uit F. Knight, Risk, uncertainty and profit, Boston, Hart, Schaffner & Marx, 1921, http://www.econlib.org/library/Knight/knRUPCover.html
III.IX.17 - The production-distribution system is worked out through offers and counter-offers, made on the basis of anticipations, of two kinds. The laborer asks what he thinks the entrepreneur will be able to pay, and in any case will not accept less than he can get from some other entrepreneur, or by turning entrepreneur himself. In the same way the entrepreneur offers to any laborer what he thinks he must in order to secure his services, and in any case not more than he thinks the laborer will actually be worth to him, keeping in mind what he can get by turning laborer himself. The whole calculation is in the future; past and even present conditions operate only as grounds of prediction as to what may be anticipated.
III.IX.18 - Since in a free market there can be but one price on any commodity, a general wage rate must result from this competitive bidding. The rate established may be described as the socially or competitively anticipated value of the laborer's product, using the term "product" in the sense of specific contribution, as already explained. It is not the opinion of the future held by either party to an employment bargain which determines the rate; these opinions merely set maximum and minimum limits outside of which the agreement cannot take place. The mechanism of price adjustment is the same as in any other market. There is always an established uniform rate, which is kept constantly at the point which equates the supply and demand. If at any moment there are more bidders willing to employ at a higher rate than there are employees willing to accept the established rate, the rate will rise accordingly, and similarly if there is a balance of opinion in the opposite direction. The final decision by any individual as to what to do is based on a comparison of a momentarily existing price with a subjective judgment of significance of the commodity. The judgment in this case relates to the indirect significance derived from a twofold estimate of the future, involving both technological and price uncertainties. The employer in deciding whether to offer the current wage, and the employee in deciding whether to accept it, must estimate the technical or physically measured product (specific contribution) of the labor and the price to be expected for that product when it comes upon the market. The estimation may involve two sorts of calculation or estimate of probability. The venture itself may be of the nature of a gamble, involving a large proportion of inherently unpredictable factors. In such a case the decision depends upon an "estimate" of an "objective probability" of success, or of a series of such probabilities corresponding to various degrees of success or failure. And normally, in the case of intelligent men, account will be taken of the probable "true value" of the estimates in the case of all estimated factors.
III.IX.19 - The meaning of the term "social" or "competitive" anticipation will now be clear. The question in the mind of either party to an employment agreement relates simply to the fact of a difference between the current standard of remuneration for the services being bargained for and his own estimate of their worth, discounted by probability allowances. The magnitude of the difference is altogether immaterial. The prospective employer may know absolutely that the service has a value to him ever so much greater than the price he is paying, but he will have to pay only the competitively established rate, and his purchase will affect this rate no more than if he were ever so hesitant about the bargain, just so he makes it. It is the general estimate of the magnitudes involved, in the sense of a "marginal" demand price, which fixes the actual current rate.
Posts tonen met het label arbeid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label arbeid. Alle posts tonen
16 april 2010
10 september 2009
Een minimuloonwet voor België? De misplaatste anti-armoedefunctie van minimumlonen
door Koen Nevens1. Volgens de cijfers van Eurostat behoort ons land wat betreft minimumlonen tot de top-vijf in Europa. Met een gemiddeld minimum-maandinkomen (GMMI) van 1387,5 euro laat België zich enkel voorbijsteken door buurland Luxemburg en door Ierland, een land dat pakweg dertig jaar geleden nog werd vergeleken met een derdewereldland (zie Trends 4 augustus 2009).
Een pikant detail is dat België - in tegenstelling tot sommige andere Europese landen - geen algemene minimumloonwet kent. De loonbarema's worden hier vastgesteld door de sociale partners bij wege van sectorale CAO's. De CAO's nr. 43 en 50 inzake het GMMI van de Nationale Arbeidsraad gelden als ultieme sleutel op deur. De vraag kan dus worden gesteld: heeft ons land baat bij een (per hypothese vooralsnog federale) minimumloonwet en zo ja, hoe hoog moet dat minimumloon dan wel zijn?
