14 april 2010

Naar een mildere dienstenrechtspraak rond detachering van werknemers?

door Filip Van Overmeiren[1]

Het is stil rond de tewerkstelling van buitenlandse werknemers op de Belgische arbeidsmarkt. Onze politici hebben tegenwoordig uiteraard wel andere noten te kraken, maar dat betekent niet dat de problematiek zelf zou afgezwakt zijn of minder aandacht zou vereisen. De laatste mediastorm in een glas water betrof de openstelling door België van het vrij verkeer van werknemers – lees de opheffing van de overgangsmaatregelen dienaangaande – overeenkomstig artikel 39 EG[2]. Om politiek-strategische redenen stelde federaal minister van Werk Milquet deze openstelling nog even in twijfel, om eind april 2009 dan toch geen verdere overgangsmaatregelen meer te handhaven[3]. Voor werknemers uit de in 2004 toegetreden Centraal- en Oost-Europese lidstaten moeten sindsdien geen arbeidskaarten meer worden aangevraagd en zij kunnen dus gemakkelijk rechtstreeks aangeworven worden. Deze ontwikkeling geeft echter nog geen garantie dat daarmee massaal zal worden teruggekeerd van “de andere manier” om Polen, e.a., hier bij ons in te schakelen, namelijk die van het vrij verkeer van diensten door de detachering van werknemers of het beroep op buitenlandse (schijn-)zelfstandigen.

Het is de detachering van werknemers die nog steeds voor de nodige vraagtekens zorgt bij inspectiediensten over het gehele grondgebied van de EU. Op dat vlak zijn er nog veel gaten in het informatie-, controle- en handhavingsbeleid van de meeste lidstaten en is het zeer moeilijk gebleken om de misbruiken uit te roeien. Dit niet in het minst omdat de manier waarop men in de lidstaten die misbruiken wil detecteren, controleren en bestraffen met Argus-ogen wordt gevolgd door de Europese Commissie. Zoals reeds uit een resem arresten van het Hof van Justitie is gebleken, balanceren dergelijke controle- en handhavingsmaatregelen steeds weer op de dunne koord tussen de sociale bescherming van werknemers en het vrij verkeer van diensten van hun werkgevers en deze laatsten hun opdrachtgevers. Het is de steeds sterker wordende dualiteit binnen een nog steeds voornamelijk economisch geïnspireerde Unie die zichzelf ook sociale doelstellingen heeft toegeëigend, maar het lastiger heeft om die laatste van vlees aan de botten te voorzien en te verzoenen met de eerste. We vinden een mooi voorbeeld in eigen land. Het LIMOSA-project[4], de in 2006 ingevoerde aanmeldingsplicht voor gedetacheerde zelfstandigen en werknemers om een beter zicht te krijgen op de aanwezigheid van die buitenlandse arbeidskrachten, werd in het begin nog bejubeld als een voorbeeld-handhavingsmaatregel die tot voorbeeld zou kunnen strekken voor andere lidstaten. Hij werd bovendien nog eens genomineerd voor de Europese e-Government-awards[5]. Anno 2010 mag het Koninkrijk België echter in een informeel overleg aan de Commissie de conformiteit van het systeem met het recht op vrij verkeer van diensten beargumenteren en dreigt het een inbreukprocedure aan zijn broek te hebben met betrekking tot datzelfde bejubelde LIMOSA-project. De twijfels zouden weliswaar vooral betrekking hebben op de aanmeldingsplicht voor zelfstandigen, maar het is ten zeerste de vraag of de werknemerscomponent van de maatregel heelhuids uit dergelijke inbreukprocedure kan komen.

