Posts tonen met het label Grondwettelijk Hof. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Grondwettelijk Hof. Alle posts tonen

06 december 2014

De verjaring van de terugvordering van een sluitingsvergoeding door het FSO

door K. Nevens

De Sluitingswet 2002 bevatte lange tijd geen bijzondere verjaringstermijn wat betreft de terugvordering van ten onrechte betaalde vergoedingen door het Fonds Sluiting Ondernemingen. In de rechtspraak en rechtsleer werd dan ook aangenomen dat de tienjarige verjaringstermijn uit artikel 2277 BW kon en moest worden toegepast (cf. A. Lindemans, "De verjaring in bijzondere wetgevingen over arbeidsrechtelijke aangelegenheden", in ATO, O-1004, 125). In een arrest van 10 maart 2011 overwoog het Grondwettelijk Hof echter met betrekking tot de voormalige Sluitingswet van 1966, die evenmin een bijzondere verjaringstermijn vermeldde, dat dit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel (art. 10 en 11 GW), dit in vergelijking met de kortere verjaringstermijnen die gelden voor andere onverschuldigd betaalde sociale uitkeringen (arrest nr. 34/2011).

Bij wet van 30 juli 2013 werd dan ook een artikel 72/1 ingevoegd in de Sluitingswet 2002. Deze bepaling, die in werking trad op 11 augustus 2013, luidt als volgt:
“§1. De terugvordering van de ten onrechte aan de werknemer verrichte betalingen op basis van de artikelen 33, 35, 41, 47, 49 en 51 verjaart na drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de betaling werd verricht. De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt teruggebracht tot zes maanden indien de betaling enkel het gevolg is van een vergissing van het Fonds, waarvan de werknemer zich normaliter geen rekenschap kon geven. De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt verlengd tot vijf jaar indien ten onrechte werd betaald in geval van bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen van de werknemer.”
In de memorie van toelichting bij deze wet wordt de wetswijziging als volgt gemotiveerd:
“In zijn arrest nr. 34/2011 van 10 maart 2011 heeft het Grondwettelijk Hof voor recht gezegd dat “De wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat zij geen enkele bepaling bevat betref-fende de verjaringstermijn van de vordering tot terugbetaling van de vergoeding voor sluiting van een onderneming”. Voormelde wet van 28 juni 1966 werd opgeheven door voormelde wet van 26 juni 2002. Niettemin moet deze laatste wetgeving in overeenstemming worden gebracht met het arrest nr. 34/2011 aangezien deze wet geen enkele specifi eke bepaling bevat met betrekking tot de verjaringstermijn van de vordering tot terugbetaling van geldsommen dat het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers ten onrechte heeft betaald aan de werkne-mer. Dat is het doel dat wordt beoogd met deze wijzigingen, welke zich niet beperken tot de sommen die ten onrechte als sluitingsvergoeding worden betaald door het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, maar alle sommen viseren die worden betaald aan de werknemer op basis van voormelde wet van 26 juni 2002. Een dergelijke aanpak laat toe om de rechtszekerheid te versterken door het vooruitzicht op nieuwe beroepen ingesteld in het kader van vorderingen tot terugbetaling van geldsommen, die niet betaald werden als sluitingsvergoeding, te vermijden. De gekozen verjaringstermijnen zijn grotendeels geïnspireerd op deze voorzien door artikel 30, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van sociale zekerheid voor werknemers. Het Grondwettelijk Hof verwijst expliciet naar deze wettelijke bepaling in zijn arrest nr. 34/2011.” (Parl. St. Kamer 2012-2013, nr. 53-2891, 11)
Gelet op het voorgaande, en teneinde uitwerking te geven aan het aangehaalde arrest van het Grondwettelijk Hof, is het mijns inziens uit den boze de tienjarige verjaringstermijn toe te passen, zelfs indien de betaling van de sluitingspremie geschiedde vòòr de inwerkingtreding van 30 juli 2013. Dit lijkt mij immers het gelijkheidsbeginsel te schenden.

Ook een gedeeltelijke toepassing van de tienjarige verjaringstermijn ingevolge de regels van het overgangsrecht inzake verjaring, lijkt mij in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat de schuldeiser zodoende toch nog altijd voordeel haalt uit de langere verjaringstermijn. Ter herinnering, wanneer een wet voor de verjaring van de vordering een kortere termijn bepaalt dan die gesteld door de vorige wet, en het betrokken recht vòòr de inwerkingtreding van de nieuwe wet is ontstaan, dan begint de nieuwe verjaringstermijn ten vroegste met de inwerkingtreding van de nieuwe wet te lopen, tenzij de verjaring op dat ogenblik reeds zou zijn ingetreden (Cass. 6 maart 1958, Arr. Cass. 1958, 489; Cass. 24 jauari 1997, Arr. Cass. 1997, 107). Dit betekent in concreto dus dat bij een nog niet verstreken verjaring een deel van de oude termijn in beginsel wordt samengeteld met de nieuwe termijn (P. Popelier, Toepassing van de wet in de tijd, in APR, Story-Scientia, 1999, nr. 139).

LIETAERT schrijft dus terecht het volgende: 
“Inderdaad zal de rechter de verjaringstermijn niet toepassen in de mate dat hij discriminerend is. Het gegeven dat een wettelijke regel niet uit de rechtsorde is verdwenen, is zelfs voor een administratie geen rechtvaardiging om de ongrondwettig bevonden wet te blijven toepassen” (“Taak van de feitenrechter bij discriminaties in de wet of door lacunes van de wet”, TSR 2014, 174).
 In een arrest van 14 januari 2013 heeft het Hof van Cassatie nadrukkelijk overwogen dat uit het systeem van de prejudiciële vraagstelling, zoals onder meer geregeld door de artikelen 26 en 28 bijzondere wet Grondwettelijk Hof, volgt dat ook in andere zaken die hetzelfde voorwerp hebben als een reeds beantwoorde prejudiciële vraag, de rechter de wetsbepaling die het Grondwettelijk Hof ongrondwettig heeft bevonden, niet vermag toe te passen (AR C.12.0059.N, www.cass.be).

Daarenboven overwoog ditzelfde Hof in zijn arresten van 14 oktober 2008 en 3 november 2008 dat wanneer het Grondwettelijk Hof vaststelt dat een wetsbepaling een leemte bevat waardoor de artikelen 10 en 11, van de Grondwet worden geschonden, de rechter zo mogelijk deze leemte moet opvullen. Indien aan de ongrondwettigheid zonder meer een einde kan gesteld worden door die wetsbepaling, binnen het kader van de bestaande wettelijke regeling, aan te vullen, dermate dat ze niet meer strijdig is met de artikelen 10 en 11, van de Grondwet, kan en moet de rechter dit doen. De rechter mag dit alleen niet doen wanneer de leemte van die aard is dat zij noodzakelijk vereist dat een volledig andere procesregeling wordt ingevoerd (JT 2008, 755 en JTT 2009, afl. 1030, 87). Het bepalen en toepassen van een kortere verjaringstermijn vereist geenszins de invoering van een volledig andere procesregeling, die uitvoeringsmaatregelen zou vereisen of een geheel nieuwe afweging van sociale belangen zou vereisen.

Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat de wetgever ondertussen bij wet van 30 juli 2013 de bakens heeft uitgezet. Er kan mijns inziens voor betalingen die nog dateren van voor de inwerkingtreding van de wet van 30 juli 2013 dus zonder meer toepassing worden gemaakt van de kortere verjaringstermijnen die thans worden vermeld in het huidige artikel 72/1 van de Sluitingswet, en die zijn geïnspireerd door de verjaringstermijnen vermeld in artikel 30, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van sociale zekerheid voor werknemers.

04 juli 2012

Berekening van de opzeggingsvergoeding bij loopbaanonderbreking/tijdskrediet: Grondwettelijk Hof bestendigt betwistbaar onderscheid

door K. Nevens

1. In zijn arrest nr. 80/2012 van 28 juni laatstleden deed het Grondwettelijk Hof nogmaals uitspraak in een zaak die betrekking had op de wijze waarop de opzeggingsvergoeding moet worden berekend indien een werknemer zijn arbeidsprestaties gedeeltelijk heeft verminderd, met name ingeval van loopbaanonderbreking of tijdskrediet.

De kiem van alle discussies kan worden teruggevonden in het cassatiearrest van 11 december 2006 (nr. S040143N). In dit arrest overwoog het Hof dat de opzeggingsvergoeding ten gunste van een werknemer tewerkgesteld onder het stelsel van de verminderde arbeidsprestaties dient berekend met inachtneming van het loon waarop die werknemer effectief recht heeft op het tijdstip van de kennisgeving van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Hoewel in de lagere rechtspraak en ook in de rechtsleer meteen de vraag rees of deze rechtspraak wel in overeenstemming is met het gelijkheidsbeginsel, gaf het Grondwettelijk Hof in twee arresten zijn aval aan de rechtspraak van het Hof van Cassatie (zie GwH 13 maart 2008, nr. 51/2008 en 8 mei 2008, nr. 77/2008).

Het Hof van Justitie was veel minder enthousiast. In navolging van de conclusie van advocaat-generaal Kokott oordeelde dit supranationaal rechtscollege dat de Europese raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof eraan in de weg staat dat, wanneer een werkgever de arbeidsovereenkomst van een voor onbepaalde tijd voltijds in dienst genomen werknemer tijdens diens deeltijds ouderschapsverlof zonder dringende reden of zonder inachtneming van de wettelijk bepaalde opzeggingstermijn eenzijdig beëindigt, de aan de werknemer te betalen vergoeding wordt bepaald op basis van het verminderde loon dat hij ontvangt op het tijdstip van het ontslag (zie HvJ, nr. 116/08, 22 oktober 2009). Het Hof van Cassatie schikte zich willens nillens naar deze uitspraak van het Hof van Justitie (zie Cass. 15 februari 2010, S.07.0027.N).  

Ondertussen had het Grondwettelijk Hof in een arrest van 28 mei 2009 (nr. 89/2009) ook reeds geoordeeld dat de opzeggingsvergoeding van een arbeidsongeschikte werknemer die deeltijds het werk hervat wel degelijk moet worden berekend op basis van het voltijdse loon. Het Hof rechtvaardigt deze afwijkende oplossing door te verwijzen naar het feit dat een werknemer niet ervoor kiest arbeidsongeschikt te worden en bijgevolg niet uit vrije keuze in een welbepaalde situatie wordt gebracht.

2. In arrest nr. 80/2012 oordeelt het Grondwettelijk Hof nu dat ook bij zorgverlof (een vorm van tijdskrediet) ingeval van een ontslag tijdens de vermindering van de arbeidsprestaties, de opzeggingsvergoeding dient te worden berekend aan de hand van het effectief verdiende loon. 

De Arbeidsrechtbank te Antwerpen had in zijn prejudiciële vraag - in de lijn van de eerdere rechtspraak van het Grondwettelijk Hof - nochtans aangegeven dat de werknemer die zorgverlof neemt, daartoe gedwongen wordt, dit in tegenstelling tot andere werknemers die hun arbeidsprestaties verminderen. Het Grondwettelijk Hof wees die interpretatie van de hand. Volgens het Hof kiest een werknemer er wel degelijk voor om zorgverlof op te nemen.

De vraag kan worden gesteld of het Grondwettelijk Hof eigenlijk zijn boekje niet te buiten is gegaan. De Arbeidsrechtbank te Antwerpen had in zijn prejudiciële vraag immers zelf aangegeven - als uitgangspunt of als premisse - dat een werknemer die zorgverlof opneemt, in tegenstelling tot de andere loopbaanonderbrekers en tijdskredieters, daar wel degelijk (de facto) toe gedwongen wordt. Het lijkt mij niet dat het aan het Grondwettelijk Hof toekomt deze beoordeling van de lagere rechter in vraag te stellen en zodoende eigenlijk de vraag van zijn essentie te beroven. Het Hof moet een antwoord geven op de gestelde vraag, niet de vraagstelling zelf beoordelen.