2. Zowel op politiek als op academisch vlak wordt er wel wat gedebatteerd over de zin en onzin van minimumloonwetgeving. Naar aanleiding van de Europese verkiezingen bepleitte de sp.a. bij monde van Kathleen Van Brempt bijvoorbeeld nog de invoering van een europees minimumloon, wat bij sommigen op hoongelach werd onthaald. Een blik op het kaartje hierboven zegt genoeg: Oost-Europa kleurt zowat integraal in het geel. De loonstandaarden liggen er toch wel ver van hetgeen West-Europeanen gewend zijn. Hoe krijg je daar lijn in? Eerlijkheidshalve moet wel worden gezegd dat de Europese socialistische fractie veeleer voor "a European pact on wages" ijvert (PES Manifesto 2009, p. 31), blijkbaar te begrijpen als een soort richtsnoeren vergelijkbaar met deze eigen aan de Lissabon-strategie (de zogeheten open methode van coördinatie).
In Duitsland pleit de SPD dan weer voor de invoering van een nationaal minimumloon. Het debat werd er 'getriggerd' door het zogeheten fenomeen van de "working poor", een fenomeen dat volgens de ABVV ook in ons land voorkomt en hen bijgevolg naar aanloop van de interprofessionele onderhandelingen van 2008 ook aanzette een hoger minimumloon te eisen. Traditioneel wordt dit fenomeen, dat inhoudt dat een (groeiend) segment van de (werkende) bevolking aan een laag tot zeer laag loon is tewerkgesteld en bijgevolg zelfs is aangewezen op meer dan één job, nochtans opgevat als een 'Amerikaanse' toestand. Een weliswaar ietwat gedateerd onderzoek van Bea Cantillon (De welvaartsstaat in de kering, Kappellen, Pelckmans, 1999) geeft zelfs aan dat armoede onder werkenden in ons land zich op een laag niveau bevindt. "De arbeidsmarktinstituten zoals hoge minimumlonen, collectieve loononderhandelingen, arbeidsbescherming en de combinatie van arbeids- en vervangingsinkomens op gezinsniveau" worden als verklaring aangereikt (p. 133).
3. Enkele jaren geleden, in 2006, deed prof.dr. Marc De Vos in een nota het relaas van het minimumloon-debat in de Verenigde Staten, dat hij ook in ons land zag opdoemen. Hij waarschuwde: "Al bij al dreigen hogere minimumlonen dus langs diverse wegen een pijnlijk neveneffect te generen: minder werk voor de minder productieve werknemers in de kwetsbare sectoren." De argumentatie van De Vos ligt volledig in de lijn van Amerikaanse studies van (neo-klassieke) economisten die zich keren tegen het opleggen van minimumlonen (zie hieromtrent S. Deakin & F. Wilkinson, "Minimum wage legislation", in Encyclopediae of Law & Economics).
Er moet echter worden vastgesteld dat de opvatting dat minimumlonen een negatief effect heeft op de tewerkstellingsgraad betwistbaar is en zeker niet altijd bevestigd wordt door economische studies (Zie S. Deakin & F. Wilkinson, supra; G. Davidov, "A purposive interpretation of the national Minimum Wage Act", (2009) 72 MLR 581-606). Uiteindelijk kan trouwens worden aangesloten bij de conclusie van Deakin en Wilkinson:
"There are trade-offs between short-run adjustment costs and long-run improvements to productivity and performance which are, however, difficult to assess. This may lead us to conclude that while the economic analysis of labour standards may help improve our understanding of how such laws operate, in and of itself it does not provide clear normative guidance to policy makers. At the end of the day, the case for social policy interventions will continue to be made on broader, ethical grounds."
4. De ethische grondslag van minimumloonwetgeving is volgens Davidov te vinden in 'redistributive justice' en 'human dignity of workers'. Vooral die eerste zienswijze wordt bekritiseerd door Noah Zatz ("The minimum wage as a civil rights protection: an alternative to antipoverty arguments?", http://www.ssrn.com/) die erop wijst dat minimumloonwetgeving niets van doen heeft met het bestrijden van armoede en het herverdelen van welvaart. Hij wijst terecht erop dat een laag loon niet gelijk staat aan armoede en omgekeerd. Armoede is trouwens iets waar niet-werkenden ook door getroffen kunnen worden, een fenomeen waaraan een opgelegd minimumloon niets verhelpt.