De interne tweestrijd tussen de economische Unie – met een interne markt die nog op de echte voltooiing van het vrij verkeer van diensten zit te wachten – en de sociale Unie, waarvan de laatste zich met veel vallen en weinig opstaan toch op een geheel particuliere wijze in het beleid heeft weten te vervlechten, kwam nog eens nadrukkelijk naar voor in de (detacherings-)arresten Laval[6] en Viking[7]. Deze arresten werden reeds uitvoerig toegelicht dus voor een bespreking ervan kan ik naar andere auteurs verwijzen, maar de essentie ervan is als volgt. In deze zaken werd het Hof een conflict voorgelegd tussen het vrij verkeer van diensten en het recht op collectieve actie. Het “vrij verkeer van diensten” werd verpersoonlijkt door een Letse bouwonderneming die voor een bepaalde periode werknemers naar een Zweedse werf had gedetacheerd en zich niet kon vinden in de werf-CAO die door de Zweedse vakbond werd voorgelegd. Het “recht op collectieve actie” was dat van die Zweedse vakbonden die de werf blokkeerden omdat er geen akkoord kwam met de Letse onderneming. Het eindresultaat was het faillissement van de Letse onderneming, maar deze zag in het optreden van de vakbonden vooral een schending van haar door het EG-Verdrag gewaarborgd vrij verkeer van diensten. Het Hof gaf eerst te kennen dat het het belang van deze zaak juist inschatte, want het begon zijn argumentatie met de vaststelling dat het om een sociaal grondrecht ging dat tot de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht behoorde (en dus een constitutionele status had), met verwijzing naar het ILO-Verdrag nr. 87[8], het Europees Sociaal Handvest[9], het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden[10] en het Handvest van de Grondrechten van de EU[11]. Iedereen die wat vertrouwd is met de dienstenrechtspraak van het Hof, kon echter verwachten dat de bijzondere status van deze belemmering van het vrij verkeer van diensten nooit zou betekenen dat het Hof niet tot een evenredigheidstoets zou overgaan. Iedereen die dat laatste toch hoopte, is de laatste 30 jaar ingedommeld of moet er dringend nog eens de dienstenrechtspraak bijhalen. Wat wel binnen de mogelijkheden lag, was dat het Hof een mildere proportionaliteitstoets zou toepassen, zoals het dat eerder al in andere zaken had gedaan die een clash tussen grondrechten en fundamentele vrijheden betroffen.

Maar het grondrecht op collectieve actie werd door de gekende rigide art. 49-scan[12] gehaald en het sociaal grondrecht op collectieve actie werd opgeslorpt door de vaak gebruikte rechtvaardigingsgrond van de “bescherming van werknemers”, net zoals de andere gewone[13] arbeidsrechtelijke regelingen die in eerdere detacheringszaken werden gescreend. Waar de verwerende partijen zich in Laval en Viking hadden beroepen op de waarborging van de bescherming van het betrokken grondrecht aan de ene kant en de bescherming van werknemers aan de andere kant, koos het Hof immers voor een samengesmolten benadering. Het vrij verkeer van diensten werd op die manier niet expliciet tegenover de bescherming van het grondrecht an sich geplaatst, maar tegenover “het recht om collectieve actie te voeren met het oog op de bescherming van werknemers in de staat van ontvangst tegen eventuele praktijken van sociale dumping” als dwingende reden van algemeen belang. De argumentatie daarna werd verdergezet onder de bekende rechtvaardigingsgrond van de ‘bescherming van werknemers’, waarmee het grondrecht als één van de instrumenten ter bescherming van de rechten van werknemers werd behandeld en op een subtiele manier in het gebruikelijke stramien van de normale belemmeringsrechtvaardigingen werd gebracht. Dit in tegenstelling tot de in Laval aangehaalde arresten Schmidberger[14] en Omega[15], waarin de bescherming van de grondrechten op zich als een rechtmatig belang werd beschouwd en afgewogen. Daarin moest het vrij verkeer de duimen leggen voor het grondrecht in kwestie. Als men dan in acht neemt dat één van deze zaken een door een gemeentebestuur opgelegd verbod op lasershooting (sic) betrof op basis van het grondrecht van de ‘eerbied voor de menselijke waardigheid’, kan men er niet omheen dat de logica wat zoek is indien men deze gevallen naast elkaar legt.