In elk geval handhaaft het Grondwettelijk Hof minstens impliciet het onderscheid gebaseerd op het al dan niet vrijwillig karakter van de vermindering van arbeidsprestaties, en beslist het vooral zelf te bepalen wanneer het opnemen van loopbaanonderderbreking of tijdskrediet wel of niet uit vrije keuze is geschied. Welke criteria het Hof daarbij hanteert is daarbij onduidelijk. Gaat het bijvoorbeeld om een juridische of een feitelijke vrijheid? In een eerder blogbericht werd reeds gewezen op een vonnis van de Arbeidsrechtbank te Gent van 7 september 2009 waarin als criterium de 'feitelijke vrijheid' werd genomen. In arrest nr. 80/2012 lijkt het Grondwettelijk Hof veeleer te opteren voor de al dan niet aanwezigheid van een 'juridische vrijheid', los van de concrete feitelijke omstandigheden.

3. Nog los van de vraag of er reden bestaat om dergelijk onderscheid te maken, dat nergens in de wet is terug te vinden (zie W. Vandeputte, "Deeltijds hervatten werk na arbeidsongeschiktheid loont weer", Sociaalrecht Blog 3 juni 2009), is het door het Hof gehanteerde criterium nog voor andere redenen voor kritiek vatbaar.

Zo wees ik reeds erop in het arrest nr. 89/2009 ten onrechte ervan uit wordt gegaan dat een arbeidsongeschikte werknemer die deeltijds het werk hervat, dit niet vrijwillig doet. Het onvrijwillige ligt hem in het feit van de ziekte of het ongeval, maar niet in de beslissing om deeltijds het werk te hervatten (zie K. Nevens, "Vrijwillig tijdskrediet, gedwongen tijdskrediet en de berekening van de opzeggingsvergoeding", Sociaalrecht Blog 3 oktober 2009). Hetzelfde kan mijns inziens worden gezegd van de werknemer die wenst zorgverlof op te nemen: ook hij of zij wordt geconfronteerd met een onverwacht feit, waaraan hij/zij zijn arbeidsregime wil aanpassen. Het Grondwettelijk Hof praat een onderscheiden behandeling niettemin goed door erop te wijzen dat de ziekte in het tweede geval niet aan de werknemer zelf overkomt of is overkomen. Deze interpretatie lijkt me nochtans een hinderpaal te zijn of te creëren voor die werknemers die overwegen gebruik te maken van het zorgverlof. Zet het Grondwettelijk Hof zodoende geen hypotheek op het systeem van het zorgverlof?

Voorts wees ik ook reeds erop dat het onderscheid dat het Grondwettelijk Hof maakt helemaal niet wordt bijgetreden door het Hof van Justitie. Het feit dat de opzeggingsvergoeding van werknemers die ouderschapsverlof nemen, moet worden berekend op het voltijds loon, heeft niets van doen met het vermeende onvrijwillige karakter van het ouderschap, maar houdt net verband met de bezorgdheid om de ratio en de finaliteit van het regime van het ouderschapsverlof niet te hypothekeren.  het Hof van Justitie kiest resoluut voor een teleologische interpretatie die gunstig is voor de betrokken werknemers, terwijl de rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof vooral lijkt ingegeven door het oogmerk om de kosten van een ontslag niet te verhogen, hetgeen mogelijk ingaat tegen de wil van de wetgever of de sociale partners.

4. Ik merkte in het verlengde van het arrest van het Hof van Justitie op dat er in de Belgische rechtsorde nu mogelijk sprake is van een ongelijke behandeling tussen werknemers die ouderschapsverlof genieten en andere tijdskredieters. Deze vraag  werd reeds voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof en negatief beantwoord (zie arrest nr. 167/2011, 10 november 2011). Het Grondwettelijk Hof is de mening toegedaan dat de uitspraak van het Hof van Justitie moet worden geplaatst binnen de Europeesrechtelijke context van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof en wees voorts erop dat de wetgever artikel 105, § 3, van de wet van 22 januari 1985 had gewijzigd om zich te conformeren aan de rechtspraak van het Hof van Justitie. Het Grondwettelijke Hof zegt dan, en ik citeer:
"Uit de parlementaire voorbereiding van die bepaling blijkt dat die regeling enkel betrekking heeft op het ouderschapsverlof en niet op andere vormen van deeltijdse arbeid. Een amendement om de regeling uit te breiden tot alle vormen van vermindering van arbeidsprestaties met toepassing van de afdelingen 3 en 3bis van de wet van 22 januari 1985 is niet aangenomen". 
Het Grondwettelijk Hof maakt er zich hier toch wel heel gemakkelijk van af. Alsof het loutere feit dat de wetgever ervoor heeft gekozen een onderscheid te maken, als dusdanig dat onderscheid rechtvaardigt... Zo dat het geval zou zijn, dan is het instituut 'Grondwettelijk Hof' zonder meer overbodig, want dan bestaan er per definitie geen discriminaties meer in de wetgeving. Het lijkt me net de taak van het Grondwettelijk Hof om ten gronde - op basis van de ratio en de finaliteit van een welbepaalde wetgeving - na te gaan of er sprake is van een ongeoorloofde ongelijke behandeling, zonder zich weg te steken achter Europese regelgeving, achter rechtspraak van het Hof van Justitie of achter een noodingreep van de Belgische wetgever.



01 maart 2012

Solidariteitsbijdrage uit art. 22quater RSZ-wet is geen straf in de zin van art. 6 EVRM

 GwH 1 maart 2012, nr. 28/2012


De prejudiciële vraag

Schendt artikel 22quater van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, geïnterpreteerd in de zin dat [de] erin vervatte solidariteitsbijdrage een bijzondere manier van herstel of terugbetaling van burgerrechtelijke aard [betreft], bestemd om, in het belang van de financiering van de sociale zekerheid, een einde te maken aan een met de wet strijdige situatie, dan wel geïnterpreteerd als een straf in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en artikel 14 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, rekening houdend met de hoofdzakelijk repressieve doelstelling van de wetgever, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het artikel 14.7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en het algemeen rechtsbeginsel ‘ non bis in idem ’, nu het artikel 22quater, in zijn simultane toepassing met het artikel 28 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, kan worden opgelegd naast en boven een administratieve geldboete opgelegd in toepassing van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten ?

Het antwoord van het Hof

Op grond van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem, dat ook is gewaarborgd door artikel 14.7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, mag niemand voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds « overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land » bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken. Dat beginsel is eveneens opgenomen in artikel 4 van het niet door België geratificeerde Zevende Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
Het beginsel non bis in idem verbiedt « een persoon te vervolgen of te berechten voor een tweede ‘ misdrijf ’ voor zover identieke feiten of feiten die in hoofdzaak dezelfde zijn, eraan ten grondslag liggen » (EHRM, grote kamer, 10 februari 2009, Zolotoukhine t. Rusland, § 82).

Het verwijzende rechtscollege interpreteert artikel 22quater van de wet van 27 juni 1969 in die zin dat de in dat artikel bepaalde solidariteitsbijdrage hetzij « een bijzondere manier van herstel of terugbetaling van burgerrechtelijke aard » is, hetzij « een straf » is in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van artikel 14 van het Internationaal Verdrag voor burgerrechten en politieke rechten.

Opdat het beginsel non bis in idem op de in het geding zijnde solidariteitsbijdrage van toepassing kan zijn, dient die solidariteitsbijdrage allereerst een maatregel van strafrechtelijke aard te zijn.

Teneinde te bepalen of het beginsel non bis in idem op de in het geding zijnde maatregel van toepassing kan zijn, dient het Hof derhalve na te gaan of de in het geding zijnde bijdrage een maatregel van strafrechtelijke aard dan wel een maatregel van burgerlijke aard is.

Artikel 71 van de programmawet van 22 december 2008 heeft de in het geding zijnde bepaling ingevoegd in de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Die bepaling werd in de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord :
« Dit artikel voegt in de wet van 27 juni 1969 een nieuw artikel 22quater in, om de bijdragen verschuldigd door de werkgevers die een beroep hebben gedaan op personeel voor wie geen onmiddellijke aangifte van tewerkstelling (Dimona) werd gedaan (zwartwerk) op een forfaitaire manier te berekenen.
Ingevolge de controles door de verschillende diensten van sociale inspectie voert de Rijksdienst voor sociale zekerheid regularisaties op basis van de gedane vaststellingen uit.
Rekening houdend met de bewijslast voor voormelde Rijksdienst heeft de regularisatie - in de vorm van een rechtzettingsbericht - doorgaans enkel betrekking op een dag arbeidsprestaties, namelijk de dag van de controle, of zelfs op slechts enkele uren, terwijl de betrokken persoon sedert een veel langere periode is tewerkgesteld. Enkel de bekentenis van de werknemer of van zijn werkgever, evenals eensluidende getuigenissen van andere werknemers, maken het mogelijk langere perioden zonder een risico op betwisting te regulariseren.
Om dergelijke regularisatie te kunnen doen, moet de Rijksdienst een hele reeks handelingen verrichten, namelijk de identificatie van de werkgever (of zelfs het creëren van de werkgever bij de Kruispuntbank van ondernemingen indien hij daarin nog niet bestaat), de Dimona, de Dmfa (driemaandelijkse multifunctionele aangifte), het in rekening brengen van de verschuldigde bedragen, de verzending van de regularisatie naar de werkgever en, indien de bedragen niet worden betaald, de gerechtelijke invordering ervan.
Bij de Rijksdienst werd de oefening gemaakt om de kosten te evalueren van de behandeling van een kantschrift van een arbeidsauditeur die de ambtshalve onderwerping van een persoon vraagt op basis van een inspectieverslag (kosten per uur naargelang de graad van het personeelslid dat bij het proces is betrokken). Deze kosten werden op 348 euro geraamd indien een beroep moet worden gedaan op een advocaat om de schuldvordering langs gerechtelijke weg terug te vorderen. Deze schuldvordering bedraagt meestal minder dan 50 euro aan bijdragen, met daarbij horende kosten zoals bijdrageopslagen, forfaitaire interesten en vergoedingen.
Het voorgestelde artikel 22quater heeft dus tot doel een bijzondere wijze van vergoeding of teruggave van burgerlijke aard in te voeren om, in het belang van de financiering van de sociale zekerheid, een situatie strijdig met de wet te doen beëindigen door de werkgevers te verplichten een solidariteitsbijdrage te betalen, berekend op een forfaitaire basis gelijk aan het drievoud van de basisbijdragen, op het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen met een geïndexeerd minimumbedrag van 2 500 euro, waarbij aldus ervan wordt uitgegaan dat de werknemer voor wie de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling niet werd gedaan, langer dan een dag werd tewerkgesteld.
Indien de werkgever de werknemer aangeeft voor meer dan een dag tijdens bedoeld kwartaal, zullen de bijdragen verschuldigd voor de daadwerkelijke tewerkstelling van de werknemer worden afgetrokken van de geïndexeerde solidariteitsbijdrage van 2 500 euro. Het is zelfs mogelijk dat de werkgever de werknemer aangeeft voor een periode die overeenstemt met het volledig kwartaal, met een loon waardoor de verschuldigde bijdragen meer zullen bedragen dan de solidariteitsbijdrage, zodat laatstgenoemde bijdrage niet verschuldigd zal zijn.
Een uitzondering op de toepassing van de geïndexeerde solidariteitsbijdrage van 2 500 euro is evenwel voorzien : wanneer inspectiediensten zullen vastgesteld hebben dat de gecontroleerde werknemer zich in de materiële onmogelijkheid bevond om voltijdse arbeidsprestaties te verrichten.
In dit geval verkeert een student die tijdens het weekeinde is tewerkgesteld of voor wie vaststaat dat hij cursussen volgt tijdens de week, of een persoon die bij werkgever A halftijds is tewerkgesteld en voor wie de databanken van de Rijksdienst voor sociale zekerheid aantonen dat hij ook halftijds is aangegeven bij een andere werkgever voor dezelfde tewerkstellingsperiode. Deze verificatie zal gebeuren voordat de voor de regularisatie nodige informatie aan de Rijksdienst wordt medegedeeld.
In casu en als antwoord op de opmerking van de Raad van State, zal het bedrag van de solidariteitsbijdrage proportioneel verminderd worden, wanneer een werkgever zich beroept op een materiële onmogelijkheid om voltijdse arbeidsprestaties te verrichten bijvoorbeeld wanneer een werknemer de eerste maand van het trimester werkloosheidsuitkering genoot. De werkgever dient de nodige elementen aan te brengen zodat de reële prestaties van de werknemer kunnen worden vastgesteld. Indien de werkgever deze elementen niet geeft en ze niet kunnen afgeleid worden uit de databanken van de Rijksdienst voor Sociale zekerheid, zal de gehele solidariteitsbijdrage verschuldigd zijn.Bedoelde regularisatie zal aanleiding geven tot een rechtzettingsbericht met een specifieke boekhoudkundige referentie opdat het rendement van de maatregel op termijn kan worden geëvalueerd » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1607/001, pp. 51-53).

