andere behandeling dan de Belgen rechtvaardigen, worden ook zij toegelaten tot het recht op maatschappelijke integratie ’ (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1603/001, p. 12).
Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat, hoewel kan worden aangenomen dat een vreemdeling die ertoe is gemachtigd in België te verblijven, ofwel voor korte duur (hoofdstuk 2 van de vreemdelingenwet), ofwel voor een duur van meer dan drie maanden, en die bijgevolg is ingeschreven in het vreemdelingenregister (artikel 12 van dezelfde wet), geen voldoende sterke band met België vertoont om de tegemoetkomingen te genieten waarin de wet van 27 februari 1987 voorziet, er geen ‘ zeer sterke overwegingen ’ bestaan die het mogelijk maken - en bijgevolg is het niet redelijkerwijze verantwoord - de vreemdeling die ertoe is gemachtigd zich in België te vestigen en bijgevolg in het bevolkingsregister is ingeschreven, en wegens zijn administratief statuut wordt geacht op definitieve wijze of op zijn minst voor een betekenisvolle duur in België te zijn gevestigd, van het voordeel van die tegemoetkomingen uit te sluiten.
Uit de motivering van het hierboven geciteerde arrest nr. 153/2007 blijkt dat artikel 4 van de wet van 27 februari 1987, in samenhang gelezen met het koninklijk besluit van 17 juli 2006, geen discriminatie inhoudt, in zoverre het toepassingsgebied van de wet niet werd uitgebreid tot de vreemdelingen die, ingevolge een toelating of een machtiging om in het Koninkrijk te verblijven voor een duur van meer dan drie maanden, in het vreemdelingenregister zijn ingeschreven, aangezien het administratief statuut van die personen aantoont dat zij een band met België hebben die de wetgever als minder sterk kon beschouwen dan die welke de personen die in het bevolkingsregister zijn ingeschreven, vertonen. De gevolgen van dat onderscheid zijn niet onevenredig, nu de vreemdeling aan wie de tegemoetkoming voor gehandicapten wordt geweigerd, in voorkomend geval aanspraak kan maken op maatschappelijke dienstverlening waarbij met zijn handicap rekening wordt gehouden.

11 december 2010

De vereiste van werkelijk verblijf in de Wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap

door K. Nevens

1. Artikel 4, §1 van de Wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap bepaalt dat de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming slechts kunnen worden toegekend aan een persoon die zijn werkelijke verblijfplaats in België heeft.

In de rechtsleer wordt geschreven dat deze verblijfsvoorwaarde géén aanleiding geeft tot rechtsgeschillen (zie in die zin: J. MAES, “Recente rechtspraak betreffende gehandicapten”, RW 2000-2001, 718; G. WEGGE, “De Nederlandstalige rechtspraak inzake de toepassing van de wet van 27 februari 1987…”, BTSZ 1992, 5).

Toch is het niet uitgesloten dat er discussie zou ontstaan omtrent de invulling die moet worden gegeven aan de vereiste van werkelijk verblijf in België, zeker wanneer een persoon niet is ingeschreven in het bevolkings- of vreemdelingenregister.

2. Bij de uitlegging van deze vereiste mag §3 van het reeds aangehaalde artikel 4 van de Wet van 27 februari 1987 niet uit het oog worden verloren. Deze paragraaf geeft aan de Koning immers de bevoegdheid te bepalen wat voor de toepassing van die wet onder “werkelijke verblijfplaats” moet worden verstaan.

Artikel 3 van het KB van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming (BS 8 juli 1987) bepaalt dat de gerechtigde die zijn hoofdverblijfplaats in België heeft en die er bestendig en daadwerkelijk verblijft, geacht wordt zijn werkelijke verblijfplaats in België te hebben. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat die ‘concretisering’ op het eerste gezicht weinig verhelderend is. Twee zaken moet echter wel in de verf worden gezet.