Beide zaken werden reeds “grijsgeschreven” en niet in het minst door auteurs die hun eigen ideologische voorkeur niet konden of wilden verbergen. Hoe men deze zaken ook bekijkt, het Hof van Justitie is vooralsnog geen “neo-liberale denktank” noch een “rood bastion”, maar de plaats waar een rechterlijke invulling wordt gegeven aan het primair en secundair Gemeenschapsrecht “zoals dat steeds had moeten geïnterpreteerd worden”. Indien men de kiem voor een kentering van de behandeling van dergelijke zaken wil navorsen, zal men deze in het recht moeten zoeken en niet in politieke slogans. En misschien is deze dan wel te ontwaren in de combinatie van de houding van de na het Verdrag van Lissabon nieuwboren Unie ten aanzien van fundamentele rechten en vrijheden enerzijds en de ontwikkelingen van deze laatste anderzijds. Met de tegen Turkije gerichte zaken ‘Demir en Bakayra’[16] en ‘Enerji Yapi-Yol Sen’[17] erkende het Europees Hof voor de Rechten van de Mens immers expliciet het recht op collectieve actie als een essentieel element van de vrijheid van vergadering en vereniging van artikel 11 EVRM[18]. Het hoeft geen betoog dat dit een uiterst belangrijke zaak is voor de vakverenigingsvrijheid en voor het stakingsrecht, die mogelijks een doorwerking kan vinden in de rechtspraak van het Hof van Justitie. Die mogelijkheid lijkt groter te worden nu het Handvest van de Grondrechten van de EU een juridisch bindend onderdeel is geworden van het Verdrag. Maar vooral de op 17 maart 2010 gestarte onderhandelingen van de EU voor de toetreding van de Unie tot het EVRM[19] zijn onmiskenbaar van historisch belang voor de bescherming van de grondrechten binnen de Europese Unie. Daardoor komt immers een extra rechterlijke controle op de bescherming ervan en dit niet alleen ten aanzien van de wetgevende handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie, maar ook ten aanzien van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Met andere woorden zal in de toekomst een zaak zoals Laval of Viking aan het EHRM kunnen worden voorgelegd ter toetsing van de conformiteit met de verenigingsvrijheid van artikel 11 EVRM.

Een zaak als Laval zou echter niet de juiste zaak zijn om het sociaal grondrecht op collectieve actie onder het versterkte grondrechtelijke kader te meten met de economische vrijheden van het EG-verdrag. Deze zaak had inderdaad betrekking op de uitoefening van een belangrijk sociaal grondrecht en men kan zich afvragen of het Hof zich daarvan voldoende rekenschap heeft gegeven. De rest is echter “Zweeds geneuzel”, om een ambtenaar van de Europese Commissie in een presentatie over deze zaak te citeren. En gelijk had hij. Men kan lang doorgaan over de eigenheid van het Scandinavisch systeem van collectieve onderhandelingen en de rol van de vakbonden in het controle- en handhavingsbeleid, maar de essentie van de zaak Laval blijft dat het Zweedse systeem zich niet leent tot een degelijke implementatie van de Detacheringsrichtlijn 96/71. Daarvoor moet men nu eenmaal een transparante minimumgrens van arbeidsrechtelijke bescherming aanduiden die van toepassing zal zijn op gedetacheerde werknemers. Eenmaal goed aangeduid, mag men niet buiten noch boven deze kern gaan. Indien dat niet lukt, moet men zijn systeem aanpassen. Hier passen de woorden van Davies die voor eender welke EU-wetgeving gelden, zolang er niets fundamenteels verandert aan de primauteit van EU-recht ten aanzien van nationaal recht: “There is no principle that EU law should only have limited effects. If a system is so little compatible with EU law that bringing it into line entails fundamental changes, so be it”[20]. Voor wie vertrouwd is met de impact van Europees recht van de interne markt op de nationale stelsels van sociale bescherming, kan worden verwezen naar de rechtspraak over patiëntenmobiliteit. Na lang “Brits geneuzel” over, onder andere, het feit dat hun systeem nooit kon geaffecteerd worden door deze rechtspraak omdat het Britse NHS-stelsel geen terugbetalingstarieven kent zoals het Belgische of het Luxemburgse gezondheidszorgsysteem (die in 1998 het eerst onder vuur kwamen met de zaken Kohl[21] en Decker[22]), besliste het Hof uiteraard anders. In de zaak Watts werd duidelijk dat ook patiënten uit een NHS-stelsel onder bepaalde omstandigheden[23] zorg konden genieten in andere EU-lidstaten die in het Verenigd Koninkrijk moet worden vergoed. Moeilijk of niet, het Verenigd Koninkrijk moet ervoor zorgen dat het zijn stelsel daaraan aanpast en het moet dus gaan “tariferen” in een stelsel zonder tarieven. Zo zou dat dus ook moeten gaan voor het Zweedse systeem en de moeilijke verhouding ervan met de Detacheringsrichtlijn.