In de Senaat heeft de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid dienaangaande het volgende verklaard :
«Wanneer de inspectie vaststelt dat een werkgever voor een werknemer geen onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, de zogenaamde Dimona-aangifte, heeft gedaan, dient de inspectie om deze werknemer te kunnen regulariseren een hele reeks handelingen te verrichten, namelijk :
- de identificatie van de werkgever of zelfs de creatie van de werkgever bij de Kruispuntbank van ondernemingen indien hij daarin nog niet bestaat
- de Dimona
- de Dmfa (driemaandelijkse multifunctionele aangifte)
- het in rekening brengen van de verschuldigde bedragen
- de verzending van de regularisatie naar de werkgever
- indien de bedragen niet worden betaald, de gerechtelijke invordering ervan.
De kosten van deze handelingen van de inspectie, Rijksdienst voor Sociale zekerheid, arbeidsauditoraat en advocaat bij gerechtelijke invordering, weegt helemaal niet op tegen het gemiddeld bedrag van een schuldvordering. De inspectie dient namelijk op heden verschillende dagen een observatie van de werknemer uit te voeren om te kunnen bewijzen dat de werknemer meer dan één dag niet-aangegeven arbeid verrichte.
Artikel 71 voegt dan ook in de wet van 27 juli 1969 een artikel 22quater in dat tot doel heeft om, in het belang van de financiering van de sociale zekerheid, werkgevers die een beroep hebben gedaan op zwart werk, een forfaitaire solidariteitsbijdrage te doen betalen. Deze solidariteitsbijdrage werd berekend op een forfaitaire basis gelijk aan het drievoud van de basisbijdragen die betaald worden op het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen met een geïndexeerd minimumbedrag van 2 500 euro.
Indien de werkgever de werknemer alsnog aangeeft voor meer dan één dag in het bedoeld kwartaal, worden de betaalde bijdragen verrekend. Tevens wordt in geval de werkgever de materiële onmogelijkheid om voltijdse prestaties bewijst voor het geheel of een deel van het bedoeld kwartaal, dit verrekend » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1050/3, pp. 3-4).

Uit de aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat die solidariteitsbijdrage beoogt alsnog socialezekerheidsbijdragen te innen voor een werknemer ten aanzien van wie werd vastgesteld dat diens prestaties niet tijdig werden aangegeven. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat de werknemer voor wie de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling niet werd gedaan, langer dan een dag werd tewerkgesteld.

De in het geding zijnde solidariteitsbijdrage wordt berekend op een wijze die ertoe strekt de bijdragen, alsook de administratieve kosten verbonden aan de vaststelling van de niet-betaling van socialezekerheidsbijdragen voor arbeidsprestaties die niet zijn aangegeven bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, forfaitair te compenseren.

Hoewel het bedrag van die bijdrage weliswaar wordt berekend los van de duur van de niet-betaling van de bijdragen, op een forfaitaire basis gelijk aan het drievoud van de basisbijdragen die worden betaald op het gewaarborgde gemiddelde minimummaandinkomen, beperkt het zich ertoe als berekeningsbasis het « gemiddelde minimummaandinkomen » te nemen; bovendien, hoewel het verschuldigde bedrag in beginsel niet lager kan liggen dan 2 500 euro, kan dat bedrag worden verminderd met de bijdragen die verschuldigd zijn voor de daadwerkelijk aangegeven prestaties van de betrokken werknemer. In dat opzicht is tijdens de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling verklaard dat, wanneer « de werkgever de werknemer aangeeft voor een periode die overeenstemt met het volledige kwartaal, met een loon waardoor de verschuldigde bijdragen meer zullen bedragen dan de solidariteitsbijdrage […] laatstgenoemde bijdrage niet verschuldigd zal zijn » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1607/001, p. 52), en dit terwijl de sanctie waarin artikel 1bis, § 1, 5°, C), van de wet van 30 juni 1971 voorziet, van toepassing blijft. Wanneer de werkgever kan aantonen dat de werknemer zich in de materiële onmogelijkheid bevond om voltijdse arbeidsprestaties te verrichten, zal het bedrag van de solidariteitsbijdrage evenzo proportioneel worden verminderd.

De in het geding zijnde solidariteitsbijdrage heeft dus geen repressieve functie, daar zij voortvloeit uit de zorg van de wetgever om een forfaitair geëvalueerde schade te herstellen.

Daar de in het geding zijnde bepaling een maatregel van hoofdzakelijk burgerlijke aard invoert, in het belang van de financiering van de sociale zekerheid, kan het beginsel non bis in idem daarop niet van toepassing zijn en is de in het geding zijnde bepaling bijgevolg bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14.7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem.

12 januari 2012

Gewaarborgde kinderbijslag voor kind van erkende staatloze


De prejudiciële vraag

Schendt artikel 1, achtste lid, van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag, in die zin geïnterpreteerd dat het van toepassing is op de staatlozen van wie wordt vastgesteld dat zij buiten hun wil hun nationaliteit hebben verloren en die aantonen dat zij geen wettige en duurzame verblijfstitel kunnen verkrijgen in een andere Staat waarmee zij banden zouden hebben, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2.2 en 26.1 van het Internationaal Verdrag van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind, in zoverre het de erkende staatlozen en de andere categorieën van vreemdelingen op dezelfde wijze behandelt, door van hen te vereisen, voor de toekenning van het recht op gewaarborgde gezinsbijslag, dat zij toegelaten of gemachtigd zijn in België te verblijven overeenkomstig de wet van 15 december 1980, waardoor aldus geen rekening wordt gehouden met hun specificiteit, waarbij België zich via het Verdrag van New York van 28 september 1954 betreffende de status van staatlozen te hunnen aanzien soortgelijke verplichtingen heeft opgelegd als die welke het zich via het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen jegens de vluchtelingen heeft opgelegd, zonder ze daarom op gelijkwaardige wijze na te komen, en waarbij het de supranationale waarborgen aldus op discriminerende wijze toepast ?

Het antwoord van het Hof

Nu de wetgever met de instelling van een gewaarborgde gezinsbijslag de bedoeling had een residuair stelsel in te voeren zodat de kinderen die niet onder het verplicht stelsel ressorteren ook het voordeel van gezinsbijslag zouden genieten, rijst de vraag of de maatregel die ertoe leidt dat, zonder enige uitzondering, het voordeel van die wetgeving niet in aanmerking kan worden genomen voor de kinderen die ten laste zijn van een staatloze persoon die niet is toegelaten of gemachtigd in België te verblijven of zich er te vestigen, overeenkomstig de wet van 15 december 1980, niet tegen de voormelde doelstelling ingaat.
Zoals het Hof in zijn arresten nrs. 110/2006 van 28 juni 2006 en 48/2010 van 29 april 2010 reeds heeft opgemerkt, vermocht de wetgever, gelet op het niet-contributieve karakter van het residuaire stelsel, dat voordeel afhankelijk te stellen van het bestaan van een voldoende band met België. Niettegenstaande de opeenvolgende wijzigingen ervan, hebben de artikelen 1 en 2 van de wet van 20 juli 1971 steeds voorwaarden - van nationaliteit of van verblijf - voor het verkrijgen van een gewaarborgde gezinsbijslag opgelegd. De wet van 29 april 1996 die tot de in het geding zijnde bepaling heeft geleid, heeft die vereisten enkel gemilderd om de Belgen en de onderdanen van de Europese Economische Ruimte (Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 352/1, p. 40) alsook de staatlozen en vluchtelingen op identieke wijze te behandelen.
In zijn arrest nr. 110/2006 van 28 juni 2006, zoals bevestigd in zijn arrest nr. 48/2010 van 29 april 2010, heeft het Hof geoordeeld dat de wetgever het voordeel van het residuaire stelsel afhankelijk kon stellen van de voorwaarde van een regelmatig verblijf in België.

Volgens artikel 49 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen worden de personen die als vluchtelingen in de zin van die wet worden beschouwd, toegelaten tot het verblijf of de vestiging in het Rijk. Zij voldoen daardoor aan de bij de in het geding zijnde bepaling vastgestelde voorwaarde om het voordeel van gezinsbijslag te verkrijgen. Een dergelijke bepaling bestaat daarentegen niet voor de staatlozen.
 
Het Hof moet onderzoeken of de in het geding zijnde bepaling redelijk is verantwoord, in zoverre zij, door van alle rechthebbenden op gezinsbijslag een wettelijk verblijf te vereisen, tot gevolg heeft dat die rechthebbenden verschillend worden behandeld, naargelang zij vluchtelingen of staatlozen zijn.
De situatie van de staatlozen in het internationaal recht wordt geregeld door het Verdrag van New York betreffende de status van staatlozen van 28 september 1954, goedgekeurd bij de wet van 12 mei 1960 (hierna : het Verdrag van New York); die van de vluchtelingen is geregeld bij het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, goedgekeurd bij de wet van 26 juni 1953 (hierna : het Verdrag van Genève).
De twee verdragen, die historisch gezien uit dezelfde demarche voortvloeien, bevatten bepalingen waarvan de draagwijdte in verschillende opzichten vergelijkbaar is. Krachtens artikel 7, lid 1, van het Verdrag van Genève en artikel 7, lid 1, van het Verdrag van New York kent België aan de vluchtelingen en aan de staatlozen de regeling toe die het aan de vreemdelingen in het algemeen toekent. Krachtens de artikelen 23 en 24 van het Verdrag van New York en de artikelen 23 en 24 van het Verdrag van Genève moet België aan de vluchtelingen die rechtmatig op zijn grondgebied verblijven en aan de staatlozen die rechtmatig erop verblijven, dezelfde behandeling als die van de onderdanen toekennen op het vlak van de arbeidswetgeving, de wetgeving inzake sociale zekerheid en de bijstand van overheidswege; noch de enen, noch de anderen kunnen, indien zij rechtmatig op het grondgebied verblijven, het land worden uitgezet, tenzij om redenen van nationale veiligheid of openbare orde (artikel 31 van het Verdrag van New York en artikel 32 van het Verdrag van Genève). Geen van beide verdragen kent aan de daarin beoogde personen het recht toe om te verblijven op het grondgebied van de Staat die hen als vluchteling of als staatloze erkent.

De erkende staatlozen en de erkende vluchtelingen bevinden zich aldus in grotendeels vergelijkbare situaties, niet alleen rekening houdend met de voorschriften van die bepalingen, maar ook met het feit dat aan de overheid, door hun de hoedanigheid van, al naar gelang van het geval, staatloze of vluchteling toe te kennen, plichten worden opgelegd ten aanzien van de betrokkenen.
Wanneer is vastgesteld dat de staatloze deze hoedanigheid heeft verkregen omdat hij buiten zijn wil zijn nationaliteit heeft verloren en dat hij aantoont dat hij geen wettige en duurzame verblijfstitel kan verkrijgen in een andere Staat waarmee hij banden zou hebben, kan de situatie waarin hij zich bevindt op discriminerende wijze afbreuk doen aan zijn grondrechten.
Hieruit vloeit voort dat het verschil in behandeling tussen de staatloze die zich in een dergelijke situatie op het Belgisch grondgebied bevindt en de erkende vluchteling, niet redelijk verantwoord is.

Het komt de wetgever toe de voorwaarden te bepalen onder welke bepaalde categorieën van staatlozen in België een verblijfstitel kunnen verkrijgen.

In afwachting van dat wetgevend optreden dat betrekking heeft op de wet van 15 december 1980, staat het aan de verwijzende rechter een einde te maken aan de gevolgen, wat de in het geding zijnde bepaling betreft, van de ongrondwettigheid die is vastgesteld, aangezien die vaststelling in voldoende precieze en volledige bewoordingen is uitgedrukt. Bijgevolg komt het de arbeidsgerechten waarbij een weigering om gewaarborgde gezinsbijslag toe te kennen ten behoeve van een kind dat ten laste van een erkende staatloze is van wie zij vaststellen dat hij buiten zijn wil zijn nationaliteit heeft verloren en dat hij aantoont dat hij geen wettige en duurzame verblijfstitel kan verkrijgen in een andere Staat waarmee hij banden zou hebben, aanhangig is gemaakt, toe dat kind het in het geding zijnde recht op gewaarborgde gezinsbijslag toe te kennen, niettegenstaande het feit dat de staatloze persoon ten laste van wie het is, nog niet is toegelaten of gemachtigd op het Belgische grondgebied te verblijven.