Vooreerst is het zo dat dit artikel in zijn oorspronkelijke versie bepaalde dat het werkelijk verblijf wordt bewezen door de inschrijving in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister. De huidige formulering werd geïntroduceerd bij KB van 8 januari 1992 (BS 22 januari 1992). Bijgevolg kan worden aangenomen dat de Koning met deze nieuwe formulering afstand heeft willen nemen van de vereiste van inschrijving in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister.

Ten tweede kan – ter vergelijking – worden opgemerkt dat ook de toekenning van het recht op maatschappelijke integratie vereist dat de aanvrager “zijn werkelijke verblijfplaats in België (heeft) in de door de Koning te bepalen zin” (art. 3, 1° RMI-wet). Art. 2 van het KB van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie (BS 31 juli 2002) verduidelijkt dat een persoon voor de toepassing van die wet geacht wordt zijn werkelijke verblijfplaats in België te hebben wanneer hij gewoonlijk en bestendig in België verblijft, zelfs als hij niet over een woonst beschikt of niet is ingeschreven in de bevolkingsregisters. Het werkelijk verblijf mag dan ook met alle rechtsmiddelen worden bewezen. Het werkelijk verblijf kan uiteraard dikwijls worden vastgesteld aan de hand van de inschrijving in het bevolkingsregister van een Belgische gemeente, maar dergelijke inschrijving kan niet worden geëist. Die inschrijving geldt echter ook niet als onweerlegbaar vermoeden van werkelijk verblijf. Het OCMW kan dus het bewijs van het tegendeel leveren (D. SIMOENS, Handboek OCMW-dienstverlening, Brugge, Die Keure, 2009, nr. 15).

Die interpretatie wordt overigens bevestigd door artikel 9, §2 van het KB van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap (BS 27 juni 2003), dat bepaalt dat de informatiegegevens verkregen bij het Rijksregister van de natuurlijke personen bewijskracht hebben tot bewijs van het tegendeel.

Samenvattend kan dan ook worden gesteld dat het door artikel 4, §1 van de Wet van 27 februari 1987 vereiste werkelijk verblijf – naar analogie met het bepaalde in artikel 3, 1° RMI-wet – op een feitelijke wijze moet worden beoordeeld, waarbij de inschrijving in het bevolkingsregister kan gelden als weerlegbaar vermoeden van bestendig en daadwerkelijk verblijf in België, maar zonder dat de inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister noodzakelijk is. Het Arbeidshof te Luik oordeelde reeds in dezelfde zin in een arrest van 19 oktober 1992, zaak die net betrekking had op een persoon met een handicap die ambtshalve was afgevoerd in het bevolkingsregister, maar die bijna ononderbroken in een psychiatrisch ziekenhuis en in een provinciaal tehuis te Luik verbleef (Soc. Kron. 1995, 181, noot D. PLAS).

3. Wat betreft de inschrijving in het bevolkingsregister, die geldt als een weerlegbaar vermoeden van werkelijk verblijf in België, kan erop worden gewezen dat het Hof van Cassatie in een arrest van 19 april 2002 heeft overwogen dat een referentieadres, zoals bedoeld in artikel 1, §2 van de Wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, etc. (BS 3 september 1991), gelijkstaat aan een inschrijving in het bevolkingsregister (Cass. 19 april 2002, Arr. Cass. 2002, 1053, concl. Adv.-Gen. WERQUIN), tenminste voor wat betreft het woonplaatsbegrip uit artikel 36 Ger.W.

Uiteraard kan niet worden ontkend dat de inschrijving op een referentieadres een juridische en administratieve fictie is, aangezien dit adres niet overeenstemt met de plaats waar een persoon zijn hoofdverblijf heeft (zie in die zin: Adv.-Gen. WERQUIN, concl. Bij Cass. 19 april 2002, Arr. Cass. 2002, 1056; V. D’HUART, “Inconnu à cette adresse”, (noot onder Cass. 19 april 2002), JLMB 2003, 1009; E. LEROY, “Repenser le formalisme”, (noot onder Cass. 19 april 2002), RCJB 2003, 333). Onder referentieadres wordt immers verstaan “het adres van ofwel een natuurlijke persoon die is ingeschreven in het bevolkingsregister op de plaats waar hij zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd, ofwel een rechtspersoon en waar, met de toestemming van deze natuurlijke persoon of deze rechtspersoon, een natuurlijke persoon zonder vaste verblijfplaats is ingeschreven” (art. 1, §2 Wet 19 juli 1991 (eigen onderlijning)).

