11 december 2011

Arbeidstijd, wachtdiensten en loon

door K. Nevens

Inleiding

1. In een arrest van 6 juni 2011 overweegt het Hof van Cassatie dat noch uit de bepalingen van de Europese Arbeidstijdrichtlijn 93/104 (sinds 2004 vervangen door richtlijn 2003/88), noch uit artikel 19 van de Arbeidswet voortvloeit dat het loon dat een werknemer ontvangt voor wachturen tijdens dewelke hij de verplichting heeft een oproep van zijn werkgever te beantwoorden zonder zich op een welbepaalde plaats te moeten bevinden en zonder effectief de bedongen arbeid te verrichten, niet gelijk moet zijn aan het loon voor effectieve arbeidsprestaties. Het Hof van Cassatie handhaaft bijgevolg het arrest van het Arbeidshof te Brussel d.d. 27 oktober 2009.[1]

Op zich verrast deze uitspraak niet. Het Hof van Justitie had er in het verleden al op gewezen dat de Arbeidstijdrichtlijn slechts betrekking heeft op de organisatie van de arbeidstijd en niet op de loonvoorwaarden.[2] Ook het Arbeidshof te Luik had in zijn arrest van 23 juni 2008 reeds dit standpunt ingenomen.[3] Dit arrest roept wel de vraag op of het Hof van Cassatie met zijn uitspraak ook heeft erkend dat beschikbaarheidsdiensten, net zoals aanwezigheidsdiensten, als arbeidstijd moeten of kunnen worden beschouwd.

Ter verduidelijking, onder aanwezigheidsdienst begrijp ik de periode die de werknemer op de arbeidsplaats moet doorbrengen met het oog op het verrichten van arbeid, zo hij daartoe wordt verzocht en/of zo dat nodig blijkt. Een bereikbaarheidsdienst houdt daarentegen in dat de werknemer op een door hem gekozen plaats (gewoonlijk thuis) bereikbaar moet zijn, zodat hij door de werkgever kan worden aangezet zijn arbeid te (komen) verrichten.

In tegenstelling tot wat Willy Van Eeckhoutte laat uitschijnen,[4] is het – rekening houdende met de rechtspraak van het Hof van Justitie – allerminst vanzelfsprekend om een bereikbaarheidsdienst als arbeidstijd op te vatten, zoals ik hierna zal toelichten. Dit werd ook door het Arbeidshof te Brussel in het aangevochten arrest in de verf gezet. Dit neemt niet weg  dat sommige Belgische rechtspraak en rechtsleer daar anders over denken.[5]

De rechtspraak van het Hof van Justitie

2. In de Simap-zaak[6] moest het Hof van Justitie voor de eerste keer een uitspraak doen over het Europeesrechtelijke begrip arbeidstijd, en meer bepaald over de vraag of de wachtdiensten die door Spaanse geneesheren, in het ziekenhuis of van thuis uit werden verricht, als zodanige tijd moesten worden opgevat.

Voor alle duidelijkheid, artikel 2.1 Arbeidstijdrichtlijn definieert het begrip 'arbeidstijd' als "de tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent, overeenkomstig de nationale wetten en/of gebruiken". Onder “werkzaam zijn” moet worden verstaan: aanwezig zijn op de plaats van tewerkstelling.[7] Die interpretatie stoelt op de Franse en Italiaanse tekst van de richtlijn, mede in het licht van het feit dat bijvoorbeeld de Nederlanse tekst ertoe leidt dat het eerste en het derde criterium niet van elkaar zouden kunnen worden onderscheiden.[8]