Tegemoetkoming voor gehandicapten hoeft niet voor alle vreemdelingen


De prejudiciële vraag

Schendt artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in ‘ samenhang ’ gelezen met artikel 191 ervan, met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, doordat het een onderscheid maakt tussen een vreemdeling die ingevolge een machtiging om zich in het koninkrijk te vestigen in het bevolkingsregister is ingeschreven en een vreemdeling die ingevolge een machtiging om in het koninkrijk onbeperkt te verblijven in het vreemdelingenregister is ingeschreven ?

Het antwoord van het Hof

Artikel 4, § 1, van de wet van 27 februari 1987 somt de categorieën van personen op aan wie een tegemoetkoming voor gehandicapten kan worden toegekend, waartoe ook verschillende categorieën van vreemdelingen behoren. Artikel 4, § 2, machtigt de Koning ertoe om, onder bepaalde voorwaarden, het toepassingsgebied van de wet uit te breiden tot andere categorieën van personen. Het toepassingsgebied van de wet wordt aldus bepaald door, enerzijds, artikel 4, § 1, en door, anderzijds, artikel 4, § 2, van de wet van 27 februari 1987, in samenhang gelezen met de koninklijke besluiten uitgevaardigd op grond van die wetsbepaling.

Bij zijn arrest nr. 153/2007 van 12 december 2007 heeft het Hof geoordeeld dat artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 een discriminatie inhoudt, in zoverre het de vreemdeling die ingevolge een machtiging om zich in het Koninkrijk te vestigen in het bevolkingsregister is ingeschreven, uitsluit van het voordeel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap. Die discriminatie werd ongedaan gemaakt door het koninklijk besluit van 17 juli 2006, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 9 februari 2009, op grond van de machtiging daartoe aan de Koning verleend.

De vaststelling door het Hof, in het voormelde arrest nr. 153/2007, dat artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 een discriminatie inhield, in zoverre het de vreemdeling die in het bevolkingsregister is ingeschreven, uitsloot van het voordeel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, werd gemotiveerd als volgt :
De vaststelling door het Hof, in het voormelde arrest nr. 153/2007, dat artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 een discriminatie inhield, in zoverre het de vreemdeling die in het bevolkingsregister is ingeschreven, uitsloot van het voordeel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, werd gemotiveerd als volgt :
Het sloot aldus aan bij de wil van de wetgever die in de parlementaire voorbereiding als volgt werd uitgedrukt :
‘ Nieuw is de categorie van de vreemdelingen die ingeschreven is in het bevolkingsregister. Aangezien er geen feitelijke, noch juridische argumenten zijn die een andere behandeling dan de Belgen rechtvaardigen, worden ook zij toegelaten tot het recht op maatschappelijke integratie ’ (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1603/001, p. 12).
Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat, hoewel kan worden aangenomen dat een vreemdeling die ertoe is gemachtigd in België te verblijven, ofwel voor korte duur (hoofdstuk 2 van de vreemdelingenwet), ofwel voor een duur van meer dan drie maanden, en die bijgevolg is ingeschreven in het vreemdelingenregister (artikel 12 van dezelfde wet), geen voldoende sterke band met België vertoont om de tegemoetkomingen te genieten waarin de wet van 27 februari 1987 voorziet, er geen ‘ zeer sterke overwegingen ’ bestaan die het mogelijk maken - en bijgevolg is het niet redelijkerwijze verantwoord - de vreemdeling die ertoe is gemachtigd zich in België te vestigen en bijgevolg in het bevolkingsregister is ingeschreven, en wegens zijn administratief statuut wordt geacht op definitieve wijze of op zijn minst voor een betekenisvolle duur in België te zijn gevestigd, van het voordeel van die tegemoetkomingen uit te sluiten.
Uit de motivering van het hierboven geciteerde arrest nr. 153/2007 blijkt dat artikel 4 van de wet van 27 februari 1987, in samenhang gelezen met het koninklijk besluit van 17 juli 2006, geen discriminatie inhoudt, in zoverre het toepassingsgebied van de wet niet werd uitgebreid tot de vreemdelingen die, ingevolge een toelating of een machtiging om in het Koninkrijk te verblijven voor een duur van meer dan drie maanden, in het vreemdelingenregister zijn ingeschreven, aangezien het administratief statuut van die personen aantoont dat zij een band met België hebben die de wetgever als minder sterk kon beschouwen dan die welke de personen die in het bevolkingsregister zijn ingeschreven, vertonen. De gevolgen van dat onderscheid zijn niet onevenredig, nu de vreemdeling aan wie de tegemoetkoming voor gehandicapten wordt geweigerd, in voorkomend geval aanspraak kan maken op maatschappelijke dienstverlening waarbij met zijn handicap rekening wordt gehouden.

22 september 2011

Grondwettelijk Hof vindt arbeidsrechtbanken de natuurlijke rechter inzake arbeidsongevallenverzekeringen, ook deze van gemeenrechtelijke aard

GwH, nr. 144/2011, 22 september 2011

Prejudiciële vraag

Schendt artikel 579, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, in die interpretatie dat de arbeidsgerechten geen kennis kunnen nemen van geschillen met betrekking tot de toepassing van de arbeidsongevallenwetgeving (in het kader waarvan moet worden begrepen alle wettelijke reglementeringen krachtens welke vergoedingen voor arbeidsongevallen moeten worden toegekend) en geen kennis kunnen nemen van geschillen met betrekking tot de toepassing van een gemeenrechtelijke verzekeringsovereenkomst die, op grond van artikel 55 van bijlage 3 van het koninklijk besluit van 6 mei 1971, moet worden gesloten door de gemeentelijke overheid die vrijwillige brandweerlieden in haar dienst tewerkstelt en dezelfde waarborgen moet bieden als die waarin de wet van 3 juli 1967 voor de beroepsbrandweerlieden voorziet, de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, met dien verstande dat beide groepen van brandweerlieden (de vrijwilligers en het beroepspersoneel) zich onbetwistbaar bevinden in een vergelijkbare situatie, aangezien zij zijn blootgesteld aan dezelfde risico's op ongevallen, zelfs indien een belangrijk verschil bestaat tussen beide groepen in zoverre de vrijwillige brandweerlieden zijn onttrokken aan de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wanneer hun trimestriële bezoldiging niet meer bedraagt dan 785,95 euro (geïndexeerd bedrag) (situatie waarin de heer Dupont zich bevindt), terwijl de beroepsbrandweerlieden van hun kant zonder enige uitzondering zijn onderworpen aan het socialezekerheidsstelsel dat op de werknemers van de overheidssector van toepassing is ?

Het antwoord van het Hof

In zijn arrest nr. 94/2009 van 4 juni 2009 heeft het Hof geoordeeld : "In de interpretatie dat de arbeidsrechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen betreffende de vergoeding van schade voortkomende uit ongevallen die worden gedekt door een gemeenrechtelijke ongevallenverzekering voor cursisten in beroepsopleiding, schendt artikel 579, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet".

Te dezen gaat het echter niet meer erom de situatie van de werknemers en leerjongens van een onderneming, enerzijds, en die van cursisten in beroepsopleiding, anderzijds, met elkaar te vergelijken wat betreft de rechtbank die bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen tot vergoeding van schade wegens een arbeidsongeval, maar wel vast te stellen of hetzelfde verschil in behandeling dat bestaat tussen de beroepsbrandweerlieden, enerzijds, en de vrijwillige brandweerlieden die niet aan de sociale zekerheid zijn onderworpen, anderzijds, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de wijze waarop de schade wordt verzekerd, op basis respectievelijk van een gemeenrechtelijke ongevallenverzekering of van de voormelde wet van 3 juli 1967.

De aard van de ongevallen die aanleiding geven tot de vorderingen tot vergoeding van de daaruit voortvloeiende schade en de omvang van de waarborgen die door de verzekeraars moeten worden verstrekt, zijn identiek of soortgelijk. De loutere omstandigheid dat die waarborgen onderscheidenlijk door de overheid overeenkomstig artikel 16 van de voormelde wet van 3 juli 1967 dan wel in een gemeenrechtelijke verzekering zijn verstrekt, kan niet verantwoorden dat verschillende rechtbanken bevoegd zouden zijn om uitspraak te doen over die vorderingen.

De vertrouwdheid van de arbeidsrechtbanken met de geschillen inzake arbeidsongevallen, de specifieke samenstelling van die rechtscolleges en de procedurele bijzonderheden, waaronder de wijze waarop de zaak bij de rechtbank wordt ingeleid (artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek), de bijstand van en de vertegenwoordiging door een afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie (artikel 728, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek) en de mogelijkheid van advies van het arbeidsauditoraat (artikel 766 van het Gerechtelijk Wetboek), bieden bijkomende waarborgen, die niet mogen worden onthouden aan personen die zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden.

Bovendien zou de onderscheiden bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg en van de arbeidsrechtbank ertoe kunnen leiden dat eenzelfde arbeidsongeval waarbij zowel een vrijwillige brandweerman als een beroepsbrandweerman zijn betrokken, door onderscheiden rechtbanken zou moeten worden beoordeeld. Daaruit volgt dat de onderscheiden bevoegdheid van de arbeidsrechtbank en de rechtbank van eerste aanleg ter zake niet redelijk is verantwoord.

De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

16 augustus 2011

Harmonisatie in het belgisch ontslagrecht: komt de oplossing uit het oosten?

door Nele Plas

Het onderscheid tussen arbeiders en bedienden bestaat sinds mensenheugenis en doordringt vele takken van het recht. Arbeiders en bedienden worden volgens de wet betreffende de Arbeidsovereenkomsten (hierna: W.A.O.) van elkaar gescheiden op grond van het criterium handen- versus hoofdarbeid. Arbeiders zijn volgens de wet diegenen die voornamelijk handenarbeid verrichten. Bedienden verrichten daarentegen hoofdzakelijk geestesarbeid. De verschillen tussen arbeiders en bedienden situeren zich voornamelijk op vlak van het individueel- en collectief arbeidsrecht, het sociale zekerheidsrecht en het gerechtelijk recht.

Het belangrijkste onderscheid tussen arbeiders en bedienden is ongetwijfeld dat met betrekking tot het ontslag. De opzeggingstermijnen voor arbeiders en bedienden verschillen op spectaculaire wijze van elkaar.

Velen zijn het erover eens dat het onderscheid tussen arbeiders en bedienden onhoudbaar is geworden in onze huidige technologische samenleving waar men verwacht van de werknemer dat hij creatiever, beter opgeleid en meer inzetbaar is op de arbeidsmarkt. Bovendien is het gemaakte onderscheid een vorm van discriminatie, in die zin dat het onderscheid steunt op juridisch onaanvaardbare redenen.

Er zijn reeds vele pogingen ondernomen om dit onderscheid weg te werken; via de rechtspraak (o.a. een uitspraak van het Grondwettelijk Hof in 1993), via het parlement (de vele wetsvoorstellen) en via onderhandelingen (in de Nationale Arbeidsraad). In de praktijk hebben deze pogingen niet veel opgeleverd. Het essentiële verschil, namelijk dat met betrekking tot het ontslag werd aangehouden. Tal van academici zijn het erover eens dat het verschil in ontslagrecht tussen arbeiders en bedienden het grootste struikelblok vormt om tot een ééngemaakt statuut te komen.

Waarom ligt het ontslag nu zo gevoelig? Dit wordt begrijpelijk bij het analyseren van de discussie die op de achtergrond gevoerd wordt. Deze heeft namelijk een essentieel politiek- economisch karakter.

De werkgeversvertegenwoordigers betogen dat lange opzeggingstermijnen en hoge opzeggingsvergoedingen kosten uitmaken die de vraag naar arbeid onderdrukken en de vervanging van arbeid door kapitaal versnellen. De vakorganisaties stellen dat, naast een economische logica, ook rekening moet gehouden worden met sociale bescherming. De arbeidsmarktspecialisten zijn van oordeel dat het gebrek aan flexibiliteit in het ontslagrecht leidt tot een gebetonneerde arbeidsmarkt waarin mobiliteit tussen tewerkstelling en werkloosheid verminderen, waardoor ‘outsiders’ hun kansen op integratie in de arbeidsmarkt verminderd zien.