In de reeds aangehaalde studie van Cantillon wordt in de verf gezet dat er maar een gedeeltelijke overlapping is tussen lage lonen en armoede en dat sommige lageloonwerkers deel uitmaken van een meerverdienershuishouden, dat dient als buffer tegen armoede (pp. 84 en 128). Hetzelfde fenomeen houdt tal van werklozen uit de armoede. Het probleem blijft echter dat "tweeverdienerschap" de norm is geworden. Dat maakt solo-verdieners, zelfs al genieten zij een behoorlijk inkomen, vanuit armoede-perspectief een kwetsbare groep, om nog maar te zwijgen van alleenstaanden zonder werk of koppels waarvan beide partners geen arbeidsinkomen genieten. De scheidingslijn ligt dus tussen meerinkomensgezinnen en de rest (p. 141-143). Een opgelegd (individueel) minimumloon kan hieraan niet verhelpen, integendeel.
5. Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat het opleggen of vaststellen van een minimumloon geen zin heeft of niet te rechtvaardigen valt, zonder uit het oog te verliezen dat het minimumloon slechts een minimum is en dus niet bedoeld is te gelden als loonstandaard. Voor Davidov is het duidelijk dat met zodanige maatregel gevolg wordt gegeven aan het principe waarop de Internationale Arbeidsorganisatie: "Work is not a commodity". De Amerikaanse auteur Zatz vraagt zich echter af wat dan wel de eerlijke prijs is voor arbeid. Hoe moet arbeid worden gewaardeerd? En wanneer is die waardering manifest ontoereikend?
Artikel 23 GW inroepen brengt niet veel zoden aan de dijk: de beloning moet volgens dit grondwetsartikel "billijk" zijn. Het herziene Europees Sociaal Handvest (art. 4) is al heel wat concreter. Het loon moet van het niveau zijn om "a decent standard of living for [the workers] and their families" te garanderen. Daarmee sluipt het anti-armoedefunctie toch weer binnen, want het loon moet blijkbaar ook instaan voor het onderhoud van de partner en van de andere leden van het gezin, in het bijzonder de kinderen. Het minimumloon streeft blijkbaar niet enkel de handhaving van de menselijke waardigheid van de werknemer na, maar ook deze van zijn gezinsleden. Nochtans is het goed mogelijk dat deze gezinsleden zelf een (arbeids)inkomen genieten. De visie dat het loon een gezinsinkomen moet verstrekken is eigenlijk ietwat gedateerd en leunt zeer nauw aan bij het in de praktijk vaak voorbijgestreefde "male breadwinner"-model. Het gevolg daarvan is dat er op macroniveau een zekere overcompensatie plaatsvindt van de arbeid die wordt gepresteerd door tweeverdieners.
Uiteindelijk zou de vraag kunnen worden gesteld of bij de bepaling van het minimumloon er geen rekening moet worden gehouden met de gezinstoestand van de betrokken werknemer. Deze gezinsmodalisering is zeer gebruikelijk in het socialezekerheidswetgeving, maar lijkt ondenkbaar in een arbeidsrechtelijke context, die zoals het gehele recht vandaag sterk doordrenkt is door het gelijkheidsdenken. Waarom dan zou een werknemer met gezinslast recht hebben op een hoger minimumloon ten laste van de werkgever in vergelijking met de collega-werknemer zonder gezinslast? Tenslotte presteren zij immers dezelfde arbeid. En zo zijn we weer naar af: wat is dan de intrinsieke waarde van die arbeid?
10 juni 2009
Franse Hof van Cassatie fan van Temptation Island: deelnemers zijn werknemers!
door K. Nevens
1. De trouwe lezer van deze blog zal zich het bericht herinneren waarin werd gewezen op een arrest van het Hof van Beroep te Parijs, dat had geoordeeld dat deelnemers aan het televisieprogramma "Île de la Tentation" (Temptation Island) als werknemers moeten worden beschouwd ("Franse deelnemers aan Temptation Island willen werknemersstatuut, of nog, de verleiding van het arbeidsrecht"). Ik wees toen ook erop dat het cassatieberoep hangende was, maar dat het twijfelachtig was of het Franse Hof van Cassatie het arrest zou verbreken. Ik schreef meer bepaald: "Het Hof van Cassatie kan immers wel een wettigheidstoezicht uitoefenen met betrekking tot het wetsbegrip 'arbeid', maar het past niet in de opdracht van dit hoogste rechtscollege om de feitelijke beoordelingen van het Parijse Hof te censureren." Hetzelfde geldt trouwens ook voor de andere voor een arbeidsovereenkomst essentiële elementen, zoals gezag en loon.