Het Hof antwoordde dat de aanwezigheidsdiensten van ziekenhuisartsen  de kenmerken vertonen van het begrip arbeidstijd. Het Hof wees er met name op dat het in die hypothese onomstreden is dat de geneesheren werkzaam zijn en ter beschikking staan van hun werkgever. Het Hof voegde daaraan toe dat het aanwezig en beschikbaar zijn op zich als de uitoefening van de functie (id est van werkzaamheden) kan worden beschouwd. De uitspraak in SIMAP werd bevestigd in Jaeger waar het Hof eveneens verduidelijkte dat de artsen tijdens een aanwezigheidsdienst mogen ontspannen en zelfs mogen slapen in een door de werkgever daartoe ter beschikking gestelde rustkamer, zonder dat dit afbreuk kan doen aan de vaststelling dat de geneesheren hun functie uitoefenen. Uit SIMAP mag dus niet worden afgeleid dat de werknemer tijdens een aanwezigheidsdienst zijn arbeid daadwerkelijk en ononderbroken moet uitoefenen,[9] zoals ook in Dellas en Vorel werd bevestigd.

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie wordt zowel in de Belgische als in de Europese doctrine afgeleid dat het Hof de drie kenmerken uit de definitie van het begrip arbeidstijd als cumulatieve voorwaarden opvat.[10] De advocaten-generaal Saggio en Ruiz Jarabo-Colomer zien dat in hun conclusie nochtans anders.[11]  Zo overwoog die eerste:

“Selon nous, l'article 2, paragraphe 1, de la directive doit donc être interprété en ce sens que les trois critères qu'il fournit pour définir «le temps de travail» sont autonomes et ne doivent pas être remplis simultanément, ce qui implique que les périodes de disponibilité qui requièrent une présence physique sur le lieu de travail, telles que les gardes médicales dont il est question ici, doivent être considérées comme temps de travail et, partant, entrer dans le calcul de la durée journalière et hebdomadaire de travail.”[12]

De keuze voor de vereiste van cumulatie van kenmerken lijkt tekstueel misschien logisch(er),[13] maar kan toch niet verhinderen dat de redenering van het Hof vreemd aandoet. Het Hof maakt eigenlijk een optelsom van de eerste twee kenmerken van het Europeesrechtelijke begrip arbeidstijd om tot het derde kenmerk, zijnde het presteren van arbeid, te besluiten.[14] Met andere woorden, uit het aanwezig zijn op de arbeidsplaats (werkzaam zijn) én het beschikbaar zijn voor de werkgever, leidt het Hof de uitoefening van de functie af. Het loutere feit niet aanwezig te moeten zijn op de plaats van tewerkstelling brengt zodoende teweeg dat het ter beschikking staan van de werkgever niet als de uitoefening van de functie of van werkzaamheden moet worden beschouwd.

In Dellas en Vorel benadrukte het Hof van Justitie op een zeer sterke wijze dat, om aanwezigheidsdiensten als arbeidstijd te kwalificeren, het beslissend is dat de werknemer fysiek aanwezig moet zijn op de door de werkgever bepaalde plaats én ter beschikking moet staan van die laatste.[15] Daarmee duwt het Hof de derde vereiste (uitoefenen van de functie) helemaal naar de achtergrond.[16]

3. Zoals het Arbeidshof te Brussel terecht opmerkte, benadert het Hof van Justitie bereikbaarheidsdiensten niet als arbeidstijd. Zo overwoog het Hof in Simap dat de situatie van artsen die enkel permanent bereikbaar moeten zijn zonder aanwezig te moeten zijn in het ziekenhuis anders is van deze van artsen die een aanwezigheidsdienst moeten verrichten, omdat de eersten in dat geval vrijer hun tijd kunnen besteden en zich met hun eigen zaken kunnen bezighouden. Deze overweging ligt volledig in de lijn van de conclusie van advocaat-generaal Saggio, die met betrekking tot bereikbaarheidsdiensten het volgende argumenteerde:

“Dans ce cas, l'engagement est éventuel et discontinu et le travailleur a une possibilité, même limitée, de gérer son temps sans être astreint à une présence physique sur le lieu de travail. C'est pourquoi il n'est pas possible d'assimiler le travailleur placé sous le régime de l'accessibilité à celui qui est en état de disponibilité, car ce dernier assure une présence permanente sur le lieu de travail. Il s'ensuit donc que les périodes de simple accessibilité ne peuvent être prises en compte dans le calcul du temps de travail, celui-ci ne pouvant comprendre que la durée du travail effectif accompli dans le laps de temps pendant lequel le travailleur doit rester joignable”.[17]

Er mag in de discussie omtrent het Europese begrip arbeidstijd trouwens niet uit het oog worden verloren dat advocaat-generaal Saggio verdedigde dat bereikbaarheidsdiensten dan wel geen deel uitmaken van de arbeidstijd maar evenmin rusttijd zijn.[18] Deze opvatting werd echter noch in Simap, noch in Dellas, noch in Vorel door het Hof van Justitie bijgetreden.[19]

Niettemin lijkt ook advocaat-generaal Ruiz Jarabo-Colomer in zijn conclusies bij Jaeger en Dellas niet blind te zijn voor het bestaan van tijd die noch arbeidstijd, noch rusttijd is en verwijst hij onder andere naar de literatuur inzake zogeheten ‘astreintes’,[20] die door de Franse Code du travail worden omschreven als periodes pendant laquelle le salarié, sans être à la disposition permanente et immédiate de l'employeur, a l'obligation de demeurer à son domicile ou à proximité afin d'être en mesure d'intervenir pour accomplir un travail au service de l'entreprise”.[21]

In de Franse doctrine spreekt men dan ook van “le temps du troisième type”,[22] al moet dit naar aanleiding van een wetswijziging in 2003 allicht worden herzien.[23] Om zich te conformeren aan de rechtspraak van het Hof van Justitie, introduceerde de Franse wetgever in 2003 immers de regel dat in zoverre tijdens de bereikbaarheidsdienst niet effectief wordt gewerkt, deze dienst aangerekend moet worden op de rusttijd.[24]

Ruiz Jarabo-Colomer neemt niet in absolute termen afstand van de dichotomie arbeidstijd/rustijd, maar vertrekt wel vanuit die vaststelling om te concluderen dat het ter beschikking staan van de werkgever niet volstaat om te kunnen spreken van arbeidstijd. Integendeel, de vervulling van twee van de criteria zou een noodzakelijke voorwaarde zijn en in de meerderheid van de gevallen ook volstaan om bepaalde perioden als arbeidstijd te kunnen aanmerken,[25] een opvatting waarmee Morel zich kan verzoenen.[26] De advocaat-generaal wil blijkbaar vooral benadrukken dat het ter beschikking staan gepaard moet gaan met (1) effectieve arbeidsprestaties, of (2) met een aanwezigheid op de arbeidsplaats en bereikt zodoende aansluiting bij de eerdere rechtspraak van het Hof van Justitie.

In zijn voorstel tot wijziging van richtlijn 2003/88[27] ging de Europese Commissie zelfs nog verder. De Commissie stelde voor enkel de periodes gedurende welke de werknemer daadwerkelijk zijn werkzaamheden verricht of zijn functie uitoefent als arbeidstijd te beschouwen. Wacht- of slaapuren tijdens een aanwezigheidsdienst[28] zouden bijgevolg geen deel uitmaken van de arbeidstijd, tenzij daar op nationaal niveau van zou worden afgeweken. Het voorstel van de Commissie werd echter integraal afgeschoten door het Europese Parlement.[29] 

De Belgische rechtspraak en rechtsleer

4. Artikel 19 Arbeidswet definieert het begrip arbeidsduur op een beknopte wijze als “de tijd gedurende welke het personeel ter beschikking is van de werkgever”.  Deze definitie werd overgenomen uit de wet van 15 juli 1964 betreffende de arbeidsduur in de openbare en particuliere sectors van 's lands bedrijfsleven,[30] In het Senaatsverslag bij die wet werd die definitie als volgt toegelicht:

De werknemer wordt geacht arbeid te verrichten wanneer hij onder het bevel van de werkgever staat”.[31]