In deze masterproef zal de klemtoon worden gelegd op het wegwerken van het onderscheid tussen arbeiders en bedienden op het vlak van het ontslag. Meer bepaald zal onderzocht worden of de hervorming van het Belgisch ontslagrecht kan bijdragen tot de totstandkoming van een eenheidsstatuut voor arbeiders en bedienden. De problematiek rond de vastheid van betrekking is, in de huidige context van crisis, meer dan ooit relevant. Dit werd recent nog maar eens bevestigd naar aanleiding van de staking bij geldtransporteur Brinks en de onderhandelingen over het nieuwe interprofessionele akkoord.

Om deze problematiek te onderzoeken worden volgende vragen gesteld:

Hoe kunnen we de discriminatie tussen arbeiders en bedienden op vlak van het ontslagrecht overbruggen?

a) Welke initiatieven inzake harmonisatie van het ontslagrecht werden reeds genomen op vlak van het individueel- en collectief arbeidsrecht?

b) Welke stappen kunnen nog worden gezet op wetgevend vlak in het kader van het individueel en collectief arbeidsrecht om te komen tot verdere harmonisatie?

c) Kan buitenlandse wetgeving ons inspireren om te komen tot wetgevend ingrijpen dat leidt tot verdere harmonisatie?

Het oplossen van de laatste onderzoeksvraag veronderstelt een grondige studie van de authentieke buitenlandse bronnen. Omwille van pragmatische redenen (de toegankelijkheid van de Duitse taal) leek het interessant om de Duitse en Oostenrijkse piste te volgen. Duitsland is een van onze buurlanden en tevens onze belangrijkste handelspartner. Oostenrijk is interessant omdat het politieke landschap vele gelijkenissen vertoont met het onze. Het is net als België een land met sterke vakbonden en maakt ook nog steeds een onderscheid tussen arbeiders en bedienden. Tot slot deden er zich in beide landen ontwikkelingen voor die bruikbaar zijn in het kader van een rechtsvergelijkend onderzoek rond ontslag.

Zo oordeelde het Duitse Grondwettelijk Hof op 30 mei 1990 dat de kortere opzeggingstermijnen voor arbeiders een ongeoorloofde discriminatie uitmaakten. Het Hof gaf de wetgever tot 30 juni 1993 de tijd om deze discriminatie weg te werken en de opzeggingstermijnen tussen arbeiders en bedienden gelijk te trekken. Dit leidde tot een wettelijke verlenging van de opzeggingstermijnen voor arbeiders en een verkorting van die voor bedienden.

Bij het verkennen van de Duitse piste zal het vooral interessant zijn om de voor het Hof opgeworpen argumenten, in verband met de vraag naar de rechtvaardigingsgronden voor het onderscheid tussen arbeiders en bedienden op gebied van opzeggingstermijnen, onder de loep de nemen.

In Oostenrijk werd via de alternatieve financiering van de pensioenen een grotere harmonisatie tussen arbeiders en bedienden tot stand gebracht. Hier voorziet de wetgever sinds 2001 in een regeling die opzeggingstermijnen en ‘opzeggingsvergoedingen’ van elkaar loskoppelt.18 De ‘opzeggingsvergoeding’ wordt omgevormd tot een rugzakje (Rucksack) of spaarrekening en ingekaderd in de tweede pensioenpijler (aanvullend pensioen). In de media wordt dit fenomeen omschreven als 'Het Oostenrijks Rugzakmodel'.

Wat zijn de modaliteiten van dit rugzaksysteem? Binnen welke context kwam het tot stand? Zijn er voor of nadelen aan verbonden? Kan het een oplossing bieden voor de Belgische ontslagproblematiek? Dit zijn allemaal vragen die in het hierna volgende deel van het onderzoek uitvoerig behandeld zullen worden.

Er kan dus zowel in het Duitse als in het Oostenrijkse arbeidsrecht gezocht worden naar elementen die gebruikt kunnen worden in het kader van de hervorming van het Belgische ontslagrecht. Het onderzoek naar het ontslagrecht van beide landen is interessant om wille van de hierboven aangehaalde redenen, maar vooral omdat beide landen een andere strategie hanteren: Duitsland schaft het onderscheid af d.m.v. wetgevend ingrijpen, Oostenrijk behoudt het onderscheid, maar zorgt via het rugzakmodel voor meer harmonisatie op vlak van het ontslag. Het ontslagrecht van beide landen kan ons inspireren en dient daarom verder onderzocht te worden.

In de hiernavolgende hoofdstukken zal eerst wat dieper ingaan worden op de Belgische problematiek. In eerste instantie wordt kort stilgestaan bij de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en volgt er een toelichting bij het onderscheid in juridisch statuut. Vervolgens zullen de harmonisatiemogelijkheden die nu reeds bestaan in het Belgische recht onderzocht worden. Wat het hoofdstuk over Duitsland betreft zal nader ingegaan worden op de rechtspraak van het Bundesverfassungsgericht en de Kündigungsfristengesetz die tot stand kwam naar aanleiding van deze rechtspraak. Tot slot, wordt er een vergelijking gemaakt tussen België en Duitsland. Wat Oostenrijk betreft wordt eerst even kort stilgestaan bij het onderscheid tussen arbeiders en bedienden, vervolgens worden de modaliteiten besproken van het Abfertigung Alt- en Neu -systeem. Tot slot, wordt onderzocht in welke mate het Oostenrijks model zou kunnen worden geïmplementeerd in het Belgische recht.

Klik door naar de integrale tekst van de masterproef

07 juli 2011

Onderscheid tussen arbeiders en bedienden is discriminerend: het Grondwettelijk Hof zet de stap, maar temporiseert.

GwH nr. 125/2011, 7 juli 2011

De prejudiciële vragen

1. Schenden de artikelen 59 en 82 van de Arbeidsovereenkomstewet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij voorzien in een verschillende termijn voor de opzegging gegeven aan een arbeider of aan een bediende met beiden dezelfde anciënniteit ?
2. Schenden de artikelen 52, § 1, en 70 van de Arbeidsovereenkomstenwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre, in tegenstelling tot de bediende met een overeenkomst van onbepaalde duur wiens proefperiode is beëindigd, voor de arbeider die zich in dezelfde contractuele situatie bevindt, in geval van arbeidsongeschiktheid wegens een andere ziekte dan een beroepsziekte, of wegens een ander ongeval dan een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar of van het werk, één carenzdag wordt geteld wanneer de arbeidsongeschiktheid geen veertien dagen duurt ?

Het antwoord van het Hof

Zoals het Hof reeds opmerkte in zijn arrest nr. 56/93 van 8 juli 1993 heeft de wetgever, door het onderscheid tussen arbeiders en bedienden te doen steunen op de voornamelijk manuele respectievelijk intellectuele aard van hun werk, verschillen in behandeling ingevoerd op grond van een criterium dat de invoering ervan op dat ogenblik bezwaarlijk objectief en redelijk zou kunnen verantwoorden (B.6.2.1). Die vaststelling geldt a fortiori vandaag de dag, met name voor de verschillen in behandeling die te dezen worden betwist op het vlak van de duur van de opzegging of de carenzdag. Die verschillen in behandeling zijn derhalve in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Het Hof stelde in het voormelde arrest eveneens vast dat de wetgever maatregelen had genomen om de niveaus van bescherming tegen ontslag verleend aan de arbeiders en aan de bedienden dichter bij elkaar te doen aansluiten (B.6.2.2) en kwam tot de slotsom « dat de sedert decennia op gang gekomen vervaging van de aangeklaagde ongelijkheid slechts geleidelijk kan plaatsvinden ». Het feit dat het onverantwoord zou zijn om op dat moment een dergelijk onderscheid in te voeren, werd niet voldoende geacht om de plotselinge afschaffing ervan te rechtvaardigen (B.6.3.1) en de handhaving van het onderscheid werd bijgevolg niet klaarblijkelijk onevenredig bevonden met « een doelstelling die slechts in opeenvolgende stadia kan worden bereikt » (B.6.3.2).

Sinds het Hof het voormelde arrest heeft uitgesproken, zijn nieuwe maatregelen genomen die ertoe strekken de twee categorieën van werknemers dichter bij elkaar te brengen. Aldus voorzien verschillende sectorale koninklijke besluiten, op grond van artikel 61, § 1, van de wet van 3 juli 1978, in opzeggingstermijnen die gunstiger zijn dan die waarin de voormelde wet voorziet in geval van ontslag. Bovendien heeft de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 75 betreffende de opzeggingstermijnen van de werklieden, in werking getreden op 1 januari 2000, eveneens een afwijking ingevoerd van artikel 59 van de wet van 3 juli 1978 door de opzeggingstermijn in geval van ontslag van een arbeider te verlengen volgens diens anciënniteit.
Die intersectorale collectieve overeenkomst, gesloten binnen de Nationale Arbeidsraad, is van toepassing op alle werkgevers van de privésector.

Ten slotte wijzigt de wet van 12 april 2011 « houdende aanpassing van de wet van 1 februari 2011 houdende verlenging van de crisismaatregelen en uitvoering van het interprofessioneel akkoord, en tot uitvoering van het compromis van de Regering met betrekking tot het ontwerp van interprofessioneel akkoord », bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 april 2011, op substantiële wijze de opzeggingstermijnen en getuigt zij van de uitdrukkelijke wil van de wetgever om stapsgewijs een verdere harmonisatie van de statuten van bedienden en arbeiders tot stand te brengen.

Rekening houdend met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de wetgever beschikt bij het bepalen van zijn beleid in sociaal-economische aangelegenheden, verzet het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zich niet tegen een geleidelijke vermindering van de vastgestelde verschillen in behandeling. Wanneer een hervorming die beoogt de gelijkheid te herstellen verreikende en ernstige gevolgen heeft, kan de wetgever immers niet worden verweten dat hij die hervorming op doordachte wijze en in opeenvolgende stadia tot stand brengt (zie, mutatis mutandis, EHRM, grote kamer, 12 april 2006, Stec e.a. t. Verenigd Koninkrijk, § 65).

In het voormelde arrest nr. 56/93 heeft het Hof voorts opgemerkt dat de gedifferentieerde regelingen betrekking hebben op aangelegenheden die nu eens voor de arbeiders, dan weer voor de bedienden gunstig zijn (B.6.3.2). Dat is te dezen overigens het geval, daar de eiser voor de feitenrechter artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 heeft kunnen genieten, dat alleen aan de arbeiders die het slachtoffer zijn van een willekeurig ontslag het voordeel voorbehoudt van een omkering van de bewijslast en van een forfaitaire compenserende vergoeding gelijk aan het loon van zes maanden. Het zou niet coherent zijn het onderscheid enkel te beschouwen ten aanzien van de duur van de opzegging zonder rekening te houden met de gevolgen ervan in andere aangelegenheden van het arbeidsrecht en de sociale zekerheid die op hetzelfde onderscheid berusten.

De tijd waarover de wetgever vermag te beschikken om een vastgestelde ongrondwettige situatie te verhelpen is echter niet onbegrensd. Het doel van een geleidelijke harmonisatie van de statuten van de arbeiders en de bedienden waaraan de wetgever de voorkeur heeft gegeven boven een plotselinge afschaffing van het onderscheid tussen die beroepscategorieën, inzonderheid in een aangelegenheid waar de normen kunnen evolueren ten gevolge van collectieve onderhandelingen, verantwoordt niet langer, achttien jaar nadat het Hof heeft vastgesteld dat het in het geding zijnde criterium van onderscheid niet meer pertinent kon worden geacht, dat sommige verschillen in behandeling, zoals die welke voor de verwijzende rechter zijn aangevoerd, nog geruime tijd kunnen worden behouden, waardoor een toestand van manifeste ongrondwettigheid zou worden bestendigd.