Het bijzondere hier is dat de Scandinavische banbliksems naar Brussel toch een impact hebben gehad. Er wordt immers opnieuw nagedacht over de noodzaak van een aanpassing van de richtlijn. Te dien einde heeft de Europese Commissie een aantal onderzoeken bevolen naar verschillende deelaspecten: de juridische aspecten van de detachering van werknemers, de arbeids- en levensomstandigheden van gedetacheerde werknemers, de economische en sociale aspecten van de detachering van werknemers zullen worden onderzocht en een haalbaarheidsstudie voor de instelling van een Europees platform voor samenwerking tussen de arbeidsinspecties van de lidstaten, werd gelast. Deze brede waaier van onderzoeken zou dus de marges voor verbetering moeten blootleggen. Toch voelt deze ontwikkeling aan als Europees recht op zijn kop, want de normale gang van zaken is dat nationaal recht zich moet conformeren aan Europees recht dat door de lidstaten werd aangenomen. Zoniet gaan we naar een Unie waarin elke volgens de rechtmatige procedures aangenomen wetgeving kan aangevallen worden vanuit een zekere eigenheid van één of ander nationaal stelsel. Anders wordt het uiteraard indien vast komt te staan dat Europese wetgeving haaks staat op de (sociale) rechtsstelsels van alle lidstaten en zo eigenlijk zijn doel ver voorbij schiet. Uiteraard moet men ook steeds open blijven staan voor verbeteringen van het Europese kader, maar met Laval en Viking lag het probleem toch vooral bij de onaangepastheid van het betrokken nationale stelsel en niet bij een fundamentele “programmeerfout” in de Europese wetgeving. Misschien hadden de Scandinavische landen nu net dat streepje voor omdat zij in het sociaalrechtelijke domein nog steeds hofleverancier van het “flexizekerheidsconcept” zijn. Of mag “België” straks ook zijn zegje doen in “Brussel” als onze wel zeer breed opgevatte omzetting van de harde kern van arbeidsvoorwaarden – zowat ons gehele arbeidsrecht, aangezien het gaat om alle strafrechtelijk beteugelde bepalingen – een belletje doet rinkelen bij een multinational of de Europese Commissie.

Het blijft in elk geval afwachten naar “de juiste zaak” om te zien of het Hof van Justitie zich zal laten beïnvloeden door de nieuwe Europese wind in de bescherming van de grondrechten. En misschien wegen de sociale grondrechten niet alleen door in zaken waarin zij rechtstreeks in het geding zijn, maar kunnen zij een milderend effect hebben bij de behandeling van andere detacheringszaken indien een voldoende nauwkeurig verband kan worden gelegd tussen een betrokken arbeidsrechtelijke regeling en een sociaal grondrecht. Daarmee is echter ook voorzichtigheid geboden, want (sociale) grondrechten blijven in vele gevallen gekenmerkt door veel symboliek en weinig echte juridische houvast in zeer concrete zaken.