Voorts werd in het verslag aangegeven dat enkel de periode waarin de werknemer vrij is van de voortdurende mogelijkheid tot een onvoorziene oproep en uiteraard ook geen enkele (andere) taak moet verrichten, als rusttijd moet worden aangemerkt.[32] Die begripsbepaling was schatplichtig aan sommige oudere rechtspraak[33] en werd overgenomen in de daaropvolgende rechtspraak en rechtsleer.[34] In het verlengde van het advies van de Raad van State[35] wordt sedertdien zonder omwegen gesteld dat de arbeidstijd ook periodes kan omvatten waarin de werknemer geen effectieve arbeidsprestaties levert.[36]

Deze definitie en de draagwijdte ervan werd herbevestigd naar aanleiding van de wet van 12 december 2010[37] tot vaststelling van de arbeidsduur van de geneesheren, de tandartsen, de dierenartsen, kandidaat-geneesheren in opleiding, kandidaat-tandartsen in opleiding en studenten-stagiairs die zich voorbereiden op de uitoefening van. deze beroepen.[38]

5. Ondanks deze conceptuele duidelijkheid, waarvan de wetgever had gehoopt dat zij alle verdere betwistingen in de kiem zou smoren,[39] bleef het tot aan de arresten Simap en Jaeger van het Hof van Justitie in de Belgische rechtspraak lang betwist of aanwezigheids- en bereikbaarheidsdiensten deel uitmaken van de arbeidsduur. Met betrekking tot aanwezigheidsdiensten werd door sommige rechtspraak het onderscheid gemaakt tussen “slapende wacht” en “wakende wacht”, om dan te besluiten dat enkel wakende wacht in rekening moet worden gebracht ter bepaling van de gepresteerde arbeidstijd.[40] Bosly en Sarteau-Thirion konden zich hierin vinden:

Slaap is de rustoestand bij uitstek: hij staat tegenover de arbeid”.[41]

Het uitgangspunt was dus dat enkel effectieve arbeidsprestaties in aanmerking komen,[42] want onder wakende wacht werd bijvoorbeeld het toezicht uitgeoefend door een nachtwaker, verstaan.[43] Toezicht houden is echter een (effectieve) arbeidsprestatie waartoe een werknemer zich kan verbinden. Daarom ook overwoog het Hof van Cassatie in een arrest van 17 oktober 1979[44] dat de feitenrechter vermocht aan te nemen dat de werkelijke prestaties van een nachtwaker overeenstemmen met de tijd dat hij zijn toezicht uitoefende.

Volgens andere rechtspraak,[45] hierin bijgetreden door een meerderheid van de rechtsleer,[46] moest worden aangenomen dat een aanwezigheidsdienst, ook al gaat het slechts om een “slapende wacht”, onderdeel is van de arbeidstijd en dus als arbeid moet worden opgevat. Immers, zo overwoog de Arbeidsrechtbank te Leuven:

“tijdens die dienst kan de werknemer niet naar eigen goeddunken zijn tijd spenderen. Hij dient zich daadwerkelijk ter beschikking te houden en moet aan elke oproep gevolg geven”.[47]

Het onderscheid tussen slapende en wakende wacht komt daarenboven niet voor in de Arbeidswet en mist volgens die tweede strekking bijgevolg elke rechtsgrond.[48]

Sommige rechtspraak ging zelfs nog een stap verder en oordeelde dat ook een bereikbaarheidsdienst deel kan uitmaken van de arbeidstijd, tenminste wanneer de werknemer zich tijdens die dienst op een permanente wijze aan een onvoorziene oproep moet verwachten.[49] Het is schijnbaar vanuit dit perspectief dat Petit overweegt dat de uitdrukking ter beschikking betekent dat de werkgever de werknemer op elk ogenblik kan oproepen om te arbeiden en deze bereid is aan die oproep te voldoen.[50]