In zijn arrest van 3 juni 2009 doet het Franse Hof van Cassatie zoals ik had voorspeld: het laat de feitelijke beoordeling van het Parijse rechtscollege ongemoeid. Het Hof overweegt:
"Qu’ayant constaté que les participants avaient l’obligation de prendre part aux différentes activités et réunions, qu’ils devaient suivre les règles du programme définies unilatéralement par le producteur, qu’ils étaient orientés dans l’analyse de leur conduite, que certaines scènes étaient répétées pour valoriser des moments essentiels, que les heures de réveil et de sommeil étaient fixées par la production, que le règlement leur imposait une disponibilité permanente, avec interdiction de sortir du site et de communiquer avec l’extérieur, et stipulait que toute infraction aux obligations contractuelles pourrait être sanctionnée par le renvoi, la cour d’appel, qui, répondant aux conclusions, a caractérisé l’existence d’une prestation de travail exécutée sous la subordination de la société Glem, et ayant pour objet la production d'une "série télévisée", prestation consistant pour les participants, pendant un temps et dans un lieu sans rapport avec le déroulement habituel de leur vie personnelle, à prendre part à des activités imposées et à exprimer des réactions attendues, ce qui la distingue du seul enregistrement de leur vie quotidienne, et qui a souverainement retenu que le versement de la somme de 1 525 euros avait pour cause le travail exécuté, a pu en déduire, sans dénaturation et abstraction faite des motifs surabondants critiqués par les huitième et neuvième branches, que les participants étaient liés par un contrat de travail à la société de production ; que le moyen n’est pas fondé".
2. In een persbericht zonder juridische waarde geeft het Franse Hof van Cassatie te kennen dat "(l)’apport de cet arrêt réside dans la confirmation que le lien de subordination constitue le “critère décisif” du contrat de travail et que dès lors qu’elle est exécutée, non pas à titre d’activité privée mais dans un lien de subordination, pour le compte et dans l’intérêt d’un tiers en vue de la production d’un bien ayant une valeur économique, l’activité, quelle qu’elle soit, peu important qu’elle soit ludique ou exempte de pénibilité, est une prestation de travail soumise au droit du travail." De advocaat-generaal bij het Franse Hof van Cassatie had tevergeefs het tegendeel gepleit.
Zie ook: "L'état de subordination qui crevait les yeux ou la reconnaisance de la qualité de salariés aux participants de l'île de la tentation", objectifdroitdutravail.blogspot.com, 4 juni 2009.
1. De trouwe lezer van deze blog zal zich het bericht herinneren waarin werd gewezen op een arrest van het Hof van Beroep te Parijs, dat had geoordeeld dat deelnemers aan het televisieprogramma "Île de la Tentation" (Temptation Island) als werknemers moeten worden beschouwd ("Franse deelnemers aan Temptation Island willen werknemersstatuut, of nog, de verleiding van het arbeidsrecht"). Ik wees toen ook erop dat het cassatieberoep hangende was, maar dat het twijfelachtig was of het Franse Hof van Cassatie het arrest zou verbreken. Ik schreef meer bepaald: "Het Hof van Cassatie kan immers wel een wettigheidstoezicht uitoefenen met betrekking tot het wetsbegrip 'arbeid', maar het past niet in de opdracht van dit hoogste rechtscollege om de feitelijke beoordelingen van het Parijse Hof te censureren." Hetzelfde geldt trouwens ook voor de andere voor een arbeidsovereenkomst essentiële elementen, zoals gezag en loon.