Een prejudicieel arrest waarin wordt vastgesteld dat een bepaling de Grondwet schendt, heeft niet dezelfde gevolgen als een vernietigingsarrest, dat de ongrondwettige bepaling ab initio uit de rechtsorde verwijdert. Terwijl de artikelen 10 tot 17 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bepalen dat de in kracht van gewijsde gegane beslissingen die de rechtscolleges hebben gewezen op grond van een door het Hof vernietigde bepaling, het voorwerp kunnen uitmaken van een intrekking, en terwijl artikel 18 van dezelfde wet bepaalt dat een nieuwe beroepstermijn openstaat tegen de administratieve handelingen en verordeningen die op grond van een vernietigde bepaling zijn genomen, maken de ongrondwettigheidsverklaringen op prejudiciële vragen aldus niet het voorwerp uit van soortgelijke bepalingen.

Een prejudicieel arrest heeft echter, zonder de ongrondwettige bepaling uit de rechtsorde te doen verdwijnen, een effect dat het geschil overstijgt dat hangende is voor de rechter die de prejudiciële vraag heeft gesteld. Die rechter, evenals elk ander rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, dient de ongrondwettig bevonden bepaling buiten toepassing te laten (artikel 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof). Het gevolg van een prejudicieel arrest strekt zich evenwel uit tot andere zaken, wanneer ingevolge een dergelijk arrest van het Hof, de rechtscolleges ontslagen zijn van de verplichting tot het stellen van een prejudiciële vraag met een identiek onderwerp (artikel 26, § 2, tweede lid, 2°, van dezelfde bijzondere wet).

Hieruit vloeit voort dat het Hof moet onderzoeken in welke mate de weerslag van zijn beslissing dient te worden gemilderd teneinde de in zijn eerdere arresten toegestane geleidelijke harmonisatie van de statuten niet te doorkruisen.

Artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof verleent het Hof de bevoegdheid om, indien het een beroep tot vernietiging gegrond acht, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de vernietigde bepaling aan te wijzen die als gehandhaafd moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die het vaststelt. De bijzondere wet bevat geen soortgelijke regel wanneer het Hof in een prejudicieel arrest vaststelt dat een bepaling de Grondwet schendt.

Tijdens de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 9 maart 2003 tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 werd een amendement verworpen dat ertoe strekte het Hof uitdrukkelijk toe te laten de werking in de tijd van zijn prejudiciële arresten te bepalen. Die verwerping werd als volgt bepleit :
« De vice-eerste minister vestigt de aandacht op het feit dat elke belanghebbende kan tussenkomen in het kader van een beroep tot vernietiging, terwijl in de procedure van de prejudiciële vraag, die op een individueel geval is toegespitst, de mogelijkheid dat een derde tussenkomt niet in de wet is opgenomen. Wanneer de termijn voor het instellen van een beroep heropend wordt, kunnen andere personen tussenkomen en heeft het [Grondwettelijk Hof] de mogelijkheid om zijn antwoord op een prejudiciële vraag te nuanceren. Wanneer men evenwel het [Grondwettelijk Hof] de bevoegdheid geeft om zelf algemene conclusies te trekken uit zijn arresten na prejudiciële vragen, zullen de rechten van de derden die eventueel kunnen tussenkomen, niet langer worden in acht genomen » (Parl. St., Senaat, 2002-2003, nr. 2-897/6, p. 217; ibid., p. 232).
Sedert zijn arrest nr. 44/2008 van 4 maart 2008 aanvaardt het Hof evenwel, rekening houdend met artikel 4, tweede lid, en artikel 26, § 2, tweede lid, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, dat de personen die het afdoende bewijs leveren van het rechtstreekse gevolg dat het antwoord dat het Hof op een prejudiciële vraag zal geven, op hun persoonlijke situatie kan hebben, doen blijken van een belang om voor het Hof tussen te komen.
Door toe te staan dat elke persoon die doet blijken van een belang de vernietiging kan vorderen van bepalingen waarvan het Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, heeft vastgesteld dat ze de Grondwet schenden, heeft artikel 4, tweede lid, dat in de bijzondere wet van 6 januari 1989 is ingevoerd bij de bijzondere wet van 9 maart 2003, de mogelijkheid verruimd dat op een later tijdstip alsnog de gevolgen van de ongrondwettig bevonden bepalingen worden gehandhaafd (zie bv. arrest nr. 140/2008 van 30 oktober 2008).

De onzekerheid over de toepasbaarheid van de ongrondwettig bevonden bepalingen in de tijd kan verantwoorden dat het Hof in het prejudicieel arrest vooraf die rechtsonzekerheid voorkomt. Het komt het Hof toe in de aan het Hof voorgelegde zaken een billijk evenwicht na te streven tussen het belang dat elke situatie die strijdig is met de Grondwet wordt verholpen en de bekommernis dat bestaande toestanden en gewekte verwachtingen na verloop van tijd niet meer in het gedrang worden gebracht. Hoewel de vaststelling van een ongrondwettigheid in een prejudicieel arrest declaratoir is, kunnen het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel derhalve verantwoorden dat de terugwerkende kracht die uit een dergelijke vaststelling kan voortvloeien, wordt beperkt.

In zijn arrest Marckx van 13 juni 1979 heeft ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, verwijzend naar het arrest Defrenne van 8 april 1976 van het Hof van Justitie (HvJ, 8 april 1976, Gabrielle Defrenne t. Sabena, punt 71), alsook naar het vergelijkend grondwettelijk recht, opgemerkt « dat de praktische gevolgen van een rechterlijke uitspraak weliswaar zorgvuldig moeten worden afgewogen », maar dat dit er niet toe mag leiden « dat de objectiviteit van het recht geweld wordt aangedaan en omwille van de weerslag die een rechterlijke beslissing voor het verleden kan hebben, de toepassing van dat recht in de toekomst in gevaar wordt gebracht » en dat het beginsel van de rechtszekerheid het in sommige omstandigheden mogelijk maakt te worden ontslagen van het opnieuw in vraag stellen van rechtshandelingen of -situaties die voorafgaan aan de uitspraak van een arrest waarmee een schending van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is vastgesteld (EHRM, 13 juni 1979, Marckx t. België, § 58; zie ook : arrest nr. 18/91 van 4 juli 1991, B.10).

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft met name aanvaard dat een grondwettelijk hof, rekening houdend met het rechtszekerheidsbeginsel, aan de wetgever een termijn mag verlenen om opnieuw wetgevend op te treden, wat voor gevolg heeft dat een ongrondwettige norm gedurende een overgangsperiode van toepassing blijft (EHRM, besl. 16 maart 2000, Walden t. Liechtenstein).

De handhaving van de gevolgen dient als een uitzondering op de declaratoire aard van het in het prejudicieel contentieux gewezen arrest te worden beschouwd. Alvorens te beslissen de gevolgen van een dergelijk arrest te handhaven, moet het Hof vaststellen dat het voordeel dat uit de niet-gemoduleerde vaststelling van ongrondwettigheid voortvloeit buiten verhouding staat tot de verstoring die zij voor de rechtsorde met zich zou meebrengen. Wat de voorliggende verschillen in behandeling betreft, zou een niet-gemoduleerde vaststelling van ongrondwettigheid in tal van hangende en toekomstige zaken tot een aanzienlijke rechtsonzekerheid leiden en een groot aantal werkgevers in ernstige financiële moeilijkheden kunnen brengen. Overigens moet in herinnering worden gebracht dat een dergelijke vaststelling van ongrondwettigheid de inspanningen van verdere harmonisatie zou kunnen doorkruisen waartoe het Hof de wetgever in zijn arrest nr. 56/93 heeft aangespoord.

Uit hetgeen voorafgaat vloeit voort dat de prejudiciële vragen bevestigend moeten worden beantwoord, maar dat de gevolgen van de in het geding zijnde bepalingen tot uiterlijk 8 juli 2013 moeten worden gehandhaafd. De wetgever zal immers, sedert het voormelde arrest nr. 56/93 van 8 juli 1993, over een voldoende lange termijn hebben kunnen beschikken om de harmonisatie van de statuten van arbeiders en bedienden te voltooien.

16 juni 2011

GwH bevestigt: vennootschapsbijdrage aan Sociaal Statuut der Zelfstandigen is een belasting

GwH, nr. 2011/103, 16 juni 2011

Prejudiciële vraag

Schendt de wet van 26 juni - vervolgens vervangen bij die van 30 december - 1992 ‘ houdende sociale en diverse bepalingen ’, in titel III ervan, met betrekking tot de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laste van de vennootschappen bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen, (al dan niet) de artikelen 10 en 170 tot 173 van de Grondwet in zoverre die ‘ soort ’ van eenmalige ‘ bijdrage ’ - in werkelijkheid een (zelfs verdoken) belasting zou zijn - in welk geval zij niet bij gewone koninklijke besluiten (zoals te dezen) in werking zou kunnen worden gesteld -, - maar geen echte bijdrage die, in elk geval, ‘ […] betrekking [moet] hebben op een dienst die is verleend ten gunste van de burger die ze betaalt ’?

Antwoord van het Hof

De artikelen 88 tot 106 van de in het geding zijnde wet voeren een jaarlijkse bijdrage ten laste van de vennootschappen in, bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof in werkelijkheid wordt ondervraagd over de artikelen 91 en 94, 8° en 9°, van de in het geding zijnde wet. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die bepalingen.

De in het geding zijnde bijdrage ten laste van de vennootschappen ten gunste van het stelsel van de sociale zekerheid der zelfstandigen werd oorspronkelijk als een eenmalige forfaitaire bijdrage van 7 000 frank ingevoerd bij artikel 78 van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen. Tegen die bepalingen werd een beroep tot vernietiging ingesteld. In zijn arrest nr. 77/93 van 3 november 1993, waarbij dat beroep werd verworpen, heeft het Hof geoordeeld :
"B.3.2. De invoering, bij de bestreden bepalingen, van een forfaitaire bijdrage ten laste van de vennootschappen kan worden verantwoord op grond van de overweging dat, indien diegenen die de activiteit die zij in vennootschapsvorm uitoefenen, als zelfstandige zouden uitoefenen, zij gehouden zouden zijn tot betaling van de sociale bijdragen die krachtens het sociaal statuut der zelfstandigen verschuldigd zijn; de wetgever heeft overigens rekening gehouden met de omstandigheid dat de verlaging van de grondslag van die bijdragen precies voortvloeide uit het feit dat talrijke zelfstandigen zich aan de lasten die op natuurlijke personen wegen, hadden onttrokken door een beroep te doen op het procédé van de zogeheten ' eenpersoonsvennootschap ' of door een vennootschap op te richten (verklaring van de Minister van de Kleine en Middelgrote Ondernemingen en Landbouw in de Senaatscommissie, Gedr. St., Senaat, verslag, B.Z. 1991-1992, nr. 315/4, p. 11; in dezelfde zin, pp. 6 en 10; memorie van toelichting, nr. 315/1, p. 28; Kamer, verslag, B.Z. 1991-1992, nr. 480/7, pp. 9 en 12).
B.3.3. Het staat aan de wetgever, geplaatst voor een belangrijk tekort in het ' sociaal statuut ' der zelfstandigen (Senaat, nr. 315/4, voormeld, p. 4), te oordelen in hoeverre het opportuun is om, eerder dan de sociale bijdragen van de zelfstandigen te verhogen (idem, p. 14) of het fiscaal statuut van de vennootschappen te wijzigen (Kamer, nr. 480/7, voormeld, p. 9), aan de vennootschappen de verplichting op te leggen een bijdrage te leveren tot de financiering van het stelsel van de sociale zekerheid der zelfstandigen wanneer het financiële evenwicht ervan bedreigd wordt door de omzetting, die door een onderscheiden wetgeving mogelijk is gemaakt, van beroepsactiviteiten als zelfstandige in activiteiten als vennoot of als dusdanig beschouwde activiteiten. Daarbij vermag de wetgever evenwel niet de draagwijdte van de artikelen 6 en 6bis van de Grondwet te miskennen door een beroep te doen op een middel dat onevenredig is ten aanzien van het beoogde doel.
B.3.4. Het begrip forfait, zoals het in de bestreden bepaling voorkomt, is de tegenpool van het begrip evenredigheid. Het kan evenwel worden aangenomen dat, met name in sociale aangelegenheden, overwegingen van doeltreffendheid en kosten de wetgever verhinderen rekening te houden met het feit dat de vennootschappen zich in de meest diverse toestanden bevinden, temeer daar het uitwerken of in werking stellen van afgelijnde maatregelen ertoe zou hebben geleid de verwezenlijking van die doelstelling op de helling te zetten, of althans te vertragen (Senaat, nr. 315/4, voormeld, p. 17). Rekening houdend met de kleine omvang of de
moeilijke situatie van talrijke vennootschappen, zou een zo radicale vereenvoudiging niet toelaatbaar zijn geweest voor de invoering van een bijdrage waarvan het bedrag aanzienlijk hoger ligt".
Bij de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen (Belgisch Staatsblad, 9 januari 1993) werd de eenmalige bijdrage vervangen door een jaarlijkse bijdrage.
In de parlementaire voorbereiding wordt uiteengezet :
"Voor het jaar 1992 werd aan de vennootschappen een forfaitaire bijdrage opgelegd bestemd voor het statuut der zelfstandigen. Deze maatregel was ingegeven door het toenemend belang van het aantal vennootschappen en door de precaire financiële situatie waarin het sociaal statuut der zelfstandigen verkeerde. Gelet op het feit dat bovenvermelde tendensen zich doorzetten, wordt, met het oog op een duurzaam financieel evenwicht van genoemd statuut, deze bijdrage bestendigd" (Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 526-1, p. 27).
Artikel 91 van de voormelde wet van 30 december 1992 werd vervangen bij artikel 279 van de programmawet van 22 december 2003. De nieuwe redactie van artikel 91 is het gevolg van het aannemen van een amendement dat als volgt was verantwoord :
"Bij wet van 30 december 1992 werd, in opvolging van een eenmalige bijdrage, een jaarlijkse bijdrage ten laste van de vennootschappen, bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen, ingevoerd.
Deze jaarlijkse bijdrage werd aanvankelijk vastgesteld op 7.000 BEF om vervolgens, bij koninklijk besluit van 18 november 1996, te worden opgetrokken naar 12.500 BEF (omgezet naar 310 EUR overeenkomstig het koninklijk besluit van 20 juli 2000). Ingevolge de indexering bedraagt de bijdrage voor het jaar 2003, 335 EUR.
Bij onderhavig amendement wordt de bevoegdheid de jaarlijkse bijdrage ten laste van de vennootschappen, bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen, vast te stellen, overgedragen aan de Koning. Bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad kunnen voortaan verschillende jaarlijkse bijdragen worden vastgesteld in functie van inzonderheid de omvang van de vennootschap. De Koning kan aldus criteria vastleggen die een onderscheid maken tussen diverse types van vennootschappen, gerelateerd met hun omvang. Naargelang het type van vennootschap waartoe men behoort, zal de ene of de andere bijdrage verschuldigd zijn" (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0473/018, p. 11).