Deze extensieve interpretatie kent aanhang onder het motto dat een werknemer ook thuis ter beschikking kan zijn van zijn werkgever en zodoende zelfs daar niet geheel vrij over zijn tijd beschikt, [51] wat duidelijk ingaat tegen de rechtspraak van het Hof van Justitie. Zo schreef Davagle, weliswaar vóór het arrest Simap:

Dès le moment où le travailleur doit assurer une permanence durant laquelle l’employeur peut à tout moment lui demander de travailler, cette période de garde doit être considérée comme du temps de travail, puisque le travailleur est à la disposition de l’employeur, prêt à répondre à tout appel imprévisible”.[52]

Conclusie

6. In zijn arrest van 27 oktober 2009 volgde het Arbeidshof te Brussel de rechtspraak van het Hof van Justitie. Het Arbeidshof vatte een bereikbaarheidsdienst dan ook op als een periode die niet tot de arbeidstijd kan worden gerekend. Het Arbeidshof argumenteerde dat de werknemer niet gedwongen werd fysiek aanwezig te zijn op een door de werkgever bepaalde plaats en dat hij ingeval van een oproep over een tijdspanne van 2 uren beschikte om daaraan gevolg te geven. Het Arbeidshof verwierp ook de looneis voor de uitgevoerde bereikbaarheidsdiensten, omdat de mogelijkheid om opgeroepen te kunnen worden door de werkgever niet volstaat om te kunnen stellen dat de werknemer recht heeft op loon.

In zijn middel voerde de eiser in cassatie aan dat een bereikbaarheidsdienst wel als arbeidstijd moet worden beschouwd en dat de werknemer bijgevolg ook recht heeft op loon. Die laatste stap in de redenering mag misschien wel logisch lijken, maar is in rechte onjuist. Alleen al om die reden kon het Hof van Cassatie het middel afwijzen als ongegrond, hetgeen ook gebeurde.

Het is daarbij van belang niet uit het oog te verliezen dat het Hof van Cassatie bijgevolg geen uitspraak diende te doen en ook geen uitspraak deed over de vraag of bereikbaarheidsdiensten naar Belgisch recht als arbeidstijd moeten worden beschouwd. Zelfs indien dit het geval zou zijn, dan nog zou de werknemer geen recht hebben op loon. Het loon is immers enkel verschuldigd voor effectieve arbeidsprestaties. Het arrest van het Hof van Cassatie leidt bijgevolg niet ertoe dat een bereikbaarheidsdienst (naar Belgisch recht) als arbeidstijd moet worden opgevat.