In zijn arrest van 3 juni 2009 doet het Franse Hof van Cassatie zoals ik had voorspeld: het laat de feitelijke beoordeling van het Parijse rechtscollege ongemoeid. Het Hof overweegt:
"Qu’ayant constaté que les participants avaient l’obligation de prendre part aux différentes activités et réunions, qu’ils devaient suivre les règles du programme définies unilatéralement par le producteur, qu’ils étaient orientés dans l’analyse de leur conduite, que certaines scènes étaient répétées pour valoriser des moments essentiels, que les heures de réveil et de sommeil étaient fixées par la production, que le règlement leur imposait une disponibilité permanente, avec interdiction de sortir du site et de communiquer avec l’extérieur, et stipulait que toute infraction aux obligations contractuelles pourrait être sanctionnée par le renvoi, la cour d’appel, qui, répondant aux conclusions, a caractérisé l’existence d’une prestation de travail exécutée sous la subordination de la société Glem, et ayant pour objet la production d'une "série télévisée", prestation consistant pour les participants, pendant un temps et dans un lieu sans rapport avec le déroulement habituel de leur vie personnelle, à prendre part à des activités imposées et à exprimer des réactions attendues, ce qui la distingue du seul enregistrement de leur vie quotidienne, et qui a souverainement retenu que le versement de la somme de 1 525 euros avait pour cause le travail exécuté, a pu en déduire, sans dénaturation et abstraction faite des motifs surabondants critiqués par les huitième et neuvième branches, que les participants étaient liés par un contrat de travail à la société de production ; que le moyen n’est pas fondé".
2. In een persbericht zonder juridische waarde geeft het Franse Hof van Cassatie te kennen dat "(l)’apport de cet arrêt réside dans la confirmation que le lien de subordination constitue le “critère décisif” du contrat de travail et que dès lors qu’elle est exécutée, non pas à titre d’activité privée mais dans un lien de subordination, pour le compte et dans l’intérêt d’un tiers en vue de la production d’un bien ayant une valeur économique, l’activité, quelle qu’elle soit, peu important qu’elle soit ludique ou exempte de pénibilité, est une prestation de travail soumise au droit du travail." De advocaat-generaal bij het Franse Hof van Cassatie had tevergeefs het tegendeel gepleit.
Zie ook: "L'état de subordination qui crevait les yeux ou la reconnaisance de la qualité de salariés aux participants de l'île de la tentation", objectifdroitdutravail.blogspot.com, 4 juni 2009.
29 januari 2009
Franse deelnemers aan Temptation Island willen werknemersstatuut, of nog, de verleiding van het arbeidsrecht.
door Koen Nevens
1. We schrijven 12 februari 2008. Het Hof van Beroep te Parijs wijst een arrest waarin het 'deelnemingsreglement' aan Temptation Island (Île de la Tentation) op vordering van een ex-deelneemster wordt geherkwalificeerd tot een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur. "Quel talent, quel courage!", was de reactie op een Franse blog inzake arbeidsrecht. Het Hof overwoog meer bepaald dat "l'existence d'un contrat de travail ne dépend ni de la volonté des parties ni de la dénomination de la convention mais des conditions de fait dans lesquelles est exercée l'activité de la personne concernée". Na een analyse van het zogeheten deelnemingsreglement komt het Hof tot het besluit dat er wel degelijk sprake is van "arbeid" en van "gezag", twee van de drie essentiële elementen van een arbeidsovereenkomst. Ook het derde element "loon" acht het Hof bewezen, want de ex-deelneemster had, naast tal van voordelen in natura, tevens een som van 1.525 euro netto ontvangen.
Ook het Franse Hof van Cassatie zal zich binnenkort over de zaak moeten uitspreken, omdat het productiehuis van de Franse versie van Temptation Island, niet geheel onverwacht, een voorziening tot cassatie heeft ingediend tegen het arrest van het Hof van Beroep van Parijs, dat in de ogen van het productiehuis en tv-zender TF1 een kwalijk precedent heeft gecreëerd.
2. De zaak is vooral interessant wat betreft het begrip "arbeid". Naar Belgisch recht wordt aangenomen dat een arbeidsovereenkomst "beroepsarbeid" vereist, een begrip dat soms zo wordt geïnterpreteerd dat de arbeid de werkgever tot nut moet strekken en soms zo dat de (potentiële) werknemer het oogmerk moet hebben om met die arbeid in zijn levensonderhoud te voorzien, hetgeen wel eens wordt gereduceerd en gesimplifieerd tot de vraag of (potentiële) werknemer voor zijn arbeid wordt vergoed en wat dan wel de omvang is van deze vergoeding (Zie hieromtrent B. Lietaert, "Als sport nutteloos is", (noot onder Arbrb. Tongeren 6 maart 2006, RABG 20061051 e.v.). Voor Marc De Vos zijn deze twee interpretaties twee zijden van dezelfde medaille (Loon naar Belgisch arbeidsovereenkomstenrecht, Antwerpen, Maklu, 2001, 96-97).
Abonneren op:
Reacties (Atom)