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de bevoegde minister met het amendement kon instemmen. Op een vraag van een parlementslid antwoordde de minister :
« […] het forfait zal worden vastgesteld in functie van de grootte van het bedrijf. De concrete criteria zijn nog niet vastgelegd. Bij de aanvang van de Ronde Tafel Conferentie waren er problemen. Daarom heeft er voorafgaandelijk overleg plaatsgevonden. Op de eerste vergadering bleek dat één van de problemen voor de sector van de middenstand de bijdragen betroffen. Daarom werd voorgesteld deze bijdragen te moduleren. De beslissingen van het regeringsconclaaf zullen worden uitgevoerd. De kleine vennootschappen zullen lagere bijdragen betalen » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0473/031, pp. 15-16).
In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, wordt in de prejudiciële vraag en in de motieven van de verwijzingsbeslissing duidelijk aangegeven in welk opzicht het beginsel van de wettigheid van de belasting, zoals vervat in de artikelen 170, 172 en 173 van de Grondwet, zou kunnen zijn geschonden. Bovendien vormt de niet-naleving van die bepalingen een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij houdt immers een niet te verantwoorden verschil in behandeling in tussen twee categorieën van belastingplichtingen : diegenen die de waarborg genieten krachtens welke niemand aan een belasting kan worden onderworpen indien daartoe niet is beslist door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering en diegenen aan wie die grondwettelijke waarborg wordt ontzegd.

Het Hof dient eerst te onderzoeken of de in het geding zijnde bijdrage als een belasting dan wel als een socialezekerheidsbijdrage dient te worden beschouwd. Enkel in het eerste geval kan immers een schending van de artikelen 170, 172 en 173 van de Grondwet worden aangevoerd.

De artikelen 170, 172 en 173 van de Grondwet bevatten het wettigheidsbeginsel inzake belastingen en retributies. Zij zijn niet van toepassing op socialezekerheidsbijdragen. Hoewel belastingen en socialezekerheidsbijdragen door hun verplichtend karakter gemeenschappelijke kenmerken kunnen hebben, zijn zij fundamenteel verschillend : de belastingen dienen om de algemene uitgaven van openbaar nut te dekken, terwijl de socialezekerheidsbijdragen bij uitsluiting bestemd zijn voor de financiering van stelsels van tegemoetkomingen ter vervanging of aanvulling van het inkomen uit arbeid. Het betalen van de in het geding zijnde bijdrage doet geen bijkomende rechten op het vlak van de sociale zekerheid ontstaan, zodat een band met de sociale zekerheid van de bijdrageplichtige personen ontbreekt. Daaruit volgt dat de in het geding zijnde bijdrage geen socialezekerheidsbijdrage is, maar een belasting in de zin van de artikelen 170 en 172 van de Grondwet.

In tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, wordt aan die vaststelling geen afbreuk gedaan door het gegeven dat de opbrengst van die bijdrage voor de financiering van het stelsel van de sociale zekerheid der zelfstandigen is bestemd, noch door de fiscale aftrekbaarheid van die bijdrage.

Uit artikel 170, § 1, en uit artikel 172, tweede lid, van de Grondwet kan worden afgeleid dat geen enkele belasting kan worden geheven en dat geen enkele vrijstelling van belasting kan worden verleend zonder instemming van de belastingplichtigen, uitgedrukt door hun vertegenwoordigers. Daaruit volgt dat de fiscale aangelegenheid een bevoegdheid is die door de Grondwet aan de wet wordt voorbehouden en dat elke delegatie die betrekking heeft op het bepalen van een van de essentiële elementen van de belasting in beginsel ongrondwettig is.

De voormelde grondwetsbepalingen gaan evenwel niet zover dat ze de wetgever ertoe zouden verplichten elk aspect van een belasting of van een vrijstelling zelf te regelen. Een aan een andere overheid verleende bevoegdheid is niet in strijd met het wettigheidsbeginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld.

Tot de essentiële elementen van de belasting behoren de aanwijzing van de belastingplichtigen, de belastbare materie, de heffingsgrondslag, de aanslagvoet en de eventuele belastingvrijstellingen.

Krachtens de in het geding zijnde bepalingen, zijn de vennootschappen een jaarlijkse forfaitaire bijdrage verschuldigd die als een belasting dient te worden beschouwd en wordt aan de Koning de bevoegdheid verleend het bedrag van die bijdrage vast te stellen, met dien verstande dat zij niet hoger mag zijn dan 868 euro. De in het geding zijnde bepalingen komen erop neer dat de Koning wordt gemachtigd een essentieel element van de belasting, namelijk het belastingtarief, in concreto vast te stellen. De wetgever heeft evenwel niet alleen het beginsel van de forfaitaire belasting in de wet opgenomen, maar ook het maximumbedrag van die belasting bepaald. De wetgever heeft enkel beoogd aan de Koning over te laten om, op basis van criteria die rekening houden met de omvang van de vennootschap, het tarief vast te stellen.
Uit het woord « inzonderheid » in het in het geding zijnde artikel 91, tweede lid, tweede zin, kan echter worden afgeleid dat de Koning nog andere criteria dan de omvang van de vennootschap in aanmerking zou kunnen nemen.

Bijgevolg is de in het geding zijnde bepaling niet bestaanbaar met het in artikel 170, § 1, van de Grondwet besloten wettigheidsbeginsel, doch enkel in zoverre zij het woord « inzonderheid » bevat.

Luidens artikel 94, 8°, van de in het geding zijnde wet van 30 december 1992, zoals gewijzigd bij artikel 17 van het koninklijk besluit van 19 december 2010 tot uitvoering van artikel 84 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, bepaalt de Koning « in welke gevallen de vennootschappen met betrekking tot het jaar of de jaren waarin zij zich in een toestand van vereffening, faillissement of gerechtelijke reorganisatie bevinden, kunnen worden vrijgesteld van de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk ».

Ter uitvoering van dat artikel bepaalt artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 15 maart 1993 « tot uitvoering van hoofdstuk II van titel III van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, met betrekking tot de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laste van de vennootschappen bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen », zoals gewijzigd bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 31 juli 2004 en bij artikel 57 van het voormelde koninklijk besluit van 19 december 2010 :
"De vennootschappen, die zich in één van de hierna vermelde situaties bevinden, zijn de in artikel 91 van de wet bepaalde bijdrage niet verschuldigd vanaf het bijdragejaar waarin zij zich in die situatie bevinden :
1° zij werden bij vonnis van de rechtbank van koophandel failliet verklaard;
[…]
3° zij maken het voorwerp uit van een gerechtelijke reorganisatie, [die] door de rechtbank van koophandel werd gehomologeerd en niet werd vernietigd of ontbonden;
4° zij bevinden zich in een toestand van vereffening en het uittreksel uit de akte die de wijze van vereffening bepaalt werd in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad gepubliceerd".
Luidens het in het geding zijnde artikel 94, 9°, van de wet van 30 december 1992 bepaalt de Koning « welke vennootschappen, opgericht na 1 januari 1991, gedurende de eerste drie jaar na hun oprichting kunnen vrijgesteld worden van de krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk ingevoerde bijdrageplicht en onder welke voorwaarden ze zich op deze vrijstelling kunnen beroepen ».

Ter uitvoering van dat artikel, bepaalt artikel 7 van het voormelde koninklijk besluit van 15 maart 1993, zoals gewijzigd bij artikel 1 van koninklijk besluit van 18 april 1994 en bij artikel 5 van het koninklijk besluit van 31 juli 2004 :
"De personenvennootschappen, die ingeschreven zijn als handelsonderneming in de Kruispuntbank van Ondernemingen en opgericht zijn na 1 januari 1991, kunnen, gedurende de eerste drie jaar te rekenen vanaf het jaar van hun oprichting, worden vrijgesteld van de bijdrageplicht. Ze kunnen slechts van deze vrijstelling genieten wanneer hun zaakvoerder of zaakvoerders, evenals de meerderheid van hun werkende vennoten die geen zaakvoerder zijn, in de tien jaar voorafgaand aan de oprichting van de vennootschap, ten hoogste drie jaar onderworpen zijn geweest aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
De personenvennootschappen, die van deze mogelijkheid wensen gebruik te maken, moeten aan de sociale verzekeringskas waarbij ze zijn aangesloten de bewijzen overmaken dat aan de in het eerste lid bepaalde voorwaarden voldaan is".


Vermits de eventuele belastingvrijstellingen deel uitmaken van de essentiële elementen van een belasting, vereist het fiscale wettigheidsbeginsel dat de wet nauwkeurige, ondubbelzinnige en duidelijke criteria bevat aan de hand waarvan kan worden uitgemaakt welke belastingplichtige de vrijstelling al dan niet kan genieten.

Het in het geding zijnde artikel 94, 8°, van de wet van 30 december 1992 geldt enkel voor vennootschappen die zich in een toestand van vereffening, faillissement of gerechtelijke reorganisatie bevinden. Bovendien geldt die vrijstelling enkel voor het jaar of de jaren waarin ze in die toestand bevinden. Tot slot preciseert de in het geding zijnde bepaling dat de vennootschappen in kwestie worden « vrijgesteld van de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk », zodat de vrijstelling volledig is.

Ofschoon luidens de in het geding zijnde bepaling de Koning dient te bepalen « in welke gevallen » vennootschappen die zich in een toestand van vereffening, faillissement of gerechtelijke reorganisatie bevinden, worden vrijgesteld, heeft de wetgever alle ondernemingen die zich in een dergelijke toestand bevinden wensen vrij te stellen, ervan uitgaande dat die vennootschappen niet langer over de vereiste middelen beschikken om de bijdrage te betalen. De Koning beschikt derhalve niet over een discretionnaire bevoegdheid om sommige vennootschappen die zich in die toestand bevinden vrij te stellen, en andere niet. De door de Koning te bepalen gevallen slaat enkel op procedurele elementen, zoals het feit dat de gerechtelijke reorganisatie door de rechtbank van koophandel dient te zijn gehomologeerd en het feit dat de akte die de wijze van vereffening bepaalt in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd.