[1] JTT 2010 154
[2] HvJ, C-151/02, 9 september 2003, Jaeger, nr. 26; C-14/04, 1 december 2005, Dellas, nr. 38; C-437/05, 11 januari 2007, Vorel, nrs. 32-33
[3] JTT 2008, 385.
[4] Cf. "Arbeidstijd en loon zijn geen siamese tweelingen", SoCompact 17-23 juni 2011.
[5] Zie bijvoorbeeld Zie Arbh. Brussel 20 februari 1990, Rechtspr. Arb. Br. 1990, 235; Arbrb. Charleroi 2 januari 1992, JTT 1992, 329 (weliswaar inzake het begrip ‘arbeidsongeval’); M. DAVAGLE, “Travailler: être à la disposition de l’employeur”, Ors. 2000, 7. Contra: Arbh. Luik 4 december 1995, Soc. Kron. 1997, 244.
[6] C-303/98, 3 oktober 2000.
[7] Zie in die zin: concl. adv.-gen. SAGGIO (16 december 1999) bij HvJ, C-303/98, SIMAP, nr. 34
[8] zie hieromtrent concl. adv.-gen. RUIZ JARABO-COLOMER (8 april 2003) bij HvJ, C-151/02, Jaeger, nr. 31.
[9] concl. adv.-gen. RUIZ JARABO-COLOMER (8 april 2003) bij HvJ, C-151/02, Jaeger, nr. 43.
[10] Zie in die zin: F. BARON, “La notion de temps de travail en droit communautaire”, Droit Social 2001, 1098; M. DAVAGLE, “La notion de temps de travail”, Ors. 2009/7, 3; J. FAIRHURST, “SIMAP – Interpreting the Working Time Directive”, Industrial Law Journal 2001, 242; F. KEFER en J. CLESSE, “Le temps de garde inactif entre le temps de travail et le temps de repos”, Rev. Dr. ULg 2006, 159; J. KENNER, “Working time, Jaeger and the seven-year itch”, Columbia Journal of European Law 2004-2005 (Vol. 11), 64; F. MOREL, “Travail et repos: quelle articulation entre le droit communautaire et le droit national?”, Droit Social 2004, 143; L. RODGERS, “The notion of working time”, Industrial Law Journal 2009, 81-82. In het arrest van het Arbeidshof te Luik (7 februari 2005, Soc. Kron. 2007, 144, noot J. JACQMAIN) wordt – met verwijzing naar het arrest Jaeger – het tegendeel beweerd. In een korte noot wijst JACQMAIN erop dat het Arbeidshof zich vergist in haar verwijzing naar Jaeger, en waarschijnlijk de zaak SIMAP voor ogen had.
[11] Concl. adv.-gen. SAGGIO (16 december 1999) bij HvJ, C-303/98, SIMAP, nrs. 36-37; concl. adv.-gen. RUIZ JARABO-COLOMER (8 april 2003) bij HvJ, C-151/02, Jaeger, nr. 28.
[12] Eigen onderlijning.
[13] Zie in die zin: J. KENNER, “Working time, Jaeger and the seven-year itch”, Columbia Journal of European Law 2004-2005 (Vol. 11), 64.
[14] Zie ook in die zin: Ch. VIGNEAU, noot onder HvJ, C-151/02, Jaeger, ERPL 2005, 221.
[15] HvJ, C-14/04, 1 december 2005, Dellas, nr. 48; C-437/05, 11 januari 2007, Vorel, nr. 28.
[16] Ch. VIGNEAU, noot onder HvJ, C-151/02, Jaeger, ERPL 2005, 221.
[17] Concl. adv.-gen. SAGGIO (16 december 1999) bij HvJ, C-303/98, SIMAP, nr. 37.
[18] Zie concl. adv.-gen. SAGGIO (16 december 1999) bij HvJ, C-303/98, SIMAP, nr. 38.
[19] HvJ, C-303/98, 3 oktober 2000, SIMAP, nr. 47; HvJ, C-14/04, 1 december 2005, Dellas, nr. 43.
[20] Zie concl. adv.-gen. RUIZ JARABO-COLOMER (8 april 2003) bij HvJ, C-151/02, Jaeger, voetnoot 15 en concl. (12 juni 2005) bij HvJ, C-14/04, Dellas, nr. 67, voetnoot 55.
[21] Art. L. 3121-5. Deze wettelijke bepaling werd door de wet van 19 januari 2000 geïntroduceerd als art. L. 212-4 Code du Travail (oud) en hernam de definitie die het Franse Hof van Cassatie in enkele arresten had gegeven aan de ‘astreinte’ (zie cass. fr., nr. 96-45590, 9 maart 1999; nr. 97-40058, 6 april 1999; nr. 96-43037, 4 mei 1999 (allen www.legifrance.gouv.fr).