Zo bepaalt dit artikel sedert de Wet van 24 januari 1997 (BS 6 maart 1997) uitdrukkelijk dat personen die bij gebrek aan voldoende bestaansmiddelen geen verblijfplaats hebben of meer hebben en die bij gebrek aan inschrijving in de bevolkingsregisters geen maatschappelijke bijstand kunnen genieten van een OCMW of om het even welk ander sociaal voordeel, ingeschreven kunnen worden op het adres van het OCMW van de gemeente waar zij gewoonlijk vertoeven. Het betrof een nieuwe maatregel om de toestand van daklozen te verbeteren (Omzendbr. 24 mei 1997 betreffende de invoering van de mogelijkheid voor daklozen een referentieadres bij het OCMW te bekomen, BS 24 mei 1997; Omzendbr. 13 september 2006 betreffende daklozen – bevoegd OCMW – referentieadres – inschrijving en schrapping van een inschrijving, BS 12 oktober 2006).

De inschrijving op een referentieadres vereist wel dat men bij geen enkele gemeente is ingeschreven in het bevolkingsregister. In de praktijk betekent dit dat, zo een persoon wil ingeschreven worden op een referentieadres, maar hij wel nog in het bevolkingsregister van een gemeente is ingeschreven, hij door dat gemeentebestuur eerst van ambstwege moet worden afgevoerd. De reeds aangehaalde Omzendbrief van 13 september 2006 bepaalt ter zake:

“Sommige OCMW’s roepen het feit in dat een dakloze nog is ingeschreven in een andere gemeente, om inschrijving te weigeren op een referentieadres. Om de dakloze te helpen (…), moet het centrum bij de gemeente stappen ondernemen voor de schrapping van de vroegere inschrijving van de betrokkene (…).

4. Het fictieve karakter van het referentieadres neemt niet weg dat daaruit een vermoeden van werkelijk verblijf in België kan worden afgeleid, omdat zodanig adres enkel kan worden bekomen door Belgen en door vreemdelingen die toegelaten of gemachtigd zijn om voor een langere termijn dan drie maanden in het Rijk te verblijven of die gemachtigd zijn zich er te vestigen (art. 1, §2 in samenlezing met art. 1, §1, 1° Wet 19 juli 1991). en waarvan dus mag worden vermoed dat zij in principe in het land verblijven Een referentieadres bij het OCMW van een gemeente kan daarenboven slechts bekomen worden indien men gewoonlijk vertoeft in die gemeente.

Verder mag niet uit het oog worden verloren dat de mogelijkheid voor personen zonder vaste verblijfplaats om zich in te schrijven op een referentieadres net werd ingevoerd om te vermijden dat mensen hun band met hun gemeentebestuur, en ruimer gesteld, met sociale en gerechtelijke instanties zouden verliezen (Parl. St. Kamer 1995-1996, nr. 122/1, 2-3; Adv.-Gen. WERQUIN, concl. Bij Cass. 19 april 2002, Arr. Cass. 2002, 1055-1056). De toekenning van een referentieadres bij het OCMW strekt in het bijzonder ertoe een betere integratie van deze personen in de maatschappij te verwezenlijken, en vooral, hun rechten op sociale uitkeringen te vrijwaren (Omzendbr. 24 mei 1997 betreffende de invoering van de mogelijkheid voor daklozen een referentieadres bij het OCMW te bekomen, BS 24 mei 1997; Omzendbr. 13 september 2006 betreffende daklozen – bevoegd OCMW – referentieadres – inschrijving en schrapping van een inschrijving, BS 12 oktober 2006. Zie ook Arbrb. Gent (10e k.) 8 april 2005, OCMW-Visies 2005, afl. 3, 60; Arbrb. Brussel 17 juni 2008, Soc. Kron. 2010, 110).