-
[1] Filip Van Overmeiren is wetenschappelijk medewerker aan de Vakgroep Sociaal Recht van de Universiteit Gent, waar hij zich voornamelijk concentreert op de impact van het recht van de interne markt op de nationale stelsels van sociale bescherming. Hij werkt aan een proefschrift over de invloed van het Europees burgerschap op de toegang tot sociale bescherming. Hij is auteur van het boek F. VAN OVERMEIREN, Buitenlandse arbeidskrachten op de Belgische arbeidsmarkt, in Bibliotheek Sociaal Recht, Larcier, 2009, 346.
Zie http://uitgeverij.larcier.com/titres?id=40955_1
[2] Huidig artikel 45 VWEU.
[3] F. VAN OVERMEIREN, “Een Pool? Doe de deur maar open”, Opinie, De Standaard, 20 maart 2009.
[4] De verplichte aanmelding bij detachering van werknemers, zelfstandigen en stagiairs is één onderdeel van het grotere LIMOSA-project voor een beter zicht op en administratief eenvoudigere behandeling van grensoverschrijdende tewerkstelling naar België. Zie http://www.limosa.be/
[5] European e-Government Awards, Exhibition Catalogue 2007, 52, zie http://www.epractice.eu/files/download/awards/ExhibitionCatalogue2007.pdf/
[6] HvJ 18 december 2007, nr. C-341/05, Laval, Jur. 2007, I, 11767.
[7] HvJ 11 december 2007, nr. C-438/05, Viking, Jur. 2007, I, 10779
[8] http://www.ilo.org/ilolex/english/convdisp1.htm
[9] http://conventions.coe.int/Treaty/EN/Treaties/PDF/Dutch/163-Dutch.pdf
[10] http://www.europarl.europa.eu/transl_nl/home/nlsite.htm?nlmarge.htm&nlkop.htm&g30.htm
[11] http://www.europarl.europa.eu/charter/pdf/text_nl.pdf
[12] Huidig artikel 56 VWEU.
[13] ‘Gewone’ in die zin dat het in eerdere zaken om nationale wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen ging, terwijl hier een grondrecht in het geding was, wat de zaak eerder ‘buitengewoon’ maakt.
[14] HvJ 12 juni 2003, nr. C-112/00, Schmidberger, Jur. 2003, I, 5659.
[15] HvJ 14 oktober 2004, nr. C-36/02, Omega, Jur. 2004, I, 9609.
[16] EHRM, DEMİR en BAYKARA t. TURKIJE (nr. 34503/97), 12 November 2008.
[17] EHRM, ENERJİ YAPI-YOL SEN t. TURKIJE (nr. 68959/01), 21 april 2009.
[18] Artikel 11, lid 1, EVRM luidt: “Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen”.
[19] De grondslag voor deze toetreding is terug te vinden in artikel 6, lid 2, VWEU. De EU wordt de 48e partij bij het EVRM, zonder dat zij lid zal worden van de Raad van Europa.
[20] G. T. DAVIES, "The process and side-effects of harmonisation of European welfare states", Jean Monnet Working Paper 2006, 02/06, (1), 36.
[21] HvJ 28 april 1998, nr. C-158/96, Kohll, Jur. 1998, I, 1931.
[22] HvJ 28 april 1998, nr. C-120/95, Decker, Jur. 1998, I, 1831.
[23] Voor ziekenhuiszorg is dit beperkt, maar voor ambulante zorg geldt in principe een ongebreideld patiëntenverkeer: elke verzekerde EU-onderdaan kan in een andere lidstaat zorg genieten en in zijn lidstaat van oorsprong daarvoor terugbetaling ontvangen.

2 opmerkingen:

Filip Van Overmeiren, auteur zei

Ter aanvulling bij "maar het is ten zeerste de vraag of de werknemerscomponent van de (LIMOSA-)maatregel heelhuids uit dergelijke inbreukprocedure kan komen": hiermee heb ik allerminst een zekerheid van mijnentwege willen aanduiden over een specifiek en aanwijsbaar gevolg voor de werknemerscomponent. Ik wou hiermee enkel aangeven dat de ervaring met arresten van het HvJ leert dat de veroordeling aangaande een bepaalde component van een maatregel vaak implicaties heeft voor andere componenten. Dit kan duidelijk voortvloeien uit het arrest zelf, maar kan ook voortvloeien uit een op het arrest volgend nationaal reflectieproces over de maatregel in zijn geheel. Zonder op rechtstreekse verbanden of analogieën met LIMOSA te willen wijzen, kan het voorbeeld van de artikel 30bis-regeling worden aangehaald. Na de veroordeling van de fiscale component, werd ook de socialezekerheidscomponent grondig onder handen genomen, zij het volledig op nationaal initiatief. Bij LIMOSA zou men zich kunnen voorstellen dat de non-conformiteit van de controleplicht van gebruikers in de zelfstandigencomponent, tot nadenken zal aanzetten over diezelfde plicht in de werknemerscomponent. Maar het is zonneklaar dat men hierover enkel kan speculeren. Dit zijn afwegingen die het Hof steeds in concreto doet en waarvan het resultaat dus moeilijk te voorspellen is.

Mijn oprechte excuses indien deze onvolledigheid voor verwarring heeft gezorgd.
Filip Van Overmeiren

werner zei

Een fijn artikel, dat ik met aandacht het gelezen.