[22] Zie hieromtrent F. BARON, “La notion de temps de travail en droit communautaire”, Droit Social 2001, 1100-1102; J.-E. RAY, “Les astreintes, un temps du troisième type”, Droit Social 1999, 250 e.v.; A. SUPIOT, “À la recherche de la concordance des temps”, in Y. KRAVARITOU (ed.), The regulation of working time in the European Union, Brussel, Peter Lang, 1999, 112-113; Ph. WAQUET, “Le temps de repos”, Droit Social 2000, 290.
[23] Zie ook in die zin: F. KEFER en J. CLESSE, “Le temps de garde inactif entre le temps de travail et le temps de repos”, Rev. Dr. ULg 2006, 162.
[24] Art. L. 3121-6 Code Travail (oud art. 212-4bis, zoals gewijzigd bij wet 17 januari 2003, Journal Officiel 18 januari 2003). Zie hieromtrent F. MOREL, “Travail et repos: quelle articulation entre le droit communautaire et le droit national?”, Droit Social 2004, 145.
[25] Concl. adv.-gen. RUIZ JARABO-COLOMER (8 april 2003) bij HvJ, C-151/02, Jaeger, nr. 30.
[26] Zie F. MOREL, “Travail et repos: quelle articulation entre le droit communautaire et le droit national?”, Droit Social 2004, 143.
[27] COM 2004/607 def.
[28] In art. 1bis van het voorstel wordt een aanwezigheidsdienst gedefinieerd als “tijd gedurende welke de werknemer op zijn werkplek beschikbaar moet blijven om op verzoek van de werkgever zijn werkzaamheden te verrichten of zijn functie uit te oefenen”.
[29] Zie hieromtrent K. NEVENS, “Europees Parlement keldert nieuwe Arbeidstijdenrichtlijn”, Sociaalrecht Blog 1 mei 2009 (www.sociaalrecht.blogspot.com).
[30] BS 29 juli 1964.
[31] Verslag bij het ontwerp van wet betreffende de arbeidsduur in de openbare en particuliere sector van ’s lands bedrijfsleven (Debucquoy), Parl. St. Senaat 1963-1964, nr. 287, 19.
[32] Ibid.
[33] Zie bijvoorbeeld Brussel 8 februari 1933, zoals geciteerd in Cass. 24 april 1933, Pas. 1933, I, (206) 207. Het arrest van het Hof van Beroep werd door het Hof van Cassatie niet vernietigd.
[34] Zie bijvoorbeeld  Arbh. Brussel 21 maart 1988, Soc. Kron. 1989, 46; J. DAEMS en J. VANTHOURNOUT, Arbeidsduur en overloon, Mechelen, Kluwer, 2005, 21; M. DAVAGLE, “Travailler: être à la disposition de l’employeur”, Ors. 2000, 4; F. KEFER en J. CLESSE, “Le temps de garde inactif entre le temps de travail et le temps de repos”, Rev. Dr. ULg 2006, 158.
[35] Parl. St. Kamer 1962-1963, nr. 476-1, 20.
[36] Zie Gent 4 oktober 1979, JTT 1980, 272; Arbh. Antwerpen 4 januari 1994, Soc. Kron. 1994, 355; F. BLOMME, Arbeidsduur in de private en openbare sector. Rigiditeit en flexibiliteit, Brugge, Vandenbroele, 2007, 27; J. DAEMS en J. VANTHOURNOUT, Arbeidsduur en overloon, Mechelen, Kluwer, 2005, 21; M. DAVAGLE, “Travailler: être à la disposition de l’employeur”, Ors. 2000, 4; M. DE GOLS, De organisatie van de arbeid, Diegem, Ced.samson, 2001, 16; F. KEFER en J. CLESSE, “Le temps de garde inactif entre le temps de travail et le temps de repos”, Rev. Dr. ULg 2006, 157; E. TRUYENS, “Un travailleur ‘dormant’: pourtant, sa durée du travail peut courir”, Ors. 1993, 205; O. VANACHTER, “Wachtdiensten en arbeidsduur”, Or. 1986, 50.