Bijgevolg voldoet artikel 94, 8°, van de wet van 30 december 1992 aan de vermelde vereisten.

Ofschoon het in het geding zijnde artikel 94, 9°, van de wet van 30 december 1992 preciseert dat een vennootschap opgericht dient te zijn na 1 januari 1991 om van de bijdrageplicht te kunnen worden vrijgesteld en dat die vrijstelling beperkt is tot de eerste drie jaar na de oprichting, blijkt uit die bepaling, en inzonderheid uit het woord « welke », dat het niet de bedoeling was van de wetgever om alle na 1 januari 1991 opgerichte vennootschappen gedurende drie jaar vrij te stellen van de bijdrageplicht. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling werd dienaangaande opgemerkt dat er « een gedeeltelijke tegemoetkoming [komt] voor de vennootschappen opgericht na 1 januari 1991 » (Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 526/3, pp. 13-14). Daarbij beoogde de wetgever vooral de situatie te verhelpen van beginnende ondernemingen die over geen enkele inkomsten beschikken (ibidem, p. 14).

Het voormelde artikel 7 van het koninklijk besluit van 15 maart 1993 heeft de vrijstelling overigens beperkt tot bepaalde personenvennootschappen.

Behoudens het feit dat het moet gaan om vennootschappen opgericht na 1 januari 1991, bevat de in het geding zijnde bepaling evenwel geen enkel criterium aan de hand waarvan de Koning kan bepalen welke vennootschapen binnen die categorie van vennootschappen worden vrijgesteld van de bijdrageplicht.

Daaruit volgt dat artikel 94, 9°, van de wet van 30 december 1992 niet bestaanbaar is met het in artikel 172, tweede lid, van de Grondwet besloten wettigheidsbeginsel.

18 december 2010

Grondwettelijk Hof kwalificeert jaarlijkse vennootschapsbijdrage aan Sociaal Statuut der Zelfstandigen als een belasting

GwH, nr. 142/2010, 16 december 2010

Prejudiciële vragen


1. Schendt artikel 91 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, zoals gewijzigd door de programmawet van 22 december 2003, de artikelen 170 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenlezing met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het aan de Koning de bevoegdheid verleent het bedrag van de ingevolge die wet door vennootschappen verschuldigde bijdrage vast te leggen, terwijl overeenkomstig de genoemde grondwetsbepalingen een belasting slechts door de wet mag worden opgelegd en alle rechtsonderhorigen, dus ook de vennootschappen die tot betaling van de bijdrage gehouden zijn, op gelijke wijze de garantie moeten hebben dat een belasting slechts kan worden opgelegd door een democratisch verkozen en beraadslagend orgaan dat alle rechtsonderhorigen vertegenwoordigt ?

2. Schendt artikel 91 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, zoals gewijzigd door de programmawet van 22 december 2003, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet doordat het oplegt dat de jaarlijkse bijdrage die de vennootschappen verschuldigd zijn, een forfaitair karakter moet hebben en de Koning een onderscheid kan maken op basis van criteria die rekening houden met de omvang van de vennootschap waardoor vennootschappen die zich op een andere manier van elkaar onderscheiden dan door de omvang van de vennootschap niettemin op identieke wijze worden behandeld ?

Antwoord van het Hof

Op de eerste vraag

De artikelen 170, 172 en 173 van de Grondwet bevatten het wettigheidsbeginsel inzake belastingen en retributies. Zij zijn niet van toepassing op socialezekerheidsbijdragen. Hoewel belastingen en socialezekerheidsbijdragen door hun verplichtend karakter gemeenschappelijke kenmerken kunnen hebben, zijn zij fundamenteel verschillend : de belastingen dienen om de algemene uitgaven van openbaar nut te dekken, terwijl de socialezekerheidsbijdragen bij uitsluiting bestemd zijn voor de financiering van stelsels van tegemoetkomingen ter vervanging of aanvulling van het inkomen uit arbeid.

De in het geding zijnde bijdrage is een belasting in de zin van de artikelen 170 en 172 van de Grondwet : die bijdrage is een heffing die gezagshalve door de Staat wordt opgelegd en is niet de tegenprestatie voor een dienst die door de overheid wordt geleverd ten voordele van de afzonderlijk beschouwde heffingsplichtige.

In tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, wordt aan die vaststelling geen afbreuk gedaan door het gegeven dat de opbrengst van die bijdrage voor de financiering van het stelsel van de sociale zekerheid der zelfstandigen is bestemd, noch door het gegeven dat op die bijdrage het beginsel van de annualiteit niet van toepassing is. Het beginsel van de annualiteit van de belastingen houdt enkel in dat de uitvoerende macht tot het innen van de door of krachtens de wet geregelde belastingen niet kan overgaan dan nadat zij daartoe van de wetgevende macht, in de begrotingswet of de financiewet, machtiging heeft gekregen. Vanwege de eenjarigheid van de rijksmiddelenbegroting geldt die machtiging voor één jaar en moet ze jaarlijks worden vernieuwd. Artikel 171 van de Grondwet belet evenwel geenszins dat de belastingwetten voor langer dan een jaar of zelfs voor onbeperkte duur worden ingevoerd.

Het betalen van de in het geding zijnde bijdrage doet geen bijkomende rechten op het vlak van de sociale zekerheid ontstaan, zodat een rechtstreekse band met de sociale zekerheid van de bijdrageplichtige personen ontbreekt. Daaruit volgt dat de in het geding zijnde bijdrage niet als een socialezekerheidsbijdrage kan worden beschouwd.

Op de tweede vraag

a) Uit de artikelen 170, § 1, en 172, tweede lid, van de Grondwet kan worden afgeleid dat geen enkele belasting kan worden geheven en dat geen enkele vrijstelling van belasting kan worden verleend zonder instemming van de belastingplichtigen, uitgedrukt door hun vertegenwoordigers. Daaruit volgt dat de fiscale aangelegenheid een bevoegdheid is die door de Grondwet aan de wet wordt voorbehouden en dat elke delegatie die betrekking heeft op het bepalen van één van de essentiële elementen van de belasting in beginsel ongrondwettig is.

De voormelde grondwetsbepalingen gaan evenwel niet zover dat ze de wetgever ertoe zouden verplichten elk aspect van een belasting of van een vrijstelling zelf te regelen. Een aan een andere overheid verleende bevoegdheid is niet in strijd met het wettigheidsbeginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld.

Het door de belastingplichtige te betalen bedrag vormt een essentieel element van een belasting. Het in de artikelen 170, § 1, en 172, tweede lid, van de Grondwet gewaarborgde fiscale wettigheidsbeginsel vereist bijgevolg dat de belastingwet nauwkeurige, ondubbelzinnige en duidelijke criteria bevat aan de hand waarvan kan worden uitgemaakt welk bedrag de belastingplichtige verschuldigd is.

Krachtens de in het geding zijnde bepalingen, zijn de vennootschappen een jaarlijkse forfaitaire bijdrage verschuldigd die als een belasting dient te worden beschouwd en wordt aan de Koning de bevoegdheid verleend die bijdrage vast te stellen, met dien verstande dat zij niet hoger mag zijn dan 868 euro. De in het geding zijnde bepalingen komen erop neer dat de Koning wordt gemachtigd een essentieel element van de belasting, namelijk het belastingtarief, in concreto vast te stellen. De wetgever heeft evenwel niet alleen het beginsel van de forfaitaire belasting in de wet opgenomen, maar ook het maximumbedrag van die belasting bepaald. De wetgever heeft enkel beoogd aan de Koning over te laten om, op basis van criteria die rekening houden met de omvang van de vennootschap, het tarief vast te stellen.

Uit het woord « inzonderheid » in het in het geding zijnde artikel 91, tweede lid, tweede zin, kan echter worden afgeleid dat de Koning nog andere criteria dan de omvang van de vennootschap in aanmerking zou kunnen nemen. Bijgevolg is de in het geding zijnde bepaling niet bestaanbaar met het in artikel 170, § 1, van de Grondwet besloten wettigheidsbeginsel, doch enkel in zoverre zij het woord « inzonderheid » bevat.

b) Krachtens de in het geding zijnde bepalingen zijn de vennootschappen « een jaarlijkse forfaitaire bijdrage verschuldigd » en wordt aan de Koning de bevoegdheid verleend om de verschuldigde belasting vast te stellen, met een maximum van 868 euro, waarbij Hij een onderscheid kan maken op basis van criteria die rekening houden met de omvang van de vennootschap.

In zijn arrest nr. 77/93 van 3 november 1993 heeft het Hof omtrent de bestaanbaarheid met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, van artikel 78 van de wet van 26 juni 1992, geoordeeld dat het aan de wetgever staat, geplaatst voor een belangrijk tekort in het sociaal statuut der zelfstandigen, te oordelen in hoeverre het opportuun is om, veeleer dan de sociale bijdragen van de zelfstandigen te verhogen of het fiscaal statuut van de vennootschappen te wijzigen, aan de vennootschappen de verplichting op te leggen een bijdrage te leveren tot de financiering van het stelsel van de sociale zekerheid der zelfstandigen wanneer het financiële evenwicht ervan wordt bedreigd door de omzetting van beroepsactiviteiten als zelfstandige in activiteiten als vennoot of als dusdanig beschouwde activiteiten.

Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 december 1992 blijkt dat die tendensen zich doorzetten, zodat met het oog op een duurzaam financieel evenwicht van het stelsel van de sociale zekerheid der zelfstandigen, de forfaitaire bijdrage werd bestendigd in die zin dat die bijdrage voortaan jaarlijks verschuldigd is. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 279 van de programmawet van 22 december 2003 blijkt dat, ten gevolge van de in het geding zijnde bepalingen, de Koning voortaan verschillende bijdragen, bestemd voor het stelsel van de sociale zekerheid der zelfstandigen, kan vaststellen naar gelang van de omvang van de vennootschap. Aldus kan Hij criteria vastleggen die een onderscheid maken tussen diverse types van vennootschappen waarbij met de omvang van de vennootschappen rekening wordt gehouden. Aangezien die bijdragen worden gemoduleerd, zullen de kleinere vennootschappen lagere bijdragen betalen.

In zijn voormelde arrest nr. 77/93 heeft het Hof erop gewezen dat het begrip forfait de tegenpool is van het begrip evenredigheid, maar dat kan worden aangenomen dat overwegingen van doeltreffendheid en kosten de wetgever verhinderen rekening te houden met het feit dat de vennootschappen zich in de meest diverse toestanden bevinden.

Zoals de bepalingen waarover het Hof in zijn voormelde arrest nr. 77/93 uitspraak heeft gedaan, voorzien de thans in het geding zijnde bepalingen eveneens in een forfaitaire bijdrage, met dien verstande evenwel dat thans de wetgever zelf een criterium van onderscheid heeft aangegeven - de omvang van de vennootschap - op basis waarvan de Koning de verschuldigde bijdrage kan moduleren, zonder dat die bijdrage 868 euro kan overschrijden.

Ermee rekening houdend dat een forfait per hypothese situaties beoogt die moeilijk kunnen worden geregeld door middel van algemene bepalingen die het voorwerp van een wet uitmaken en dat de in het geding zijnde bepalingen in een criterium van onderscheid en een maximumbedrag voorzien die niet onredelijk kunnen worden geacht, vermocht de wetgever, in een materie waar een grote verscheidenheid aan situaties bestaat, zonder het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie te schenden, aan de Koning de bevoegdheid toe te wijzen om, binnen de voormelde grenzen, de bijdragen vast te stellen die door de vennootschappen in concreto verschuldigd zijn.

Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het gegeven dat vennootschappen die zich op een andere wijze dan door hun omvang van elkaar onderscheiden, op identieke wijze worden behandeld. Immers, nu het criterium van de omvang van de vennootschap niet onredelijk is om op basis daarvan het bedrag van de bijdrage door de Koning te laten bepalen, kan de wetgever niet worden verweten dat hij niet ook nog in andere criteria heeft voorzien.

Voor het overige staat het aan de bevoegde rechter om na te gaan of de Koning de aan Hem verleende machtiging met naleving van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie heeft uitgevoerd.