[37] BS 22 december 2010.
[38] Zie MvT, Parl. St. Kamer, nr. 53-431/1, 7.
[39] Zie Verslag bij het ontwerp van wet betreffende de arbeidsduur in de openbare en particuliere sector van ’s lands bedrijfsleven (Debucquoy), Parl. St. Senaat 1963-1964, nr. 287, 9.
[40] Zie Gent 4 oktober 1979, JTT 1980, 272; Arbh. Brussel 21 maart 1988, Soc. Kron. 1989, 46.
[41] H.-D. BOSLY en C. SARTEAU-THIRION, “Interpretatie van het begrip ‘arbeidsduur’ in het geval van nachtwachtdienst”, Or. 1982, 13.
[42] Zie Arbrb. Brussel 27 april 1993, JTT 1994, 327. Ook S. BOUZOUMITA en I. DE WILDE wijzen trouwens  erop dat deze strekking enkel effectieve arbeidsprestaties verdisconteert (“Het Hof van Justitie en het begrip ‘arbeidstijd’: slapen is soms werken”, Or. 2004, 159).
[43] Zie duidelijk in die zin: Gent 4 oktober 1979, JTT 1980, 272.
[44] Arr. Cass. 1979-1980, 208.
[45] Zie Arbh. Antwerpen 4 januari 1994, Soc. Kron. 1994, 355; Arbrb. Leuven 24 december 1996, Soc. Kron. 1997, 246; Arbrb. Charleroi 3 december 2001, JTT 2002, 199.
[46] Zie M. DAVAGLE, “Travailler: être à la disposition de l’employeur”, Ors. 2000, 16; E. TRUYENS, “Un travailleur ‘dormant’: pourtant, sa durée du travail peut courir”, Ors. 1993, 208.
[47] Arbrb. Leuven 24 december 1996, Soc. Kron. 1997, 246.
[48] Zie in die zin: Arbh. Brussel 20 februari 1990, Rechtspr. Arb. Br. 1990, 235; M. DAVAGLE, “Travailler: être à la disposition de l’employeur”, Ors. 2000, 14.
[49] Zie Arbh. Brussel 20 februari 1990, Rechtspr. Arb. Br. 1990, 235; Arbrb. Charleroi 2 januari 1992, JTT 1992, 329 (weliswaar inzake het begrip ‘arbeidsongeval’). Contra: Arbh. Luik 4 december 1995, Soc. Kron. 1997, 244.
[50] J. PETIT, De arbeidstijdregeling, Brugge, Die Keure, 2001, 15. In een arrest van 20 november 2007 nam Arbh. Brussel (JTT 2008, 229) de definitie van PETIT over.
[51] Zie M. DE GOLS, De organisatie van de arbeid, Diegem, Ced.Samson, 2001, 17; J. PETIT, De arbeidstijdregeling, Brugge, Die Keure, 2001, 15; E. TRUYENS, “Un travailleur ‘dormant’: pourtant, sa durée du travail peut courir”, Ors. 1993, 210; O. VANACHTER, “Wachtdiensten en arbeidsduur”, Or. 1986, 52. In een arrest van 20 november 2007 nam Arbh. Brussel (JTT 2008, 229) de definitie van PETIT over.
[52] M. DAVAGLE, “Travailler: être à la disposition de l’employeur”, Ors. 2000, 7.

3 opmerkingen:

pol zei

Beste Koen,
Je artikel kon op geen beter moment gepubliceerd worden.
Deze week zijn de europese sociale partners begonnen met hun onderhandelingen over de herziening van de richtlijn arbeidstijd (art.155 VEU).
Na 4 jaar onderhandelingen zonder succes op politiek niveau, willen zij het nu proberen.
Binnen 9 maanden weten we of het gelukt is.
Ik heb de eer om deze onderhandelingen te mogen voorzitten.
Je artikel is hierbij verhelderend! Dank.

Paul WINDEY
Voorzitter Nationale Arbeidsraad.

K. Nevens zei

Beste Paul,

Bedankt. Deze noot werd enkele weken geleden trouwens ook gepubliceerd in JTT. Voorts vind je ook in mijn doctoraat een hoofdstuk gewijd aan het begrip arbeidstijd (in relatie tot het gezagsbegrip).

Mvg,

Pieter Verschueren zei
Deze reactie is verwijderd door de auteur.